J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DERDE DEEL – HOOFDSTUK II.

EEMNES.

Maar schrikkelijk rolt het storm gerucht
En ’t wraakgeschreeuw in ’t rond,
De donder perst en scheurt de lucht,
En davert langs den grond.
Hij beukt en kneust wat naken mag,
En blakert ze aan zijn brand,
En stort en smakt niet bouw en slag
Er honderd meer in ’t zand.
H. TOLLENS Cz.

D.gif (3307 bytes)e sluier van den nacht had zich over het aardrijk verspreid, en oogenschijnlijk scheen ook in Eemnes alles in een diepe rust gedompeld. Hier en daar was eenig beschonken volk in de huizen op de been, en terwijl er geen droppel jenever in het geheele dorp te vinden was, droegen de wijn en het bier alleen de schuld van deze onmatigheid. Zij, die in de woningen waren, welke voor wachthuizen dienden, vermaakten zich met spreken, drinken en spelen.

In een vrij ruim, boersch vertrek, zaten eenige Zwarte Ruiters rondom het vuur. Het huis, waar deze mannen zaten, stond in het noordelijk gedeelte van het dorp, in de nabijheid van de versperringen, die Frank met den boer was doorgekomen, en een houten beschot, dat een eind weegs door het vertrek liep, beveiligde hen, die bij het vuur zaten, tegen den tocht van de deur, maar liet daardoor ook het overige gedeelte in het duister; want er was geen licht dan van het hout, dat op den haardsteen brandde.

„Wij liggen hier beter, Rogardo,” zei een der ruiters. „Messire Perrol heeft gelijk gehad dit gedeelte van het dorp in te nemen; de woningen en stallen zijn hier grooter en beter ingericht, en wij liggen hier dichter bij Laren,” eindigde hij lachend.

Rogardo beaamde dit en merkte op, dat den Zwarten Ruiters altijd de beste plaats toekwam. Een hunner, die afwezig geweest was, keerde nu terug en Rogardo vroeg: „Hoe maakt de vent het, Wilhelm? Is hij nog even stom als dezen morgen?”

„Gewis,” hernam deze, „de oude bedelaar bromde slechts, toen ik hem met mijn spoor in de zijde aanraakte; de touwen, waarmee hij gebonden is, zitten nog zoo vast als een muur, hoewel de domme dorpelingen en zelfs de mannen van Wachtendonck zeiden, dat hij zich wel zou weten vrij te maken. Een leelijke hond, die van het water droop, is in de kamer gedrongen; hij zat vr de deur te wachten; zou het mijnheer satan ook zijn?”

„Ha, ha,” lachte Rogardo, „dat heeft geen nood. Jammer maar, dat Froccard niet bij de hand was, anders ware het nu al met den boef gedaan.”

„Bij St. Veit, ik heb lang met mijn speer in Duitschland gediend,” zei Wilhelm, „maar er zijn hier al rare makkers onder ons. Onze aanvoerder is een liefhebber van knappe meisjes, en hij bekreunt er zich niet veel om of zijn liefde haar aanstaat; het schoone kind, dat hier in huis gevangen zit, had toch beter lot verdiend; ik hoorde haar zuchten, toen ik voorbij het kamertje ging, en gevoelde lust om haar te troosten.”

„En om kennis te maken met Froccard?” vroeg Rogardo lachend. „Indien het was om met hem te vechten, waarom niet?” riep Wilhelm. „Ik vind haar zoo lief, dat, als ik wist, dat de oude landlooper gelijk had, toen hij mij zei, dat ik nader aan den dood was dan hij, ik er eens een kansje op zou wagen, ten spijt van Froccard.”

,Indien gij uw leven liefhebt, dan laat gij die malle grappen varen,” zei Rogardo. „De oude leugenaar wist misschien iets van den krijgsraad, die in het leger gehouden zou worden; maar er is voor goed tijding, dat er niets beslist is, zooals wel te denken was; wij slapen dezen nacht gerust.”

Een kan wijn ging van mond tot mond rond; toen zei Rogardo, die een weinig spraakzamer begon te worden dan anders: „Ha, heeft de Tuimelaar u daarvan gesproken, Wilhelm? Heeft hij u wel eens verhaald van Giulia? Per Bacca! Dat is het mooiste nonnetje geweest, dat ik ooit gezien heb. Te Milaan haalde hij haar uit een klooster; maar zij was van vorstelijke afkomst, en dacht dat Messire Perrol van even edele geboorte was. Zij zag zich bedrogen, toen zij, in plaats van de vrouw van een voornaam edelman uit Frankrijk, de bijzit werd van een eenvoudigen, ofschoon beroemden condottier.”

„Maar die, bij St. Michiel, niet lang duurde,” vervolgde Rogardo. „De treurigheid van die lieve Giulia beviel den aanvoerder niet; zij was trotsch, en matigde zich een gezag over ons aan, dat lastig begon te worden, toen zij gelukkig ook haar schaker zijn bedrog verweet, en zich tegen hem verzette. Na een hevigen twist gedurende een zekeren nacht, kreeg ik den volgenden morgen bevel haar in een overdekte kar of een gesloten wagen naar de plaats van bestemming te voeren. Ha, ha, dat was anders dan mij te laten hangen, zooals zij hem verzocht had, en Messire Perrol zei haar nog, toen wij hem verlieten: „Gij hebt mij zoo dikwijls verweten, dat ik u uit uw klooster gelokt heb, dat ik waarlijk niets beters weet, dan u er weer heen te zenden. Vaarwel, Giulia, en bid voor de zonden, die wij begaan hebben; maar als men u inmetselt, zooals ik vrees, dan zal het gebed niet lang zijn.” Toen riep hij: „Voorwaarts, Rogardo, naar Milaan, en draag zorg de boetvaardige Magdalena niet te verliezen.”

„En bracht gij haar naar hetzelfde klooster terug, waar een vreeselijke dood haar wachtte?” vroeg Wilhelm.

„Zeer zeker,” hernam Rogardo; „het was immers den wil van Messire Perrol; ofschoon ik misschien den moed niet zou hebben om het te doen, indien zij altijd vriendelijk was geweest. O, zij was niet zoo bemind als de moeder der Zwarte Bende, en toch, waar is zij!... Hei, schuif dien wijn eens wat hier heen!” De makkers van Rogardo stonden op, toen hij zweeg; zij stelden misschien niet veel belang in wat hij zei, of gaven er uit voorzichtigheid liever de voorkeur aan om te gaan slapen; zij wenschten hem tenminste goeden nacht en vertrokken. „Nu de kan leeg is, gaan zij heen,” bromde Rogardo; maar Wilhelm troostte hem, dat hij nog wat bewaard had; en toen hij de kan opnieuw had gevuld zette hij ze tusschen hen beiden in, stookte het vuur op. Rogardo antwoordde nu zacht op een vraag van Wilhelm, die weten wilde, waar Perrol de moeder van de Zwarte Bende het eerst gezien had: „Het was op een groot feest, vriend Wilhelm, als ik mij ten minste wel herinner; op het schoone kasteel, dat de edelman, die haar had opgevoed, destijds bewoonde. Later toen Ganita volgens haar belofte, een zijdeur opende, en Messire Perrol tegemoet snelde, sloot hij haar in zijn armen en nam den sleutel uit haar hand om de deur voor haar te sluiten, en hem daarna weg te werpen. Zoodra Perrol niet met dat gedeelte van ons, dat hem zou vergezellen, ver genoeg verwijderd was, openden wij de deur, en stormden naar binnen.

„Een onberekenbare buit viel in onze handen, en niemand heeft ooit geweten, dat wij er des nachts geweest zijn; want al wat leefde werd neergestooten, en de doode lichamen en het geplunderde gebouw, dat op vele plaatsen aangestoken werd, verbrandden zonder eenig spoor van onzen strooptocht achter te laten; zelfs Ganita werd er niets van gewaar, voordat Perrol het haar verhaalde, toen na verloop van tijd zijn liefde verdwenen en in haat veranderd was.” Wilhelm, die zeer nieuwsgierig scheen te zijn, deed nog meer vragen, waarop Rogardo schoorvoetend antwoordde: maar toch zei hij, na gedronken en, zijn muts tusschen zich en het vuur houdend, rondgezien te hebben:

„Voor den satan, vriend Wilhelm, waarom hebt gij het niet aan den Tuimelaar gevraagd? Want dat zijn halszaken; en voor geen geld wilde ik, dat Messire Perrol reeds gehoord had, wat ik gezegd heb; maar wij zijn alleen: schik wat naderbij en luister. Gij weet, dat de moeder van de Zwarte Bende door ons geerd en bemind werd. O, het was een goed soort wijf, en kundig en gedienstig om een kranken of een gekwetsten ruiter te verplegen, want zij was niet zoo trotsch als Giulia, en beminde Perrol, hoewel hij haar ruw en koel behandelde, nadat zijn genegenheid, die zelden lang op n voorwerp gevestigd bleef, verdwenen was. Wij waren toen in Frankrijk. Walson, die toen reeds bij hem was, vond zeker behagen in haar; want op zekeren dag, dat hij met Perrol zat te zuipen, en ik de wacht had, hoorde ik hem, toen deze aanvoerder in verwenschingen tegen Ganita uitbarstte, aan dezen voorstellen, haar aan hem af te staan; en na een woordenwisseling moest ik binnentreden, en ontving last haar te roepen. Zij kwam, onwetend wat er met haar zou gebeuren; en ik hoorde Messire Perrol haar zeggen, dat zijn luitenant Sir Walson op haar verliefd was, en dat hij haar aan hem had afgestaan voor een paard, dat de luitenant onlangs een Spaanschen edelman ontnomen had, en haar bevel gevend om voortaan alle liefde voor hem op den luitenant over te dragen. Ik hoorde haar jammeren en spreken, hem dreigen en vloeken; spoedig ging de deur van de kamer open, en Ganita nam de vlucht, terwijl Walson den aanvoerder verzocht haar den tijd te geven, om zich te bedenken. Sindsdien sprak Perrol haar niet meer toe, en scheen het gebeurde te hebben vergeten; en, zooals ik wel verwacht had, stelde Walson tevergeefs alles in het werk, om haar genegenheid te winnen; maar zij bleef bij de bende; want zij beminde nog altijd den aanvoerder, evenals de hond, dien men slaat, en die toch terugkeert: de heidens zijn honden, ha, ha! Maar op zekeren nacht, toen wij ons in een verlaten klooster gehuisvest hadden, en er dachten te blijven, kregen wij plotseling bevel, in het holst van den nacht op te breken. Toen wij het klooster reeds ver achter ons hadden, zagen wij, dat de vlam van onze wachtvuren het hout moest hebben aangestoken, dat wij bijeenverzameld hadden, en zoodra wij des morgens ons leger bij een dorp opsloegen, verspreidde zich het gerucht, dat de moeder van de Zwarte Bende niet in haar wagen was gevonden, en niemand iets van haar wist. Allerlei gissingen werden er gemaakt: men vertelde elkander in het geheim, dat Messire Perrol en Walson dien nacht meer dan ooit gedronken hadden, en dat de aanvoerder toen zelf Ganita was gaan halen, en haar naar het gewelf gevoerd had, waar Walson hem wachtte; dat de vlammen, die wij gezien hadden, door het getraliede raam van dat gewelf te voorschijn waren gekomen. Sommigen meenden Perrol en Walson het laatst uit het klooster te hebben zien treden, terwijl zij hevig vloekten, en dat de eerste zijn hand met een doek omwonden had, en Ganita verdwenen was. Dit alles maakte, dat niemand durfde vragen waar zij was; te meer, toen Walson bevel gaf den wagen, dien zij gebruikt had, te verkoopen.

„Daama ontving Messire Perrol, bij een feest van vele voorname krijgslieden en edelen,” vervolgde Rigardo, „den bijnaam van Perrol met de Roode Hand, en van dat oogenblik af draagt hij altijd een handschoen aan zijn rechterhand. Hij, die hem dien bijnaam gaf, hoewel sommigen vermoeden, dat een edele vrouw hem het eerst zoo genoemd heeft, was de eerste, wien deze naam het leven kostte; en daar sindsdien ook eenige Zwarte Ruiters, alleen om het uiten van dien naam, gehangen zijn, is het beter er niet aan te denken, laat staan er over te spreken.”

Toen Rogardo zweeg, zei Wilhelm, die met aandacht geluisterd had: „Zeg mij eens hoe de Roode Hand er wel uitziet.” Maar zijn makker, die de kan met beide handen ophief en dronk, zweeg, zelfs toen hij snel de kan weer neerzette; een rilling scheen den man van wapenen te bevangen, terwijl hij langs het vuur met strakke blikken in het vertrek staarde.

„Wat wil dat zeggen?” vroeg Wilhelm verwonderd; maar hij ontving toch antwoord, hoewel zijn makker zweeg; want iemand riep streng en dicht bij hem:

„Het wil zooveel zeggen, ellendeling, dat gij morgen zult worden opgeknoopt!” Met schrik zag Wilhelm achter zich en hij werd nu Sir Walson gewaar, die over het planken afschutsel heenzag, en, na nog een dreigenden blik op hen te hebben geworpen, vertrok.

