J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

VIERDE DEEL. – HOOFDSTUK 3

DE BISSCHOP EN DE SCHAAPHERDER

En nu – was echt genoot, ’k was man, ’k was vader.
Jaren Zijn met hun vreugd en smart onmerkbaar weg gevaren
Mijn lente, zomer, herfst zijn als een schaauw daarheen!
Mr. R. FEITH.

D.gif (3307 bytes)e tijding van het gevangennemen van den Bisschop en het bemachtigen van Utrecht, was een donderslag voor de Hollanders; het beleg van de stad Montfoort werd terstond opgebroken, en men zond bericht van het gebeurde aan Maximiliaan. De vrede met Frankrijk gaf hem de gelegenheid, om nu, eens en vooral, met geweld de hoop van zijn vijanden voor altijd te vernielen, en hij kwam; van alle zijden verzamelden zich zijn krijgslieden en tot den dienst opgeroepen burgers; het volk van heer David voegde zich hierbij, en het leger lukte omstreeks half Juni vůůr de weerspannige stad. Weldra werden de torens, poorten en muren beschoten uit slangen, bussen en mortieren, en kunstig samengestelde enginen wedijverden met hen om de stad en hare muren te vernielen. Frank bevond zich bij het leger; hij was de Schaffelaars gevolgd, waarvan slechts een gedeelte in Utrecht was geweest tijdens de overrompeling. Zijn knaap wist alleen, dat hij afwezig was geweest; de ruiters, die nog in leven waren gebleven, hadden hem des nachts wel niet gezien, maar door de verwarring, welke er heerschte, had niemand opgemerkt, dat Frank eerst tegen den nacht zich te Wijk bij de Schaffelaars kwam voegen. Geen oogenblik echter waren het gelaat en de woorden van den Bisschop uit zijn geheugen geweken; Maria beminde hem, en toch was hij niet opgeruimd: hij had zijn plicht verzaakt. Het gebrek aan levensmiddelen in de stad, de macht van den vijand, en de verwoestingen, die het geschut reeds had teweeggebracht, deden de belegerden een poging doen, om een vergelijk te treffen; doch zonder vrucht. Een week later kwamen echter heer Engelbert, de burggraaf van Montfoort en verscheiden aanzienlijke burgers opnieuw, op goed vertrouwen, nogmaals bij den aartshertog om over den vrede te onderhandelen. De burggraaf, door een van zijn vrienden gewaarschuwd, dat men allen in het weerkeeren gevangen zou nemen, vond gelegenheid om zich te verwijderen en zich, door de vlugheid van zijn paard en bekendheid met de wegen, in de stad te redden; de anderen echter bleven gevangen.

Eindelijk werd de oproerige stad genoodzaakt, uit vrees voor erger, zich te onderwerpen. Den 6den September deed Maximiliaan, over de brug, die de burgers over de stadsgracht hadden moeten slaan, en door den muur, dien zij hadden moeten openbreken, zijn intocht in de stad. De tegenstanders van heer David vluchtten, of verbeidden in bange verwachting de toekomst, en de burgers van Amersfoort, die na den val van Utrecht het zegevierend leger voor hun muren konden verwachten, haastten zich een voordeelige overeenkomst met den Bisschop te sluiten, en brachten hem zelf met een macht gewapenden naar Utrecht.

Men bemerkte echter al dadelijk, dat heer David ditmaal niet verzuimde zijn krijgsvolk in de stad te brengen, en zich van zijn vijanden te verzekeren; en terwijl het gerucht ging, dat men hun huizen onder den voet zou halen, versterken de Hollanders, die de Katharijnen-poort bezet hielden, deze aan de stadszijde met bolwerken en grachten. De heerschzuchtige Bisschop, nog woedend over den onderganen hoon, stelde alle middelen in het werk om te ontdekken, op wien hij zijn toorn laden moest; hij wilde degenen onverwijld straffen, die zijn gevangenneming veroorzaakt hadden. Zij, die in de stad woonden en met zijn vijanden den aanslag hadden beraamd, waren waarschijnlijk gevlucht; hem bleef dus vooreerst alleen over, om te onderzoeken of zijn eigen krijgslieden hun plicht gedaan hadden. De muur achter de Lauwerstraat, die gedeeltelijk door Frank, gedeeltelijk door den zoon van een der ijverigste voorstanders van den Bisschop had behooren te worden bewaakt, was beklommen; daarom liet heer David terstond hen beiden vatten. De ruiters waren meest bij den overval gedood en de weinigen, die nog leefden, verklaarden, dat zij Frank gedurende den nacht nog gezien hadden; dat zij ook niet twijfelden, of hij was met hen tegen den vijand slaags geweest, hoewel de verwarring hen zeker gehinderd had hen te zien. Zij zeiden de waarheid, zelfs minder dan de waarheid, om den vriend van Jan van Schaffelaar te redden: de knaap Henri, die alleen door zijn nietige gestalte verhinderd was, evenals Walson, in plaats van zijn heer te strijden en misschien te sneuvelen, zwoer, dat Frank zijn post niet verlaten had. De trouwe ruiters hadden niet verzuimd goede wacht te houden; de knechten van den tweeden gevangene echter wel; op hen en op hun bevelhebber lag de schuld; maar zij hadden Frank niet gezien, toen de Schaffelaars hen te hulp snelden, om den in de stad gedrongen vijand te keer te gaan. Hierop grondden zij hun verdediging, die geloof vond; want de een was de zoon van een edelman, die vermogende bloedverwanten en vrienden had, de ander was een gewezen schaapsherdersjongen, wiens diensten niet in aanmerking kwamen. Zijn leven, dat hij honderden malen in de voorstad gewaagd had, wilde men hem benemen; er moest een slachtoffer gevonden worden; zijn dood alleen kon zijn rechters tevreden stellen, den toorn van den Bisschop doen bedaren en den jongen edelman redden. Tot nog toe had Frank staande gehouden, dat hij zijn plicht gedaan had; het was onwaar; maar de waarheid was de dood, en hij wilde leven. Doch toen men zijn knaap en zijn ruiters opnieuw aansprak, toen hij voorzag, dat zij ter pijnbank zouden gesleept worden, kwam hem de edelmoedige opoffering van zijn vriend in de gedachte: hij wilde Jan van Schaffelaar niet geheel onwaardig zijn. De rechters dachten, dat hij terugbeefde voor de folteringen; want hij deed een uitroep, die smart en wanhoop uitdrukte: doch deze gold Maria. Hij lichtte daarna het hoofd op en zei: „Deze mannen hebben mij gezien, zij hebben geen schuld; wat mijn knaap gezegd heeft, is de waarheid; ze weten echter niet, dat ik mijn post verlaten heb, ik heb mijn plicht verzuimd; zij hebben geen schuld; mij alleen moet gij veroordeelen!”

De Bisschop verwachtte een schuldigverklaring, en de rechters velden het doodvonnis......

„Zoo zeker als mijn vijanden mij zullen leeren kennen,” zei de Bisschop driftig tegen heer Loef van Oosterweerd, die voor hem stond, „zoo zeker zeg ik u: hij zal sterven; zijn aanvoerder heeft vruchteloos getracht mij te verbidden. De ridder Salazar had voor hem gesproken bij den Aartshertog; gisteren verzocht deze mij het leven te schenken; weet gij, wat ik antwoordde? – Dappere neef, zei ik, men heeft mij gezegd, dat gij eenigen uwer mannen hebt laten opknoopen, omdat zij zonder uw bevel de stad bestormd hadden, en gij hebt welgedaan; maar wees dus zoo goed niet vreemd te vinden, dat ik een ellendeling laat onthoofden, die zijn post verlaten heeft en mijn vernedering heeft veroorzaakt. – De aartshertog lachte; hij voelde, dat ik het verzoek afsloeg, en sprak over andere zaken.”

„Ik had gedacht, dat uwe vorstelijke genade,” zei de heer Loef eerbiedig, „uit aanmerking van mijn trouwe diensten, mijn verzoek niet zou hebben afgeslagen.” „Gedacht?” riep de Bisschop spottend, „durven hopen was wel, zouden wij denken; en wat die diensten betreft, de belooning zal wel opwegen tegen de straf voor de diensten aan Montfoort en den Klevenaar bewezen. Maar schrik niet, trouwe heer, wij zullen onze schulden betalen, al willen wij u de mogelijkheid ontnemen, uw nicht aan een gemeenen ruiter weg te werpen en uw bekendheid met dien Perrol vergeten, die mijn trouwen leenman heeft vermoord, voor wien wij zelf gebeden hebben.”

Heer Loef sidderde, toen de Bisschop sprak; en deze, die zijn ontroering lachend gadesloeg, vervolgde ernstig, toen hij niet meer durfde verzoeken om het leven van Frank te sparen: „Wij staan u toe ons te verlaten. Morgen wordt het vonnis voltrokken: wij zullen last geven u in den vroegen morgen de gevangenis te openen; gij kunt hem dan voor het laatst bezoeken.”

Heer Loef boog diep, en verliet, achteruittredend, het vertrek. Het scheen, dat deze weigering en de toespraak hem temeer hadden geslagen; het noodlot van Frank, de smart, die Ada zou voelen, de vernietiging van zijn plannen, alles was geschikt om hem te bedroeven.

