J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK III.

DE BIECHTVADER.

Het lust hem, min de vloekbazuin
Op Ebals barren top te steeken,
Dan zegeningen uit te spreken
Op Gerizims bedaauwde kruin.
N. S. VAN WINTER

H.gif (3137 bytes)et hoofd der Zwarte Bende was naar Amersfoort teruggekeerd, met het voornemen om niets te verzuimen, dat hem de genegenheid van Maria kon doen verwerven, en hoewel haar deugd en eenvoud hem reeds lang bekend waren, wanhoopte hij nog niet, om haar binnenkort door zijn schoonschijnende woorden en gehuichelde vriendelijkheid in zijn netten te lokken. Gelukte hem dit niet, dan moest geweld het meisje in zijn armen voeren, maar ook niet, voordat hij moest opgeven om haar hart te winnen. Soms had hij gedacht, dat Maria zijn plannen doorgrond had, omdat zijn vleierijen en het geluk, dat er volgens zijn zeggen in rijkdom, pracht van kleederdracht en een vroolijk leven lag opgesloten en dat hij haar zoo aanlokkelijk had voorgesteld, zoo weinig invloed op haar gemoed schenen te hebben. Maar, zooals gezegd, hij gaf den moed niet op; hij kon niet vermoeden, dat zij hem op den duur tegenstand zou kunnen bieden, vooral daar Van Schaffelaar zoo ver van haar verwijderd was. Hij meende ook bemerkt te hebben, dat zij de liefde nog niet kende, en zijn trots maakte hem diets, dat hij voor het eerst haar hart zou doen spreken; dat hij voor het eerst haar kuischen mond, als zij van liefde dacht te sterven, de zoetste namen zou hooren stamelen.

Toen hij weer zijn intrek in de Vergulde Helm genomen had, dacht hij den volgenden morgen Maria alleen of met haar moeder in de huiskamer te vinden en spoedde zich naar beneden, maar toen hij de kamer binnenkwam, zag hij dat pater van Broechuijsen geheel alleen bij het raam zat. Hij wilde nu zachtjes de deur weer dicht doen, want hij was er juist niet bijster op gesteld, om met dezen achtenswaardigen geestelijke, dien hij steeds ontweken had, in aanraking te komen; maar ziet, de oude man wendde het hoofd om en dat noodzaakte Perrol binnen te treden.

Hij deed de deur dicht, boog voor den grijsaard, die in een eenvoudig kloostergewaad gehuld was, en wiens eerwaardige, zilverachtige baard op zijn borst neerhing en zei ongedwongen, terwijl hij zijn kaproen afnam: „Indien ik mij niet bedrieg, dan heb ik eindelijk het geluk den achtenswaardige pater van het St. Aagten-klooster te mogen begroeten.”

„Dat ben ik, Heer,” antwoordde de geestelijke vriendelijk, die Perrol van het hoofd tot de voeten bezag. „De vrouw is met haar dochter uitgegaan. Zet u neer, Heer, het zal mij veel genoegen doen eenige oogenblikken met u te spreken.”

„En niets zal mij aangenamer zijn,” hernam Perrol, en ging zitten; „reeds zoolang heb ik u eens willen bezoeken: want gij zijt het, die de arme vrouw en Maria nu en dan in haar lot zoekt te troosten, en ik wilde u vragen of er niets voor den meester gedaan zou kunnen worden?”

„Wat te doen was, is al gedaan, Heer ruiter,” zei de pater en glimlachte vriendelijk; „en uw bezoek zou mij zeker veel genoegen gedaan, doch tevens ook bevreemd hebben.”

Zoo spraken zij eenige oogenblikken; toen zei Perrol: „Ik weet het, waarde vader, dat gij den Bisschop zeer genegen zijt, en het verwondert mij niet; als ik een geestelijke was, zou ik ook mijnheer David niet verlaten; niets heb ik altijd meer afgekeurd.”