„Morgen wacht u, en mij dus mogelijk ook, het lot om door Froccard te worden opgeknoopt,” zei Rogardo somber en wrevelig grimlachend. „Voor den duivel! Die verdoemde monnik zal wat te doen hebben; h, de oude kerel is er immers ook nog, zoo hij niet verdwijnt, want hij zal dan toch gelijk hebben; morgen wacht u de strop, Duitsche jongen!”

Wilhelm scheen geheel terneergeslagen; toch vatte hij een oogenblik daarna de kan aan, dronk en riep toen: „Indien het zoo zijn moet, dan wil ik ten minste niet sterven, voordat ik de deern gekust heb, die hier gevangen zit, en mogelijk gelukt het mij nog wel vr den morgen het dorp te ontvluchten.”

Rogardo overdacht ook wat hem te doen stond; maar daar Walson hem niet scheen bedoeld te hebben, wist hij niet of hij blijven of gaan moest, en verwachtte zelfs elk oogenblik eenige van zijn makkers te zien binnenkomen, om hem gevangen te nemen. De verschijning van den luitenant had zijn roes doen verdwijnen, evenals allen lust om te drinken, en hij wachtte in een sombere stemming zijn lot af, terwijl zijn makker, door herhaalde teugen, trachtte te vergeten, wat er was voorgevallen.

Een volmaakte rust heerschte er in het dorp, toen de zuidelijke torenklok een oogenblik daarna begon te slaan; maar eer de klank van den laatsten slag zich over het verdronken veld verloren had, gaf de noordelijke kerktorenklok antwoord, en daarna werd weer alles stil; alleen liet zich nu en dan bij de versperringen eenig gerucht en het toeroepen van de schildwachten hooren.

Indien zij, die op de kerktorens de wacht hielden, minder vertrouwd hadden op de rust van den vijand, en de sterkte van het dorp, zouden zij misschien, ondanks de diepe duisternis, gezien of liever vermoed hebben, dat er iets vreemd in den omtrek plaats had.

Het was alsof men langs den Wakkerdijk en de Vikevoortsche-steeg, die, voor den opmerkzamen beschouwer, flauw, doch nog een eind van de ondergeloopen landerijen te onderscheiden waren, iets zag bewegen, dat nog zwarter, of van een andere kleur was dan de dijk en de Steeg. Langzaam, doch gestadig, verdween de kleur van de wegen onder deze nieuwe tint. Het was alsof twee slangen het dorp zochten te naderen, die zacht langs de Vikevoortsche-steeg en langs den dijk voortschuifelden, om het dorp in den slaap te overvallen, en met haar lichaam te omstrengelen en te verworgen. Slechts een zacht en bijna onmerkbaar geluid liet zich hooren. Ook aan het einde van de Biersteeg en den Zijdwind scheen uit het donker van den nacht een aantocht te geschieden; maar deze wezens schenen van een anderen aard; niet gelijkmatig was hun voortgang; soms scheen een gedeelte van hun lichaam te verdwijnen, en zich in de watermassa te verliezen; ’t was alsof deze watermonsters zich ophielden om onderweg te dartelen en te spelen.

Het was meer dan tijd voor de wachters op den toren om den stormklok te luiden; want zelfs langs de Meenesteeg werd het dorp bedreigd door een nieuwen vijand, die wel het laatst, maar nu ook met spoed scheen voort te snellen; doch de wachters sliepen op den toren.

Toen was het alsof het monster eindelijk de uiterste versperring aan de noordzijde bereikte, en er zijn tanden inzette, om de stormpalen neer te halen; maar tegelijk met het kraken van het hout, hoorde men ook het geschreeuw van de bewakers der versperring, plotseling vertoonde zich een vlam; het geluid van een ontploffing rolde over de vlakte en een zware bus werd losgebrand.

Terwijl de ontstelde wacht de klok begon te trekken, en het gekraak der stormpalen zich mengde met het geschreeuw der verdedigers van de werken, vertoonde zich buiten het dorp een klein licht, dat zich scheen te vermenigvuldigen. Niet lang daarna volgde de eene losbarsting op de andere, en verdoofde elk ander geluid, behalve dat van het lossen der zware bussen, en het naar en eentonig gelui van de noodklok.

Zoodra het geluid van het lossen der bus zich aan het noordelijk deel had laten hooren, riep iemand, die op een groot zwart paard aan het hoofd van een groote bende ruiters op de Vikevoortsche-steeg, en niet ver van den Wakkerdijk stond:

.,Ziedaar, Goddank! Messire Salazar, die den aanval doet, ga dus vooruit, meester, maar wees voorzichtig!” Deze woorden schenen zich te richten tot een man, die naast hem stond, en, met de bijl op den schouder, met zijn handen op den zadelboom rustte. Zonder te antwoorden, verliet deze den ruiter, drong door het voetvolk heen, dat vr de rijzige ruiters stond, plaatste zich aan het hoofd, en riep: „Volg mij, mannen van Naarden! Vooruit! Weg met dat paalwerk!”

Het was Wouter, die welgemoed en zonder vrees vooruit ging, en gevolgd door de poorters van Naarden en een deel van het voetvolk der Schaffelaren naar de versperring snelde. Ook aan deze zijde liet zich reeds de alarmklok hooren, en soms verhief zich boven dat geluid en het verwarde geweld, dat aan de andere zijde van het dorp heerschte, het geschreeuw der soldeniers en gevluchte burgers, die toesnelden om de werken te helpen verdedigen.

Een vierkant van stormpalen, dat alleen aan de dorpszijde openlag, en slechts nauwe doorgangen bevatte op den Wakkerdijk, de Vikevoortsche-steeg en de gemeenschap langs de Dragenburger-Graft, werd nu plotseling van drie zijden te gelijk aangevallen; want zoodra Wouter zijn stem had doen hooren, beantwoordde het volk, dat langs den anderen weg en dijk was gekomen, zijn geschreeuw en stormde voorwaarts.

De pijlen van hand- en voetbogen snorden nu langs de wegen, de kolfroeren werden losgebrand, en hoewel de aanvallers buiten het bereik van het geschut stonden, dat op het kerkhof lag, droegen de kogels der bussen en slangen van de tweede versperring toch achter de Graft tot de Vikevoortsche-steeg, en drongen door de gelederen van de rijzige en ander ruiters, die in een gesloten massa geschaard stonden, en het alleen nu en dan nog omzichtig waagden, een pijl of kogel op den vijand af te zenden.

Bijna zonder verhindering beklom Wouter, trouw bijgestaan door degenen, die met hem waren, de zijde, waar de palen stonden, die nog van geen borstwering voorzien waren.

Nu moest men zich met de eene hand aan een paal vasthouden, om op een anderen te houwen, of, er tusschen door, den vijand het hoofd te kloven, en zichzelf te verdedigen; zelfs grepen soms twee of drie mannen denzelfden paal bij het bovenste einde aan, en rukten dien door de zwaarte van hun lichamen naar beneden. De meester drong het eerst met opgeheven bijl onder het roepen: „Zege! Zege! De verschansing is gewonnen!” naar binnen; terzelfdertijd bezweek ook het paalwerk op den Wakkerdijk, en zij die hier gestaan hadden, namen de vlucht, in de hoop de tweede versperring te bereiken. Zoodra men echter daar vernomen had, dat de voorpost verbroken was, werden de slagboomen gesloten, en met een hevig vuur van roeren en bussen trachtte men de vijanden te verdrijven.

Door de pijlen en kogels van hun eigen volk neergeworpen, bleef er niets over voor hen, die het onderspit dolven, dan zich in den moerassigen waterpoel te werpen, waar hen een akelige dood wachtte, of zich dood te vechten; sommigen schenen het laatste boven het eerste te verkiezen; en toen al het voetvolk der bende van Van Schaffelaar was binnengedrongen, bood men weldra geen tegenstand meer, maar werd Wouter’s stem gehoord, die riep: „Die mij liefheeft, volge mij! Hoezee! Daar is Van Schaffelaar! Waar zijn de Zwarte Ruiters?” Hetzij om de aanvallers te verkennen of hun afbreuk te doen, wierpen de verdedigers met daartoe dienstige werktuigen brandende stroo- en takken-bossen, ja zelfs steenen over de versperring en binnen de reeds ingenomen verschansing.

De ruiter, die vr den aanval met Wouter gesproken had, reed nu door de omvergehaalde stormpalen binnen het vierkant; het was Van Schaffelaar, die met zijn oog snel alles overzag en riep: „Terug, ruiters! Schaart u meer achterwaarts, totdat het tijd is om aan te vallen,” en het volk, dat niet behulpzaam kon zijn in het vermeesteren der verschansing en den eenmaal gewonnen grond niet had willen verlaten, trad achteruit en meer buiten het bereik van het geschut. De kogels floten om den ruiter en het paard, dat evenals zijn meester, ongeduldig op het oogenblik wachtte om vooruit te kunnen gaan; de pijlen vlogen langs hen heen, of drongen diep in den grond, en brachten nieuwe wonden toe aan de reeds verslagen krijgslieden. Zelfs de zware steenen en ijzeren kogels van de bussen op het kerkhof, en de bouten van de windasbogen drongen tot hier door; maar het gevecht aan de versperring boezemde hem zooveel belang in, dat hij geen acht gaf op het gevaar, dat hem hier dreigde. Hij luisterde, of hij de stem van Perrol of het veldgescheeuw der Zwarte Bende ook hoorde; maar het was tevergeefs; het geschreeuw van de aanvallers en de verdedigers vereenigde zich zoozeer met het geklep van de klok en de losbarstingen der slangen en bussen, dat hij niets kon onderscheiden; en toch meende hij aan zijn linkerhand, bezijden het dorp, over de watervlakte, ook het losbranden van kolfroeren te hooren. Tot zijn bevreemding herkende hij in de mannen, die dood of stervend rondom hem lagen, geen ruiters der Zwarte Bende, en het verwonderde hem, dat Perrol de uiterste verschansing door ander krijgsvolk had laten bezetten, en dat Frank dit niet gezegd had.

De gedachte aan Maria, die door elk oogenblik tijdverlies des te langer in de handen van Perrol bleef, en de lust, dien hij gevoelde om zelf het zwaard te trekken, deden hem vooruit rijden. Hij zag, hoe Wouter, met de mannen van Naarden en een aantal van zijn ruiters, halverwege in het water stonden, en met hun bijlen en koevoeten de versperring trachtten neer te bouwen en te verbreken; want wat zij aan rijs en planken hadden meegevoerd, was niet toereikend om de Drakenburger Graft vr den slagboom te vullen.

„Sedert het licht is, gaat het niet goed, Jan!” schreeuwde Wouter, die Van Schaffelaar zag naderen. „Zie, daar valt weer een dappere borst; ga in Gods naam terug!”

„Houd stand, Wouter!” riep Van Schaffelaar; „bij mijnheer St. Maarten! Ik zal u laten bijstaan.” Toen reed hij terug naar de ruiterknechten, die hij achteruit had laten gaan, en riep: „Voortgerukt, mannen, tot aan de gracht; de boogschutters vooraan! Brengt het vuur van den vijand tot zwijgen. En gij, piekdragers, begeeft u te water en beschermt de werklieden!” Snel, en hoewel er eenige vielen, rukten de ruiterknechten, die met pieken gewapend waren, tot aan de gracht voort, mengden zich onder de poorters van Naarden en hun makkers, en volbrachten den last, die hun gegeven was. De voetboogschutters zetten hun schilden vr zich neer, legden de pijlen vr zich, en schoten zoo spoedig mogelijk op het volk, dat de versperring verdedigde. Achter hen stonden de kolfroerdragers, die niets deden dan laden en losbranden, en het vreeselijk geweld en de dichte rook deden hooren en zien vergaan.

Inmiddels waren de rijzige ruiters ook binnen het vierkant gereden; de mannen van wapenen of lansvoerders stonden vooraan, en daarna de boogschutters en handbusschieters; de eersten hadden hun helmen gesloten. Vr hen wachtte Van Schaffelaar met ongeduld, dat de versperringen wijd genoeg geopend zouden zijn, om hen door te laten. Zijn knaap Henri was vlak achter hem; ter zijde van de ruiters stonden de trompetters, en iets meer naar achteren de trommelslagers, die door het roeren der trommen het leven trachtten te vergrooten, dat vooral in dien tijd tot de kunst van oorlogvoeren behoorde. Een tiental ruiterknechten waren bezig met het verwijden van de opening in de stormpalen op de Vikevoortsche-steeg, opdat de legerwagens van de bende, waarin allerhande wapenen en werktuigen waren, de ruiters zouden kunnen volgen.

Eindelijk liet zich een luid vreugdegejuich aan de gracht hooren: „Leve Naarden! Schaffelaar val aan!” klonk het, en het vuur der bisschoppelijke ruiters scheen te verminderen. Toen riep Van Schaffelaar luid en trok zijn zwaard: „Ter zijde, boogschutters! Maakt plaats, ruiters!” en zij weken ter zijde. „Volgt mij, mannen, en zit vast! Schaffelaar, val aan!”

„Van Schaffelaar en St. Maarten! Leve Van Schaffelaar! De dood aan de Zwarte Bende!” riepen de ruiters. De trompetters bliezen; de grond dreunde onder de zich snel vooruitstortende geharnaste paarden en mannen; en midden door de kolfroer- en boogschutters, de piekeniers en de poorters van Naarden, drong Van Schaffelaar, over de nauwelijks half gevulde gracht, door den verbrijzelden slagboom. Zijn paard had moeite de overzijde te bereiken, te meer daar men het met hellebaarden en pieken trachtte tegen te houden, en zijn achterpooten in het natte rijs verward bleven; maar toen Moor de sporen voelde, sprong hij voorwaarts, en een houw, welke Van Schaffelaar voor zich en langs de borst van het paard deed, veroorzaakte, dat twee dergenen, die het wilden tegenhouden, neervielen.

