J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL I – HOOFDSTUK II

DE HEIDE

Zie ginds. die zwakke kudde naaken,
Op thym en marjoleine grond,
Dien trouwen hond dat vee bewaken,
Wijl ’t herdersoog spiedt alles rond.
O. Z. VAN HAREN.

E.gif (3520 bytes)en geruime tijd was er verloopen, sedert de heer Van Schaffelaar nog tijdig Amersfoort had kunnen verlaten, en nog waren de zaken bijna even ver. Vruchtelooze onderhandelingen waren aangeknoopt en weer afgebroken, en het liet zich aanzien, dat hoewel het zwaard nog in de scheede rustte, het weldra tusschen beide partijen tot den oorlog zou komen. Maximiliaan was te wel overtuigd van zijn overmacht, om aanneembare voorslagen te doen, en de hoofden der Utrechtsche partij, steunende op eigen krachten, en misschien in de hoop, dat de Hertog door den oorlog met Frankrijk, en de onrust onder de bevolking in Vlaanderen en Luik zou worden verhinderd zich met kracht tegen hen te keeren, waren niet geneigd zich zoo maar aan de harde voorwaarden van den hertog te onderwerpen.

Het was in de maand Mei. Een jonkman kwam van Hoog Soeren over de heide aangereden. Hij hield het hoofd gedurig voorovergebogen, en scheen in diepe gedachten verzonken. Zijn kleeding was eenigszins vreemd; hij droeg een wambuis van leer met lange nauwsluitende mouwen, waarover hij hooge handschoenen aan had, die boven op de hand met plaatjes van ijzer belegd waren. Ook de leeren hozen, die hij aan had, waren eng sluitend, en zijn laarzen voorzien met sporen en raderen. Zijn wapenen bestonden in een zwaard en een opsteker; een ronde stalen hoed of stormkap, die hem juist om het hoofd sloot, was onder de kin met een leeren riem vastgegespt; een wapentje was op zijn borst op het leer geschilderd, het was het wapen van Bourgondi. Zijn paard was groot en sterk en geheel wit; de toom bestond uit een ijzeren keten. De ruiter had achter zich op zijn paard een gedeelte van zijn wapenrusting opgerold, en met riemen tezamen gegespt, zeker omdat de zwaarte hem verhinderde het bij het warme weer te dragen; tenslotte hing een niet zeer groot houten schild, met het vel van een zeehond overtrokken, aan een riem om den hals van den ruiter op zijn rug.

Deze jonkman was een rijzige ruiter in dienst van den Bisschop van Utrecht, en stond onder Van Schaffelaar. Het was Frank, naar wien wij onzen ouden kennis, meester Wouter, met zooveel belangstelling hebben hooren vragen. Zijn haar, dat van onder zijn hoofddeksel te voorschijn kwam, was pikzwart, en hing met dikke krullen tot in zijn sterkgespierden hals en op zijn schouders; het strekte hem tot een natuurlijk verdedigingswapen, en zou misschien een anders doodelijken houw ongevaarlijk hebben kunnen maken. Zijn voorhoofd was hoog, zijn oogen en zijn dunne knevel zwart, doch hij droeg geen baard. Zijn neus was sterk gebogen, en hoewel zijn gelaat zeer bleek was, en de droefheid daarop te lezen stond, was het vol uitdrukking en schoon. Zijn leest was welgevormd, doch rank; hij was middelmatig groot. Hier, geheel alleen, en misschien anders genoodzaakt het leed te verkroppen. dat zijn hart verscheurde, trachtte hij door woorden zijn gevoel uit te drukken. Terwijl zijn paard uit eigen beweging den weg op de heide volgde, en Frank zijn blik zonder bepaald doel in het rond liet gaan, zong hij:

Het bloempje, dat mijn hart bemint
Is door een ander uitverkoren;
Dat bloempje, waar ik lust in vind,
Voor eeuwig heb ik het verloren.

Hij zong het met een diepe mannenstem en vol gevoel: men kon hooren dat de woorden hem uit het hart kwamen; het scheen een lied, door geen ander vervaardigd, en dat hij, als op hem toepasselijk, gekozen had; neen, de woorden en de zangwijze schenen de tonen te zijn, waarmee hij aan zijn hart lucht trachtte te geven. Bij het eindigen van het laatste vers bedekte hij zijn gelaat met zijn rechterhandschoen, en terwijl hij langzaam herhaalde:

„Voor eeuwig, voor eeuwig heb ik het verloren”,

wischte hij de tranen af, die ondanks hemzelf uit zijn oogen geperst werden. Het lied moge op zichzelf een geringe dunk geven van het dichterlijk en muzikaal talent van den jongen ruiter, wie het hem had hooren zingen, zou niet hebben kunnen nalaten den ongelukkigen jongeling te beklagen.

Als wilde hij de droevige gedachten verdrijven, die zijn ziel folterden, gaf Frank zijn ros de sporen; doch toen zijn moedig dier hem zonder steigeren, in weerwil van het zware zand, in vollen galop meevoerde, kwam hij tot zichzelf, haalde den teugel aan, tikte het met de hand aan den hals en moedigde het met de stem aan om langzaam te gaan.

„Gij zingt goed, ruitertje!” riep hem opeens een heesche stem met een vreemden tongval toe.

Verwonderd Frank rond, en ter linkerzijde van den weg ontdekte hij weldra een oude vrouw, die zich beijverde om een grooten zak op haar rug te tillen; een klein heestergewas waarachter zij mogelijk gezeten had om uit te rusten, was de oorzaak geweest, dat hij haar niet eerder gezien had.

„Ik zeg, dat gij goed zingen kunt,” riep het wijf nogmaals, nu echter op spottenden toon; „maar het was een nare deun voor zulk een knappen jongen. Nu kijk maar zoo verwonderd niet en houd uw paard niet stil; of zijt gij niet bevreesd, dat ik den weg dwars voor u zal oversteken? H! antwoord toch eens, bedroefde ruiter!”

Wanneer men, op zulk eenzame plaats als deze heide, zoo opeens wordt gestoord in zijn overdenkingen, heeft men reden om verbaasd te zijn, en het is niet te verwonderen, dat hij niet zoo dadelijk antwoordde, te meer daar zij hem bespotte om zijn gezang; doch toen zij nog harder begon te schreeuwen: „Zie, uw paard kent mij al, het wordt bang. ha! mijn blik brengt u ongeluk...” riep hij eenigszins verstoord: „Moet gij denzelfden weg als ik, oude vrouw? Geef mij dan dien zak achter op mijn paard, en ik zal hem u thuis brengen.”

„Oude vrouw!” mompelde het wijf, waarna zij snel uitriep: „Zou het den zak durven dragen? ha! en waar zoudt gij dan uw halsberg laten, zeg eens?”

„Gij schijnt de stukken eener ruitersrusting wel te kennen; maar ik zal uw zak meenemen,” zei Frank, uit medelijden met de oude vrouw, die nog steeds moeite deed om den zak op te lichten.

„En wat ken ik niet,” schreeuwde de oude, „ha! ha! of ik u ook niet kende, maar ik verlaat mijn zak niet; onze wegen loopen uit elkander, jongen! Rijd maar door!”

Frank stapte uit den zadel; hij nam de moeite niet om zijn paard aan den teugel te houden, doch vermaande het alleen met de stem om te blijven staan; hij trad nu van den weg af over de heide naar haar toe. Zij droeg, ondanks het warme weer, een schoudermantel, uit verschillende soorten en kleuren van laken te zamen gelapt; onder den mantel uit kwam een soortgelijke rok te voorschijn, die haar voeten onzichtbaar maakte. Haar handen en armen, gedeeltelijk bloot, waren rood en zwaar gerimpeld, en even bruin en morsig als haar gelaat, dat bijna geheel verborgen was onder de slipmuts van vuil rood laken, die haar hoofd bedekte. Haar oogen glinsterden als twee vuurballen; een paar lange. zwarte haren hingen over haar voorhoofd langs haar neus, en als zij den mond opende, zag men, dat zij nog eenige tanden had, die wit waren. Zij was krom en ineengedrukt; maar dacht de ruiter, dat zij misschien zoo oud niet was als hij eerst gedacht had; ook scheen zij niet zeer tevreden, toen hij naderde en zei: „Kom, oude, wil ik u helpen? Ik zal u den zak opgeven.”