Het vertrek was ruim en hoog van verdieping. De bisschop zat bij een der ramen in een armzetel aan een tafel, bedekt met papieren en perkamenten. Meester Hermanus van Lockhorst, kanunnik in het kapittel van een Dom, zat tegenover hem; hij vervulde de plaats van den vicaris Dirck Utenweert, die door de ongemakken, in zijn gevangenschap uitgestaan, op het ziekbed was geworpen, waarvan niet weer zou opstaan. Twee geestelijken zaten op eenigen afstand aan een kleine tafel, zonder op te zien, te schrijven; een page stond bij de deur, en toen deze geopend was, hoorde men het heen en weer gaan van de lijfwacht die in het voorvertrek de wacht hield. Heer David sprak met meester Lockhorst, en zei gemelijk: „Van alle zijden komt men mij lastig vallen over dien verrader of lafaard; ik zal blij zijn, meester, als zijn straf voltrokken is.” De kanunnik boog en wilde antwoorden, toen juist de deur geopend werd en een page, die binnentrad, kwam berichten, dat er iemand in het voorvertrek was, die zijn Eerwaarde verlangde te spreken. Met bevreemding vernam de bisschop, dat het iemand der gemeenste volksklasse scheen te zijn, die zei een zaak van gewicht te openbaren te hebben. Hij bedacht zich eenige oogenblikken en zei toen: „Laat hem hier komen; maar zorg, dat mijn lijfwacht zich gereed houdt.” De page vertrok, en hij vervolgde: „Wij dienen hem wel te hooren; zou er weer verraad broeien tegen onzen persoon?”

De Bisschop zag vreemd op, toen Ralph zich voor zijn oog vertoonde: die lange grijsaard met een kleeding van schapenleer, stak vreemd af tegen den rijk gekleeden page en het tapijtwerk; zelfs de geestelijken en de kanunnik lieten een oogenblik de pen rusten, en staarden hem met verbazing aan. Hij stond daar als een staak bij de deur, met zijn oog op den Bisschop van Utrecht gericht; hij hield de ruige muts op het hoofd en wierp zich niet aan zijn voeten.

De oogen van den Bisschop fonkelden, en terwijl hij zich half oprichtte, riep hij toornig: „Kent gij mij niet, schooier, of hebt gij vergeten, dat gij ons iets te zeggen hadt?”

„Neen,” antwoordde Ralph langzaam, en nam zijn muts van het hoofd. Hij naderde onbevreesd; doch de Bisschop riep driftig: „Blijf daar!” en wees met den vinger, waaraan een kostbare ring schitterde, naar de deur.

Toen glimlachte de schaapherder en zei: „Ik heb geen wapens, Bisschop...... en ben oud.” Een oogenblik bleef hij nog staan; het scheen hem moeite te kosten de stramme leden te buigen; daarna knielde hij neer.

De Bisschop scheen voldaan, toen hij zich in die nederige houding voor hem had geplaatst en vroeg: „Hoe zijt gij tot aan mijn vertrekken genaderd? Staat er geen wacht meer aan mijn hof?”

„Ja, eerwaarde Vader,” hernam de schaapherder; „maar de ruiters kennen mij, en zij lieten mij door; zij weten wat ik verzoeken wil.”

„Gij komt dus om te verzoeken?” zei de Bisschop onvriendelijk. „Nu, het weigeren is gemakkelijker, dan een oploop te bedwingen; ik dacht, dat mijn vijanden...... maar wat wilt gij, oude man?”

„Iets, dat u niets kost, eerwaarde Vader,” zei Ralph smeekend. „Het leven van een mensch, – genade voor Frank, den man van wapenen, die morgen sterven moet!”

„Ha,” riep heer David toornig, „gij komt ook voor hem? Bij de zalige ziel der vromen koning mijn patroon, verwijder u, of ik laat u door mijn wacht de deur uitsleepen!”

„Gelijk gij den knaap van Jan van Schaffelaar hebt laten doen,” zei Ralph ernstig. „Welnu, Frank was zijn vriend, den een liet gij over aan Perrol; hem wacht de beul......

Opnieuw zagen de mannen die schreven, even op; de moedige woorden van den gemeenen bedelaar verbaasden hen; zelfs de Bisschop zag bevreemd om naar den grijsaard.

„Hij was trouw en dapper; wij hebben voor hem gebeden, oude,” zei hij bedaard, na eenige oogenblikken het stilzwijgen te hebben bewaard, „wij hooren u aan, – wie zijt gij? – Wat hebt gij tot zijn verschooning te zeggen?”

„Ik ben Ralph de schaapherder,” zei deze, en zag den Bisschop vorschend aan. Deze luisterde onverschillig en hij vervolgde: „Het toeval bracht mij eens aan een boerenwoning, die verwoest was; een man en een vrouw lagen vermoord naast elkander: een kind, dat nog leefde, schreeuwde en spartelde aan hun zijde, het was Frank; hij had geen ouders; ik verzorgde hem en bracht hem groot; hij werd mijn jongen. Maar eens ontmoette hij Jan van Schaffelaar: die wapenpraal, die paarden, dat geschal der trompetten drongen hem door tot in de ziel; hij verliet mij en bad Van Schaffelaar hem aan te nemen. Deze deed het; hij werd knaap, daarna man van wapenen en vriend van zijn aanvoerder, dit zegt genoeg; hij is dapper en dient u trouw. Kan er, na zijn daden in de voorstad, getwijfeld worden aan zijn moed en ijver voor zijn Bisschop! Eerwaarde vader, om Gods wil, in naam van Jan van Schaffelaar, ik smeek u, schenk hem genade.” De stem van den grijsaard was aangedaan; hij wierp zich voorover neer, en zijn grijze baard raakte het kleed, dat den grond bedekte.

„Gij spreekt van moed en trouw,” zei heer David schamper, „en de man, voor wien gij genade vraagt, heeft zijn post verlaten; wij voeren straf en zwaard en kunnen het recht niet stuiten, – ga heen, grijsaard, morgen kunt gij hem zien; hij moet sterven......!”

„Eerwaarde Vader in Gode, genade!” riep Ralph jammerend, „beroof mij niet van hem, want zijn dood zou de mijne zijn; het vergeven is zulk een zoete plicht, en gij zijt een Bisschop, een priester van onzen gebenedijden Heer en zaligmaker; wees hem genadig, dan zult gij ook genade vinden.”

„Ha, gij vergeet den eerbied voor onzen persoon,” riep de Bisschop driftig, terwijl hij zijn violetkleurigen mantel terechtschikte. „Heeft de ellendeling niet ons leven gewaagd? Kan hij den smaad vergoeden, dien wij door hem hebben moeten lijden? Al had hij tien levens te verliezen, dan kan hij dit niet; de verguizingen roepen om wraak; hij moet sterven......

„Het is hier dus niet de Bisschop, die met de tranen in de oogen een schuldige straft, maar een Bisschop, die zich wreekt – en zijn goddelijken Meester, wiens onwaardige knecht hij is, bad voor zijn vijanden!” riep Ralph.

„En indien dit zoo was......” vroeg de Bisschop dreigend, „indien hij zich over die ongepaste woorden wilde wreken? Weet gij niet, schooier, dat het bloed van BourgondiŽ door mijn aderen vloeit, hoewel ik den mijter draag?” Doch toen Ralph niets antwoordde, maar bleef liggen, bedaarde zijn drift, hij schaamde zich wellicht over wat hij gezegd had en zei: „Hebt gij anders niets te zeggen, mijn zoon, ga dan in vrede; een oogenblik lijdens kan den jongeling den hemel openen en hem zijn vergrijp doen vergeven.

„Gelooft gij dan, dat de Hemel hem straffen zal, omdat hij ging bidden op het graf van zijn vriend, – dat hij zijn pleegvader gesproken heeft, – omdat de liefde zijn hart vervulde, en hij daarom zijn post verliet?” vroeg Ralph langzaam. en lichtte het hoofd op.

„Wij hopen van niet, mijn zoon,” hernam de Bisschop ernstig; „maar die redenen kunnen hem hier niet verschoonen; hij was krijgsman......”

„Maar geen priester,” riep Ralph, terwijl hij opstond. „De priester kan het verlangen, mag het verlangen niet kennen, dat den jongeling naar de maagd voert, welke hij liefheeft. Een priester kan de dankbaarheid niet kennen, welke Frank voor mij voelt; want hij vordert eerbied en ontzag van een grijsaard: hij vloekt zijn vader, als het belang van de kerk het vordert, want hij is priester en geen zoon meer! Gij noemt mij zoon, ik kon uw vader zijn. Neen, Bisschop, gij kunt niet weten, wat hem naar het graf van den vriend joeg, dien gij hebt laten vermoorden, zonder een poging aan te wenden......”

„Zwijg,” riep heer David driftig. „Bij St. Maarten, wij zullen zien, of wij langer de woorden van dien ellendeling moeten aanhooren. Page!” Maar hij zweeg plotseling de blik, dien de schaapherder op hem wierp, deed hem verstommen, en deze zei ernstig, terwijl hij de dorre hand uitstrekte:

„David van BourgondiŽ, gij moet mij hooren, of wilt gij, dat ik morgen spreek, als het zwaard gevallen is? Dan zal uw macht het bloed van dat priesterlijke gewaad kunnen wegnemen; want wat ik dan zal zeggen, zal het er mee bedekken. En gij zult vergeefs om genade roepen!”

„Ik......”?” riep de Bisschop sidderend van toorn, „ik, Bisschop van Utrecht? Hoe zult gij spreken, als een donkere kerker u gevangen houdt, of als uw grijze kop nog vůůr den zijnen wordt afgeslagen?”