Met gevelde speer volgden hem zijn ruiters en toen degenen, die de versperring verdedigd hadden, bemerkten, dat het hun onmogelijk zou zijn, het paardenvolk tegen te houden of terug te drijven, wilden zij trachten zich te redden; doch hun aanvoerder riep: „Staat vast, mannen van Wachtendonck! Sluit aan! Sluit aan! Legt aan de lont! Vuur!” en de meesten gehoorzaamden. Maar eer de mannen van Wachtendonck Van Schaffelaar met een laag van hun kolfroeren konden begroeten, riep hij: „Voor Van Schaffelaar en St. Maarten, volg mij! en gaf Moor de sporen. De ruiters herhaalden dien kreet, en zij wierpen het voetvolk overhoop, dat toen alleen aan vluchten denken kon.

De meesten liepen bijna zoo snel als de paarden, en trachten zich naar het kerkhof of binnen de laatste versperring te redden; maar hun poging was vruchteloos. Wel bereikten velen vr de ruiters den ingang tot het kerkhof; maar deze was reeds gesloten, en ook de versperring op den dijk werd niet voor hen geopend. Doch hun smeeken om den slagboom te openen, duurde niet lang; want de Schaffelaars, die met lossen teugel vooruitsnelden, en spoedig de tusschenruimte tusschen het dorp en den veroverden slagboom hadden afgelegd, bereikten hen, en zij werden letterlijk tegen de versperring verpletterd. Slechts weinigen gelukte het, over de lijken van hun makkers, die in de doorsnijding gedreven waren, en haar hier met hun lichamen gevuld hadden, tegen de stormpalen op te klauteren, en zich zoo te redden, hoewel velen nog door de ruiters, die tot aan de gracht genaderd waren, er met hun speren werden afgestooten „Terug! Leven de schutters van St. Aagten!” riepen degenen, die achter de versperring stonden, en de ruiters werden begroet door een menigte pijlen; het waren de mannen van Soest, die om hun dapperheid en kunde in het boogschieten beroemd waren, en hier meehielpen weerstand te bieden, en op bevel van Van Schaffelaar zwenkten zijn ruiters en keerden terug.

Wouter snelde hem nu reeds voorbij naar de laatste versperring en riep: „Wij zullen die ook onder den voet werpen, Van Schaffelaar, en dan is Eemnes gewonnen.

„Doe zoo, meester!” riep hem Van Schaffelaar na; „o, de tijd valt mij zoo lang.” Toen reed hij naar zijn ruiterknechten, die nieuwe bevelen wachtten, en gelastte hun om evenals te voren, gedurig de bezetting van het kerkhof en de versperring met hun kogels en pijlen te verontrusten.

„Henri,” zei Van Schaffelaar toen tot den knaap, die trouw bij hem gebleven was; „ik ben over u tevreden, maar zie eens, dat gij van een der ongelukkigen, die daar liggen en misschien nog niet allen dood zijn, verneemt, waar Perrol gebleven is.

De knaap stapte af, en Van Schaffelaar reed snel terug, om te zien, of het krijgsvolk van het leger, dat zijn bende zou volgen, nog niet was aangekomen. Tot zijn vreugde was het er reeds, en hij verzocht de aanvoerder hun volk te gelasten het kerkhof aan alle kanten aan te grijpen. Als een vaste burcht en vooral ontzagwekkend door zijn hooge ligging en de menigte windasbogen, bussen en slangen, die er op lagen, bestreek dit kerkhof den geheelen dijk en de versperring, die nu nog moest veroverd worden.

Bij tusschenpoozen hoorde hij nu ook weer aan zijn linkerzijde het geluid van vuurwapenen, en hij zag nu en dan op eenigen afstand het licht der losbarstingen.

Henri voegde zich nu bij hem, en zei: „Heer, ik heb een hunner aangetroffen, die nog kon spreken; hij heeft mij gezegd, dat die van de Zwarte Bende op het andere eind van het dorp liggen; zij zijn v6r den middag van kwartier veranderd.”

Van Schaffelaar antwoordde niet; maar sloeg met zijn vuist op de dijstukken van zijn harnas, en de gedachte, dat Maria aan het andere einde van het dorp was, en dat een ander Perrol zou bevechten en misschien neervellen, vervulde zijn hart met droefheid en toom.

De overdenkingen, die snel voor zijn geest opkwamen, werden opeens afgebroken door de voetstappen van een menigte lieden, die van de zijde der versperring haastig naderden. „Geeft acht, mannen!” riep hij snel, en hield zich gereed om Moor de sporen te geven, en zijn slagzwaard op te heffen; want hij wist niet, of de vijand het waagde een uitval te doen, of dat het zijn eigen volk was, dat terug werd gedreven. Niet lang duurde zijn onzekerheid; want Wouter trad uit den rook op hem toe, gevolgd door degenen, die onder zijn aanvoering werkzaam geweest waren, en zei: „Ik heb nog geen Zwarte Ruiter gezien; maar ik zou toch zeggen, dat zij den slagboom verdedigen. Misschien is Perrol op het kerkhof; want hun vuur is niet te verdragen. Hier zijn wij terug; het zou voor God niet te verantwoorden zijn, deze dappere mannen langer nutteloos bloot te stellen; bij St. Eloy, Van Schaffelaar, de moed helpt hier niet!”

„Ha!” riep Van Schaffelaar. „Maar neen, Wouter,” vervolgde hij, „Perrol is hier niet; hij zou zoo lafhartig niet geweest zijn, ons de versperringen te hebben laten nemen, en deze ongelukkigen neer te laten bouwen, zonder een uitval te doen om ons terug te werpen, en de werken te hernemen. Maar wacht, meester, weldra zullen de bijlen van deze dapperen dat paalwerk neerhouwen: dat vuur moet ophouden, al zouden mijn rijzigers afzitten, en het kerkhof met storm veroveren!”

Toen verhief hij zijn stem, en riep snel en bevelend: „Heidaar! Weg met de duisternis! Steekt die huizen in brand! Bij St. Maarten! Van Schaffelaar zal vechten bij het licht van de vlam!” Terwijl zijn last volbracht werd, reed hij terug naar het voetvolk van het leger, dat vooruitgerukt was, en waarvan de voorsten zich vergenoegden met op het kerkhof te vuren, met hun roeren en de slangen, die bij de verschansing waren vermeesterd, maar ook niets meer deden. „Bij God, Heeren!” riep Van Schaffelaar tegen de aanvoerders, „had ik u niet verzocht dat kerkhof te overmeesteren? Gij verspilt tijd en kloverkruit; ziet gij niet, dat mijn rijzigers allen zullen omkomen, indien dit niet verandert? Want de poorters van Naarden hebben reeds de wijk moeten nemen; het is hier op den dijk niet te houden. Keert naar uw kwartieren terug, indien gij het lijf niet wagen durft, en wij zullen hier alleen sterven of alleen de zege behalen. Indien gij niet vooruitgaat, dan zal ik afstijgen; maar mijn rijzigers zijn niet geschikt den wal te beklimmen. Bij mijnheer St. Maarten, wat zult gij zonder paardenvolk uitrichten, als ik en mijn mannen er niet meer zullen zijn?”

„Wij verlangen niets liever, Heer, dan het kerkhof in te nemen,” antwoordde n hunner; „maar het vuur der slangen is zoo hevig, en de bouten vallen zoo dicht, dat...

„Dat alleen een algemeene aanval kan helpen,” hernam Van Schaffelaar, hem in de reden vallend; „loopt storm en het vuur zal ophouden!” en hij riep met verheffing van stem: „Vooruit, mannen! Vooruit het voetvolk! De voornaamste buit is het kerkhof! Vooruit met de stormladders! Holland, valt aan!”

De stem der aanvoerders herhaalde dezen wapenkreet, en zelf het voorbeeld gevend, snelden zij nu zonder vrees te midden van kogels en pijlen vooruit.

„Dat zal helpen, Wouter,” zei Van Schaffelaar, die bij hem stil hield, „en wij zullen weldra met vrucht vooruit kunnen gaan. Zoek een scherpe bijl voor mij uit, en ik zal met u gaan.

Maar de meester antwoordde snel: „Neen, Jan, dat nooit! Denkt gij niet dat Wouter evengoed als gij de bijl kan voeren? Maria is mijn dochter; ik waag met vreugd mijn leven, n van ons beiden is genoeg; in alle gevalle, Van Schaffelaar, kus haar en Martha voor mij. Ik groet u, Jan!”

Van Schaffelaar drukte hem de hand; maar zijn hart was te vol, hij kon niet antwoorden. Ook de meester onderdrukte de angstige gevoelens, die zijn ruw gemoed aan grepen, en hij riep met een sterke stem: „Zullen die knapen van Soest en de schobbejakken, die achter de palen staan, nog langer op ons wachten? Neen! Vooruit, mannen van Naarden! Volg mij! Ditmaal breken wij er door! Naarden en Van Schaffelaar, vooruit!”

Met verschen moed snelde hij nu voorwaarts, gevolgd door degenen, waarover hij zich door zijn bedaarden moed en zijn handigheid met de bijl een zeker gezag had verworven, en Van Schaffelaar zond hem nog ter versterking een hoop Gooilanders achterna, die juist, met den vader van Kars aan hun spits, langs hem heentrokken. Een oogenblik daarna kon hij alles goed overzien; want de huizen stonden in volle vlam, en een helder licht verspreidde zich over de plaats van het gevecht, die tot nog toe zoo duister geweest was. Met meer zekerheid vielen nu slagen en schoten.

Met vreugde zag Van Schaffelaar, dat het volk, hoewel wat laat, toch met moed en vastberadenheid tot den storm gesneld was, en dat hun aanvoerders aan hun spitsen streden.

„Oostenrijk en Bourgondi!” riepen de soldeniers. „Holland! Holland!” de poorters en schutters der steden. „Valt aan! Loopt storm!” klonk het.

„Terug voor Zuijlen, Utrecht en Wachtendonck!” riep men van binnen, terwijl men dapper weerstand bood.

Het vuur der bussen en slangen, hoewel thans minder hevig, hield toch nog niet geheel op, terwijl de huizen brandden en de rook in dikke wolken rechtstandig opsteeg, daar er bijna geen wind was. De versperring was in een gestadigen kruitdamp verborgen; Van Schaffelaar kon dus niet zien, wat dr voorviel; evenals bij de reeds vermeesterde, stonden zijn boogschutters en busschieters er voor, en schoten met pijlen en kogels op de verdedigers. De vijanden stonden vlak tegenover elkander. De Schaffelaars volbrachten zonder morren wat hun was bevolen; maar ook de mannen van Eemnes stonden onwrikbaar. Nu en dan echter zag Van Schaffelaar zijn mannen staan, als de damp meer optrok; maar dan zag hij ook een kleine beweging in hun gelederen, en hij hoorde de slangen lossen, die achter de borstwering van den slagboom op hun raderen of balken lagen, en de kogels drongen tot hem door, woelden den grond voor de pooten van zijn strijdhengst om, en deden de aarde en het slijk om hen heen spatten.

Van Schaffelaar dankte God, dat de versperring vr het kerkhof, aan den ingang van het dorp, nog zoo geheel onvoltooid was geweest, dat men er niet eens aan had kunnen denken haar te verdedigen. Terwijl hij er een blik op wierp. dacht hij aan de droevige gevolgen van den oorlog; want tegen een der stormpalen leunde een vrouw, die waarschijnlijk op die plaats, zoo dacht hij, den dood gevonden had. Doch toen hij haar met meer opmerkzaamheid beschouwde, zag hij haar oogen, die vlammen schoten en het gevecht gadesloegen, en hij hoorde haar wild lachen, als de ladders vielen, of het geschreeuw zich verhief; hij vermoedde dus, dat zij van angst en van vertwijfeling zinneloos geworden was. Zijn mannen van wapenen dachten zeker hetzelfde, en zagen nu en dan naar het wijf om, dat wild het hoofd schudde en nu en dan duivelsch lachte. De slagboom, met de doorgraving daarvr, was met het kerkhof verbonden door een rij stormpalen, die tot aan den muur van het kerkhof reikte, en met een borstwering van dikke deelen voorzien was. De meester uit de Vergulde Helm, die dit had opgemerkt, had, toen hij voor de tweede maal vooruitging, niet aangevallen op den slagboom zelf, maar op deze verlenging: onder het kerkhof was hij meer buiten het bereik van het geschut geplaatst, en het water was hier ook zoo diep niet. Daar stond hij met de poorters van Naarden, terwijl de Schaffelaars en de Gooilanders meer op den dijk den aanval deden, en achter hen de ruiterknechten, die met den vijand schutgevaarte hielden. Tot aan de knien in het water staand, hieuw hij met zijn bijl krachtig op het hout neer. Opeens zag Van Schaffelaar een groote beweging onder zijn ruiterknechten, en zij staakten hun vuur; eenige sprongen van Moor brachten hem naderbij, en de kreten: „David en St. Maarten! Van Schaffelaar en Naarden!” vervulden zijn hart met een blijde hoop. Snel, en man aan man gesloten, drongen zijn ruiters vooruit langs den slagboom en naar de plaats, waar Wouter gestaan had, en langzamerhand verdween deze juichende en dreigende hoop door de nauwe opening, die daar in de stormpalen was.