„Bedrieg ik mij dan, dat gij in het eerst zijn Eerwaarde gediend hebt?” zei de pater en zag hem meesmuilend aan; „ik dacht, Heer, dat de Zwarte Bende in zijn soldij had gestaan

„O neen, gij hebt gelijk,” hernam Perrol, „en ik stel te veel prijs op uw achting, om u de zaak niet nader uit te leggen. Gij weet, mijn Vader, dat zijne Majesteit Lodewijk de Elfde, koning van Frankrijk, met Maximiliaan gestadig oorlog heeft; toen ontstond in Utrecht de twist met den Bisschop en de koning van Frankrijk besloot deze tweespalt te ondersteunen, evenals hij de onlusten in Luik en Vlaanderen met geld en beloften heeft gevoed. Maar Utrecht behoefde meer dan geld en belofte, en toch was het hem niet mogelijk, om hulptroepen dwars door het gebied van Maximiliaan te zenden. Men kan voor geld spoedig een hoop schobbejakken in soldij nemen, doch men kan zoo maar op eens geen ruiters vormen, en in den dienst bekwamen. De ridder Petit Salazar had zijn dienst uit ongenoegen verlaten en was in dien van zijn vijanden overgegaan; toen gelastte hij mij hierheen te trekken, en ik ging; want ik stond in zijn soldij, en diende hem. Vandaar, waarde Heer, dat hij mij vervolgen liet, dat men mij in het land van den Hertog gewillig ontving en zelfs dienst aanbood, want men dacht, dat ik Salazar’s voorbeeld gevolgd had; maar ik had reeds aan Bisschop David geschreven en hem mijn persoon en mijn bende aangeboden, voorgevende niet gaarne tegen mijn oude wapenbroeders te willen vechten. Hij nam mij in zijn soldij, en de eenige reden, dat ik niet dadelijk zijn zijde verliet, toen ik veilig in deze gewesten was aangekomen, lag in een bevel van mijn vorstelijken meester, die gewoon is de zaken lang te bezien, voordat hij ze haar beslag geeft. Ik heb mij niet te beklagen over mijnheer Davicl, die mij goed behandelde, maar dat heeft hij zich evenmin over mij, want zijn vrijheid en zijn leven waren dikwijls in mijn handen. Hij wantrouwde mij ook niet, hoewel hij altijd bevreesd is, dat de heeren van dit gewest, die hem trouw zijn, zijn zijde zullen verlaten. Gij ziet dus, waarde Vader, dat ik niet uit eigen beweging hierheen kwam, of heer David verried. Mijn koning beloont mijn diensten vorstelijk; een krijgsman moet zijn vorst dienen, en dat heb ik gedaan.

„Gij hebt gedaan, mijn zoon, wat men u gelastte,” zei de pater langzaam; „maar gij weet niet, hoeveel onheil uw tegenwoordigheid hier sticht, door den geest van oproer te versterken, en gij zult met uw Bende toch alleen de oorlogsmacht niet kunnen weerstaan, die de Hertog hierheen kan zenden.”

„Ik heb nooit getwijfeld aan den goeden afloop van een oorlog, waarin ik diende,” hernam Perrol; „mijn Zwarte Ruiters, mijn Vader, zijn moedige knapen, en ik ben het alleen niet, die deze zaak verdedigen zal, de Burggraaf van Montfoort heeft veel invloed en wordt bemind, en Utrecht is een stad, die zeer veel hulpbronnen bevat.”

„Ik wil niet hopen, dat gij gelijk hebt,” zei de pater, „maar God zal den zegen geven aan de goede zaak; wat u en de andere krijgslieden betreft, gij zijt gewoon aan oorlog en verwoesting; maar wij geestelijken en de arme burgerij niet.”

„En toch heb ik wel eens geestelijken aangetroffen, die zwaard of strijdhamer voerden,” zei Perrol lachend; „maar ik moet u toegeven, niet in deze landen: nergens heb ik vromer dienaren van de heilige Moederkerk aangetroffen dan in deze streken.”

„Een priester bloed vergieten!” riep de pater vol afschuw, „o dat is slecht en een ongehoorde misdaad; want het bloed, dat men vergiet, zal men moeten verantwoorden, mijn zoon,” eindigde hij, en zag Perrol met nadruk aan.