„Mijn stem moge niet meer gehoord worden op aarde,” zei Ralph ernstig. „voor Gods rechterstoel zal de schaapherder naast den Bisschop staan; uw lijfwacht zal mij dŠŠr het zwijgen niet opleggen; dŠŠr zal de schooier spreken vůůr den priestervorst; maar dan is het te laat voor u, gij zijt verloren......!” De Bisschop was opgestaan, toen de schaapherder begon te spreken; de uitdrukking welke er in die woorden lag, de vaste overtuiging, die den grijsaard scheen te bezielen, deden den machtigen Bisschop sidderen; de schaapherder in zijn slechte kleeren was grooter dan de priester in plechtgewaad. Hij zweeg. Toen vervolgde Ralph bedaard: „Hoor mij eenige oogenblikken aan, eerwaarde Vader, om uwentwille, niet om den armen ruiter, verzoek ik het – maar niemand dan gij moogt mijn woorden hooren, zend dezen weg.” En hierbij wees hij op den kanunnik, den geestelijke en den page.

„Gij wilt met mij alleen blijven?” vroeg de Bisschop wantrouwend, terwijl hij den grijsaard van het hoofd tot de voeten bezag.

„Ja, met u alleen, Eerwaarde,” was het antwoord; en toen de Bisschop ontstemd het hoofd schudde, riep Ralph met vuur: „Ik ben oud en weerloos; doch ik weet dat een dapper man ook dappere kinderen heeft, en uw vader was een vroom en geducht heer; ik ben dus dubbel overtuigd, dat David van BourgondliŽ mij niet vreezen kan.”

Een oogenblik stond de Bisschop in beraad, waarna hij bedaard tot den kanunnik zei: „Meester, laat ons alleen,” en wees vervolgens bevelend naar de deur, terwijl hij den geestelijke en den page aanzag. Zwijgend bogen zij en verlieten het vertrek; toen zette de Bisschop zich neer en vroeg somber: „Wat hebt u nu te zeggen?”

„De ruiter is mijn kleinzoon,” zei de schaapherder langzaam.

„Gij hebt dus gelogen – ons bedrogen,” riep de Bisschop driftig.

„Maar nu spreek ik de waarheid,” antwoordde Ralph onbeschroomd en ernstig. „Gij zijt de eerste mensch, tot wien ik het gezegd heb; hij zelf weet het niet, en moet het niet weten; o, was zijn leven niet in gevaar, gij zoudt het niet van mij vernomen hebben!”

De Bisschop grimlachte, en zei toen koel: „Wij danken u voor dit belangrijk bericht; maar waarom verzweegt gij het voor den ruiter, of waart gij misschien bevreesd, dat hij u niet zou aannemen als zijn grootvader?”

„Neen,” riep Ralph met geestdrift, „de herdersknaap heeft mij verlaten; maar de kleinzoon zou mij nooit verlaten hebben; gij kent hem niet. Maar wilt gij weten, Bisschop, wat dezen mond gesloten hield, waarom ik het geluk heb opgeofferd, om mij dien voor den grijsaard zoo zoeten naam door hem te hooren geven? Het is, omdat hij nooit dan met achting en eerbied aan zijn zalige moeder zou denken; het is,” vervolgde hij met verheffing van stem, „omdat hij zijn vader niet zou vervloeken!”

„Het is braaf, oude,” zei de bisschop, „maar dit alles kan den schuldige niet redden.”

„Ha, gij zegt dit koud en onverschillig,” riep Ralph schamper. „Maar weet gij wel, wat de vloek van een zoon zeggen wil, Bisschop! Hij is meer dan een banvloek van het hoofd der kerk, verschrikkelijker dan de vloek van den vader! Voelt gij dit niet......?”

„Die redenen doen hier niets af,” zei de Bisschop ongeduldig, „de schuld van den vader kan den zoon niet redden. Maar wie was zijn vader dan?” vroeg hij, terwijl hij opstond; misschien trof hem de hooge ernst, die op het gelaat van den grijsaard stond uitgedrukt.

„Wie hij was......?” riep Ralph luid, terwijl zijn oogen vuurvlammen schenen. „Het was......” Hier zweeg hij, schudde somber het hoofd, en vervolgde bedaard, terwijl hij de magere hand uitstrekte: „Zet u neer, Bisschop, gij zult het weten, daar het zoo zijn moet.” De woorden van den schaapherder boezemden den Bisschop onwillekeurig ontzag in, en hij ging zitten. Toen zei Ralph, terwijl zijn stem beurtelings droefheid en ernst verried, en hij nu eens langzaam, dan snel vervolgde, naarmate de herinneringen zijn gemoed aandeden: „Het is jaren geleden, dat ik in het woud op de Ameronger bergen woonde; mijn eenvoudige woning stond niet ver van het Egelmeer; mijn vrouw was in den Heere ontslapen; ik had geen zoon, maar een dochter. Ze was mijn eenige en dierbaarste schat; want zij was deugdzaam, zij was mijn hoop, want zij was jong en gezond; ik was trotsch op haar, omdat zij schoon was. Wilt gij weten, van welken tijd ik spreek: het was toen Gijsbert van Brederode nog Bisschop was en vůůrdat uw geduchte vader u met zijn volk van wapenen in Utrecht bracht; gij woondet toen op het slot ter Horst. Op zekeren avond, toen wij tezamen het avondeten nuttigden, traden twee mannen overhaast in mijn woning; ťťn hunner, die een krijgsman scheen te zijn, hoewel zij beiden als kooplieden gekleed waren, nam den hoed af, en wischte zich het zweet van het gezicht; hij bad mij, hem te verbergen, omdat men hem vervolgde. Zij hadden hun paarden verlaten en waren door het bosch gevlucht. De tweede was jonger, maar sprak niet, en wachtte met gedekt hoofd af, wat ik zou antwoorden. Mijn dochter zag mij smeekend aan, en daar zij onder mijn dak waren, stond ik hun toe wat zij mij verzochten. Een oogenblik daarna kwamen eenige ruiters van Bisschop Gijsbert bij mij; zij waren het spoor bijster geraakt, terwijl zij twee zendelingen van den BourgondiŽr vervolgden, en vroegen mij naar hen. Ik verzweeg, dat zij in mijn woning verborgen waren; de ruiters dreigden, maar ik bleef hij mijn zwijgen; toen dwongen zij mij, hen door het bosch naar den weg terug te brengen, waar hun makkers met de paarden wachtten; ik moest het wel. Zij vertrokken met de paarden van de vluchtelingen, die sterk en fraai, maar slechts eenvoudig getuigd waren. Naar mijn woning teruggekeerd, diende ik den vluchtelingen als wegwijzer naar het slot ter Horst: zij waren in dienst van heer David, zei mij de een. Laat in den nacht keerde ik eerst terug naar mijn woning met een stuk goudgeld, dat zij mij ten geschenke hadden gegeven.

Hier zweeg de schaapherder. De Bisschop had opmerkzaam geluisterd, maar was hem niet in de rede gevallen; zijn gelaat was ernstig, en hij zat onbeweeglijk. Toen vervolgde de schaapherder: „Sedert dien tijd kende ik de vreugde niet meer......”! Dagen en weken moest ik soms ver van mijn eigen haard rondzwerven, om te leven en mijn kostwinning uit te oefenen, en altijd vond ik mijn kind gezond en vroolijk weer. Den volgenden dag nam ik volgens gewoonte den staf weer op; doch toen ik terugkeerde, kwam zij mij niet gelijk vroeger, tegemoet springen, zoodra ik mijn woning naderde. Zij wilde vroolijk schijnen, maar zij weende; ik verzocht haar mij de oorzaak van die droefheid te zeggen, doch zij zweeg. Een ongelukkige gave der natuur had mij wel mijn ongeluk doen vooruitzien; maar nooit baatte mij dat treurige vooruitzien in de toekomst; het wijst mij de middelen niet aan om het ongeluk te voorkomen; zou ik anders die mannen in mijn woning verborgen hebben? – Neen, de ruiters zouden hen weggesleept, ik zou hun schuilplaats ontdekt hebben......” Verwondert het u, bisschop? Welnu gij zult de reden hooren,” zei Ralph de hand uitstrekkend. „Eindelijk bekende mijn kind, geknield aan mijn voeten, de oorzaak van haar droefheid, of liever van haar wanhoop; de smeekbeden van den bedroefden vader drongen haar misschien minder om te spreken dan de angst over den ontrouw van den man, die haar verleid had. Want de man, Bisschop, wien ik het leven gered, dien ik tenminste voor zijn vijanden verborgen had, met gevaar misschien van mijn leven, hij had mijn geluk, de onschuld van mijn kind verwoest! – Gij huivert, Bisschop: en met reden; niet degene, die het woord gevoerd had, maar zijn metgezel was gekomen, in schijn om te danken voor mijn edele daad, zooals hij zei, maar veeleer om haar te berooven van haar deugd. Mijn kind jammerde en bad om ontferming; ik behoefde de hand niet aan het recht te houden, zooals gij, Bisschop, ik nam haar in mijn armen en troostte haar, vergaf haar alles; want zij was jong en zonder schuld. De verleider had zijn bezoeken gestaakt; hij had haar verlaten, en toch wist hij, dat mijn kind een onderpand van zijn liefde onder het hart droeg; zij bad mij te gaan om hem op te zoeken; want zij had hem lief; hij kon ziek zijn, haar hulp behoeven. – Arm, onnoozel kind........!”