 „Oude! Oude vrouw!” riep zij toornig en sloeg met den stok, dien zij in de hand had, „mijn meester is oud; ha, ha! die is oud, maar ruiters moeten altijd jonge deernen hebben, ha! is het niet waar? Zeg maar liever heks of tooverkol, mijn jongen! maar spot niet.” Toen hief zij een helsch gelach aan en riep opeens, terwijl zij in het rond sprong van blijdschap: „De meester rijdt, toe maar! O, o! dat gaat er door.”

„Vervloekt wijf!” riep Frank driftig, „is dit nu de dank voor de hulp, die ik u wilde bewijzen?” want zijn paard, verschrikt door het gelach van de vrouw, rende spoorslags over de heide; doch even spoedig besefte hij, dat zij van haar verstand beroofd was, en geen rekenschap verschuldigd was van haar gedrag, en zei goedaardig:

„Komaan, moeder! laat mij u helpen, spoedig; want ik moet mijn paard weer zien te vangen.

„Heb ik niet gezegd, dat het paard bang voor mij is?” zei zij bedaarder, „maar vrees niets, ik zal den meester verzoeken niet verder te gaan; gij zijt een goede jongen.” Nu begon zij snel, doch op een eigenaardige wijze te fluiten; het paard stond stil, en keerde vreesachtig den kop om. „Zoo, zoo! de rit is over,” vervolgde zij tevreden, „ik heb nog zelden zulk een vriendelijk ruiter aangetroffen als gij. Geef mij nu den zak op den rug; zoo, zoo is het goed.”

„Die zak is voor u te zwaar; moet gij nog ver wezen?” vroeg Frank.

„Ver? O ja, heel ver,” antwoordde zij, in gedachten verzonden, „maar hij is niet zwaar, als ik het wil,” riep zij, en sprong met den zak op den rug in het rond, alsof zij niets te dragen had. „Het hout moet branden en de kruiden moeten koken,” schreeuwde zij, terwijl zij den stok of de kruk, waarop zij leunde, met beide handen vasthield. Frank wilde nu gaan; maar opeens bleef zij vlak voor hem staan en terwijl zij hem met doordringende blikken aanzag, zei zij vlug: „En de belooning voor de moeite. Heer ruiter? H, wilt ge een kus, zeg eens? Nu, wilt ge niet, geef mij dan de hand.”

Frank voldeed aan haar verlangen en zei: „Goedendag, moeder. God zegene u.” Hij wilde zich verwijderen en zijn paard inhalen, dat nog altijd op dezelfde plaats stil stond, alsof het van steen was. Doch de vrouw riep: „Stil, stil!” trok hem den handschoen van zijn hand. hield deze vast en beschouwde met aandacht de lijnen, die er over liepen en zich kruisten. Op eens streek zij met de linkerhand het haar weg, wat uit de muts voor haar gezicht hing, boog het hoofd voorover, om des te beter te kunnen zien, alsof zij twijfelde aan hetgeen zij zag, liet daarna op eens zijne hand los en riep:

„Vergeef mij, Heer, indien ik u gekend had, zou ik u niet toegestaan hebben mij te helpen, en uw handen vuil te maken aan mijn lompen; nu groet ik u; er is vorstenbloed in uw aderen, vaarwel Heer! Wees gegroet en zet den voet niet in mijn voetstappen.” Na het uitspreken van deze woorden, liep zij hard weg, en sprong over den weg, langs welken de ruiter gekomen was.

„Blijf staan, moeder!” riep Frank, verbaasd over hetgeen zij gezegd had, „zeg mij nog eens, wat gij in mijn hand gezien hebt, en ik zal u goed beloonen.”

„Beloonen!” riep de oude en keerde zich om, „en waarvoor? Ik heb niets gezegd; wilt gij iets weten, zoo kom des nachts aan het meer,” en zij wees met de kruk over haar schouder naar de heide: „des nachts zijn de geesten wakker, maar bij dag slapen zij; vaarwel Heer, volg mij niet.” Toen keerde zij zich om, en liep als een pijl uit den boog al strompelende over de heide voort. Frank raapte zijn handschoenen op, en was nu blij, dat zij vertrokken was; een koude rilling ging hem door alle leden, en hij kruiste zich; nu eerst begon hij te begrijpen, dat hij met de heks van de Hunnenschans gesproken had.

Zijn paard bleef nog altijd op dezelfde plaats staan, en naderde hem niet, hoewel hij het riep. Toen hij bij het arme dier kwam, scheen het zoo vermoeid te zijn, alsof het een geheelen dag hard gereden had, en was zeer blij zijn meester weer te zien. Frank sprak het vriendelijk toe, maakte met den vinger een kruisje voor den kop van het paard, en zette zich toen in den zadel. Nog eens zag hij om, en werd de heks gewaar, die heel in de verte in de richting van Meerveld, over de heide voortholde

Het paard haastte zich zul, om zich zoo spoedig mogelijk van deze plaats te verwijderen; en reed, alsof het gedurig de sporen voelde, met zijn meester voort. De verschijning van het oude wijf en de bijzondere toon van haar schelle stem hadden het dier verschrikt. Wat Frank betrof, die eerst had ingezien, met wie hij te doen had gehad, toen de heks zich verwijderde, de hem en zijn jeugd eigen stoutheid maakte, dat hij nu niets meer van haar vreesde; en toch kwamen de woorden van het wijf hem telkens weer voor den geest. Het speet hem nu, dat hij haar niet gedwongen had zich nader te verklaren, en nogmaals hield hij zijn paard in, en zag achter zich. Het ros was echter bevreesd om terug te moeten keeren en steigerde, maar de kracht, waarmee Frank den ijzeren teugel aanhaalde en het dier de sporen deed voelen, noodzaakte het zich te wenden. De zon, die haar hoogsten stand nog niet bereikt had, schoot haar stralen over het veld, terwijl de ruiter zich op een hoogte bevond, waarover de weg heenliep en waardoor hij in staat was de geheele vlakte te overzien. Vr hem werd zijn gezicht bepaald door de hoogten, waarover of -langs hij, van Soeren komend, gereden was, en over welker toppen hij de kruinen der zware boomen van het Soerensche Bosch zag, die zich met de hoogte, waarop zij geplaatst waren, als een blauw gordijn aan den gezichtseinder vertoonden. Hij zag de heks niet meer, hetzij ze zich in een der vele kuilen of diepten op de heide had neergezet, of dat zij reeds achter de heuvels was, die het Meerveld bepaalden; het eerste kwam hem waarschijnlijk voor, en was overeen te brengen met haar jaren en de vracht, die zij droeg, hoewel het hem bekend was, dat voor een heks niets onmogelijk is. Aan zijn linkerzijde zag hij de spits van den kerktoren van Garderen, die zich boven de daken en de kruinen van eenig geboomte op den top van een glooienden heuvel verhief. Meer links nog vertoonden zich in de verte op de vlakte eenige wijd uiteenstaande boomen, waarachter hij het Putter Bosch gewaar werd, evenals een leger achter zijn voorposten. Ter rechterzijde zag hij niets dan heide, hoewel hij met zijn oog de hoogten volgde, die hij voor zich had, tot zij zich aan den gezichtseinder verloren. Dichterbij lag het dorpje Kootwijk, dat hij dienzelfden morgen was doorgereden. Frank bevond zich hier in het midden der Veluwsche heide.