„Reeds meermalen, eerwaarde Vader,” zei deze, nadat hij eenige oogenblikken gezwegen en zijn gelaat een ernstige plooi gegeven had, „hebben eenige vrome mannen, zooals gij, dit tot mij gezegd, en hun woorden hebben diepen indruk op mijn hart gemaakt; maar, helaas, de gewoonte (want van den jeugd af voerde ik het zwaard) om te strijden, te rooven en te plunderen, was mij te veel eigen geworden om deze loopbaan te verlaten, en als ik dan geestelijke vorsten, ja zelfs onzen heiligen Vader het moorden niet zag afkeuren, als het in hun belang en op hun bevel geschiedde, dan begon ik weer te twijfelen, hoewel mijn hart mij toeriep: „Leg het zwaard neer.” Ja, zoudt gij wel gelooven, dat ik reeds dikwerf het voornemen heb opgevat, om mijn dagen ergens, ver van het gewoel der wereld, in een eenzaam kloostergebouw te gaan eindigen, of een vrouw te nemen en alleen in het huiselijk geluk mijn vreugde te zoeken? O ja, dan verbeeld ik mij, dat, indien ik zoo gelukkig kon zijn, een deugdzaam en eenvoudig meisje voor eeuwig door den plechtigen band van het huwelijk aan mij te verbinden, en mijn echt gezegend was, mijn ziel ook behouden zou zijn. Maar helaas, mijn waarde Vader, dat geluk wacht Perrol niet; wie zou mij tot man begeeren, die gevreesd en ontvlucht wordt, als een booze geest, alleen omdat ik nimmer getracht heb mijn losbandig gedrag of mijn onstuimige inborst te verbergen.”

Hier zweeg hij, boog zijn hoofd voorover, en verborg zijn gelaat in zijn handen; want de vreugde, waarmee de Pater hem aanhoorde, en welke op diens eerwaardig gelaat te lezen stond, werkte zoo sterk op de lachspieren van den veinzaard, dat hij zijn gelaat niet meer in de plooi houden kon, die zijn klaaglied noodzakelijk vorderde.

„Mijn zoon, ween niet,” zei de oude man aangedaan, en legde zijn hand op den schouder van Perrol, „ik dank St. Hendrik, die mij tot voorspraak dient, dat hij mij heeft toegestaan een blik in uw ziel te werpen; waar het berouw groot is, daar is ook de genade groot; maar bedroef u niet; ook ik heb u verkeerd beoordeeld, doch wat mijn beide biechtelingen mij van u zeiden, heeft mij u nader doen kennen. Zij verachten u niet, ik verzeker het u; maar ontzien u als een. vriend, en ik hoewel helaas, een onwaardig dienaar der kerk, ik veracht geen mensch; de grootste zondaar is een ongelukkige broeder voor mij. Richt u op, en vestig uw gedachten op andere onderwerpen; deze plaats is niet geschikt voor zulk een gesprek.”

Perrol richtte het hoofd weer op, en drukte de hand van den vromen man, die vriendelijk zei: „Mijn zoon, gij hebt mij gezegd, dat gij uw booze daden nooit hebt verbloemd; ik weet niet, of ik dat moet goedkeuren of niet; maar ik weet, dat gij uw goede daden geheim houdt, en dat is braaf.”

„Hoe zoo mijn Vader?” vroeg Perrol, die werkelijk verwonderd was.

„Wel, ik bedoel de edele poging om den vader van dit huis te verlossen; zonder dat gij getracht hebt u uit deze daad een verdienste bij zijn vrouw en dochter te maken,” antwoordde de pater.

„Gij weet het dus,” riep Perrol mismoedig, „maar vanwaar?”

„Ja, Heer,” hernam vader Van Broechuijsen, „ik schreef een tweeden brief aan zijn Eerwaarde met een bede, om meester Wouter in vrijheid te stellen of het losgeld te bepalen, en toen ontving ik ten antwoord dat de heer Van Schaffelaar en Messire Perrol tevergeefs reeds vele aanbiedingen, ja zelfs de laatste bedreigingen had gedaan; want dat zijn Eerwaarde vooralsnog reden had om hem niet op vrije voeten te stellen.”

„Ja, dat weet ik niet,” hernam deze, „want de meester is een stil burger, en men zal toch in Utrecht of hier geen gebrek hebben aan hoef- of wapensmeden.”