„Heugt u de dag nog, Bisschop?” zei Ralph ernstig, terwijl heer David zijn hoofd op zijn linkerhand liet rusten, en naar het scheen met aandacht naar den steen zag, die aan den eersten vinger van zijn rechterhand schitterde, „heugt u den dag nog, toen al die edelen ridders u kwamen afhalen, en gij van uw bisdom bezit gingt nemen? O, dat was een dag, dien gij nooit kunt vergeten, en die Ralph ook altijd heugen zal. Ik kwam om den verleider te zoeken, om hem aan zijn plichten te herinneren; ik zocht een man voor mijn kind, een vader voor het hare. Juist verliet de prachtig uitgedoste stoet, op moedige paarden gezeten, het slot; vroolijk klonken de trompetten. Ik wachtte, op mijn staf geleund, tot die optocht voorbij zou zijn; dan wilde ik mij aanmelden. Ik lette intusschen op de knechten, die hun meesters volgden; hij kon daar immers onder zijn. Ik zag die ruiterbende naderen, waarvan sommigen hier uw hof bewaken; hij, die vooruit reed, voerde een wapen op zijn schild, dat gij misschien nog niet geheel vergeten hebt, een gelen balk op een rood veld en een witte lelie. Een oogenblik wendde de krijgsman het edele gelaat naar mijn zijde, en het was alsof ik met blindheid geslagen werd; ik dacht, dat de gladde wapenrusting mijn oog verbijsterde, en zag nog eens – maar hij was voorbij. Doch toen het middelste gedeelte van de schaar voorbijreed – toen viel ik neer, en toch was ik toen nog sterk. Als door den donder getroffen, lag ik daar, en kreeg mijn bewustzijn niet weer vůůr het oogenblik, dat de laatste tonen der trompetten mij in de ooren klonken. Gij waart voorbijgetrokken, Bisschop, met dien stoet, en reeds buiten het gezicht. Ik had hem gevonden, had den verleider gezien; maar hij kon geen vader zijn van het onschuldige wicht, dat mijn kind onder het hart droeg; zijn vaderschap zou hem slechts tot verachting verstrekt hebben. Ik nam den staf op, keerde terug en zei, dat de verleider dood was; mijn kind jammerde, en bad voor hem, – zij sprak hem vrij van alle schuld...” „Dat wicht zonder vader was Frank; zijn geboorte kostte zijn ongelukkige moeder het leven. De dood was haar welkom; ik beweende haar; maar niet omdat zij nu ongelukkig was... De man, die mijn geluk verwoestte, zag noch naar het slachtoffer van zijn driften, noch naar zijn kind om; nooit vernam ik iets van hem, en toen ik mijn kind begraven had, verliet ik mijn woning; sedert dien tijd ben ik een zwerveling...”

De Bisschop ondersteunde zijn hoofd met zijn beide handen, toen de schaapherder zweeg; elk woord, dat de oude man gesproken had, scheen hem door de ziel te gaan. „Mijn kind bad mij stervend, hem niet te vloeken,” zei Ralph ernstig, „en ik heb het nog niet gedaan, Bisschop!”

„Grijsaard,” zei heer David langzaam en afgebroken en zonder van houding te veranderen: „Frank was immers op den toren van Barneveld? Waarom zag ik u toen niet?”...

„Waarom?” riep Ralph hoonlachend. „Zou de Bisschop zijn mannen, zijn persoon misschien gewaagd hebben, om den kleinzoon van den schaapherder te redden...? De arme knaap werd wel door uw lijfwacht uit het slot gesleept. Gij liet immers heer Jan van Schaffelaar vermoorden!”

De Bisschop sidderde, en een lang zwijgen heerschte er. Toen lichtte hij het hoofd op, vestigde den matten blik op den schaapherder en zei: „Zet u neer. Maar Ralph schudde het hoofd. Toen vroeg de Bisschop: ..Wat wilt gij, dat ik doen zal?”

„Hem genade verleenen,” zei de schaapherder bedaard.

„Hij heeft genade; hij zal leven!” zei de Bisschop snel; zijn stem verried meer vastheid, en hij vroeg nogmaals: „Wat verlangt gij nog meer?”

„Niets; zijn vrijheid is mij genoeg,” antwoordde Ralph koel.

„Neen, dat kan zoo niet!” riep de Bisschop, en opende snel een ebbenhouten kistje, dat op de tafel stond, stak er de hand in, en zei: „Zie, hier goud; neem het aan...” Maar Ralph, die onder zijn wambuis tastte, riep schielijk: „Bisschop, ik ben gekomen om hem te redden en om niets anders; maar ik heb ůůk goud, en zal het mijne hier laten, zonder het uwe te nemen.”

Verwonderd zag heer David op, toen de schaapherder den inhoud van een zakje op de tafel wierp, en de gouden stukken over het groene kleed rolden, en hij zei: „Hier zijn ťťn-en-dertig postulaatguldens; de verleider van mijn kind gaf er haar dertig ter bewaring; het waren bespaarde penningen, naar hij zei, maar eigenlijk een belooning voor haar zwakheid; de vader ontving er een, omdat hij hem verborgen had. Hier is het goud; het brandt mij in de hand!” De Bisschop zei niets, maar wendde het gelaat af, eindelijk vroeg hij: „Hebt gij niet gezegd, dat Frank bemint? Wie is zij......?”

„Maria, Wouter’s dochter uit de Vergulde Helm te Amersfoort,” zei de schaapherder langzaam, waarna de Bisschop verwonderd uitriep: „De dochter van een smid!”

„En waarom niet, Bisschop?” hernam Ralph. „Uw leenman, Jan van Schaffelaar, was haar bruidegom; zij is deugdzaam en schoon.”

„Uw kleinzoon kan beter huwelijk doen,” zei heer David; maar Ralph schudde het hoofd en antwoordde: „Zij beminnen elkander; wat maakt gelukkiger dan een trouwe, deugdzame huisvrouw?”

De Bisschop stond op, en ging met groote schreden heen en weer door het vertrek; zijn gelaat, dat zijn bedaardheid had herkregen, was edel en trotsch; zijn wit gewaad hing over de schouders; zijn oogen fonkelden; toen bleef hij voor Ralph stilstaan. De Bisschop gaf den schaapherder een hand, en hij zei met drift, doch vriendelijk: „Vader Ralph, morgen zult gij uw kleinzoon zien, gij zelf zult hem tot mij leiden; wij nemen hem in onze bescherming; uw gelukkige dagen keeren terug; gij zult veel vreugde van hem beleven.”

„Zijn leven is mij genoeg,” zei Ralph; doch de Bisschop vervolgde vol vuur:

„Maar mij niet. O, gij weet niet, wat gij weigert, oude man, gij kunt niet in zijn hart lezen, maar ik wel; paarden en wapenrustingen zullen hem niet ontbreken; roem en eer wachten uw kleinzoon; hij zal gelukkig zijn!” Ralph schudde het hoofd, en de Bisschop voer voert: „Gij gelooft mij niet? Bij St. Maarten en St. Andreas, oude, onthoud den armen jongen zijn geluk niet; jaren zwierf bij met u rond, en diende, terwijl hij zelf gediend moest worden. Ha, ik dacht dat gij Frank meer liefde toedroegt.”

Ralph antwoordde niet, maar de Bisschop riep: „Maar hoe zult gij het verhinderen, dat ik hem verhef, dat ik hem gelukkig maak? Zult gij hem verliezen, omdat hij aanzienlijk wordt? Kan hij niet met zijn grootvader naar de heide terugkeeren, als hij het verlangt......?”

De schaapherder bedacht zich en zuchtte. Het streelde zijn hart, Frank verheven te zien, en de liefde tot zijn kleinzoon overwon bijna geheel zijn vrees en zijn weerzin tegen het voorstel van den Bisschop; toen zei hij langzaam: „In Gods naam dan, het zij zoo; maar zweert gij mij, hem niet te zeggen wie ik ben. Wie zijn ouders waren?

„Ik zweer het!” zei de Bisschop. Toen richtte Ralph zijn schreden naar de deur; maar heer David trad op hem toe, en vroeg vriendelijk: „Hebt gij mij niets te vragen voor u? Wij scheiden immers in vrede?”

„Neen, Bisschop, niets,” hernam de schaapherder ernstig. „Gewoonlijk vraagt men u om uw zegen, als men u verlaat; maar ik doe dit niet; later zal Ralph u misschien den zijne geven.

Toen opende de schaapherder de deur en verdween; de trotsche Bisschop stapte eenige oogenblikken heen en weer, verzamelde met somberen ernst de goudstukken, die op het tafelkleed lagen, en borg ze in het kistje. Daarna werd zijn gelaat opgeruimd en fier; hij zette zich neer, vatte een pen op en begon te schrijven.

Het was den volgenden dag in den morgen. Frank lag niet meer geketend in de diepe gevangenkluis van het Bisschopshof; want zijn wanhoop had den stokbewaarder bevreesd doen zijn, dat hij niets aan den beul zou kunnen overleveren dan het lichaam van den ongelukkigen ruiter, die zich het hoofd wilde verbrijzelen, terwijl hij om Maria riep, en den Hemel en den menschen smeekten om hem te redden; want hij wilde niet sterven, omdat Maria hem liefhad. Hij zat nu op een houten bank, met het hoofd voorovergebogen, rustend op zijn handen, in de groote kamer, waarin men hem, den vorigen dag, na den middag gebracht had, toen de ketenen waren losgemaakt, en men hem gezegd had, dat hij de hoop niet moest opgeven, dat het vonnis niet voltrokken zou worden. Zwijgend had hij deze woorden aangehoord; want zijn drift was reeds bedaard; hij was schier wezenloos en had zich zonder tegenstand laten leiden; zijn razernij was geweken. Hij had een oogenblik aandachtig de met ijzeren traliŽn voorziene vensters en de naakte witte muren bezien, en zich toen neergezet; het was nog een gevangenis, waarin hij zich bevond. „Men heeft mijn laatste oogenblikken willen verzachten, of de monnik, die mij bezoeken zal, is oud en bang voor de vochtigheid van de gewelven; de stokbewaarder wil mij troosten; hij gelooft, dat ik schrik voor dat zwaard; maar er is immers geen genade!” Zoo dacht hij, en een treurige grimlach lag op zijn gelaat, toen men hem alleen liet. Hij zat den volgenden morgen nog op die bank, welke hij slechts gedurende den avond en den nacht verlaten had, om het vertrek op en neer te gaan. Hij moest sterven, en hij beminde, en Maria had hem lief.