Zoolang Frank zich op de heide bevond, had hij nog geen voertuig ontmoet; ofschoon de weg, dien hij volgde, dezelfde was, welken de karren of wagens gewoon waren in te slaan, die van Amersfoort naar Zutfen, Zwolle of Deventer reden. In de verte, op den weg naar Garderen, zag hij echter twee onoverdekte voertuigen, die zich langzaam verwijderden. Een aantal wegen liepen kruiselings over de heide, en het oog kon ze gemakkelijk volgen, daar de zonnestralen sterk werden teruggekaatst door het witte zand, dat op de meeste plaatsen te voorschijn komt; het was, alsof er loopers van helder wit linnen over een bruinachtig tapijt waren uitgespreid. Op meer dan n plaats stonden op de heide kleine hutten, nu eens alleen, dan weer in groepen van drie of meer in getal. En dezer woningen, die vrij dichtbij lag, was van heizoden opgericht en met heideplaggen gedekt, en scheen veeleer geschikt te zijn als verblijf van dieren dan als woning voor menschen. De hand boven de oogen overzag Frank nog eens de geheele landstreek, voordat hij zijn weg vervolgde, en zonder te letten op een paar lieden, die in de verte bezig waren met het inzamelen van dopheide of het steken van zoden, tuurde hij naar een paar witte stippen, welke zich in de richting van het Putter Bosch vertoonden, waarna hij zijn paard tot spoed aanmoedigde en spoorslags den heuvel afreed, terwijl hij steeds het hoofd gewend hield naar die zijde, waar hij de witte plekjes had ontwaard.

Een oogenblik daarna hoorde hij het geluid van een schelletje, en toen hij het kleine dal, waarin hij zich bevond, doorgereden, en boven op de volgende hoogte was, zag hij beneden vr zich uit een groote kar, die met grof zeildoek was overdekt, en door twee sterke bonte paarden werd voortgetrokken. De voerman, die naast het voorste paard ging, hield dadelijk de kar stil, toen hij Frank gewaar werd, en gaf door een uitroep van verwondering zijn niet zeer aangename gewaarwording te kennen, om zoo op eens op de eenzame heide een gewapenden ruiter voor zich te zien. Zijn makker, die achter den wagen ging, werd nu ook gewaar wat het stilhouden der kar veroorzaakt had, en op zijn geroep kwam een derde, die waarschijnlijk geslapen had, uit een zak, onder aan het voertuig vastgemaakt, te voorschijn kruipen. Toen echter de ruiter naderde, zonder dat hij door anderen gevolgd werd, bedaarde hun schrik, en zij beantwoordden nu pas het „goedendag”, dat hij hun reeds tweemaal had toegeroepen. Zij namen onderdanig hun mutsen af, en antwoordden hem volijverig op de vragen, welke hij stelde. Hun antwoorden schenen zeer naar zijn zin te zijn, en na een oogenblik met aandacht de sterke trekpaarden, en hun wijze van aanspanning vr elkander beschouwd te hebben, wenschte hij hun goede reis, en vervolgde zijn weg. Toen hij zich verwijderd had, zag hij, hoe een der voerlieden, terwijl de andere de hamen verschikte, behoedzaam de hoogte opklom, en naar alle zijden rond zag, of de makkers van den ruiter zich soms ook schuil hielden, en hoe hij met vreugde aan zijn makkers toeriep, dat de weg veilig was. Een glimlach deed voor een oogenblik het bleeke gelaat van den jongeling zijn ernstige plooi verliezen, daar hij niet beseffen kon, waarom drie forsche mannen, in de kracht van hun jaren, niet meer durfden steunen op hun eigen krachten.

De witte stippen, die langzamerhand in het Putter Bosch verdwenen, schenen hem thans geen belangstelling meer in te boezemen. Hij had nu de hoogten achter den rug, en zag, na nog eenigen tijd gereden te hebben, eenige boomen vr zich, welke ter rechterzijde van den weg stonden. Het scheen een laag gedeelte der heide te zijn, die hier als het ware bijna onmerkbaar een kom vormde; tusschen de struiken, welke om en onder de boomen opgroeiden, zag hij een uitgestrekte drift schapen, die in de schaduw lagen uit te rusten.

In het begin had hij slechts de witte vachten tusschen het groen kunnen zien; maar hoe meer hij naderde, des te beter kon hij het wolvee onderscheiden. Het was alsof het vermoeide ros ook haast maakte om te naderen; want zonder dat zijn berijder dit gelastte, versterkte het den draf, en spoedig kon men het zachte geluid van de schelletjes der hamels hooren, als zij opstonden of zich verlegden. Doch nu vertoonde zich plotseling een dier, dat men aan de vlugheid, waarmee het over het liggend wolvee heensprong, voor geen ram kon houden, en dat post vatte buiten de laatste struiken, welke deze plaats omringden. Het was zwart en groot, en stak den kop in den wind om te ontdekken, wie er naderde. Het was de herdershond. Zoolang de ruiter den weg hield, bleef hij onheweeglijk staan, doch zoodra deze, de heide dwars over, naar de schapen toekwam, begon hij geweldig te blaffen, ja zelfs te brullen, en sprong van woede in het rond. Toen hij zag, dat de naderende vijand zich niet liet afschrikken, wierp hij nog een blik op de aan zijn hoede toevertrouwde dieren, die niet eens gewaar werden, dat een groot gevaar hun misschien boven het hoofd hing. Hij hief een klagend gehuil aan, waarschijnlijk om den herder te waarschuwen, en stortte toen vol moed, ter afwering van het dreigend gevaar, naar den ruiter en zijn paard, bereid om desnoods in den ongelijken strijd zijn leven te laten. Maar in hetzelfde oogenblik dat Frank het paard, dat onrustig was, met de hand streelde, en luid riep: „Wolf! Wolf! h, jongen! kent ge me niet?” stond de hond stil. De fijnheid zijner reukzenuwen had hem doen ontdekken, wie er naderde, voordat hij nog zijn naam had hooren noemen; want de zon, die hem in de oogen scheen, had hem belet den ruiter en zijn paard te herkennen. Nu snelde de hond met vroolijke sprongen en van vreugde blaffend, naar Frank, sprong tegen zijn laarzen op en beet hem uit vriendschap aan de vingers van zijn handschoen. Ook het paard kreeg zijn beurt; want toen het den kop omwendde en naar hen rook, lekte Wolf het aan den bek, waarover het echter niet in zijn schik scheen, want het schudde den kop been en weer. Maar even snel als de hond gekomen was, verliet hij Frank weer, en spoedde zich naar de schapen, die hij door zijn geblaf en zijn gebaren noodzaakte om op te staan; zelfs een paar rammen, die niet spoedig genoeg, naar het hem voorkwam, aan zijn verlangen voldeden, pakte hij vrij onzacht bij de ooren, dwong hen om hun houding te veranderen en ter zijde te bewegen. Zijn ijverige pogingen bewerkten, dat Frank stapvoerts door de drift kon heenrijden, zonder dat het paard gevaar liep een der dieren te kwetsen. Wolf ging steeds vooruit; hij hield de schapen in ontzag, en noodzaakte hen om paard en ruiter genoeg ruimte te laten.

In het midden van die kleine vlakte, welke rondom met struikgewas omzoomd was, en waarop eenige dennen en lorkeboomen stonden, was een kleine waterpoel, gevormd door het water, dat hij zware regens hier van de hoogere heide samenvloeide. De hamels en schapen lagen onder de schaduw dezer boomen verspreid, en waren bezig te herkauwen; de ooien of melkschapen lagen bij haar lammeren, en hier en daar zag men het breede voorhoofd van de rammen, die met hun groote zwarte oogen, met een beetje meer belangstelling clan de andere dieren, in het rond zagen.

Het eenige menschelijke wezen, dat zich in dit oord bevond, was een grijsaard, die onder een der dennen zat, welke ongeveer twintig passen van het water verwijderd was: hij leunde met zijn rug tegen den stam, waarom de wortels een soort verhevenheid vormden, waarop hij zat, en vanwaar hij zijn bede kudde kon overzien het was de herder. Toen zijn hond, wiens trouwe hulp hem niet bevreesd behoefde te doen zijn. dat een der aan zijn hoede toevertrouwde dieren zich verwijderen zou, door zijn geblaf te kennen gaf, dat er onraad was, en daarna door zijn gehuil zijn hulp inriep, had hij zich opgericht en den staf gegrepen, die naast hem lag; doch toen hij, over de heesters heenzag en het hoofd en de borst van den ruiter gewaar werd. had hij den stok laten vallen, en was weer gaan zitten. Frank, die den herder al dadelijk in het oog had gekregen, stapte om het water heen, waaruit eenige hamels en schapen dronken, vlak op den herder toe, en hield voor hem stil, terwijl hij zeide:

„Goedendag Ralph, hoe gaat het, ik ben blij u te zien;” en zich vooroverbuigend, stak hij hem de hand toe.