Een vreeselijke verwarring heerschte er binnen; hij zag er de bijlen en wapens schitteren; woedend werd er gestreden, en hij hoorde het veldgeschreeuw der poorters van Naarden, die langs de stormpalen naar den slagboom zochten door te dringen. De verdedigers wendden nu al hun krachten aan, om de opening weer te bereiken en te stoppen; hij zag de half witte en half groene kaproenen der boogschutters van Soest, die hem, onder het aanroepen van hun beschermheilige, St. Aagten, met hun pijlen begroetten en hem deden terugkeeren. Doch zijn hoop was levendig geworden; hij zag met een blij gelaat naar het kerkhof, en werd niet gewaar, dat een kogel van een zware buis over den weg werd geschoten op de plaats, die hij zooeven verlaten had, en aan de andere zijde van den dijk een geknotten wilg vaneen deed splijten; want de vrouw, die hij vroeger gezien had, snelde hem voorbij, en hij zag haar zwarte gedaante en haar muts tusschen de stormpalen verdwijnen.

Geen der ruiters, die te voet dienst deden, was nu meer te zien; zij, die nog leefden, waren naar binnen gedrongen. Terwijl nu binnen den slagboom het gevecht voortduurde, en de bestorming van het kerkhof nog zonder vrucht gebleven was, daar de weinigen, die over de stormpalen hadden kunnen klimmen, er ook den dood gevonden hadden, vernam men een geschreeuw en verwarring, dat boven alles uit gehoord werd. Ook Van Schaffelaar deed een uitroep, maar van vreugde; zijn oogen fonkelden, en zijn ruiters riepen, hun sporen schuddend: „Leve Van Schaffelaar!” De klok, die onafgebroken geluid had, begon hoe langer hoe sneller te kleppen. Een vreeselijke verwarring scheen er op het kerkhof te ontstaan; en alle bussen en slangen zwegen als door een tooverslag. Luid hief het krijgsvolk van het leger, hun onderscheiden wapenkreten aan en hervatte met meer kracht dan ooit den storm; maar ditmaal was er niemand om hen tegen te houden: de een voor, de ander na klom langs de ladders naar boven en over de palen; zij lieten zich met de wapens in de vuist er langs afzakken; zelfs degenen, die, omdat zij gekwetst waren, zich verwijderd hadden, keerden weer terug om deel te hebben aan den buit. Al minder en minder werd het geweld op het kerkhof, en weldra hoorde men er alleen nog het vreugdegejuich der overwinnaars.

De ruiterknechten van Van Schaffelaar waren amper binnen de versperring gedrongen, of hun aanvoerders deden hen rechtsaf langs het kerkhof gaan, dat zij van achteren gemakkelijk beklommen. Toen zij dit eenmaal bereikt hadden, vielen zij onverhoeds op de hen niet verwachtende vijanden aan, die zij met hun windasbogen, bussen en slangen neervelden. Een oogenblik nog vereenigden zich de verdedigers; om zich te weer te stellen; maar toen de muur van alle kanten beklommen werd, was het gevecht spoedig gedaan; die de vlucht konden nemen, trachtten zich te redden naar de zijde van het dorp, of in het water naar de zijde van de Eem, en Van Schaffelaar hoorde de losbarstingen der slangen, die over de watervlakte rolden, waarmee men den vluchtenden vijand in het water vervolgde.

Het licht begon nu sterk te verminderen, daar de vlam, die de daken der huizen verteerd had, weinig voedsel meer vond in de wanden, die meest uit zoden van kleiaarde waren samengesteld. Ook de noodklok hield nu op te luiden; ’t was alsof hij, die haar trok, verhinderd was den laatsten ruk aan het touw ten einde te brengen; want de laatste slag was zwak, als de woorden van een stervende, en toch hoorde Van Schaffelaar nog gerucht boven den toren. Luide kreten, als van een mensch, die door razernij beheerscht wordt, vervingen den klank van het welluidend metaal, en vereenigden zich met den vervliegden laatsten klank, en hij zag eenige zwarte massa’s, die, ronddraaiende, van den omvang vielen en doffe slagen gaven, toen zij op het kerkhof neerkwamen. Het was alsof de beelden, die aan den toren stonden, uit hun nissen naar beneden sprongen, uit smart dat het kerkhof was ingenomen, of uit verontwaardiging dat het gebouw, dat misschien hun ter eere gebouwd was, ontheiligd zou worden.

Zoodra het Wouter gelukt was, de palen, die hem tegenhielden, te vernielen, drong hij naar binnen.

Hij wilde beproeven, nog vrdat de ruiterknechten terugkeerden, den slagboom te openen. De op hem aandringende hoop liet hem ook geen andere keus dan met moed zijn voordeel te vervolgen.

De eerste vijand, waartegenover Wouter zich geplaatst zag, scheen even sterk als hij. Zijn hals en armen waren ondanks de koude, geheel bloot, en evenals zijn gezicht zwart van den damp der bussen en van het donderkruid; het was de Utrechtsche smid, die hier het geschut hielp bedienen. Hij scheen verwonderd, toen hij Wouter herkende, en riep luid: „Gij hier, Wouter?”

„Gelijk gij ziet, meester!” hernam deze.

„Wat doet gij hier, verrader?” vroeg de ander dreigend, en sloeg ook de linkerhand aan de greep van het breede zwaard, dat hij in zijn rechter hield.

„Ik zoek mijn dochter,” antwoordde Wouter, over een voetknecht heenspringend, die stervend vr zijn voeten was neergevallen.

„Zeg liever den dood!” schreeuwde de Utrechtsche smid; en toen Wouter lachte, en de bijl vast in de hand greep, gaf de ander hem een houw over het hoofd. De kracht waarmee de ander het breede zwaard deed neerdalen, had naar zijn gedachten den stormhoed moeten doen scheuren, en het lemmer in het hoofd van zijn vijand doen dringen; daarom riep hij toornig: „Verdoemde stormhoed!” toen de ijzeren platen den slag weerstonden, en het zwaard, dat omsloeg, wel op den schouder van Wouter, doch slechts met het platte van het lemmer neerkwam.

„Dien heb ik zelf gesmeed, meester!” hernam de vader van Maria snel, en reeds was de bijl opgeheven. Zijn tegenpartij, zeker niet veel vertrouwend op den ketelhoed, dien hij droeg, boog en week ter zijde; maar de nauwe ruimte, waarin men vocht, liet hem geen plaats genoeg, en het scherpe van de bijl trof hem in den hals. Hoewel dit wapen reeds zooveel dienst had gedaan, scheelde het weinig, of het hoofd was geheel afgehouwen; nog slechts aan n zijde bleef het verbonden aan het lichaam, evenals een deksel door het scharnier aan een doos; en de man, die onvermoeid de bussen bediend had, en een voorbeeld van kracht geweest was, viel, zonder dat er iets van zijn lichaam bewoog, als een steen op den grond, die reeds met zijn bloed bedekt was.

„Vooruit mannen!” riep Wouter: „wij overweldigen den slagboom,” en luid schreeuwend hernieuwden de mannen van Naarden en het Gooiland den aanval. „Terug voor Eemnes, Zuijlen en Utrecht!” antwoordden de verdedigers, en welke moeite de meester ook aanwendde, om langs de stormpalen den slagboom te naderen, het was onmogelijk. Helaas, hij vreesde zelfs in het einde genoodzaakt te zijn om terug te gaan; want de klok klepte nog, hoewel de bussen gezwegen hadden, en men vocht nog op het kerkhof, zoowel als aan de versperring op de Biersteeg.

Maar gehoorzaam aan de bevelen van hun aanvoerders, keerden de ruiters van Van Schaffelaar terug, zoodra zij zagen, dat hun hulp op het kerkhof niet meer noodig was; de genegenheid, die zij Van Schaffelaar toedroegen, sprak sterker in hun ruw, maar moedig hart, dan de liefde tot den buit, die den krijgsman van dien tijd zoo licht verleidde.

„Het kerkhof is gewonnen! Terug voor Van Schaffelaar!” riepen zij, terwijl zij zich langs den muur lieten neervallen, en Wouter te hulp snelden. Nu was het de beurt voor die van Eemnes om te aarzelen; juichend drong het door die overwinning opgewonden volk vooruit, en daar er zich onder hun vijanden geen beter gewapenden bevonden, streden zij meestal met voordeel.

Reeds hadden zij een stuk grond gewonnen, en de verdedigers van de versperring tot boven op den dijk teruggeslagen; wel boden de verdedigers van Eemnes nog een dapperen weerstand; maar een sombere stilte heerschte onder hen. Zij stonden pal, stieten hun vijanden neer, of ontvingen zelf den laatsten slag; doch zij juichten niet meer; want de klok zweeg. Het bolwerk, dat den weg bestreek, was bezweken, en reeds hoorden zij het brieschen van de paarden voor den slagboom, en zagen op korten afstand de dreigende gedaanten van de rijzige ruiters, terwijl zij geen gelegenheid hadden om een enkele bus op hen te lossen.

Toen liet zich de stem van Van Schaffelaar hooren; hij moedigde zijn ruiters aan, een laatste poging te doen, om hem den toegang te verschaffen. Luid herhaalden zij den wapenkreet van hun aanvoerder; ook de dappere poorters van Naarden wedijverden met hem, om deel te hebben aan de zege; en andermaal werden de vijanden teruggedrongen. Maar opeens ontstond er een beweging onder het volk, dat samengepakt op den dijk stond; de hoeven van een paard lieten zich hooren; de steenen, die hier en daar op den dijk lagen, werden in den grond getrapt of verbrijzeld, en toen een paar ruiters van Van Schaffelaar, die juist de toortsen ontstoken hadden, om de sluiting van den slagboom beter te kunnen onderscheiden, die toortsen boven hun hoofd heen en weer bewogen, zag men een Zwarten rijzigen ruiter, die midden onder de mannen van Eemnes den teugel van zijn paard inhield. Zoo snel was de kracht geweest, waarmee hij zijn ros had aangezet, dat man en paard dreigden achterover te vallen, toen zij stilhielden. Weldra richtte zich echter de krachtige strijdhengst met een edelen zwier weer op. De door elkander wemelende massa voetknechten en andere mannen, scheen een woelende zee, waarin zich het paard als een schip bewoog, dat nu eens met zijn voor-, dan weer met zijn achtersteven, in het zilte nat verdwijnt, maar zich weer statig opheft; de ruiter scheen den mast, die, lang en buigzaam, toch al de bewegingen van den bodem volgt, welke aan hem zijn voortsnellende kracht ontleent.

Een oogenblik was het gevecht minder hevig, en de Zwarte Ruiter wierp een snellen blik op de verschansing, naar het kerkhof, op de vechtenden en op de harnassen, die aan de andere zijde van de versperring het licht der toortsen terugkaatsten; toen riep hij krachtig, doch met een vreemden tongval: „Staat vast, mannen! Staat vast! De Zwarte Bende komt de slagboomen hernemen.

„De Zwarte Bende komt den slagboom hernemen! Leve Perrol! Valt aan, Zuijlen, Utrecht en Eemnes!” schreeuwden degenen, die hem hoorden, en terwijl hij zijn paard liet zwenken, en, even spoedig als hij gekomen was, terugkeerde, drong de dichte hoop voorwaarts. Hun moed herleef de; de klok, die aan de andere zijde van het dorp nog altijd geluid werd, deed hen vermoeden, dat de vijand daar geen voordeelen behaald had; in hun gedachten zagen zij reeds Perrol met zijn ruiters opdagen, den slagboom geopend en de ruiters van den Bisschop tot buiten de uiterste verschansing teruggeworpen, terwijl zij het kerkhof hernamen.

Van alle zijden kwamen nu verdedigers aansnellen; ieder, die maar een hooi- of een mestvork, een knuppel of een zeis had, was goed genoeg gewapend; en Wouter en de ruiters verloren veel van hun voordeel, hoewel hun geschreeuw: „weg met de Roode Hand! De dood voor de Zwarte Ruiters! Leve de Schaffelaars!” te kennen gaf, dat hun moed niet verflauwd was.

Van Schaffelaar, die de plunderzucht der soldeniers en poorters vervloekte, die, in plaats van het kerkhof te verlaten, zich onledig hielden met de in de kerk geborgen goederen te vermeesteren, en, doof voor de bedreigingen en bevelen van hun aanvoerders, geweigerd hadden zich dadelijk na hun overwinning het dorp in te gaan, bedacht wat hem te doen stond; want hij had, zoo meende hij, gehoord, dat Perrol en zijn ruiters naderden. Doch juist toen hij wilde gaan zien, of de opening in de stormpalen wijd genoeg was om een paard door te laten, verhief zich aan zijn linkerzijde op de Biersteeg, terwijl daar het schieten met kolfroeren ophield, een vreeselijk geschreeuw en gerucht, dat den Wakkerdijk scheen te naderen en zijn hoop deed herleven.