„Gij hebt daarvan immers niets aan vrouw Martha of haar dochter gezegd?” vroeg Perrol; en toen de geestelijke lachend het hoofd schudde en antwoordde; „Neen, nog niet,” verzocht Perrol hem van deze zaak niets te zeggen; maar pater Van Broechuijsen was niet te bewegen om zijn woord van stilzwijgendheid te geven, en zei eindelijk: „Al uw praten is tevergeefs, mijn zoon. Indien het iets was tot uw nadeel, ik zweeg vanzelf, of zou u ter wille zijn; zij moeten weten, wat zij aan u verplicht zijn.” Perrol zweeg, want wat de geestelijke gezegd had, was juist wat hij verlangde.

„Heer,” zei de biechtvader van het St. Aagten-klooster een oogenblik daarna. „gij hebt daar een fraaien steen aan die halsketen hangen; indien het niet te veel gevergd is, laat mij dien eens zien.

„Volgaarne,” hernam Perrol, die den ketting van zijn hals afdeed en het slot in de hand van den pater legde; „het is een gesneden kornalijnsteen, dien ik in ItaliŽ gekocht heb, en in dit slot liet zetten; een geleerd geestelijke te Toulouse heeft mij verzekerd, dat het St. Agatha voorstelt en Quintianus, die haar zoekt te verleiden.”

„O neen, Heer. Hij bedroog zich,” zei de pater, die met geestdrift en met belangstelling den steen bezag; „niet, dat St. Aagte niet een zeer gepast onder werp zou zijn, St. Hendrik en St. Augustinus bewaren mij! Neen, het zijn de heidensche afgoden Venus en Mars; maar de steen is goed bewaard en groot. Ik ben een weinig met die dingen bekend,” vervolgde hij met een tikje eigenliefde: „een geestelijke, zelfs, mijn zoon, kan niet altijd bidden of dienst doen en er zijn zoovele vermaken, die hem niet vervoegen, dat de studie bijna zijn eenige troost is, en al de gedenkstukken der oudheid hebben mij sinds jaren bijzonder veel belangstelling ingeboezemd.”

Perrol, die bemerkte met hoeveel genoegen de pater den gesneden steen bezag, en die niets meer verlangde dan den biechtvader van Maria en haar moeder aan zich te verplichten, maar ook wist hoe graag geestelijken, ja de meeste menschen en vooral verzamelaars van oudheden, iets ten geschenke ontvangen, onderdrukte met moeite zijn lachlust en zei verwonderd. „Bij mijnheer St. George, eerwaarde Vader! Ik geloof u gaarne; maar hij, die hem mij verkocht, was prior van een klooster in Rome, en hij heeft mij bezworen, dat deze reliquie door den heiligen vader gewijd was. Helaas, wat ik zoo dikwijls aan de heilige Agatha gezegd heb, heeft zich dan gericht tot de schoone, maar heidensche vrouw Venus!”

„De heilige Vader, mijn zoon, kan zich bedrogen hebben in het beoordeelen van een steen, hoewel hij anders onfeilbaar is,” hernam de pater; „want als die monnik het bezworen heeft, mogen wij niet twijfelen of de steen is gewijd; maar bedroef u niet; St. Aagte zal u wel verhoord hebben, toen gij haar aanriept, ofschoon gij haar onder de gedaante van een onreine godin vereerdet; bovendien moet de wijding u geruststellen.”

„Zoo gij dat gelooft, Waarde Vader,” zei Perrol, „dan ben ik weer gerust; maar toch wil ik den steen niet meer dragen, omdat ik niet zeker weet, of ik de beeltenis moet vereeren of niet. Ik bid u, mijn Vaeder, red mij uit deze verlegenheid: neem dit slot en bewaar het, zoo gij wilt, als een gedachtenis aan mij.”

,Ik dien kostbaren Steen aannemen, die zoo zuiver gesneden is!’, riep de pater verwonderd, doch met een verheugd gelaat; „bedenk eens, welk een groot geschenk, Heer, en bovendien hoeveel goud zit er wel niet omheen.”

„Ik heb meer steenen, mijn Waarde Heer, en dit is juist een heilige, dien gij bijzonder vereert,” hernam Perrol; „ik zal u de andere hij gelegenheid laten zien, zij zijn meest in mijn wapens, sieraden of drinkschalen gevat; ik bid u, weiger dit geschenk nu niet; bewaar den kornalijn, en laat het goud dienen, om bij den naderenden winter in de behoefte van eenige arme burgers of dienaren der heilige Moederkerk te voorzien.” Hierop maakte hij het slot van de keten los, en overhandigde het den pater, die niet langer weigerde; want nog nooit had hij zoo’n fraaien steen in zijn bezit gehad.