De herder, die hem had zien naderen, en zijn oog stijf op hem gericht hield, zonder dat hij liet blijken, of hij hem kende, deed alsof hij niet verstond wat men tot hem zeide. Terwijl de hond zich weer verwijderde, om te zien, of er buiten op de heide ook iets vreemds aankwam, steeg Frank af en toen hij zag. dat de oude man ontstemd scheen te zijn, vervolgde hij met minder vaste stem:

„Mijn paard is vermoeid, ik zal het van den zadel ontlasten; zou er ook wvat hooi voor het dier te krijgen zijn?”

.,Het is mij aangenaam te ontdekken, dat de dankbaarheid nog niet geheel uit uw hart verdwenen is, daar gij nog voor het arme dier zorgt, dat u moet dragen, ofschoon gij mij vergeten hebt,” zei de herder verwijtend. „Maar, het is ook waar, gij zult misschien met uw paard nog verder willen; een goed paard, dat veel geld kost van onderhoud, houdt de ruiter in eere; een afgeleefde grijsaard, die arm is, heeft geen hulp noodig. en naar hem ziet men niet om. „Zijt gij ziek, Ralph, bevindt gij u niet wel?” vroeg Frank met deelneming. Hij legde nu den zadel en de ouderwetsche wapenrusting naast zich neer, en zag den herder opmerkzaam aan.

,.Ziek?” antwoordde deze spottend lachend, „is uw paard ziek, omdat gij er zorg voor draagt? Neen, wees maar gerust, ik heb uw hulp niet noodig; mijn beenen zullen mij wel naar het graf dragen zonder u.” Toen hij zag, dat Frank, die hem als met zijn oogen wilde smeeken, om aan deze bittere scherts een einde te maken, hem in de rede zou vallen, zei hij: „Daar ginder in de hut is hooi, en hier is een stuk brood.” Hij wierp een stuk roggebrood voor zijn voeten, terwijl hij de hand uitstrekte naar een kleine hut, die, eenige voetstappen van hem af, uit heideplaggen was opgericht, en met een paar takken, waarover zoden lagen, gedekt was. Frank ging dan ook daarheen, nadat hij zijn paard had laten drinken, en haalde uit dit kleine verblijf. waarin de herders, die aan dit water hun vee kwamen drenken bij slecht weer plachten te schuilen, wat hooi, dat hij na het brood aan zijn paard te eten gaf. De herder was inmiddels bezig met in een houten bak wat zout met zemelen te mengen en zette dat voor aan een schaap, dat bij hem lag.

Toen Frank, die telkens weer naar den ouden man had omgezien, zijn paard had vastgebonden, zette hij zich hij den herder neer, ontdeed zich van zijn ijzeren hoofddeksel en legde het op zijn handschoenen wischte zijn voorhoofd af, wierp zijn haarlokken over de schouders en zag dien ouden man aan, in de verwachting, dat deze hem zou aanspreken Het zwarte haar en het fraai besneden, hoewel bleeke gelaat van den jongeling en zijn vlugge. welgevormde leest staken aanmerkelijk af bij de lange, doch dorre en beenige gestalte van den herder en zijn gerimpeld gelaat, dat door de zon en het gure weer zoo hard en ongevoelig was geworden als leer, waarvan het ook de kleur had aangenomen. Zijn dun grijs haar was niet voldoende om zijn hoofd te bedekken. Zijn kale kruin was zichtbaar, daar hij zijn muts, die evenals zijn geheele kleeding van schapenleer of vacht vervaardigd was, naast zich had neergeworpen. Zijn grijze baard hing hem tot op de borst; maar zijn grauwe oogen bezaten een vuur, dat niet overeenkwam met zijn jaren, en getuigden dat zijn krachten en zijn geest niet met hem oud waren geworden. Hij bezag den jonkman eenige oogenblikken opmerkzaam; zijn oogen verrieden, dat er een omkeering in zijn gedachten plaats had, en terwijl hij hem de hand reikte, zei hij vriendelijk: „Maar gij, Frank zijt gij ziek geweest? waarom is uw gelaat zoo bleek?”

„O, neen, Ralph!” antwoordde Frank snel, „ik ben wel en gezond.” Doch toen hij zweeg, zuchtte hij, en zijn oog ontweek den vorschenden blik van den herder.

,Ik begrijp het,” zei deze langzaam, „grootheid geeft geen geluk Maar zeg eens, hoe komt het, dat gij van deze zijde kwaamt?” en hij wees met zijn hand naar den weg, waarlangs Frank gekomen was.

„Zie, Ralph! gisteren tegen den avond kwam ik te Barneveld en dacht er u te vinden; maar niemand wist mij te zeggen, waar gij u ophieldt. Heden morgen hoorde ik er de mis en wilde op goed geluk dezen weg uitrijden, toen een herdersjongen mij onderrichtte, dat gij te Soeren weiddet; doch daar zei mij de herder, gedurende wiens ziekte gij de schapen gedreven hebt, dat gij reeds vertrokken waart, en ik u waarschijnlijk hier zou vinden, hetgeen zich, Goddank bewaarheid heeft; want tegen den avond moet ik weder voort.”

„Zoo!” hernam de herder bedaard, „het heeft u dan wel moeite gekost mij te vinden; indien gij niet zoolang gewacht hadt met naar mij om te zien, zou dat wat gemakkelijker geweest zijn; maar het is waar, gij zijt uw eigen meester niet, en moet zelfs spoedig weer vertrekken. Heugt het u nog, Frank, hoe gij, eer gij dien heer Van Schaffelaar volgdet, kondet gaan waar en wanneer het u goeddunkt? Maar toen waart gij een gemeene knaap en nu zijt gij een voornaam ruiter. Het is waar, gij verwittigdet uw vader steeds, als gij u verwijderdet, dat was het al; toen noemdet gij mijn nog vader, Frank, en nu is het Ralph!” eindigde hij bitter.

„Wilt gij, dat ik u nog vader zal noemen, Ralph,” vroeg Frank aangedaan. „Waarom zijt gij niet mijn vader? Helaas! waarom ben ik niet uw zoon? ik zou dan ten minste weten, aan wien ik het leven verschuldigd ben; maar dat zal ik nimmer weten: mijn ouders zijn dood.”

„En waartoe zou dat dienen?” vervolgde de herder, „Wat zou ik hebben aan een zoon, die mij verlaat? Wat zoudt gij er bij winnen om een bedelaar tot vader te hebben; wat zou het u helpen, wanneer men van u een ridder wilde maken, dat gij kondet zeggen: mijn vader is Ralph? Hoor, Frank! indien gij bij mij gebleven waart, hadt gij gelukkig en vrij kunnen zijn; maar het heeft zoo niet moeten wezen; evenwel het hart, Frank, het hart moet toch altijd spreken, zoowel onder het semijten kleed en het harnas als onder deze ruwe schapenvacht, en dat doet het bij u niet.”

„Vader!” riep Frank bedroefd, terwijl hij zijn handen naar hem uitstrekte. „Vader! wees zoo hard niet; gij handelt onrechtvaardig!”

„Onrechtvaardig! jongeling?” zei Ralph met verheffing van stem en hij beval Frank door een handbeweging om te blijven zitten, waarna hij Wolf, die hem weer genaderd was, over den kop streek. „Onrechtvaardig, zegt gij? En ziehier dit onnoozele dier; bij mij heeft het veel werk, gedurende nacht en dag, met goed en slecht weer; het draagt een ouden halsband met pennen; een brok brood en water is zijn belooning, en nog nimmer heeft het mij verlaten; laat een ander Wolf een gouden band aandoen, hem de kostbaarste spijzen geven en zachte veeren tot rustplaats, in plaats van den harden grond; en ik weet het zoo zeker als ik leef, dat hij desondanks den ouden Ralph niet zal vergeten, maar tot hem terugkeeren. Maar gij verlaat mij, en denkt niet aan mij; ofschoon gij weet, dat ik u opgevoed heb, dat gij zonder mijn hulp niet meer geleefd zoudt hebben. Wolf weet van dit alles niets, hij heeft en kent zulke verplichtingen niet. Zeg nu nog, dat ik onrechtvaardig ben; neen, zeg liever, dat uw kennis aan mij u tot last begint te worden en dat gij met de fraaie kleeren, die gij draagt, veranderd zijt.” Hier hield de herder op, en strekte zijn magere hand naar hem uit, als om meer klem aan zijn woorden te geven.