Terwijl dus Wouter zich niet eens staande kon houden, en de toegezegde hulp van Perrol nieuwe krachten scheen te hebben gegeven aan zijn vijanden, die, als uit den grond opkomend, met dichte drommen naar de verschansing stroomden, werd ook zijn oor getroffen door het geschreeuw tegenover hem op de Biersteeg. Een opngedrongen hoop mannen kwam met vervaardheid snel door de versperring aan het einde van de Biersteeg, aan den voet van den Wakkerdijk, tegen de kruin oploopen, en drong als een wig in de daar vereenigde mannen, zoo dat deze aandrang ook de ruiters zelfs weer deed terugwijken; maar tevens hoorde men roepen: „Vlucht, vlucht! De Biersteeg bezwijgt! De vijand volgt ons op de hielen!”

Toen ging er een algemeen gejammer op. „Vlucht! Vlucht!” klonk het van alle zijden; zelfs Wouter en de ruiters hieven dezen kreet aan. Een der aanvoerders van de verdedigers riep gebiedend: „Volg mij! Zuijlen vooruit!” en drong, gevolgd door zijn dapperste mannen, door degenen, die van de Biersteeg kwamen, heen; wie niet ter zijde week, werd neergestooten. Hij hoopte nog bijtijds te komen om de afsluiting onder aan den dijk te sluiten, zoodat alles nog weer voor de komst van de Zwarte Bende hersteld kon worden.

Hoewel de meesten van het landvolk, dat in het dorp een schuilplaats had gezocht, nu gevlucht waren, stonden de soldeniers, door de dapperste dorpers bijgestaan, nog altijd tegenover de ruiters; voortdurend klonk nog het ontmoedigend geroep van: „Vlucht! Vlucht!” En het krijgsgeschreeuw van de Schaffelaars. Toen liet zich een hevig gevecht onder aan den dijk hooren, dat echter niet lang duurde, want spoedig verscheen het volk van Dirk van Zuijlen weer bij de kruin, thans ook op de vlucht. Degenen, die hen vervolgden, en wapenrokken droegen van half wit en half rood laken, en met slijk bedekt waren, riepen luid: „Terug voor Amsterdam! Sla dood! De Biersteeg is gewonnen!”

„Vlucht, vlucht, en verwacht den dood!” schreeuwde nu een man, die reeds een tijdlang, op een hellebaard rustend, midden op den dijk aan den slagboom stond; zijn hooge, ruige muts stak boven alle hoofden uit; zijn stem was somber en veelzeggend, en een akelig gehuil liet zich hooren, toen hij gesproken had. Doch hij behoefde dezen raad niet te geven; de slagboom te houden was nu onmogelijk en even hardnekkig als die van Eemnes tot nog toe dit verdedigingswerk, het laatste aan deze zijde, verdedigd hadden, even snel gingen zij nu achteruit, en lieten de versperring en den dijk aan hun vijanden over. De poorters van Amsterdam, die, hoewel de Biersteeg overal was doorgegraven, door verhakkingen en putten onbegaanbaar gemaakt, en met twee versperringen afgesloten, door het water en het moeras, in weerwil van den dapperen tegenstand, met moed en volharding tot in het dorp waren doorgedrongen, stroomden, tegelijk met Wouter, de ruiters en de mannen van Naarden en Gooiland, de kruin van den dijk op, en begroetten elkander met een luid geroep van: „Zege! Zege! Eemnes is gewonnen!”

En man echter was nog bij den slagboom blijven staan, toen al het volk zich verwijderd had; het was dezelfde, die door zijn vermaning om te vluchten en den toon van zijn stem er veel toe had bijgedragen, om den moed bij de verdedigers uit te blusschen; want de meesten hadden hem meer gezien, en zij twijfelden niet of hun laatste uur was nabij, toen hij hun den dood aanzei.

Misschien zouden die van Amsterdam, welke hem niet kenden, aarzelen, maar nu riep hij: „Opent den slagboom; want het vonnis moet voltrokken worden!” en sloeg zelf het eerst de handen aan het werk, en zij riepen, zonder te weten wat het inhield, met de ruiters van Van Schaffelaar: „Leve Ralph, de schaapherder! Opent den slagboom!”

Het was een oogenblik van schrik en vertwijfeling voor die van Eemnes, van vreugde en blijde hoop voor hun vijanden; de trommen die op het kerkhof geroerd werden, verkondigden, dat het krijgsvolk en de poorters eindelijk tot de orde waren teruggekeerd en zich gereed maakten om den slagboom, na het doorrukken van de bisschoppelijke ruiters, evenals het kerkhof te bezetten. Eenige hoopen verlieten het reeds aan de achterzijde en wierpen zich onderlangs den dijk in de huizen, die aan de rechterzijde stonden, en men hoorde er het gejammer der ongelukkigen, die doodgeslagen werden of de vlucht namen.

Toen riep Wouter luid: „Plaats! Maakt ruimte!” Terwijl de slagboomen openvlogen, verliet al het volk de kruin van den dijk, en riep: „Vooruit, Naarden en Gooiland!” of „Amsterdam, val aan!” De laatsten vielen onderlangs den dijk op de mannen van Soest aan, terwijl die van Naarden en Gooiland met de ruiterknechten aan de rechterzijde op den linkervleugel der voetknechten van Dirk en Zuijlen aanrukten, die bedaard den aanval, bij het dof gerommel van de trom, afwachtten.

„Volgt mij!” riep Van Schaffelaar, die met de Moor binnen den slagboom reed.

„Vooruit, voor St. Maarten en Van Schaffelaar!” en terwijl de trompet gestoken werd, reed hij ter zijde, en zag hoe zijn mannen van wapenen zich op den dijk in rijen schaarden, die de geheele kruin besloegen. Zoodra het vierde gelid was binnengerukt, klonkt het, terwijl de trompetten den aanval bliezen: „De eerste rij, laat vallen de speren! Zit vast! Valt aan

„Valt aan, voor Van Schaffelaar en St. Maarten! Valt aan!” riepen zij, die de speren lieten zakken en vooruitsnelden. „Sta vast, Zuijlen!” hoorde men roepen, terwijl de roeren werden losgebrand. De grond dreunde onder den last der ruiters; men hoorde den schok, toen de speren in de gelederen der voetknechten drongen, en de paarden met de platen, welke zij voor de borst hadden, tegen de pieken stieten.

Het geschreeuw van „Zuijlen! Zuijlen!” deed vermoeden, dat de rijzigers niet door hun gelederen heengebroken waren, want door den kruitdamp, waarin de dijk gehuld was, zag men eenigen terugkeeren, en zelfs een paard, dat zijn berijder verloren had. Snel riep nu Van Schaffelaar, die midden op den dijk sprong:

.,Mannen van de tweede rij! Laat vallen de speren! Voor St. Maarten! Volgt mij! en bij het licht van het losbranden der kolfroeren, zag men hem voor zijn ruiters met opgeheven zwaard op het voetvolk indringen. De schoten vielen, en het veldgeschreeuw van Van Schaffelaar’s bende werd gevolgd door een geweldigen schok; men hoorde het breken der speren en pieken; zij vlogen aan splinters tegen de borstharnassen der mannen, die zoo vast als een muur stonden, en tegen de steekplaten der strijdhengsten, die als ijzeren stormrammen er op instortten.

Toen de damp optrok, zag men de derde rij, die op de stem van haar aanvoerder vooruitsnelde, en de overige rijzige ruiters, die onder het blazen der trompetten binnen den slagboom reden. Men hoorde reeds het voetvolk van Dirk van Zuijlen hun veldgeschreeuw niet meer herhalen; noch den aanvoerder eenige poging doen om verder geregeld weerstand te bieden; want ook de vleugels waren achteruitgeslagen. Onderlangs den dijk zag men de wimpels der schutters en poorters, men hoorde hen roepen: „St. Sebastiaan voor den handboog! St. Joris! Leve de oude schutters! Terug voor Amsterdam!” Ook aan de rechterzijde van den weg werd alles neergestooten of verjaagd door het krijgsvolk en door de ruiters van Van Schaffelaar, die zich gereedmaakten, om boven over den dijk het paardenvolk te volgen, dat weldra vooruit zou gaan.

Te midden van de voetknechten, die zonder orde, en alleen ter verdediging van hun leven streden, zag men de mannen van wapenen, die hen met hun zwaarden of speren neerstieten. Maar spoedig riep Van Schaffelaar hun toe hem te volgen, en liet het aan de kruisboog- en handbusschieters te paard over om het voetvolk, dat den dood boven de vlucht scheen te verkiezen, in de pan te hakken.

Alleen met zijn ruiters, die speren voerden, reed hij vooruit, na den meester de hand gedrukt te hebben, gevolgd door zijn knaap, die op zijn paard, dat met Moor verbazend in grootte verschilde, hem steeds nabij gebleven was, en terwijl de trompetten schalden, drong dit zwaar gewapende gedeelte der bende voorwaarts. Eindelijk was het Van Schaffelaar dan gelukt, in het dorp door te dringen; eindelijk zou hij dan het geluk hebben Maria te redden, en zich met zijn geduchten vijand te meten. O, hoe meer dat oogenblik naderde, homeer alle bezorgdheid voor den afloop van den strijd hem verliet, ja hij verheugde zich, dat de klok aan het andere einde nog niet had opgehouden te luiden; want Perrol was dus nog niet overwonnen.

908SR15.gif (1832 bytes)

Was het gevecht aan de verschansingen op het kerkhof, en met het voetvolk hevig en moorddadig geweest, wat nu gebeurde, was niet minder verschrikkelijk en hartverscheurend. Zij, die van alle zijden door de oprukkende vleugels van het Hollandsche leger aangevallen, niet langer een schuilplaats in hun huizen, in het begin van het dorp konden vinden, waren gevlucht, om zich verderop te bergen. Tot nog toe had men alleen dorpelingen en krijgslieden, en allen gewapend en vol strijdlust gezien; maar nu wemelde de vluchtende hoop van vrouwen en kinderen, en een hartverscheurend gejammer ging er op, toen de rijzigers in vollen draf naderden. Het met ijzeren platen bedekte hengsten reden alles onder den voet, wat zich niet kon redden, en het akelige gegil van vrouwen, mannen en kinderen werd tot zwijgen gebracht door het neerzetten van de ijzeren hoeven der paarden. Het gevecht aan den slagboom was niets geweest bij wat er nu voorviel; het was de oorlog van zijn verschrikkelijkste zijde gezien; de overmacht moest hier de weerlooze partij vernielen om zichzelf te redden en den vijand op te zoeken en aan te grijpen. Van Schaffelaar zelf dacht er misschien over na, want hij werd niet gewaar, dat een man zich in doodsangst aan zijn zadel had vastgeklemd, en zich zoo liet voortsleuren, wat zijn knaap noodzaakte, met de punt van de speer van zijn heer, die hij droeg, den ongelukkige er af te stooten.

Maar weldra wies het gevaar nog; het wies, zoowel vr als achter deze menigte, die door de Schaffelaars werd opgejaagd. De twee toortsen, welke door de ruiters van de eerste rij gedragen werden, waren weldra niet meer het eenige licht dat zich liet zien; van de tegenovergestelde zijde naderde ook een drom krijgsvolk, dat met toortslicht voorwaarts spoedde, en, ondanks het geschreeuw der menigte, dat hoe langer hoe heviger begon te worden, hoorde men, behalve het trompetgeschal der bisschoppelijke ruiters, den krijgsmacht der Zwarte Bende, die geblazen werd.

„Herneemt de rijen, mannen, en geeft acht!” riep Van Schaffelaar, zoodra hij den naderenden vijand gewaar werd. Hoewel te laat, door het bezwijken van de Biersteeg, kwamen de Zwarte Ruiters volgens hun belofte aan, en hij zag bij het schijnsel der fakkels, die zij bij zich hadden, den dicht inngesloten hoop, die hem als een donkere onweerswolk naderde.

Ter weerszijden van de rij was nu minder ruimte, en de spoed, waarmee het krijgsvolk vooruitsnelde, benam den eenigen uitweg aan de vluchtenden en dengenen die zoo hard geloopen hadden, stond dus hetzelfde lot te wachten als hun, die vroeger reeds onder den voet waren gereden. Toen deden velen, die geen mogelijkheid zagen om te ontkomen, geen verdere moeite, en wachtten, door het volk heen en weer gestuwd, in sombere bedaardheid, totdat de paarden hen bereikten. Anderen hielden stand, en zwaaiden hun wapens, welke zij nog niet weggeworpen hadden, en vertoonden oogenschijnlijk een moed en strijdlust, welken men vergeefs bij hen gezocht zou hebben, en die aan den slagboom wellicht het dorp nog hadden kunnen redden. Doch de wanhoop maakte hen moedig; zij grepen de ketenen aan, waarmee de paarden bestuurd werden, en trachtten met hun wapen aan den hals of de borst dier fiere oorlogspaarden een plaats te vinden, welke niet door het ijzer gedekt was, of de mannen te treffen, die er op zaten. Het geschreeuw, dat zij aanhieven, was even woest en vrees wekkend als hun bleek en wild gelaat. De Schaffelaars ontdeden zich echter van deze aanvallers, door hun paarden de sporen te geven, en door hen met de achtereinden van hun speren in het aangezicht of voor de borst te stooten en de hersenpannen te verbrijzelen.