Hij werd dus niet gewaar, wie hem kwam bezoeken, en hij vermoedde, toen de deur geopend werd, dat het de geestelijke zou zijn, die hem tot den dood kwam voorbereiden, maar zag niet op. Opeens echter voelde hij dat twee armen hem omsloten; langzaam richtte hij het hoofd op; maar riep toen snel en verheugd: „Ha, zijt gij het, vader! Eindelijk hebben zij mijn beden dan verhoord; o, ik kon immers ook niet sterven zonder u te zien.

„Frank,” zei Ralph, terwijl hij hem tegen zijn borst sloot, en zijn gebaarden mond op de bleeke wang van den jongeling drukte, „ik ben gekomen; eerder kon ik niet; God zij gedankt, ik zie u dan weer.

„Maar voor korten tijd slechts, vader,” zei Frank treurig, – „ik heb misdaan, ik moet sterven; gij en al mijn begunstigers hebben immers vergeefs voor mij gebeden. Ik heb mijn post verlaten...”

„Heeft men u dan niets gezegd...?” vroeg Ralph snel; doch Frank viel hem in de rede en riep: „Ja, mijn vader, maar ik weet beter; ik dacht, dat de monnik kwam; doch uw komst is mij liever. Helaas, waarom kunt gij mij mijn zonden niet vergeven en toch, als gij mij zegent, zou ik gelooven den zegen van den priester te kunnen ontberen. Maar ik laster uw dienaren, mijn God, genade, – Ralph, zei hij aarzelend, „gij zijt treurig, gij kunt ook niet vroolijk zijn; maar ťťn bede; Maria en u, wie heb ik nader op aarde? Beiden zijt gij mij even waard; doch zij is zwak, zij kan niet komen; nooit zal ik haar weerzien; indien zij vůůr mij stond, ik zou ook niet kunnen sterven, – en het moet immers.” „Neen, mijn Frank,” zei Ralph; maar Frank riep driftig: „ik weet het immers! Waartoe het verborgen gehouden? Ik heb geen vrees, hoewel ik wanhopig ben; want Maria... Doch mijn verzoek, vader, gij zijt oud, maar sterk! Gij hebt mij lief, gij noemt Frank immers uw zoon. Mijn vader, om den wille van onzen Heer Jezus en zijn gebenedijde Moeder, blijf bij mij, vader, in het uur des doods! Laat den beul de hand niet aan mij slaan! Zijn zwaard alleen rake mij, dan is de Bisschop en het recht voldaan. Ralph, de schaapherder zal zijn zoon toch niet verlaten?”

„Frank!” riep Ralph luid, en wischte zijn tranen af, „gelooft gij mij niet? Spreek niet meer, want ik luister, zonder dat ik het wil naar uw droevige gedachten, en zoodang hoorde ik uw stem niet. Gij zult niet sterven. Gij hebt genade!” „Vader, waarom bedriegt gij mij? Ik zal bedaard zijn, ik zal geen tranen vergieten. Frank zal vroolijk zijn, maar verlaat mij niet!” bad de jongeling, en klemde zich vast aan het ruige wambuis van den ouden man. Hij wilde lachen, doch kon niet; de tranen sprongen hem uit de oogen, en hij liet zijn hoofd op de borst van Ralph vallen.

„Kind!” zei deze aangedaan, en zag vol vreugde op Frank neer, „ik spreek de waarheid; zoudt gij anders in deze kamer zijn? De monnik heeft u immers nog niet bezocht; gisteren ben ik bij den Bisschop geweest, en hij heeft u genade verleend!”

„Genade?” riep Frank, zijn hoofd oplichtend; maar hij schudde het ongeloovig, en eindigde somber: „Den aartshertog heeft hij ze geweigerd, en...”

„Maar mij niet; hij mocht ze mij niet weigeren,” zei Ralph ernstig. „Gij zult niet tegen den middag sterven, nooit voor deze zaak; uw dagen zijn wel geteld, doch heer David zal die niet afsnijden; hij kan niet; God alleen weet het uur van uw dood!”

„Ik leven?” riep Frank, terwijl hij opsprong, „bedriegt gij u niet, vader? Frank leven! Heb ik wel genade? Mijn God, – waarmee heb ik het verdiend? –

Maar gij ziet niet vroolijk; bedriegt men mij? Dit kan geen scherts zijn, vader! O, het zou verschrikkelijk wezen; maar Ralph liegt niet, Maria, ik heb u weer! Frank leeft, Maria! – Ha, kan men sterven van vreugde?” zei hij en wankelde.

Snel stond de schaapherder op, vatte hem in zijn armen, zette hem naast zich neer, en zei langzaam:

„Het verdriet vermoordt, maar de vreugde nog veel meer; het verdriet doet den mensch opzien en troost zoeken daarboven; als hij verheugd is, leeft hij alleen voor de aarde: daarom ben ik niet opgeruimd, hoewel uw leven behouden is; de weelde, eer en roem dooden ook, Frank! – Maar het hart, de ziel. Het gebrek doet zondigen, doch de overvloed nog veel meer!”

„Maar wat wilt gij zeggen, vader?” vroeg Frank verwonderd. „Is Maria niet eenvoudig en deugdzaam, en haar ouders...

„Maria,” zei de schaapsherder, het hoofd schuddend: „Ik sprak van u, Frank!” „Van mij, vader!” riep Frank, zijn gelaat was geheel veranderd, en zijn oogen fonkelden; „de weelde? Ha, een ruiter! Het is waar; mijn vriend, bij wien ik heden dacht te zijn, heeft mij bedacht; nog na zijn dood heeft hij willen zorgen voor den knaap. Ik heb alles wat ik verlangen kan; twee paarden, waaronder Moor, ik heb wapens en Maria’s hart!”

„Die wapens en paarden, ja,” zei Ralph ernstig; „maar Maria...” „Vader, zij bemint mij!” riep Frank met vuur en vol vertrouwen. „Ik weet het; maar indien zij eens...” zeide Ralph.

„Zij is dood!” gilde Frank, terwijl zijn oog verschrikkelijk rolde.

„Neen, kind! – Dwaas kind! Waarom verschrikt gij mij?” riep Ralph sidderend. Toen zei Frank: „O, vergeving, vader; maar zie, ik dacht... O, zonder haar kan ik niet leven.”

„Dat wilde ik zeggen, Frank,” zei Ralph, en trok hem naast zich neer. „Ziet gij niet in, kind, dat gij haar verliezen zoudt, als zij rijk werd, als eer en aanzien haar deel werden?”

„Neen, vader,” zei Frank gerustgesteld, „zij bemint mij immers; doch welke toovergeest zou haar rijk en groot maken; maar al was het zoo, dan zou Maria alles met mij deelen; zij bemint mij...”

De schaapherder schudde het hoofd, luisterde en zei: „Ik hoor uw knaap naderen; maar zou uw hart ook niet veranderen, Frank, als eer en rijkdom uw deel werden? Zoudt gij haar misschien niet verliezen, als gij rijk en aanzienlijk werdt?”

„O neen, vader,” lachte Frank, „onze harten zijn zoo nauw vereenigd; slechts de dood kan ons voor een oogenblik scheiden, maar eer en grootheid nooit.” „God geve het!” zei Ralph en Frank zag vreemd op; want Henri, die na den dood van zijn meester hem diende, trad de kamer binnen: eenige prachtig gekleede pages van heer David, die kleeren, wapenstukken, een verguld waschbekken en doeken droegen, volgden hem. „Henri! – Vader! Wat is dat?” riep hij, beurtelings hen en de pages aanziende, die, op een rij staande, zich diep bogen.

„Heer,” zei de knaap, wiens gezicht glinsterde van trots en vreugde; maar Ralph zei bedaard: „Frank, gij moet den Bisschop gaan danken voor zijn genade, en in dit kleed kunt gij niet verschijnen.”

„Ha!” riep Frank, terwijl hij zich de oogen wreef, „ik dacht, dat ik niet goed zag. Henri, zijt gij het wel?”

„Ja, Heer,” hernam deze buigend, en riep toen ernstig: „Treed vooruit, page, en vul het bekken!” Deze gehoorzaamde. Het was Frank, alsof hij droomde; hij zag nu eens den verheugden knaap, dan de eerbiedig op eenigen afstand staande pages, dan weer den schaapherder aan, hem, met een glimlach op het gelaat, wenkend toe te geven aan het verlangen van Henri, die hem nu verzocht zijn kleed uit te doen. Zonder tegenspraak liet hij Henri begaan; het welriekende water wischte de stof, het zweet, de tranen van zijn gelaat en lichaam af, en zijn haar werd in orde gebracht; hij zelf had het besef niet dit te doen; want hij was geheel verslagen. Het fijne linnen hemd, dat hem over het hoofd werd geworpen, deed hem vermoeden, dat al die kleeren voor hem zouden zijn; maar hij kon het nog niet gelooven, hoewel het hem scheen, dat Ralph dit had willen te kennen geven. Weldra stond hij, geheel in wit hertsleder gekleed, bij de tafel; dit buigzame kleed sloot hem over het geheele lichaam, en slechts zijn hoofd, zijn hals en zijn handen waren nog onbedekt.