Frank had in hevige gemoedbeweging den ouden Ralph aangehoord, en terwijl er tranen in zijn oogen glinsterden, riep hij droevig: „Maar vader! vader! hebt gij mij niet reeds vergeven, dat ik u verliet; ik heb niet wel gedaan, ik weet het; maar gij hebt het vergeten, en Van Schaffelaar is zulk een braaf heer.”

„Spreek mij van dien man niet,” viel Ralph hem in de rede.

„En waarom hebt gij hem dan nog onlangs te Amersfoort een grooten dienst bewezen? Want gij zijt het geweest, vader, die hem gewaarschuwd hebt. Ik moet u uit zijn naam bedanken,” zei Frank.

„Ik vereer hem, omdat hij braaf is,” antwoordde Ralph, „omdat hij uw vriend en weldoener is; maar ik haat hem, omdat gij mij voor hem verlaten hebt; hij is de oorzaak, dat gij niet aan mij denkt.”

„En gaat er n dag om, dat ik niet aan u denk?” zei Frank langzaam, doch met nadruk; „Gij weet het niet, vader, maar gij zult mij toch gelooven, als ik het u bezweer bij alles wat gij wilt; zoo waar als het is, dat ik geen moeder, geen vader meer heb, zweer ik....”

„Zweer niet,” riep Ralph gebiedend, „waarom zoudt gij zweren? Hier op de heide is het woord genoeg en het zweren overtollig, ik vorder geen eeden: zwijg, indien gij niet anders te zeggen hebt.”

„Wat wilt gij dan?” zei Frank neerslachtig; „gij weet, dat ik u steeds trouw bezocht heb, toen ik de gelegenheid had; nu echter de oorlog staat uit te barsten, kan ik mij niet verwijderen, en desondanks ziet gij, dat ik toch nog eens gekomen ben, vader!” zei hij een weinig naderbij schikkend, „wie mij gevraagd heeft naar mijn naam en naar mijn ouders, dien heb ik gezegd, dat ik er geen heb, geen gekend heb; maar dat gij mijn verzorger geweest zijt; nooit schaamde ik mij te zeggen: aan Ralph dank ik het leven! God weet, dat het zoo is, en nooit weigerde mijn hart u te erkennen Gij gelooft mij, nietwaar! Gij gelooft immers, dat ik waarheid spreek?” Bij deze woorden zag hij den herder vragend en ongerust aan, die nu zonder te antwoorden met het hoofd knikte, en Frank vervolgde vertrouwelijk: „En om u een klein bewijs te geven, vader! dat ik steeds aan u gedacht heb, ja zelfs bevreesd geweest ben, dat u iets zou ontbreken, of eenige hulp en rust u aangenaam konden zijn, zonder dat gij de middelen hadt om u die te verschaffen, heb ik een gedeelte van mijn soldij bespaard.” Hij haalde nu uit zijn wambuis een klein netje, dat van voren dichtgeknoopt was, te voorschijn, en hield het Ralph voor. „Het is niet veel, maar weiger niet het aan te nemen, bid ik u, en gebruik het naar welgevallen.” Langzaam stak Ralph de hand uit, en nam de beurt aan, die hem werd aangeboden. Zonder iets te zeggen, opende hij die, en schudde de zilveren geldstukken, die stuk voor stuk omkeerend, in zijn breede hand uit.

„Het zijn Beiersche guldens,” zei Frank, die dacht, dat de herder zag, welk soort van geld het was. „Er zijn geen valsche stukken onder, en er is geen een gesnoeide bij; ik verzeker het u.”

„Ik geloof u, Frank!” zei Ralph, „het zilver schijnt mij toe goed te zijn; maar daarnaar zie ik niet; ik onderzoek of er ook bloed aan dit geld kleeft.”

„Bloed?” riep Frank onstuimig, terwijl zijn gelaat hoogrood werd en zijn wenkbrauwen zich samentrokken.

„Ja, bloed, Frank!” vervolgde Ralph bedaard, „is dit geld niet gegeven om uw arm te betalen, die het verdienen moet met de dingen, die aan uw zijde hangen; zou het dan te verwonderen zijn, dat de munten rood geworden waren?” vroeg hij met een sombere lach.

„Vader, het is geen bloedgeld,” zei Frank met gevoel van eigenwaarde, „nooit hoop ik het te verdienen, God beware mij daarvoor! Het is niet geroofd of gestolen, maar zuiver en eerlijk verdiend of gekregen.”

„Ha!” vervolgde de herder spottend, „is het mogelijk afkomstig van een vrouw? Gij zijt jong en knap, Frank. De vrouwen houden van zulke knapen. Maar vertelt mij niet; het is goed, dat de oude Ralph van tijd tot tijd eens op kondschap uitgaat. Wanneer houden wij bruiloft, Frank? Nu, dat zal wat geven, als de gewezen herdersjongen zoo maar in eens een rijk heer wordt. Ha, een gekke vrouw met veel geld, dat is een goede zaak voor een armen ruiter; mogelijk schiet er voor den armen Ralph ook nog wel een nieuw kleed over, en het zal den ouden man toegelaten worden om met zijn nap aan de deur te komen, als de schooiers levensmiddelen ontvangen; dat zal een blijde dag zijn, Wolf!” eindigde hij en streek den hond over den kop, „misschien krijgt gij ook nog wel een been om af te kluiven, indien de knechts maar geen order krijgen om u van de deur af te slaan.”

„Vader!” riep Frank met nadruk, „wat heb ik gedaan, dat gij mij zoo verguist? Zeg alles, maar niet op dezen toon; het geld is geen bloedgeld, en het komt niet uit de handen van een vrouw; de herdersjongen is zoo diep nog niet gezonken; ik heb het verdiend, zooals het een braaf soldenier betaamt.”

„Indien het zoo is, Frank!” antwoordde de herder, „dan heb ik gedwaald, en het doet mij genoegen; maar zie, de ouderdom maakt wantrouwig en die zijn lijf verkoopt.... Maar ik zal niets meer zeggen; neem het geld terug, en laat ons hierover zwijgen.”

„Ik heb het voor u bestemd, vader!” hernam Frank, de beurs afwijzende, waarin de herder de geldstukken weer gedaan had, en die hij hem wilde overhandigen; „behoudt het, ik zal daardoor zien, dat gij mij gelooft.”

„Wilt gij mijn genegenheid koopen met dit geld, Frank?” vroeg de herder; „maar neen, ik zie, gij schudt het hoofd; of denkt gij misschien, dat ik mijn vriendschap verkoopen wil voor eenige muntstukken? Neem de beurs terug, Frank, ik wil het!” antwoordde deze vastberaden.

„Ook goed!” zei de herder bedaard; „ik zie, dat de jongelieden ook stijfhoofdig kunnen zijn. Daar gaat het!” Met deze woorden wierp hij de beurs midden in den poel; het geld gaf een kleinen plomp, toen het in het water verdween. Een grimlach vertoonde zich op het bruine gelaat van den ouden man, toen het laatste kringetje van het water verdwenen was.