Vervolgens ondervroeg de oude man het bendehoofd over de overblijfselen der oudheid, welke hij gezien had; en hoewel deze nooit zijn aandacht daarop had gevestigd, kostte het hem weinig moeite, zich nog veel te herinneren; hij verhaalde en beschreef nu wat hij in ItaliŽ, Spanje en Frankrijk gezien had. Toen de pater zich beklaagde, dat in deze landen zulk fraaie overblijfselen der oude wereldbeheerschers niet gevonden werden, vroeg Perrol verwonderd: „Maar zijn de Romeinen dan ook hier met hun legers doorgedrongen, waarde Vader?”

„Zeer zeker, Heer,” hernam deze: onder hun veldheer Cajus Julius Caesar, die naderhand keizer werd, kwamen zij in deze landen en sloten een verbond van vrede en vriendschap met de volkeren, die hier woonden, waarna zij hun veroveringen voortzetten en tot in het tegenwoordige Engeland doordrongen. In vervolg van tijd ontstond er nu en dan wel eens oneenigheid over de belastingen of diensten die zij vorderden en daarvoor hadden zij wapen- en wijkhuizen opgericht. Aan den mond van den Rijn ligt, hoewel nu door de zee bedolven, zulk een sterkte; te Leiden, in Holland, en op vele plaatsen hadden zij hun burchten of sloten, waarin de krijgslieden bezetting hielden.” Voorts vertelde de pater hem, welk een voornaam punt van hun bezittingen het oude Trajectum, het tegenwoordige Utrecht, geweest was, en hij beloofde Perrol in het vervolg eenige munten en oudheden te laten zien, die in de nabijheid van Vechten en bij het huis te Voorn gevonden waren, waar, naar men geloofde, ook twee burchten gestaan hadden, om zich van den Rijn, zoowel boven als beneden Utrecht, te kunnen verzekeren. „Ik zal u dan ook nog eenige oude potten, met asch en beenderen gevuld, laten zien, die men in groote menigte tusschen deze stad en Arnhem vinden kan,” vervolgde de pater, „in een vrij groote vlakte van zand en heide, welke midden in het woud bij Roekel gelegen is, en tevens eenige oudheden, die bij de Schans op de Veluwe gevonden zijn.” „Is dit ook een oude verblijfplaats der Romeinen?” vroeg Perrol, die niet veel belang stelde in wat men hem vertelde.

„Neen, Heer ruiter,” heirnam pater Van Broechuijsen, „tevergeefs heb ik getracht met zekerheid op te sporen, door welk volk deze sterkte is opgeworpen, die van ouder tot ouder de Hunnenschans genoemd wordt.” En hij gaf een gansche uiteenzetting ten beste over de Hunnen.

„Ik ben u wel zeer verplicht, eerwaarde Heer,” zei Perrol snel daartusschendoor; „vermoei u niet met mij nadere inlichtingen te geven; want indien ik hier nog ben, als het voorjaar aankomt, dan ga ik zelf de Schans eens bezoeken.” Maar de geestelijke heer, die verheugd was iemand te treffen, dien hij over zijn verzameling van scherven, van potten en kannen kon onderhouden, vervolgde zijn betoog, terwijl hij zijn hand op den arm van den aanvoerder der Zwarte Bende legde, die opstaan wilde.

„Het is dus een ellendige sterkte geweest,” zei Perrol eindelijk, ongeduldig: „toch is zij de bezichtiging wel waard, ofschoon ik mij herinner meer zulke aardhoopen gezien te hebben.”

„Voor het tegenwoordige, mijn zoon,” riep de pater droevig, „is er geen denken aan, om de Hunnenschans te gaan bezoeken; ik zelf had zoo gaarne, ondanks mijn hooge jaren, nasporingen gedaan in eenige grafheuveltjes, die buiten de Schans gevonden worden, en waaruit een oude schaapherder vůůr eenige jaren belangrijke oudheden opgroef; maar de Schans is thans zoo ongenaakbaar, dat de herders haar niet eens durven naderen, of hun schapen naar het Uddeler-meer drijven om ze te drenken.”