„Ralph!” riep hij verbaasd, toen de knaap een nieuwen page riep; „is die wapenrusting voor mij? Maar neen, zij vergissen zich. – Henri, gij moet hier niet zijn, gij zijt verkeerd, knaap!”

„Vergeef mij. Heer,” zei Henri, en vervolgde vertrouwelijk: „Laat geen verwondering blijken, want die knapen zijn tot spotten geneigd; ’t is wel voor u.” Een schitterende maliŽnkolder werd hem over het hoofd gedaan; het roode fluweel, waarmede die gevoerd was, stond een eind tegen zijn hals op, en was met gouddraad gestikt; de maliŽn zaten dicht op elkander, en waren van gepolijst staal met een gouden biesje; de wijde mouwen reikten tot halverwege den elleboog, en het onderste gedeelte van den kolder tot halverwege de knieŽn; zoowel de mouwen, als het onderste gedeelte, liepen in punten uit. Frank stond roerloos, daar hij niet wist wat hem gebeurde; toen wenkte hij Henri met de hand, waarop weer een andere page naderde, en Frank riep verbaasd: „Dien rok – moet ik dien dragen?”

„Ja, Heer, zoo terstond zijt gij gekleed,” antwoordde zijn knaap. Frank boog zich, terwijl Henri op de teenen stond. Over de schitterende maliŽn, en een weinig lager af, hing nu een wapenrok van blauw fluweel, omzoomd met een breed zilveren oplegsel; op de zijden was hij opengesneden tot boven de heup. De opengesneden mouwen kwamen niet zoo ver als het maliŽnhemd over den arm; het wapen van den Bisschop, gestikt van zijde, goud en zilver, prijkte op de borst. Henri gespte hem nu den draagband om, waaraan een prachtige dolk hing.

Een uitroep van vreugde ontsnapte den jongeling; en was het te verwonderen? Hij, die den beul verwacht had, moest deze kleeren dragen. Den schaapherder zelf blonk de blijdschap uit de oogen; zijn treurigheid scheen geweken, nu hij den geliefden Frank zoo fier, zoo gelukkig vůůr zich zag; hij nam zelf het zwaard uit de hand van den page, die zich voor den grijsaard boog; hij wilde ook de hand leenen om zijn kleinzoon te wapenen; hij stak de roodleeren schede door den draagband, en zei, terwijl hij op het rijke gevest sloeg en den kling gedeeltelijk ontblootte: „Draag zorg, dat nooit onschuldig bloed aan dit lemmer kleeft, Frank! Het staal laat zich afvegen; – doch het bloed blijft eeuwig op de ziel!”

„Neen, vader,” zei Frank, aangedaan door de woorden van den ouden man, „liever wil ik sterven. Maar zeg mij nog eens, dat uw gewezen jongen hier vůůr u staat. O, waarom leeft mijn weldoener niet meer! Mijn God, als Maria mij kon zien...” Hierop riep hij treurig: „Ik ben verheugd, en zij weent zeker; zij denkt, dat ik sterven moet, en ik ben vol leven.”

„Heer,” zei Henri, „ziedaar uw muts,” en hij legde een roode met gouden borduursel opgeluisterde muts op de tafel; een witte en een blauwe veer prijkten er op door een kostbaren steen tezamen gehouden; „en hier zijn uw handschoenen; nu uw schoenen nog, dan zijt gij gereed.”

Frank bezag de handschoenen, die met stalen plaatjes, omzoomd met een gouden bies, waren opgelegd, en toen Henri hem de hooge en lange schoenen van rood leer aantrok, riep hij verwonderd: „Met zilveren sporen!”

„Ja, Frank,” zei de schaapherder, „en misschien zullen zij spoedig verguld worden!”

„O, neen, vader,” riep Frank ongeloovig, „gij zegt het maar: ik, ridder? Neen, dit kan niet. O, Maria, wat zoudt gij zeggen...” eindigde hij, en zag, in gedachten verzonken, vůůr zich.

„Gij zijt gereed, Heer,” zei Henri, die opstond en diep boog.

„Heer David wacht u,” zei Ralph; toen drukte Frank de hand van Henri, wierp zich uit overmaat van aandoening in de armen van den schaapherder en zei „U dank ik het voor de tweede maal; ook deze eer, deze kleeren dank ik u, mijn hart zegt het mij!”

„Gij vreest dus niet dien kostbaren rok tegen mijn ellendig kleed te bederven?” vroeg Ralph, en Frank antwoordde: „Zijt gij vader Ralph niet? Ben ik niet uw Frank? O, zeg het, dat gij mij niet verlaten zult om deze pracht; anders...

„Neen,” zei Ralph ernstig; „maar denk aan mijn woorden; verheug u niet te veel: de vreugde gaat dikwijls het leed vooraf; de grootheid geeft geen geluk, Frank! Doch wij moeten heengaan.”

De schaapherder trad terug, om zijn muts, die op den grond lag, op te rapen. Frank naderde snel den knaap en vroeg zacht: „Heeft men mij opgeschikt om zoo te sterven? O, dat zou wreed zijn. Heb ik wel genade, Henri?”

„Wel zeer zeker, Heer. Zou ik anders zoo verheugd zijn?” herhaalde deze. „Het is waar,” zei Frank, in gedachten verzonken; „maar het is alsof ik betooverd ben,” toen riep hij snel: „Henri, laat Moor dadelijk opzadelen. Maria treurt, en zoodra heer David mij laat gaan, moet ik vertrekken. Hemel, wat zal zij gelukkig zijn!”

„Kom, Frank,” zei Ralph, die de zwarte haarlokken van den jongeling naar achteren wierp, en hem de muts op het hoofd zette. De knaap gaf de handschoenen aan; de schaapherder nam Frank bij den arm, en leidde hem voort; de pages bogen; hijzelf zag verwonderd om zich heen, bracht vervolgens de hand aan het voorhoofd, en zei zacht: „Waak ik, of is alles een droom? Mijn God, verlos mij van den booze. Maria, bid voor mij. Ik heb genade; ha, wat zult gij zeggen, mijn liefste, mijn bruid!”

908SR15.gif (1832 bytes)

De Bisschop sprak met een kanunnik, die naast zijn stoel stond, toen men hem kwam berichten, dat Ralph er was. „Het is goed,” antwoordde hij, en gaf een teeken aan de pages om te vertrekken; daarna vervolgde hij: „Meester, laat mij nu alleen; zij zijn lang weggebleven. Zeg den grijsaard, dat hij met den ruiter binnentreedt.”

De kanunnik boog en verliet de kamer, terwijl de Bisschop opstond, en zich in den zetel over den schoorsteen neerzette. De deur ging open, en de schaapherder trad binnen. Door de kracht der gewoonte en de aandoeningen, die hem beheerschten, had hij zeker vergeten, den staf neer te zetten; hij nam echter de muts af. Frank had zijn hoofd reeds ontbloot, en hield den blik naar den grond gericht, terwijl Ralph den jongeling met zich voorttrok, die bijna zijn bewustzijn verloren had. Heer David zei toen ernstig, doch niet onvriendelijk:

„Nader ons!”

Frank richtte zijn hoofd op, en ontmoette het oog van den Bisschop. Hij was nu in tegenwoordigheid van den heer, wiens dienst hij verzuimd, wiens leven hij schandelijk gewaagd had. Nog klonk hem de vloek in de ooren. Dezelfde man sprak, en hij snelde vooruit, liet de muts aan zijn handen ontglippen, en riep, terwijl hij zich plat voor den Bisschop neerwierp: „Genade, eerwaarde Vader, in Gode genade!”

„Weet hij dan nog niet......?” zei heer David vragend, en zag Ralph aan, maar deze knikte met het hoofd, terwijl hij den zetel naderde, waarop de Bischop vervolgde: „Wij hebben u immers genade verleend, Frank, het is onze wil, dat gij leeft en gelukkig zijt.”

„Toen ik uw vorstelijke genade in het klooster te Amersfoort zag verdwijnen,” stamelde Frank sidderend, „toen heeft uw vloek mij getroffen, want uw ramp was mijn schuld; die vloek is erger clan het doodvonnis. – Ontferming……” en hij kuste het kleed van heer David.

„Alles vergeven wij u,” zei de Bisschop en vervolgde vriendelijk: „Sta nu op; laat mij eens zien, hoe dat kleed u staat.” Frank richtte zich op de eene knie op en bleef toen liggen, maar de Bisschop reikte hem de hand en noodzaakte hem op te staan. Toen zette hij zich op zijn gemak neer en bezag Frank van het hoofd tot de voeten; zijn trotsch gelaat was vriendelijk; zijn oog glinsterde van tevredenheid, zijn baard bewoog zich, want hij lachte, en zei, zich tot Ralph keerend, die de knie nog niet gebogen had, wat Frank echter niet eens had opgemerkt: „Hij is schoon, grijsaard, de Hemel zond u bij mij. O, het zou jammer geweest zijn.- Zeg eens Frank, gij behoeft niet te sidderen voor ons, vraag het den herder maar, voelt gij u gelukkig, staat dat kleed, staan die wapens u aan?”

„O, eerwaarde Vader, zooveel goedheid, waardoor heb ik dit verdiend? Waarmee kan ik dit vergelden?” riep Frank en wilde neerknielen, maar de Bisschop vatte zijn hand, en antwoordde vertrouwelijk:

„Door onze gunstbewijzen met erkentelijkheid aan te nemen en ons voor uw welzijn te laten zorgen; wij zelf weten het best, wat u gelukkig kan maken. – Is het zoo niet, gijsaard?” vroeg de Bisschop en keerde zich tot den schaapherder, die het hoofd boog en langzaam zei: „Zijn Eerwaarde kan niets anders bedoelen dan uw geluk, Frank!”