„De plas is nu weer effen,” zeide hij, „dat punt van tweedracht is voorbij; maar breng nooit weer geld mee. Frank! ik heb het niet noodig. Zoolang deze beenen mij over de heide kunnen dragen, zal mij nimmer een stuk brood ontbreken; en als de dood mij nadert, zie eens in het rond, Frank! Is hier geen plaats genoeg op de heide voor den ouden man, om zich neer te leggen en in rust te sterven? De grond, dien hij, jong en sterk, zoo dikwerf betrad, zal hem een zachte legerstede wezen, en zijn blik zal gericht zijn naar dien hemel, hetzij grauw of blauw, welken hij steeds boven zich zag. Een dapper krijgsman treedt den dood gerust onder de oogen, Frank! Een brave schaapherder wacht hem gerust af; wat zou van beiden het meest waard zijn? En toch zal het den ouden Ralph nooit aan een goed onderkomen en een behoorlijke verzorging ontbreken, als hij wil, zoolang het geheele geslacht, dat nu leeft, hier op de Veluwe niet is uitgestorven.” Hier hield hij een oogenblik op, waarna hij vriendelijk voortvoer, want hij zag, hoe sterk zijn woorden den jongen ruiter griefden: „Zult gij niet eten, Frank? Ik heb geen lekkernijen, een stuk grof brood en schapenkaas, ziedaar al. Maar ik vergat u zoo te zeggen, dat ik een kruik goed water heb, dat ik heden morgen in de vroegte uit den diepen put te Garderen heb meegenomen. Weet gij wel, Frank, dat gij nog menigmaal met vader Ralph gegeten hebt? Gij waart toen nog veel jonger, en niet zoo groot, maar vroolijker, en uw wangen hadden gezonden kleur.”

Ralph haalde nu een groot knipmes te voorschijn, sneed het brood in breede sneden, en gaf de kaas met het mes aan Frank over, na eerst voor zich zelven een goede homp genomen te hebben. Deze had geantwoord, dat die uitnoodiging hem zeer welkom was, en onder den eenvoudigen maaltijd, bij welken Wolf zich zelven aanmeldde, werd het gesprek op hartelijker toon dan tot nog toe voortgezet; toch heerschte er in de woorden van den herder nog steeds een sombere ernst, misschien doordat hij meestal gewoon was alleen te zijn, en Frank was, zooals wij weten, ook niet vroolijk gestemd

„Gij houdt dus niet veel van die jonkvrouw Frank?” vroeg Ralph en gaf hem de waterkruik over: „en toch verhaalt men, dat gij met haar in het huwelijk zult treden.”

„Neen, vader!” antwoordde hij langzaam „hoe kan ik helpen, wat men zegt, maar ik wil u verhalen hoe zich alles heeft toegedragen; gij kunt dan zelf oordeelen.”

Op zekeren dag, nog voordat de Bisschop genoodzaakt was Utrecht te verlaten, had Frank op de Nuede de jonkvrouw voor het eerst ontmoet; tengevolge van een vechtpartij, die op den marktdag was ontstaan, raakte Ada van Rijn verwijderd van den knaap en het kindermeisje, die haar vergezelden. Het geschreeuw en de beweging die er heerschten en die voor elke vrouw van dien rang reden tot ongerustheid geven moesten, hadden de arme jonkvrouw, die inderdaad nu en dan niet wl bij haar zinnen was, zoo verschrikt, dat zij, gillend van angst, zich met de vlucht zocht te redden; maar zij struikelde, verloor het evenwicht en viel, hetzij door de menigte menschen, die op de been waren, door de oneffenheid van den grond, f door de lengte en zwaarte van haar kleeren. Op dit oogenblik bevond Frank zich in haar nabijheid en was gelukkig genoeg haar in zijn armen op te vangen. Hij droeg haar dadelijk uit het gewoel, en bracht haar in een huis, dat men meer uit hoofde van de kleeding der vrouw, welke hij droeg, dan om zijn ruiteruitrusting, op zijn verzoek geopend had. Hier kwam zij, door de hulp van de huisvrouw, spoedig bij uit de bezwijming, die haar overvallen had, maar de schrik had haar zoo sterk getroffen, dat zij niet duidelijk wist te zeggen, wie zij was, of waar ze thuis behoorde. Gelukkig had men eindelijk haar dienstboden bericht, dat een aanzienlijke jonge vrouw door een ruiter was weggedragen, en door hun komst werd alle verdere navraag onnoodig. Frank verzocht haar, hem te zeggen, of zij goedvond, dat men haar huisgenooten op de hoogte liet brengen van het ongeval, dat haar was overkomen; maar zij verklaarde zich stellig daartegen en gaf te kennen, dat zij zeer goed kon gaan en reeds dadelijk wilde terugkeeren. Natuurlijk had Frank aangeboden haar te vergezellen en hoewel hij zich wilde verwijderen, toen zij aan haar woning gekomen was, had zij hem dringend gebeden dit niet te doen, daar zij zeer goed scheen te weten, welke verplichting zij aan hem had. Haar oom, heer Loet van Oosterweerd, had hem zeer vriendelijk ontvangen, zoowel toen als den volgenden dag, toen hij naar de gezondheid van de jonkvrouw was komen vernemen.

Sedert had hij op diens uitnoodiging meermalen een bezoek afgelegd, en de vriendelijkheid van het schoon, doch ongelukkige meisje, de onderscheiding, weermee haar oom hem bejegende, en de beleefde, ofschoon minder voorkomende wijze, waarop zijn zoon, heer Reinoud, met hem omging, waren de oorzaak geweest, dat hij zich zeer vereerd rekende in zulk een huis ontvangen te worden, en er drukke bezoeken aflegde. Van lieverlede had hij echter bemerkt, dat Ada hem met warmer belangstelling behandelde, dan de kleine dienst, welken hij haar bewezen had, kon veroorzaken; en daar hij geen liefde voor haar gevoelde, had hij zijn bezoeken verminderd.

Het was ook wel te denken, dat de oude heer Loef hem met minachting zou ontvangen hebben, als hij, een arme ruiter, om de hand van zijne rijke nicht had durven verzoeken. Reinoud behandelde hem nu vriendelijker; en terwijl Ada, zonder haar verdriet over zijn lang wegblijven te verbergen, hoe langer hoe meer liet blijken, dat zij hem beminde, gaf haar oom zijn ongenoegen te kennen, dat hij zijn vrienden geheel scheen te vergeten, en liet hem niet onduidelijk bemerken, dat hij het gevoel van Ada niet misbillijkte.

Frank’s genegenheid voor de ongelukkige jonkvrouw, die hem zoo ondubbelzinnig en onschuldig het gevoel van haar hart ontsluierde, het medelijden, dat hij voelde voor het beeldschoone, doch zoo diep te beklagen meisje, dat hij als een zuster liefhad, dwong hem het harde besluit te nemen zijn bezoeken geheel te staken. Hij hoopte, dat zijn afwezigheid haar hart weer rust zou schenken; maar ook dit hielp niet; gewend over haar tijd naar eigen zin en willekeur te beschikken, liet zij weinig gelegenheden voorbijgaan om hem te zien voorbijrijden, als hij met de ruiters optrok. Niet beseffend, dat het een vrouw zelden voegt, vooral in het openbaar, aan een man blijken van genegenheid te schenken, had de arme Ada hem niet zelden in het voorbijrijden gegroet, of, door het wuiven met haar sluier, getracht zijne opmerkzaamheid tot zich te trekken. Zoowel aan zijn makkers als aan de burgers viel het op, als de jonge ruiter door een meisje van dien rang werd toegewenkt, en de eersten lieten niet na, hem gekscherend geluk te wenschen met de verovering, die hij gemaakt had.

Het bleef daar echter bij; want op zekeren dag, toen Frank op zijn kamer zat, zei men hem, dat een vrouw hem wenschte te spreken, en op hetzelfde oogenblik bijna stond Ada voor zijn oogen. De ontroering, die zij liet blijken, verried. dat zij nu toch eenigszins de onvoegzaamheid gevoelde van den stap, welken zij deed; maar toen zij een oogenblik had uitgerust, verweet zij hem, tranen stortend, dat hij haar oom thans niet meer kwam bezoeken. Toen Frank allerlei uitvluchten verzon om zijn lang wegblijven te verklaren, zei zij hem zonder omwegen, dat hij om harentwil wegbleef, dat zij zeer goed voelde, dat het kwam, omdat zij hem liefhad. Deze verklaring, welke hem voor elke andere vrouw weerzin ingeboezemd zou hebben, bedroefde hem voor de ongelukkige jonkvrouw. Hij zei haar, dat zulks de reden niet was; dat hij haar liefde niet had bemerkt en niet verdiende; dat hij een arme ruiter was, zonder goed of naam, en dat nimmer het denkbeeld bij hem had kunnen opkomen om haar hand te durven vragen, maar dat, indien zij vriendschap voor hem voelde, hij haar zou dienen en eeren alsof ze zijne zuster was. Toen hij uitgesproken had, antwoordde zij met hevig bewegen en onder een vloed van tranen, dat alles niets was; dat zij meester was over haar hand en haar vermogen; dat zij hem beminde; dat noch zijn naam noch zijn ouders haar van gedachten konden doen veranderen en dat het alleen aan hem lag om haar gelukkig te maken.