Doch, was het voortgaan voor de bisschoppelijke ruiters moeilijk, nog veel meer was het dit voor de Zwarte Ruiters, want de stroom der vluchtenden had eenmaal een beweging aangenomen naar de zijde, vanwaar zij kwamen, en dien konden zij zoo spoedig niet doen keeren, daar hij door het voortrukken der Schaffelaars telkens nieuwe kracht ontving. De Zwarte Ruiters waren geen knapen, die, om eenige menschen het leven te redden, hun eigen geluk in de waagschaal stelden; zij wisten wat hun te vreezen stond, indien de lieden, die zich reeds tusschen hun paarden ingewrongen hadden, door anderen gevolgd werden, en de vijandelijke ruiters met de laatsten in hun open gelederen drongen, daarom gaven degenen, die vooraan reden, op last van hun aanvoerder, hun speren aan hun makkers van de tweede rij over, en trokken hun zwaarden, om de ongelukkigen naast en vr zich neer te bouwen.

Nu ontstond er voor een oogenblik een terugwerkende beweging, in de hoop, die weldra niet voor- en achteruit kon, maar nu met geweld naar beide zijden trachtte door te breken. Een verschrikkelijk gewoel heerschte er in deze beperkte ruimte, terwijl zij, die tusschen deze twee benden ruiters verpletterd dreigde te worden, met woest geschreeuw op de menschen indrongen, die onder aan den dijk een schuilplaats gevonden hadden, of nog verderop zochten te ontvluchten. Men zag gedurig vr de Zwarte Bende het flikkeren der zwaarden, die tegen de zwarte harnassen uitkwamen, en de breede lemmers boven de hoofden draaien en dan met snelheid neerdalen. De ruiter, die voorafreed, scheen er welbehagen in te scheppen, zijn grooten strijdhengst, die over de zwart-lakensche hoze met roode randen, geheel met ijzeren platen bedekt was, in den drom te laten steigeren en achteruitslaan; de roode pluim wapperde als een bloedige stroom, achter op zijn helm. De Zwarte Ruiters schenen klein en niet moorddadig, als men hen bij hun aanvoerder vergeleek, die er vermaak in bad, om met elken bouw van zijn zwaard iemand neer te slaan, hetzij jong of oud, of van welk geslacht ook. De hengst van Van Schaffelaar en de paarden van zijn ruiters, en zelfs die van dc Zwarte Bende, raakten meestal de vluchtenden, maar zoo groot was de schrik voor den aanvoerder der Zwarte Bende, dat zij hem een vrij groote ruimte overlieten, om er zich in te bewegen, en men hoorde angstig geroep: „Daar is Perrol!” dat alles overstemde. Maar vergeefsch was hun voorzorg; hij was vertoornd, dat zijn ruiters niet spoedig genoeg vooruit konden snellen, en op den weerloozen hoop koelde hij zijn drift; zelfs geen vrouw spaarde hij.

Zoodra de elkaar opzoekende vijanden zoo nabij waren, dat zij elkander duidelijk onderscheiden konden, zocht Van Schaffelaar’s oog Perrol; vaster zette hij zich in den zadel, en riep, toen hij zijn vijand ontdekte: „God, ik dank U, hij is het!” Want hij zag de roode pluim en het blinkend zwaard, dat alles zonder meedoogen neersloeg. Hij zag Perrol, die als satan hoog boven het volk uitstak, en aan het hoofd van zijn zwarte duivels naderde. Tot nog toe had Van Schaffelaar zijn drift bedwongen, maar toen hij den ellendeling, die misschien zijn geluk voor eeuwig verwoest had, die hem in alles, wat hem heilig en dierbaar was, bloedig beleedigd en aangetast had, voor zich zag, riep hij donderend, terwijl het volk, rechts en links van den dijk af, zocht door te breken, en de ruiters langzaam vorderden: „Plaats, kerels! Bij mijnheer St. Maarten en alle heiligen, maakt plaats, ik moet er door.” En ook zijn zwaard schitterde dreigend boven de hoofden van de verschrikte menigte, die zich zooveel mogelijk ter zijde wierp, om buiten het bereik van het wapen en het paard te blijven.

Hij wierp zich in den nauwen doorgang, welke zich voor hem opende; tevergeefs trachtte zijn knaap hem dadelijk te volgen, en stiet met het achtereinde der speer in het rond, om het volk uitn te drijven, dat zich achter zijn meester weer aannsloot. Zoodra Van Schaffelaar vooruitreed, naderde ook van zijn kant de aanvoerder der Zwarte Ruiters; van beide zijden schenen zij, die het bevelvoerden, verlangend, om, daar hun volk zoo traag vorderde, alleen het gevecht te beginnen. Van beide zijden was het niet alleen een vertrouwen op eigen krachten, en de hoop op een gemakkelijker zegepraal op den van zijn hoofd beroofden vijand. Neen, een heviger verlangen om elkander te vernielen was te lezen uit de drift, waarmee zij hun hengsten aanspoorden, en uit de slagen, die vielen op hen, die niet spoedig genoeg konden uitwijken. Van Schaffelaar had, evenals zijn vijand, den helm gesloten; hun schild hing om den hals, en zij hadden hun lange slagzwaarden in de hand; moedig snelde Moor vooruit, ofschoon hij zijn meester reeds lang gedragen had.

„Kom vooruit, ellendige maagdenroover! Van Schaffelaar komt om u te straffen en Maria te wreken,” donderde Van Schaffelaar hem tegemoet. Hij hief zijn zwaard op, maar zijn vijand hield een oogenblik zijn paard staande, en alleen een hoonend gelach was het antwoord op deze uitdaging. Doch spoedig daarna scheen deze zijn ros aan te sporen, want het sprong als een bliksemschicht vooruit, en van weerszijden overschreden de twee kampvechters den afstand, die nog tusschen hen was. De paarden stieten bijna met de ijzeren platen van de borst tegen elkander, en de zwaarden, die reeds van te voren met twee handen waren opgeheven, daalden met kracht en snelheid neer. Geen van beiden dacht er aan zich te dekken, maar alleen om zijn tegenpartij een vreeselijken slag toe te brengen. De deugdelijke lemmers klonken, de wapenrustingen gaven een dof geluid, en beide vechters bleven onwrikbaar in den zadel; maar de helm van Van Schaffelaar was gedeeltelijk van zijn versierselen en van den witten vederdos beroofd, en de roode vederbos wapperde nog altijd op het stalen hoofdhulsel van den Zwarten Ruiter. Weer werden de zware wapens snel opgelicht; doch een kuil in den dijk veroorzaakte, dat Moor niet tijdig genoeg aan den wil van zijn meester kon voldoen en niet vast stond; daarom bracht Van Schaffelaar de hand aan den kettingbeugel; maar ook daardoor flikkerde zijn zwaard niet dreigend in de lucht, toen dat van zijn verwoeden vijand reeds hoog was opgeheven. Een spottend gelach drong door het vizier van den zwarten helm, en loodlijnig daalde het vreeselijke wapen neer, maar snel boog zich Van Schaffelaar vrover; zijn hand liet den teugel los, vatte ijlings het schild en hief het op. De platen trilden en de aanvoerder der Schaffelaar werd op den zadel neergedrukt; maar het zwaard van zijn vijand gleed langs het schild af, dat nu even snel werd losgelaten, als het zwaard met beide handen weer werd gevat, dat nu niet te laat werd opgeheven; want juist toen de aanvoerder der Zwarte Ruiters ook den arm had uitgestrekt, riep Van Schaffelaar: „Vang dit op met de Roode Hand!” Ditmaal stond Moor vast, en juist toen zijn vijand zijn zwaard dacht te laten vallen, trof Van Schaffelaar hem tegen de armstukken van zijn linkerarm, en vreeselijk klonk het staal toen het langs het harnas en het paard gleed, en het zwaard van den Zwarten Ruiter zonder kracht neerzonk. Het paard met de zwarte hoze sprong terzijde, en Van Schaffelaar gaf Moor de sporen. Een woeste kreet was alles, wat de Zwarte Ruiter liet hooren, toen hij den slag ontving; ook hij deed zijn ros snel vooruitgaan, en alleen met de rechterhand hief hij nu zijn zwaard op. Maar reeds was Van Schaffelaar vlak bij hem; reeds eenmaal had de eerste de kracht van zijn vijand ondervonden, en hij zag, dat deze zich met alle macht op hem zou werpen; daarom richtte hij zich in den zadel op, en liet zijn zwaard neerdalen; doch de helm van den Zwarten Ruiter was stevig en rustte op de schouders, en zonder te buigen weerstond deze den slag. De helm van Van Schaffelaar was evenwel ook stevig, en hoewel hij zich onmerkbaar boog, toen het vijandelijk staal hem trof, richtte hij zijn edele gestalte snel weer op, en zijn zwaard van zijn linker- over zijn hoofd naar de rechterzijde brengend, riep hij: „Licht de Roode Hand op, maagdenroover! Of sterf!” en gaf zijn vijand hierop een hevigen slag aan de linkerzijde van den hals, zoodat de Zwarte Ruiter op zijde viel.

Deze brulde van woede, terwijl hij zich met zijn linkerhand, waarin hij weinig kracht meer had, aan den zadel vasthield, met zijn zwaard zijn hoofd dekte, en zijn evenwicht trachtte te hernemen. Dit was echter vruchteloos; want nog eens daalde het zwaard van Maria’s bruidegom op hem neer; het wapen dat den slag moest afwenden, had geen kracht genoeg, en de ruiter met de roode pluim viel uit den zadel aan de voeten van zijn vijanden neer, terwijl een woeste kreet, die niets menschelijks had, zich op eenigen afstand liet hooren.

Een gevoel van geluk, zooals in langen tijd Van Schaffelaar’s hart niet had doen kloppen, deed het nu weldadig aan; met het wrekend zwaard in de hand, zag hij naar zijn vijand om, dien hij had neergeslagen, en die voor zijn oog in de duisternis verdwenen was. Wel stond het van zijn ruiter beroofde paard vr hem, maar Perrol kon hij niet zien: de zwarte rusting verloor zich in de duisterheid, die den dijk overdekte! Het zag zelfs den rooden vederdos niet. Hij had dus dien grooten, beruchten ruiteraanvoerder van het paard geworpen, wiens machtigen arm hij nog op zijn helm meende te voelen, toen die hem bijna verpletterde: en hij schreef het aan de wonde toe, waarvan de Stadhouder hem gesproken had, dat Perrol zich niet met zijn schild gedekt, en het gevecht zoo kort geduurd had.

Zoodra de beide ruitertroepen hun aanvoerders handgemeen hadden zien worden, waren zij langzamer vooruit gegaan, en eindelijk geheel stil blijven staan.

Zij wisten, dat, zoodra er n viel, het gevecht of de vlucht van een der partijen zou aanvangen.

De uitroep van vreugde van Van Schaffelaar werd gevolgd door een angstig gegil der vluchtende dorpelingen, maar onstuimig riepen de ruiters van Van Schaffelaar, zoodra zij den man met de roode pluim zagen verdwijnen: „Perrol is dood! Leve Van Schaffelaar! De dood voor de Zwarte Bende! en hun stemmen en de klank van hun wapens braken het oogenblik van stilte af, dat er na de overwinning van Van Schaffelaar geheerscht had. Een woest en somber gemor en gemompel was het eenige antwoord der Zwarte Ruiters. Eerst hadden zij gedacht, dat de roode pluim zich weer hoog zou verheffen; want de toortsen gaven een flauw en twijfelachtig licht maar toen zich niemand meer in den zadel van het paard vertoonde, dat alleen naar hen terugkeerde, zagen zij, dat Van Schaffelaar gezegevierd had.

Te zwaar gewapend, om gemakkelijk op en af te zitten, zou het een dwaasheid voor Van Schaffelaar geweest zijn, midden tusschen de twee benden af te stijgen, om zijn vijand den genadestoot te geven; hij aarzelde. De klok aan het andere einde van het dorp luidde echter nog; Maria wachtte hem; zijn ruiters brandden van strijdlust; daarom ontglipte een zucht aan zijn borst, toen hij ter zijde reed en met donderende stem, die boven het vreugdegeschreeuw zijner ruiters, het gevloek en gemor der mannen van de Zwarte Bende en het geschreeuw der dorpelingen gehoord werd, uitriep: „De eerste rij, velt de speer! Vooruit!”

De trouwe knaap was juist zijn meester genaderd, toen de witte vederbos van diens helm werd afgehouwen, en op een kleinen afstand volgde hij met fonkelenden blik den loop van het gevecht, en zag, of de knaap van Pcrrol ook achter zijn heer stond; maar hij werd hem niet gewaar. Hevig schrok hij, toen Moor niet tijdig genoeg aan den wil van zijn meester kon voldoen, en hij het oogenblik tegemoet zag, dat zijn brave heer zou worden neergeslagen; krampachtig sloot zijn kleine hand zich om de speer, die hij droeg. Maar toen Van Schaffelaar in het eind overwon en het paard met de zwarte hoze van zijn berijder beroofd was, verkeerde zijn vrees in vreugde, en zijn gejuich vermengde zich met dat der ruiters. Snel wierp hij een blik op Van Schaffelaar en toen hij zag, dat deze geen voornemen scheen te hebben den zadel te verlaten, liet hij zich van zijn paard glijden.