„En kan ik er aan twijfelen, Ralph?” riep Frank. „Mijn genadige heer heeft mij immers alles vergeven.

De schaapherder zuchtte; maar noch de jongeling, noch de Bisschop sloegen er acht op, en deze vervolgde: „Frank, als het eerste bewijs van onze gunst, verheffen wij u tot luitenant der Schaffelaars; onze aanvoerder bekomt misschien in het vervolg van ons een ander bevelhebberschap. Gij zijt nog jong en kunt wel wachten: toch bestemmen wij u om eenmaal de plaats te vervullen van onzen trouwsten krijgsman, van uw vriend, in wiens laatste gloriedagen gij gedeeld hebt.”

„Ik zijn plaats vervullen......?” riep Frank verwonderd, en schudde treurig het hoofd. Ik, eerwaarde Vader, ik ben onwaardig......

„Verbeelding,” viel de Bisschop hem in de rede, en vervolgde trots: „Wij zullen u den rang geven waarvoor wij u geschikt oordeelen; niet uw, alleen ons gevoelen komt in aanmerking.” Frank zweeg verlegen, en heer David vervolgde vriendelijk: „Zei ik niet, dat gij zelf niet wist, wat u dienstig kon zijn, dat wij er dus om denken moesten? Hoor, Frank, gij draagt mijn wapen op uw borst, het is dat van mijn geduchten heer en vader, jongeling, gij draagt de kleuren van BourgondiŽ; gij zijt in onzen dienst; wij willen dat u niets ontbreekt. Vele ridders en edellieden zijn met mijn neef van Oostenrijk meegekomen; de krijgsman, dien wij genegen zijn, moet niet schromen een rit met hem te doen, een lans te breken, een paard en een wapenrusting te wagen. Paarden en wapens zult gij hebben, en goud. Wij willen u groot en gelukkig zien.”

„Genadige Heer,” riep Frank, de knie buigend en de hand aan het voorhoofd brengend: „Ik ben opgetogen en verslagen; ik weet niet of ik droom of waak, en ik lig toch aan uw voeten.- Dat is Ralph, de schaapherder, mijn tweede vader. De booze heeft immers geen macht op mij in uw tegenwoordigheid; die woorden komen uit uw heiligen mond.”

„Neen, Frank,” zei de Bisschop glimlachend, „de Bisschop van Utrecht spreekt tot u.” Hij zweeg en vervolgde ernstig: Sta op, gij hebt daar van Ralph gesproken; houdt gij de gedachtenis van uw vader in eere en liefde, hoewel gij hem nooit gekend hebt.”

„O, eerwaarde Vader,” riep Frank aangedaan, „hij en mijn moeder staan altijd ter zijde van mijn Goddelijke Verlosser, als ik bid; zij beschermen hun kind, zij hebben uw hart tot genade bewogen.”

„Het is wel, mijn zoon,” zei de Bisschop, en zijn stem verried zijn ontroering. „Uw moeder was zeker een heilige vrouw, wij zullen haar gedenken in onze gebeden; bid zelf voor uw vader; hij kon uw voorspraak soms nog behoeven.” „O, ik geloof het niet, maar ik zal het doen,” zei Frank en zag ten hemel; tranen liepen langs zijn wapenrok, en vielen op de schitterende kleuren van het wapen. „Gij zijt dus voldaan over onze geschenken,” zei de Bisschop, die geen ontroering meer liet merken.

„Voldaan!” riep Frank, „kan uw vorstelijke genade dit nog vragen? Slechts ťťn verlangen heb ik nog, eerwaarde Vader, ik bid u, zeg mij, wat ik doen kan om dit te vergelden. O, ik kan nog niet alles gelooven, dat alles waarheid is.”

„Gij zijt ons gehoorzaam en eerbied verschuldigd, als uw heer en als uw Bisschop van Utrecht, en David van BourgondiŽ verlang ik niets anders,” zei de Bisschop, en vervolgde glimlachend: „Die maliŽnkolder en wapenrok staan u goed; maar zet de muts eens op.

„In de tegenwoordigheid van uw genade?” riep Frank terugdeinzend.

„Ik wil het, zei heer David. „Wij willen de kleuren van ons geslacht eens op uw hoofd zien wapperen. Frank gehoorzaamde; tevreden lachte de Bisschop, en riep: „Bij den heiligen David, mijn patroon, en het bloed van BourgondiŽ, gij zijt een edelman van wapenen, Frank, en wij vertrouwen, dat wij u met de gouden sporen zullen zien, voordat wij den staf van St. Willebrord neerleggen.” Frank naderde hem, en zijn gelaat blonk van edele tevredenheid; maar toen viel zijn oog op Ralph, die zwijgend en met een droevigen trek op zijn gelaat naast den zetel stond. Snel trad hij nu vooruit, en wierp zich aan zijn borst; hij had den Bisschop vergeten, en riep: „Alles, vader, dank ik u, wat ik ben en worden moge, ik ben het aan u verplicht.”

De schaapherder sloeg bewogen zijn arm om den zijden wapenrok, en zei aangedaan: „Alle zegeningen komen van God, Frank, maar hoogvaardij en weelde van den satan; vergeet nooit, wat gij geweest zijt.”

„Of wat gij hadt moeten zijn!” riep de Bisschop driftig. Frank sidderde en trad terug, nam de muts af, en wilde verschooning vragen, dat hij den schaapherder had aangesproken; hij wist, dat hij wŤl gedaan had, maar vreesde toch het ontzag verloren te hebben; doch heer David vroeg vriendelijk, en scheen niet toornig te zijn. „Gij bemint reeds, niet waar?”

„Ja, eerwaarde Vader……,” hernam Frank snel. Daarop zweeg hij, en dacht aan Maria.

„Wij wisten het reeds,” vervolgde de Bisschop. „Onze luitenant is nog jong, maar toch, indien zijn belang het vorderde, zouden wij onze toestemming tot zijn huwelijk geven……”

„Maria……!” riep Frank luid, en drukte de hand tegen zijn hart, terwijl het geluk hem uit de oogen blonk. Toen zei de Bisschop: „Ha, zoo heet geloof ik die dochter van den smid; maar Ada van Rijn bemint u immers: haar oom zei het mij; zij is schoon……”

„O, zeer zeker,” zei Frank, toen heer David zweeg, „ik heb haar lief en ben haar zooveel dank schuldig! Zij is zoo goed en ongelukkig.”

„Maar ook rijk, en haar oom zou u nu niet tot haar echtgenoot verlangen! Ha, ha, doch bekreun u niet om zijn toestemming,” antwoordde heer David lachend. .,Maar het is Maria, die ik bemin, genadige Heer,” zei Frank beschroomd, doch angstig de handen vouwend.

„Gij denkt zoo, Frank,” hernani de Bisschop glimlachend, „het is een liefde van uw kindsche dagen, die ras voorbij zal gaan! Wij weten beter wat u kan gelukkig maken; gij kunt naar hooger uitzien.”

Frank stond verpletterd en hij wilde eindelijk lucht geven aan het pijnlijke gevoel, dat zijn hart tezamen drukte, toen de Bisschop hem een wenk met de hand gaf, om te zwijgen, en zei, terwijl hij luisterde: „Wat is dat…?”

Men hoorde de voetstappen en de houten van de hellebaarden der lijfwachten op de steenen in het voorvertrek klinken. Luid verhieven zich eenige stemmen, waarboven ťťn zich bijzonder hooren liet. „Wil men mijn lijfwacht overrompelen? – Omringt het verraad ons weer!” riep de Bisschop verbaasd. „Bij het bloed van BourgondiŽ, ik zal mij niet ten tweede male door het slijk laten sleepen! Zij zullen het zwaard van mijn vader in mijn handen zien, voordat zij mij aanvatten!” Hij stond op, trad snel ter zijde, deed het tapijtwerk, dat langs den muur hing, van elkander, waarachter een geheele wapenrusting stond verborgen tegen den muur; maar toen lachte hij trotsch, ging weer zitten en zei bedaard: „Welnu, mijn luitenant, ik geloof, dat wij u te goeder ure tot ons hebben geroepen.

„O, zij zullen uw geheiligde persoon niet naderen dan over mijn lijk,” riep Frank vol moed, en sloeg op zijn zwaard. De woordenwisseling werd hoe langer hoe heviger; iemand legde de hand reeds op het slot van de deur. „Die ellendelingen, zij verdedigen mij niet, – maar gij zult uw plicht doen,” riep de Bisschop, van toorn bevend. Toen plaatste zich de schaapherder, hoewel ongewapend, naast den jongeling, dien hij met zijn handen en zijn staf wilde beschermen. „O, treed ter zijde, vader!” bad Frank, „ik ben sterk genoeg om u beiden te beschermen!” Op hetzelfde oogenblik zwegen de stemmen, en de deur sprong open; een man in rijk gewaad kwam driftig het vertrek binnen, maar bleef als versteend staan, toen Frank, die zijn zwaard trok, het hem voorhield en dreigend uitriep: „Sta – of ik stoot u neer!”

De vreemdeling wierp een blik op den jongen man in dien prachtigen wapendos, die met het blinkende zwaard in de hand vůůr hem stond, vervolgens op den Bisschop, en boog diep.

„Bij den heiligen David, mijn patroon!” riep de Bisschop driftig, die nu inzag, dat het geen vijand was, de binnen was gedrongen, „wie geeft u de stoutheid vůůr ons te verschijnen? Gelukkig voor u, dat gij de kleuren van den Aartshertog draagt. – Frank, raak hem niet aan.”