In n woord, het gelukte hem alleen haar tot bedaren te brengen, door te beloven dat hij zijn bezoeken zou hervatten; ’t was het minste wat hij doen kon, zonder haar, die hem zoo ondubbelzinnige blijken van haar liefde gaf, geheel voor het hoofd te stooten. Deze belofte, waarmee de arme zinnelooze zich voor het oogenblik tevreden liet stellen, gaf haar hoop, dat Frank niet altijd onverbiddelijk blijven, maar dat hij haar mettertijd met wedermin beloonen zou.

Daar zij geheel alleen gekomen was, had hij haar naar haar woning teruggeleid, en sedert dien tijd ondanks zichzelf en met een bekommerd hart zijn bezoeken hervat, waaraan tot zijn geluk een einde werd gemaakt door zijn vertrek uit Utrecht, toen hij den Bisschop moest volgen.

Toen Frank zijn verhaal geindigd had, zweeg hij. De herder gaf hem de waterkruik over, opdat hij eens zou drinken, en zei: „Het heeft zoo moeten zijn, Frank! Want alles is zonder uw toedoen gebeurd. Maar zeg mij eens, heeft u de gedachte niet goed gedaan van een groot vermogen te verkrijgen, en zou er onder het medelijden voor de dwaze maagd niet een klein weinigje liefde verborgen liggen?”

Doch Frank schudde het hoofd. „Gij verstoot dus deze gelegenheid om groot te worden; al het smeeken en de liefde van de jonkvrouw zijn dus vergeefs?” vroeg de herder nog eens met nadruk.

„Vergeefs, vader!” antwoordde deze langzaam; „ik heb haar lief als een zuster, omdat zij goed en ongelukkig is; maar haar beminnen als mijn vrouw, kan ik niet; de dood is mij liever dan een huwelijk met haar; waarlijk het is zoo.”

„En toch zijt gij verliefd, Frank!” zei Ralph en zag hem aan „te vergeefs zoekt bedriegen. Waarom zijt gij zoo ternedergeslagen? waarom opent gij uw hart niet voor Ralph? Wij kennen elkander immer reeds zoo lang!” eindigde hij gevoelvol. Doch Frank antwoordde hem niet, en terwijl hij zijn armen bij het lijf liet neerhangen, zag hij stijf voor zich heen; een smartelijke trek misvormde zijn mond, en eenige tranen verdrongen zich in zijn oogen, die de heidetakjes voor zijne voeten schenen te willen tellen.

„Frank!”riep Ralph op eenmaal droevig, terwijl hij zich oprichtte, doch weer neerviel. „Het jonge meisje met de blonde lokken heeft dan uw hart gestolen? Arme Frank!” De ruiter verborg zijn gelaat in zijn handen en boog het hoofd voorover tot op zijn knien: hij scheen dood voor al hetgeen hem omringde. ,.Gij hebt mij verlaten, Frank!” zei de herder langzaam, „mij, die u heb opgevoed, om een ander te volgen; zult gij nu dezen, hetgeen hij voor u deed, vergefden, Frank! door hem het dierbaarste dat hij bezit, te ontvreemden? Zult gij tweemaal ondankbaar zijn, Frank? Ik heb geleden en vergeven; zal hij ook vergeven, kind?... Ik geloof het niet,” eindigde hij met bitteren ernst.

„Wie spreekt van vergeven? riep Frank, „ik heb niets gedaan of gedacht...” „Maar zult gij altijd niets denken, niets doen?” vroeg Ralph met nadruk.

„Ja,” vervolgde Frank, terwijl hij het hoofd oprichtte, „altijd, of ik zal weten te sterven.”

„Wanneer men jong is, Frank, is het leven zoet,” zei de herder.

„Wanneer men ongelukkig is, dan is de dood welkom,” hernam Frank somber, en zonder het te weten, drukte zijn hand de greep van het wapen, dat aan zijn linkerheup hing.

„Gij spreekt van sterven, kind!” zei Ralph smartelijk: „maar denkt gij niet aan uw ouden vriend, aan vader Ralph? Toen gij hij hem waart, verlangdet gij niet naar den dood; toen waart gij gelukkig. Waarom verliet gij mij? Hier leven de menschen lang en wachten bedaard hun einde af; zij behoeven in den dood geen uitvlucht te zoeken om hun rampen te heelen. Denkt gij niet aan mij? Ben ik u dan niet meer, dat gij mij zoo wilt gaan verlaten voor den korten tijd, dien ik nog te leven heb?” Bij deze woorden vatte hij de hand van den jongeling, drukte haar met hartelijkheid, en lei zijn arm op diens schouder. „Keer tot mij terug, Frank!” vervolgde hij, „hier op de heide zal het ongeluk u niet vervolgen.” „Ik kan niet, vader!” hernan, Frank, „ik kan niet: hier zou ik nog minder kunnen leven dan in het gewoel van de samenleving en den oorlog, die spoedig uitbreken zal; mogelijk zal ik gelukkig genoeg zijn, om op het veld van eer voor eeuwig rust te vinden en mijn heer te dienen ten koste van mijn leven.”

„Altijd die gedachten, Frank!” zei de herder verwijtend, „en ik dan, wilt gij mij ook niet dienen? Maar mij dient gij door te blijven leven en uw heer, dien gij dient, heeft niets aan uw dood.”

„Misschien niets.” antwoordde Frank: „maar misschien ook veel; moet ik hem niet dienen ten koste van mijn leven?”

De herder zweeg eenige oogenblikken en zei toen: „Dien hem, Frank, maar geloof niet, dat uw dood hem vreugde of nut zal aanbrengen. Gij draagt de eenige kleuren, die ik u nog kan toegeven te dragen; en zoo uw leven noodig mocht zijn om het Zijne te redden, zoo offer het op... Is hij niet de heer der kerk? Zou zijn dood niet eenmaal vreeselijk tegen u getugien, Frank?” eindigde hij langzaam.

De jongeling was weer in zijn droefgeestigheid vervallen, zoodat hij bijna niets hoorde van hetgeen Ralph tegen hem zeide, die toen hij dit bemerkte, hem trachtte te troosten, en hem moed in te spreken met een hartelijkheid, welke men in den ouden man niet gezocht zou hebben, doch welke getuigde van de liefde en bezorgdheid, die hij voor Frank gevoelde. Eindelijk gelukte het hem ten deele, zijn gedachten op minder droevige voorwerpen over te brengen; hij stond op, nam zijn staf in de hand, en gelastte Wolf om de schapen op te jagen. „Het vee is nu weer uitgerust,” zei hij; „de grootste warmte is over. Zadel ook op, Frank, en ik zal in uw gezelschap naar de zijde van Voorthuizen drijven.” Frank voldeed aan zijn verlangen, en weinige oogenblikken nadat de herder den houten bak, dien hij gebruikt had, en het overschot van het hooi in het herdershutje had weggeborgen, was de geheele kudde op de heide in beweging; Ralph en de ruiter, die zijn paard bij den ijzeren teugel leidde, traden het laatst uit de heesters en struiken te voorschijn. „Geen vorst heeft beter maarschalk dan ik, maar niemand heeft ook gehoorzamer leger,” zei Ralph; want toen hij zijn staf in de richting van Voorthuizen over de heide strekte, snelde Wolf, die al gedurig ongerust naar zijn meester had gezien, naar die zijde, en noodzaakte de hamels, welke met schelletjes voorzien waren, om de kudde schapen in de goede richting voor te gaan, die, zonder acht te geven waarheen de voorste zich begaven, al weidende het geluid der klokjes volgen.