Zoo groot was de duisternis langs den grond, en zoozeer hield alles, wat hem omringde, Van Schaffelaar bezig, dat hij den knaap niet gewaar werd, die langs zijn paard heen, voorovergebukt langs den grond naar den aanvoerder der Zwarte Ruiters rondtastte. Eindelijk dacht hij hem gevonden te hebben, hij zag iets zwarts, dat zich bewoog, en hij meende ook bloed te zien; maar het was de roode vederdos, en hij hoorde verschrikkelijke verwenschingen, die met een doffe stem door de nauwe openingen van het vizier drongen. Zonder te aarzelen, en met een kracht, welke men van hem niet zou hebben verwacht, greep hij den helm met beide handen, trok den aanvoerder, die zich reeds gedeeltelijk had opgericht, maar nog geheel verdoofd en stijf was van den slag en den val, achterover, en sleepte hem, ondanks de zware wapenrusting, naar de zijde van den dijk. De aanvoerder stelde zich wel te weer tegen dezen nieuwen aanvaller, maar slechts voor een oogenblik, want de helm was z los aan het harnas bevestigd, dat het halsstuk met de geheele zwaarte van zijn eigen gewicht, en dat van zijn wapenen hem onder tegen de kin werd gedrukt en hem zijn bewustzijn deed verliezen.

Toen liet zich de stem van Van Schaffelaar hooren, daarna het veldgeschreeuw van zijn ruiters en de tonen der trompetten en Henri luisterde. De aanvoerder zelf scheen, toen de knaap hem losliet, door de stem van zijn vijand en het vroolijk geschal der trompetten, weer geheel bij te komen, want hij richtte het hoofd op, en wilde zich op zijn rechterzijde wentelen; doch eensklaps sprong de knaap op hem toe, en wierp zich op hem, terwijl de grond onder de hoeven der paarden dreunden, en de voortgestuwde lucht hem langs het aangezicht woei. Maar de zwaarte van den kleinen knaap was niet voldoende, om den sterken ruiter in bedwang te houden; een vreeselijke vloek klonk hem uit den helm, dien hij wilde openen, tegen; de linkerarm van den Zwarter Ruiter daalde over zijn rug, en drukte hem bijna inn. Het scheen, dat de gevallene zijn toestand nog niet hopeloos vond, of dat er iets was, waarmee hij zich aan den oever des doods nog vermaakte: want Henri meende, dat hij onder zich hoorde lachen. De geharnaste man bewoog zich hevig. Toen hoorde Henri het rammelen van de keten, waaraan de dolk van den Zwarten Ruiter hing, en elk oogenblik tijdverzuim kon hem noodlottig worden. IJlings liet hij de banden van den helm los; met zijn linkerhand lichtte hij met alle kracht het halsstuk op, dat zijn tegenpartij trachtte neer te drukken, door het hoofd op te lichten, en met de rechter trok hij den langen opsteker, welks deugdzaamheid Wouter hem had gewaarborgd. Daarna riep hij: „Perrol met de Roode Hand, sterf en denk aan Van Schaffelaar!” en het lange tweesnijdige lemmer verdween onder het harnas. Nog richtte zich de roode pluim op; een bovenmenschelijke kracht scheen den Zwarten Ruiter te bezielen, hij trok zijn beenen hoog op, en strekte die toen snel weer uit, als iemand, die met inspanning van alle krachten zwemt. De knaap zat echter vast op zijn prooi, die hij niet verlaten wilde, voordat haar alle leven begeven had; nmaal moest Perrol voor goed boeten voor wat hij gedaan had; daarom riep hij nogmaals: „Sterf, Perrol, en denk aan Van Schaffelaar!” en nog eens stiet hij den opsteker onder het halsstuk. Een onverstaanbaar geluid klonk hem uit den helm tegen; ditmaal was het goede staal en de forsche stoot, door de malinkap heengedrongen, welke onder het harnas den hals bedekte; de linkerhand gleed langs den rug van den knaap af, en viel op den grond neer, alsof zij van lood was; het hoofd zonk achterover, en draaide verschrikkelijk, terwijl de roode pluim door het slijk heen en weer fladderde. Toen het wapen voor de derde maal zijn noodlottigen plicht vervulde, was het, alsof een trillende beweging den Zwarten Ruiter van het hoofd tot de voeten scheen te bevangen, en daarna hoorde men niets meer dan het geknars van de onderscheiden stukken van het harnas, dat uitgestrekt werd. Het hoofd lag onbeweeglijk, en de roode vederbos bewoog zich niet meer; hij, die de Zwarte Ruiters had aangevoerd, was niet meer; hij was zonder berouw en zonder priester in zijn woeste leefwijs gestuit.

Zoodra de knaap de zekerheid had, dat de man werkelijk dood was, vatte hij diens rechterhand, rukte ze naar zich toe en trachtte er den handschoen af te trekken, maar zonder vrucht. Het gelukte hem wel den arm op te tillen, doch de hand zat z vast om het hecht van den dolk geklemd, die door deze beweging eindelijk de scheede verliet, dat het onmogelijk was de reeds verstijfde vingers te openen, of den handschoen van de hand af te stroopen. Toen sloeg hij de hand aan den helm, want hij wilde het genoegen hebben het gelaat van Perrol te zien, voordat hij hem verliet. Doch plotseling werd hij bij de schouders gevat; met een onweerstaanbare kracht rukte men hem van het zwarte harnas af, en wierp hem ter zijde, en toen hij opsprong en met den bebloeden opsteker in de hand, vloekend naar dengene zag, die hem had aangevallen, ontwaarde hij een wijf, welks gelaatstrekken hij niet kon onderscheiden, maar welks dreigend en wild gebrom hem deed terugdeinzen. Hij boog zich voorover naar den ruiter; maar het wijf riep kwaadaardig: „Perrol behoort mij!” en wierp zich tuschen den knaap en den verslagene. Henri stond gereed, zonder zich aan haar dreigend gemompel te storen, te doen wat hij voorhad, en hief zijn wapen op. Doch toen hoorde hij de stem van Van Schaffelaar, die hem scheen te roepen; en snel verliet hij den doode voor den levende, en het speet hem, dat hij nu reeds moest vertrekken, hoewel hij vermoedde, dat het wijf vergeefsche moeite zou doen, om Perrol in het leven terug te roepen.

Zoodra Van Schaffelaar het bevel aan zijn ruiters gegeven had om vooruit te gaan, daalden de speren neer, totdat zij een horizontale lijn vormden. „Voor St. Maarten en Van Schaffelaar!” schreeuwden zij, terwijl de trompetten werden gestoken, en de paarden op n lijn in vollen ren vooruitsnelden. Het scheen alsof de Zwarte Ruiters nog niet gelooven konden, dat zij hun aanvoerder verloren hadden, alsof zij dachten hem te zien terugkeeren, en op zijn bevelen wachtten; te meer, daar Van Schaffelaar niet was afgestegen, om hem af te maken en zij den kleinen knaap niet gezien hadden; want behalve het gemor en gevloek, dat zich onder hen had laten hooren, was alles stil gebleven; de trompetten en bazuinen zwegen; alleen hadden zij hun speren geveld, en wachtten somber af, wat er zou gebeuren; het was alsof zij met hun aanvoerder hun veerkracht verloren hadden.

Toen de ruiters van Van Schaffelaar vooruitsnelden en de trompetten klonken, begon het hoornvee, dat men vroeger den dijk had opgedreven, in de hoop het te redden, angstig te loeien. Toen het echter de punten van de speren voelde, rende het, alsof het bezeten was, met den kop tusschen de pooten ter zijde af, met de horens en de zware lichamen zich met geweld een weg banend door de menschen, die het gevecht gadesloegen, of zich, zonder om te zien naar het gevaar, dat hen daar dreigde, op de slagorde der Zwarte Bende stortend, welken weg de paarden, na eerst den kop opgestoken en angstig met de ooren geschud te hebben, reeds genomen hadden of nog insloegen. Hoe vast de ruiters van de Zwarte Bende ook stonden, zij noch hun speren waren bestand tegen dezen aanloop; hun slagorde wankelde en velen hielden niets dan de halve houten van hun speren in de hand, terwijl de dieren, die het andere einde in het lijf hadden steken, of dood waren neergevallen, dikwijls de paarden nog verwondden met hun horens of zich ook van den dijk hadden afgestort, om daar te sterven, na te voren mannen, vrouwen en kinderen te hebben gedood en verwond.

Maar hierbij bleef het niet, want de weeke grond bewoog zich als een golvende zee onder de Schaffelaars, die nog eens hun veldgeschreeuw aanhieven, en toen op de Zwarte Bende inbraken; men hoorde het hout kraken en het ijzer klinken, en zelfs den doffen schok der paarden, die met de borsten tegen elkander stieten. Daarop keerden de meeste ruiters van Van Schaffelaar met gebroken speren langs den zoom van den weg terug, terwijl zij vroolijk riepen: „Leve Van Schaffelaar! De dood voor de Zwarte Bende!” Doch de Zwarte Ruiters hadden dapper gestaan, geen handbreedte waren zij teruggegaan; een tweetal paarden renden zonder berijders heen en weer, de voorsten waren allen gedood of met hun paarden neergeworpen; de geheele eerste rij was vernietigd.

Toen riep Van Schaffelaar: „De tweede rij velt de speer! Vooruit!” en de speren werden geveld; maar alsof de Zwarte Ruiters uit hun werkeloosheid waren opgewekt door hun nederlaag, liet zich ook dr een stem hooren, die den aanval gebood; de bazuinen en trompetten bliezen met sombere toonen den aanval; een heele rij dier welbereden Zwarte Ruiters snelde vooruit. „Perrol! Perrol! Hoezee, de Zwarte Bende!” – „Voor Van Schaffelaar en St. Maarten!” schreeuwden de beide partijen, die zich met een razernij op elkander wierpen, waarvan men zich bijna geen denkbeeld kan vormen. Ieder scheen te vreezen te laat te komen; het scheen, dat de strijdhengsten zelf vermaak vonden in het gevecht, en de grond beefde. Maar al dit geschreeuw en gebriesch der paarden ging verloren in den hevigen schok, toen deze twee zwaar gewapende en wel bereden rijen ruiters tegen elkander stieten. Men hoorde het kraken van het hout, den klank der harnassen en schilden, welke doorboord werden, de doffe slagen of het gerammel van de harnassen en platen van de ruiters en paarden, die vielen, en een kreet van woede en moed, welke van velen de laatste was, en toen was het gewoel en geschreeuw gedaan; alles werd betrekkelijk stil. Eenige paarden schenen den schok ontkomen te zijn; n ruiter slechts keerde naar de Zwarte Bende terug, de anderen bleven liggen met de ruiters van Van Schaffelaar, die minder gelukkig waren geweest dan hun vijanden.

Terwijl Van Schaffelaar zijn mannen van wapenen moedig en snel aan zijn bevelen zag gehoorzamen, knoopte hij een witten doek aan een gedeelte van het helmstuk vast, dat door het zwaard van zijn vijand nog gespaard was; het diende om het verlies van den witten vederbos te verhelpen, en opdat vriend en vijand hem nog zouden kunnen herkennen. Toen de ruiters, die den tweeden aanval gedaan hadden, daar allen voor zijn oog door die van de Zwarte Bende waren neergeworpen, en n van hun aan de algemeene vernieling ontsnapte, riep hij driftig: .,Henri! Hier knaap! Mijn speer!” Hij zag om zich heen, en volgde onstuimig. toen hij zijn knaap niet achter zich zag, terwijl Moor door hem werd omgewend, „Henri! Henri! Mijn speer! In Gods naam, waar blijft gij?”

„Hier ben ik, Heer!” antwoordde de knaap, die hem snel naderde, en hem het verlangde wapen in de hand gaf: „de vreemde aanvoerder, dien gij hebt neergematst, zal nu niet meer opstaan; de Roode Hand begint al koud te worden, ik heb mijn plicht gedaan.” Zoodra de knaap bemerkte, dat zijn heer hem riep, was hij naar hem toegesneld; het paardje dat hij bereed, en dat voor ieder ander onhandelbaar was, had zich zoo aan zijn berijder en dagelijkschen verzorger gewend, dat het hem als een hond gevolgd was, toen de knaap den verslagen ruiter ter zijde sleepte.

Reeds werden de speren bij de Zwarte Bende geveld, en het bevel tot den aanval liet zich hooren, toen Van Schaffelaar, met de speer in de vuist, met twee sprongen van Moor zich vr zijn ruiters plaatste. „Voor St. Maarten! Volgt mij, mannen! Stoot de kerels neer, die mijn ruiters hebben geveld! Op! Op! Vooruit voor St. Maarten en Van Schaffelaar!” riep hij, terwijl hij zijn schild greep, en donderend herhaalden de Schaffelaars zijn veldgeschreeuw. De Zwarte Ruiters waren blijven staan, toen zij den bisschoppelijken aanvoerder midden op den dijk zagen; zij begrepen, dat de uitslag van de vorige aanvallen niet naar zijn genoegen was uitgevallen, en dat hij van plan was, zelf en met zijn heele macht den aanval te doen; daarom hoorde men ook daar roepen:

„Op! Op! Vooruit, Perrol! Leve de Zwarte Bende!” en de heele troep stelde zich in beweging.

De grond bewoog alsof de dijk midden tusschen de twee vijandige benden zou vannscheuren of inzakken, en een wijd graf openen voor menschen, paarden en wapenen.