,.Laat het hem doen,” riep de vreemdeling met vuur, en sloeg op zijn zwaard, terwijl hij een blik met Frank wisselde, die zijn kling liet zakken, maar het hoofd moedig ophief, en hem dreigend aanzag. „Maar, eerwaarde Vader in God, uw pages wilden mij niet aanmelden, en de Aartshertog heeft mij gezonden…… Kent uw genade den heer Van Croy niet meer?” eindigde hij lachend.

„Ha,” riep heer David verwonderd, laat dien edelman ons naderen, Frank! – Er zijn zooveel jaren verloopen, sedert wij u niet gezien hebben, Heer. Maar wij vragen u verschooning voor onze onbeleefde ontvangst.”

„Die wij reeds vergeten hebben, eerwaarde Vader,” hernam de edelman, en knielde voor hem neer; maar heer David gaf hem den tijd niet om de knie te buigen, reikte hem de hand en vroeg beleefd: „En wat geeft ons het genoegen u te zien?”

De heer Van Croy zag naar Frank, en eenigszins met bevreemding naar den schaapherder, en heer David, die zijn bedoeling vatte, leidde hem bij de hand naar het venster; toen zei de edelman: „Genadige Heer, ik kom zooeven met den Bisschop van Kamerijk en den prins van Oranje in de stad; maar wat u nog meer verwonderen zal – den dertigsten van de vorige maand is koning Lodewijk de Elfde gestorven.”

„Hij dood!” riep de Bisschop, en hij vervolgde toen, tevreden lachend: „Ha, gij deedt wel, mijn vertrek binnen te treden, al hadt gij mijn lijfwacht neergeschoten, gij zoudt, op mijn eer, wŤl gedaan hebben. – Hij dood, de vijand van mijn huis, en die mijn edelen broeder ten val heeft gebracht! Heer, gij verplicht ons door dat bericht; de Hemel is met ons!”

„Eerwaarde, de Aartshertog zond mij alleen in allerijl, om uw genade van die heugelijke tijding geen oogenblik onbewust te laten; maar hij volgt mij spoedig en wacht mij. Gedoog, dat ik vertrek,” zei de heer Van Croy.

„Het zij zoo, Heer,” hernam de Bisschop; „en in het vertrouwen u spoedig weer te zien, zeggen wij u nogmaals dank, en rekenen ons uw schuldenaar voor een gift, voor het bericht, dat gij ons overgebracht hebt.” Hij gaf den edelman de hand, die boog en zich verwijderde. Zoodra de blik van Van Croy weer op Frank viel, bleef hij onwillekeurig staan en zocht zijn oog de schilderij bij den schoorsteen, toen zag hij naar heer David om, boog daarna nogmaals, verliet het vertrek, en zei vriendelijk in het voorbijgaan: „Jonkheer, of wie gij zijn moogt, ik bied u de hand, hoewel gij mij uw zwaard hebt voorgehouden.” Frank boog het hoofd, drukte den edelman de hand, en zei eerbiedig: „Heb dank, Heer, maar ik ben geen edelman.”

Een poos bleef David van BourgondiŽ in gedachten staan; de dood van dien gehaten vorst, die de goedheid van zijn vader zoo ondankbaar had vergolden, streelde het hart van den zoon, hoewel hij priester was; toen lachte hij en riep hoonend: „Hij is dood!” – doch vervolgde somber: „Maar waar is het bloed van BourgondiŽ?” en zag naar het afbeeldsel van zijn vader, dat naast den schoorsteen hing. Toen rustte zijn blik op Frank, en zijn oogen glinsterden; maar de opgewondenheid verdween, want zijn hand raakte het gouden kruis, dat op zijn mantel hing; hij bezag zijn priesterlijk gewaad en zuchtte.

Noch de schaapherder, noch Frank stoorde hem; de laatste was in zijn gedachten bij Maria, en hij had met tegenzin het zwaard in de scheede gestoken. Ralph sloeg den Bisschop oplettend gade die naderde en riep: „Frank!” Toen zag de jongeling op, en heer David vervolgde lachend: „Ik ben over u voldaan, mijn vriend Van Croy had bijna kennis gemaakt met uw kling; gij kunt nu gaan; uw kamers zijn reeds gereedgemaakt; tot nader order blijft gij in mijn hof wonen; gij zijt een goede lijfwacht, bij mijn patroon! – Hebt gij ook nog iets te vragen, te verzoeken……?”

„Genadige Heer……,” zei Frank verlegen.

„Welnu?” vroeg de Bisschop. Toen vervolgde Frank: „Voor twee dagen verzoek ik verlof…… mijn hart trekt naar Amersfoort……”

„Waarom zoo spoedig?” zei de Bisschop onvriendelijk.

„O, ik bid u, eerwaarde Vader!” riep Frank, de handen vouwend: „Maria treurt nog om mij; zij denkt dat ik dood ben en ik heb genade.”

„Alsof onze heilige godsdienst niet zou kunnen troosten,” zei de Bisschop. „Onthoud wel, Frank: dat wij voor uw geluk moeten zorgen, dat eer en aanzien u omringen zullen. Maar uw gelaat wordt treurig; later zult gij beter voelen, wat wij bedoelen, en hoe goed wij het met u voor hebben; – welnu, wij geven u het verlof.”

„Eerwaarde,” riep Frank dankbaar, en knielde neer. „O, ik dank u, Maria zal u zegenen; uw vorstelijke genade geeft mij haar weer.”

De Bisschop glimlachte, hief hem op en zei: „Ook zij zal door mij gelukkig worden; maar sta op, Frank!” De jongeling kuste zijn hand en heer David vervolgde vriendelijk, terwijl hij zijn rechterhand op den schouder van den luitenant legde: „Gij zult ons gehoorzaam en trouw zijn, wij weten het, maar wij verlangen ook, dat gij een gedeelte van de genegenheid, welke gij voor Ralph gevoelt, op ons overdraagt. Mijn zoon, ga nu, en denk dat alles wat wij voor u doen, voor uw welzijn is, dat gij rijk en groot zult worden.”

„O, ik dank u, eerwaarde Vader,” zei Frank aangedaan, boog diep, en trad achteruit; de schaapherder ging eveneens naar de deur; doch de Bisschop zei: „Blijf nog, Ralph, wij willen u spreken.”

„Vader,” zei Frank toen, ,ik kan niet langer toeven. Maria treurt en wacht mij.” „Ik weerhoud u niet, Frank,” antwoordde de oude man en zag hem weemoedig aan. „Ga, en toch is het mij zoo droevig om het hart; maar dat goud zal Ralph niet doen vergeten. Ga dan in Gods naam; doch ik zal u morgenochtend wachten op den berg van Amersfoort onder den boom, want ik ben te afgemat, om u terstond te volgen; – zult gij komen?”

„Zeker vader,” riep Frank verheugd, „en Maria misschien ook – o, ik moet nu gaan!”

„Vaarwel, mijn kind,” zei Ralph en drukte hem aan zijn hart, „ik zal u wachten.” „Of wij u” fluisterde Frank, boog toen voor den Bisschop en snelde het vertrek uit.

„Wat zei hij u?” vroeg deze, toen Frank, dien hij had nagezien, vertrokken was. „Dat hij mij morgen zien zou,” hernam Ralph droogweg.

„Gelooft gij, dat hij die deern sterk bemint?” vroeg de Bisschop. Toen hernam de schaapherder verwonderd: „Hebt gij het dan niet gezien, Bisschop? – Zijn hart behoort haar geheel.”

„Gij denkt dus, dat niets hem die dwaze liefde zal kunnen doen vergeten?” zei heer David; en Ralph hernam schamper:

„Nťťn, hij is trouwer dan zijn vader: nooit zal hij haar verzaken; de liefde zal sterker wegen dan uw goud en uw wapens!”

„Maar indien wij bevelen, Ralph?” riep de Bisschop.

„Zal hij niet gehoorzamen; beveel over zijn arm, Bisschop, maar niet over zijn hart,” zei de schaapherder ernstig.

„En als hij weet, wie beveelt ……!” riep heer David.

„En gij hebt gezworen, Bisschop,” zei Ralph, de hand dreigend uitstrekkend.

Toen zweeg David, en vroeg een oogenblik daarna: „Gij zijt dus niet tevreden met wat ik gedaan heb, gij wilt u verzetten tegen zijn geluk?”

„Neen – doch wel tegen zijn ongeluk,” riep Ralph.

„Ik vertrouw, dat Frank wijzer zal zijn dan gij; wij zullen zien, wie gelijk zal hebben; hij zal weten te kiezen tuschen David van BourgondiŽ en Ralph. „Dat heeft al hij!” riep Ralph ernstig. „Maar onthoud, Bisschop, dat zoo zijn hart gebroken werd, omdat het zich niet had laten verleiden, onthoud dan, dat Ralph u zijn zegen nog niet gegeven heeft!” Na deze woorden trad hij naar de deur, en de Bisschop, die het hoofd gebogen had, riep, het weer oprichtend en met den voet stampend: „En gij, dat David van BourgondiŽ zich niet bekreunt om uw zegen!”

Toch vond de page, die eenigen tijd daarna binnentrad, om te berichten, dat de Aartshertog Maximiliaan het hof naderde, den Bisschop, in gedachten verdiept, voor het glasraam staan, en de edelknaap moest tweemaal zijn bericht herhalen, voordat zijn heer hem gewaar werd.

908SR15.gif (1832 bytes)

De verlaten postInhoudopgave OltmansDe zuster van St. Aagten

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)