„Die vreedzame dieren gelijken niet veel op krijgslieden,” antwoordde Frank, „noch Wolf op hun aanvoerder, noch wijzelf op vorsten; en toch,” vervolgde hij, na zich een oogenblik bedacht te hebben, „heeft mij iemand dezen morgen gezegd, dat ik uit vorstenbloed gesproten was, en dat ik een kroon verdienen zou.”

„En wie heeft u dat gezegd?” vroeg Ralph schielijk, terwijl hij vr hem bleef staan en gebogen op zijn staf leunde.

„Wie?” hernam Frank, „ik geloof, de heks.”

„De heks van de Hunnenschans en dat op klaarlichten dag! Onmogelijk, Frank!” zei de herder met verbazing.

De jonge ruiter verhaalde hem nu, hoe zich alles had toegedragen, en de herder vroeg hem, bedenkelijk het hoofd schuddend, toen hij geindigd was:

„En zult gij des nachts naar het wijf gaan, om uw toekomstig lot door middel van de macht des boozen te vernemen?”

„Ik geloof het niet, vader!” antwoordde deze; „ik hecht geen geloof aan haar woorden; dat alle heiligen mij genadig zijn mogen! Maar ik wil mijn eeuwig geluk niet in gevaar stellen en haar opzoeken.”

„En gij zult wel doen, Frank. O! indien gij mij geen verdriet wilt aandoen, zoo zet nimmer den voet in haar verdoemd verblijf; want het is wel de heks, die gij gezien hebt, Frank! Hoewel ik haar nimmer bij dag, maar dikwijls des nachts kruiden zoekende op de heide, in de verte heb gezien; zij is het. Maar tel ook haar woorden niet, Frank!” vervolgde Ralph na eenige oogenblikken. „Zou zij meer van u weten dan ik, die in de toekomst zien kan, niet door de hulp van den booze, maar door den geest? Nooit zag ik een kroon op uw hoofd, Frank! Nooit. Geloof haar niet; zij heeft u bedrogen.”

„Heb geen vrees, vader, ik zal niet bij haar gaan,” antwoordde Frank. „Ik beloof het u; maar al had zij gewaarzegd, mijn hart verlangt geen kroon; zal men een kaars, die uitgaat, op een nieuwen kandelaar zetten? Neen, en waarom zou dan hij naar een kroon verlangen, wiens eenig uitzicht de dood is?” Ralph was zoo in gedachten verdiept, dat hij niet antwoordde, maar somber voor zich zag en de kudde volgde; slechts nu en dan nam hij met het ijzeren schopje, dat aan zijn staf zat, eenige steentjes, of een kleine zode op, wierp die naar de schapen, die zich zijdelings verwijderden, en noodzaakte hen daardoor zich weer bij de kudde te voegen.

Op eenmaal echter stond hij stil, strekte zijn hand naar den gezichtseinder uit en riep met geestvervoering en een sterke stem, die als over de heide rolde, terwijl het eene woord het andere verdrong: „Ziet gij daar die roode wolk? Het is bloed, zeg ik u; gij kunt het gewoel niet zien; zij vallen bij hoopen; zij riepen den dood, en hij is gekomen, ha! Hij is in hun midden, en slaat hen neer; hij is de dapperste; hij vertrapt paard, rusting en banier; hij vermorzelt de bussen, die vuur en vlam en moord verspreiden, daar Maar hier zweeg hij: met open mond en starrenden blik stond hij als levenloos; zijn lippen bewogen zich, alsof hij sprak; doch Frank, die hem met ontzetting gadesloeg, hoorde niet het minste geluid. Meermalen in zijn leven had hij den ouden Ralph in zulk een geestesvervoering gezien; hij twijfelde geen oogenblik, of die zag alles, wat hij verhaalde; en dat het ook zoo gebeuren zou, geloofde hij zonder bedenken. Nu het woord tot den herder te richten, diende tot niets; zoo lang het gezicht duurde, was hij dood voor hetgeen hem omringde. Eindelijk sloot deze zijn oogen, liet zijn hoofd op de borst zakken, en wischte zich met een soort van handschoen, dien hij aan had, het gelaat af.

„Welnu, vader, wat hebt gij gezien?” vroeg Frank ongerust.

Maar de herder, die van wat hij meende gezien te hebben zelden iets verhaalde, dan hetgeen hem ondanks zichzelf ontsnapte, als hem de gave der voorzegging als het ware op het lijf werd geworpen, trad het hoofd schuddend voorwaarts, en zei eindelijk: „Ik heb zelf alles niet goed gezien; maar het zal wel komen, Frank. Maar,” vervolgde hij droevig. „wees niet bevreesd, de ouderdom zal u geen verdriet aanbrengen; toen het gezicht verdween, zag ik u niet meer; en ik, arme man! ik stond nog overeind. Helaas! als gij reeds in vrede rusten zult, zal Ralph hier nog alleen op de heide zijn.”

De toon, waarop deze klacht geuit werd, en de neerslachtigheid, die op het gelaat van den herder en in zijn houding te lezen stond, troffen Frank; het was nu zijn beurt om den grijsaard te troosten, en terwijl hij zijn hand op diens schouder lei, zei hij aangedaan: „Ik ben nog jong en sterk vader! Gij zult mij niet overleven; wanneer uw oogen weer vooruit zullen zien, zult gij gewaar worden, dat gij uw bedriegt.”

„Kind,” hernam Ralph, die ongeloovig het hoofd schudde en pijnlijk glimlachte, „gij gelooft niet, wat ik u zeg? De geest bedriegt niet, tevergeefs zijn uw jeugd en uw sterkte, daar gij wilt en moet sterven.”

„En indien ik u beloofde, vader, te willen leven,” zei Frank, die nu weer met den herder de kudde volgde, en alles wilde doen om den grijsaard een weinig op te beuren.

„Dan zou ik antwoorden,” hernam Ralph somber, „dat, al wilt gij leven, het niet van u afhangt om niet te sterven.”

Dienzelfden avond besteeg iemand, die een groot wit paard bereed, van de zijde van Gelderland den Amersfoorter berg. Hij droeg een halsberg of wapenrusting van malin, die zijn dijen bedekte en tot op het paard neerhing en van mouwen voorzien was; zijn schild hing op zijn rug.

Toen hij den uitersten top van den bergrug bereikt had, waar een oude boom stond, hield hij stil, en bezag met een oogopslag de omliggende streek, waarna hij zijn malinkap achterwaarts wierp. De aanwakkerende wind, die sterk uit het Oosten blies, deed zijn zwarte haarlokken, door een ijzeren hoed gedekt, heen en weer fladderden, en de ondergaande zon, die links achter hem aan den gezichtseinder verdween, verlichtte het paard, en wierp een goudachtigen weerschijn op de ijzeren ringen van zijn wapenrustlng.

Vr hem lag Amersfoort als aan zijn voeten; meer verwijderd het geboomte, waarachter de Veluwsche Bergen te voorschijn kwamen, die naar rechts steeds hooger en hooger verrezen en zich in het verschiet verloren. De Lieve Vrouwen-toren, die evenals een piramide in de woestijn, zich boven alle andere torens en gebouwen verhief, werd voor het grootste gedeelte nog verlicht. Doch de ruiter lette noch op de kunstige bouworde en fraaie evenredigheid van dit sieraad van Amersfoort, noch op het torentje, waarmee de bouwmeester het kind Jezus had willen voorstellen, dat aan de borst van zijn moeder rustte, hij lette op de St. Joriskerk, op de andere gestichten en poorten, die hij overzien kon, noch op den muur met zijn torens, welke de stad als een keten omringde; maar zijn blik bleef lang rusten op dat punt der stad, waar zich de twee kleine spitsen van de Vijepoort boven de daken der huizen verhieven. Een rilling overviel hem, toen het geluid van een ossenhoorn waarop van den toren geblazen werd, hem uit de mijmering opwekte, waarin hij verzonken was. Een diepe zucht ontglipte hem, toen hij de kap van zijn halsberg weer over het hoofd trok, en een laatsten blik op de stad wierp, waarna hij van den berg afdaalde langs dezelfde zijde, als hij hem beklommen had, om den weg van Amerongen te bereiken. 

908SR15.gif (1832 bytes)

De Vergulde HelmInhoudopgave OltmansDe Roode Draak

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)