„Ho, ho, Heer pater!” riep Perrol met meer aandacht, „dat alleen zou mij uitlokken; mijn Zwarte Ruiters zijn niet bevreesd voor eenige heidensche troniŽn, en bij mijnheer St. George, al wonen er nog Hunnen of Magyaren, Sarracenen of ander tuig, zij zullen de Schans beklimmen en er de zwarte banier op planten.”

„Al naamt gij uw geheele bende mee, gij zoudt niets uitrichten, en al waren zij tienmaal zoo sterk, dan zou ik uw banier nog niet willen volgen; er is maar ťťn veldteeken, Heer, waarin men zou kunnen overwinnen; het is het kruis, Heer,” zei de pater bedaard.

Toen Perrol nieuwsgierig uitriep: „Maar Vader, wie woont er dan toch in dat verlaten aarden kasteel?” antwoordde hij zacht:

„Een afschuwelijke tooverheks, mijn zoon, die door de herders de heks van de Hunnenschans genoemd wordt.”

„Maar ik dacht, dat een geestelijke niet bevreesd behoefde te wezen voor een tooverkol,” vroeg Perrol, die meer belang scheen te stellen in dit gedeelte van hun gesprek, en met moeite een glimlach onderdrukte.

„Zeer zeker kunnen wij door de kracht van onzen lieven Heere Jezus en zijn moeder, de heilige Jonkvrouw Maria, den duivel uitbannen en den toovenaars en zulk afschuwelijk volk hun macht ontnemen; en inderdaad, ik zou zoo gaarne de schans eens gaan opzoeken, welke nu reeds sedert jaren door dat helsche wijf wordt bewoond, dat ik reeds aan den kellenaar van de abdij Abdinckhof heb voorgesteld, om de heks te bezweren en te verdrijven. Tot mijn leedwezen echter moet ik zeggen, dat hij uit belang voor zijn abdij mijn voorslag heeft verworpen; want de vrees, die de omliggende bewoners voor de kol hebben, is oorzaak dat hij jaarlijks aan het volk een groot getal gewijde zaken verkoopt, welke hen tegen haar macht beschermen.”

„Ik zie dus,” merkte Perrol op, „dat alle geestelijken hier ook al niet handelen, zooals het behoorde; maar,” vervolgde hij, na zich eenige oogenblikken bedacht te hebben, „tegen het voorjaar, mijn waarde Vader, zal ik u om uw heiligen zegen vragen, en ik vertrek dan welgemoed, om de heks met mijn zwaard te belezen; en het zal voor het laatst zijn, dat de kellenaar het arme volk in de noodzakelijkheid brengt, om hun zuur verdiend geld bij hem te brengen.”

Hij vroeg nog eenige nadere inlichtingen over de Schans, en een oogenblik daarna werd de deur geopend, en vrouw Martha kwam met haar dochter binnen. Perrol groette haar vriendelijk, en riep: „Waarlijk, mijn beste huisvrouw, gij laat uw gast lang wachten; en ik vrees, dat deze waarde heer, dien ik met zooveel vragen heb lastig gevallen, een weinig verstoord op u zal zijn, dat gij hem met een nieuwsgierigen ruiter alleen laat, zelf op Maria, indien zij er de schuld van is.”

„Beangst u maar niet, mijn dochter, deze heer jokt,” zei de pater vroolijk; „het is voor mijn geen last, maar een groot genoegen geweest met hem kennis te maken.”

„En ik dan!” riep Perrol. „Ha, ha, het is wel wat onbeleefd gezegd tot mijn goede vrouw Martha en haar schoone dochter; maar indien ik mijn gesprek met den Pater moet staken, omdat gij binnen zijt getreden, dan wensdite Ik waarlijk, dat gij nog een weinig waart weggebleven.”

Moeder en dochter, zoowel als Perrol zetten zich neer, en met beleid wist hij zijn gesprek zoodanig in te richten, dat hij vertrouwen kon, dat het aan de twee vrouwen en den pater welgevallig zou zijn.

908SR15.gif (1832 bytes)

De heidinInhoudopgave OltmansWalson

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)