Geen der Zwarte Ruiters had zich buiten de eerste rij geplaatst; geen hunner keurde zich zeker dapper genoeg of in staat den aanvoerder te vervangen en Van Schaffelaar het hoofd te bieden, die niet in de eerste rij zijner mannen streed, maar hen met gevelde speer vooruitsnelde; hij had reeds een wijde opening in de slagorde der Zwarte Ruiters gebroken, waarin hij en zijn knaap verdwenen waren, vrdat de twee benden op elkander stieten.

Vreeselijk was de schok geweest, toen de speren de ruiters uit den zadel lichtten of met paard en al onderste boven wierpen, in de borsten der paarden af braken. of met zoo’n kracht troffen, dat zij door vizier of wapenrusting heendrongen; maar dit treffen, hoe noodlottig ook voor beide benden, werd niet, zooals vroeger, gevolgd door een oogenblik van rust en verademing, neen! Het was het sein tot een veel heviger gevecht, waarvan het slechts als voorspel diende. Nu eerst werden zij handgemeen; het gevecht bepaalde zich nu niet tot weinige enkelingen, neen, elk had nu hoop, en trachtte er deel aan te nemen; de zwaarden verlieten de scheeden, waarin zij reeds te lang naar den zin van hen, die ze droegen, gerust hadden. Men dacht er niet meer aan om de slagorde te bewaren; de beide hoopen mengden zich, in de hoop hun vijand in te sluiten, en in hun midden te verstikken. Het geschreeuw en gevloek, het snuiven der paarden en het gerammel der wapenen was vreeselijk. Het moordgeschreeuw en de kreten der bijzondere krijgsbenden, de doffe slagen op helm en harnas verdoofden den klank der trompetten en bazuinen.

Een tijdlang duurde dit treffen, waarop het geroep van „Perrol!” en „St. Maarten!” of „Van Schaffelaar!” en „De Zwarte Bende!” bijna alleen gelegenheid gaf, elkander te herkennen; want zelfs de witte veeren op de helmen der bisschoppelijke ruiters waren moeilijk te onderscheiden en geen der benden kon zich nog vleien de zege te zullen behalen; want de Zwarte Bende was sterker dan de Schaffelaars; zelfs wisten dezen, die steeds vooruitdrongen, zonder Van Schaffelaar of zijn knaap te zien, niet of hij nog leefde, of dat beiden reeds verslagen waren.

Opeens echter vielen er lichtstralen op de helmen van de strijdenden en op de wapens, die zich snel boven hen in de lucht verhieven, en even snel weer neerdaalden. Sterker en sterker werd het licht, dat scheen te naderen; zelfs was het alsof een blij gejuich in de verte opging, en als uit n mond herhaalden de ruiters van Van Schaffelaar hun veldgeschreeuw. Zij herkenden, terwijl zij zich te weer stelden, of hun vijanden den doodsteek gaven, de kruisboog- en handbusschutters te paard, die kwamen, om deel te nemen aan het treffen. Toen verdween de onzekerheid van het gevecht: men zag nu duidelijk de witte veeren, of zoo zij verloren waren, de gladgeschuurde wapenrustingen der Schaffelaars, welke het licht terugkaatsten. Men zag eveneens de zwarte wapenen van de vreemde ruiters, die met een woest gejuich hun vijanden, die zich tusschen hen gewaagd hadden, neersloegen, of zich met somberen ernst tegen een aantal bisschoppelijke ruiters, die hen omsingeld hadden, te weer stelden. Vele strijders hadden tot nog toe het leven behouden, doordat de duisternis hun vijanden belette hun hopeloozentoestand te bemerken; zoodra het licht werd, was het met hen gedaan.

Te midden echter van den sterksten drom van Zwarte Ruiters, zag men nog een witte pluim, die zich in alle richtingen bewoog; het was de witte doek, dien Van Schaffelaar aan zijn helm bevestigd had, en die daarachter wapperde; de aanvoerder leefde dus nog.

Een van de Zwarte Ruiters, dezelfde die aan den slagboom de tijding had gebracht, dat zij de versperring zouden komen hernemen, en die met koelbloedigheid tot nog toe gestreden had, scheen van zins zich met Van Schaffelaar te meten; want hij wendde zicht tot hem met opgeheven zwaard. Hij riep hem vloekend toe, en Van Schaffelaar meende de stem van den ruiter te herkennen, die hem op den dijk bij Soest staande had gehouden. Van Schaffelaar keerde den slag af; maar voordat hij zelf het zwaard oplichtte, deed de Zwarte Ruiter zijn paard achteruitgaan, en riep: „Makkers, volgt mij! Voort naar den slagboom! Hoezee, de Zwarte Bende!” Op hetzelfde oogenblik wierp hij zich met degenen, die in zijn nabijheid waren, op zijn vijanden, en sloeg er zich door. Slechts vijf van zijn makkers waren zoo gelukkig, zich met hem uit het gedrang te redden; en zij waren nauwelijks buiten het bereik der wapens van hun vijanden, toen de laatste man der Zwarte Bende, die reeds een tijdlang blootshoofds vocht, daar zijn helm gebroken en afgevallen was, met gekloofde hersenpan neerzonk.

908SR15.gif (1832 bytes)

Zoodra de zege zich voor de bisschoppelijke ruiters verklaard had, gebood hun aanvoerder hen, vooruit te gaan en hem te volgen naar het kerkhof.

Daar aangekomen liet Van Schaffelaar terstond den slagboom openen, wat, behalve door de ketenen en sluitbalken, nog moeilijker werd gemaakt door zijn dappere verdedigers, die, hoewel dood, er zich als met hun lichamen nog tegen trachtten te verzetten! Het volk van Salazar drong op dit oogenblik ook door de stormpalen. Toen de slagboom gedeeltelijk open was, reed Van Schaffelaar naar buiten, en riep: „Goedennacht, Heer ridder! Ik dank God, dat gij nog leeft. Bij mijnheer St. Maarten, indien ik had kunnen denken, dat de Zwarte Bende hier stond, dan zou ik verzocht hebben, aan deze zijde van het dorp den aanval te doen.”

„Bij God en mijn zwaard, Heer,” hernam Salazar verheugd, die op hem toereed en hem de hand gaf, „ik ben blij u te zien; het is waar, het was hier moeilijk, vooral door die verdoemde Zwarte Ruiters; maar wij zijn tot hiertoe gekomen, en zouden, zoo ik vertrouw, verder gekomen zijn. Doch hebt gij Perrol ook gezien?”

„Perrol?” hernam Van Schaffelaar, „die is dood, Messire! Hij kwam aan het hoofd der rijzige ruiters om den slagboom aan het andere einde te hernemen; mijnheer St. Maarten heeft het anders gewild: ik heb hem met eigen hand van het paard gehouwen.”

„Ik wensch u geluk,” zei Salazar, „hij was altijd noodlottig voor wien hij vijandig was. Op mijn eer, nooit heb ik met hem op een vriendschappelijken voet geleefd; maar de waarheid moet gezegd zijn: hij was een der stoutste mannen van wapenen, die ooit een bende in het veld hebben gevoerd.”

„En zijn luitenant, hebt gij dien ook gezien, Heer ridder?” vroeg Van Schaffelaar eenigszins ongeduldig.

„Ik verzeker het u,” hernam Salazar, „de Engelschman heeft zijn plicht gedaan; hij heeft de slagboomen, die wij genomen hebben, dapper verdedigd, en zich toen, denk ik, naar het kerkhof begeven; want de tegenstand is er verschrikkelijk geweest. Maar daar komt de Stadhouder aan, die misschien meer van hem weten zal.”

Joost van Lalain naderde nu met de heeren, die met hem op het kerkhof waren gedrongen; een groote vederbos van witte en blauwe veeren versierde zijn helm; de witte zijden wapenrok, dien hij over zijn harnas droeg, en die met de wapens van Lalain en Montigny prijkte, was zwart door den damp van het buskruit, en op de hoze van zijn bruinen strijdhengst zag men in vakken dezelfde wapens afgebeeld. Hij beantwoordde met zijn hand den groet der beide bevelhebbers, en riep: „Ik ben blij u te zien, mijne Heeren! Dat is een werkzame nacht geweest, bij mijnheer St. George!”

„En ik wensch u geluk, edele Heer, met de overwinning, welke het leger bevochten heeft,” zei Van Schaffelaar.

„De weg is vrij!” riep Salazar lachend; „de heer Van Schaffelaar heeft de goedheid gehad, den laatsten slagboom voor ons te openen,” en hij wees naar het dorp.

„Wij zijn dus veel aan hem verplicht.” zei de Stadhouder, terwijl hij zich naar de zijde van den bisschoppelijken ruiteraanvoerder boog, en hij zag met opmerkzaamheid naar de gescheurde hoze van zijn paard, het op vele plaatsen geschonden en gebroken harnas, den van zijn pluim beroofden helm, en naar het vizier, dat er in stukken bij hing.

„De ridder Salazar verzweeg, dat zijn volk reeds den voet in het dorp had, toen mijn ruiters de versperring openden,” zei Van Schaffelaar, waarna hij vervolgde:

„Ik had gezegd, dat gij mij met mijn ruiters aan den slagboom zoudt vinden, edele Heer. Mijnheer St. Maarten heeft mij toegestaan, mijn woord na te komen, en de goede God heeft gewild, dat gij mij levend zoudt vinden.”

„En waarvoor ik Hem dankbaar ben,” hernam de Stadhouder; „maar zelfs al had ik u hier niet gevonden, toch zou ik u reeds voor een man van uw woord gehouden hebben. Maar zeg mij eens, hebt gij Messire Perrol ook ontmoet?” „Ik heb dat geluk gehad,” antwoordde Van Schaffelaar; „Perrol ligt verslagen; de kerfstok van zijn misdaden was vol; de Heer zij hem genadig; want weinigen zullen bidden voor zijn ziel.”

„Ik zie, dunkt mij, de sporen van zijn zwaard op uw harnas, Heer Van Schaffelaar!” zei de Stadhouder; „het is een groote eer voor u, dien krijgsman te hebben overwonnen. Maar zeg mij nu nog, of gij ook het geluk gehad hebt uw bruid te vinden; haar te verlossen was hedenmorgen immers uw vurigste begeerte?”

„Indien ik alleen met mijn bende was aangevallen en het dorp had kunnen overrompelen, dan zou ik nu al weten, wat ik te vreezen of te hopen had,” antwoordde Van Schaffelaar snel; „maar zoodra mij werd bericht, edele Heer, dat gij ten laatste aan het algemeen verlangen toegegeven en tot den aanval besloten hadt, behoorden ik en mijn mannen tot het leger, en ik beval mijn bruid in de machtige hoede van God. Wat men ook durft te kennen geven,” vervolgde hij driftig, „het zal in dezen nacht blijken, dat Jan van Schaffelaar niet voor zijn eigen, maar voor het algemeen welzijn het zwaard getrokken heeft! Ja, het zal blijken, dat mijn ruiters zonder vrees den dood tegemoet zijn gesneld, en hun wapenrustingen vernield of bevlekt zijn, omdat zij den weg gebaand hebben, ook voor hen, die in den krijgsraad, uit voorzichtigheid zeker, mijn bedoelingen heeft miskend, en nu ook uit voorzichtigheid zijn wapenrusting voor elken slag of stoot bewaard heeft.”

Bij deze woorden zag hij naar de zijde, waar de maarschalk van Antwerpen stond, grimlachte en eindigde met waardigheid, terwijl hij den Stadhouder met zijn zwaard groette: „Zoolang er nog gevochten wordt, edele Heer, zal ik als edelman en aanvoerder mijn plicht doen; Jan van Schaffelaar en zijn ruiters wachten uw bevelen.”

De ridder Petit Salazar en de meeste heeren gaven elkander onderling hun tevredenheid te kennen over wat Van Schaffelaar had gezegd, en wierpen, half lachend, een zijdelingschen blik op den golvenden, witten vederbos, die op den helm van den maarschalk van Antwerpen prijkte, en op zijn wapenrok van lichte kleur, die zelfs niet eens den damp van het buskruit scheen te hebben doorstaan. Zelfs de Stadhouder scheen zeer goed het gewicht van de woorden van den braven krijgsman te voelen, die, zonder om zijn harteleed te denken, zijn bevelen vroeg; daarom riep hij met vuur, toen hij het gemompel van goedkeuring van zijn aanvoerders hoorde:

„Zoo waar als ik het wapen van mijn voorouders wensch te behoeden voor elke smet, zoo waar wil ik ook altijd en overal erkennen, dat gij in dezen nacht meer gedaan hebt dan n onzer, en meer dan men van den braafsten edelman en ridder kon verwachten. Neen, bij mijnheer St. George, gij en uw ruiters hebt reeds genoeg gedaan; wij zullen desnoods zelf doen, wat nog verricht moet worden, en zoek uw bruid; dat mijnheer St. George en de goede God u geleiden, en vergeet wat de Stadhouder in den krijgsraad tot u gezegd heeft; Joost van Lalain verzoekt het u.”

Hierbij bood hij Van Schaffelaar zijn hand aan, die haar drukte en verheugd antwoordde: „ik dank u, Heer, en zoo gij ooit den arm van iemand noodig mocht hebben, die met goeden wil voor Lalain en Montigny het zwaard zou trekken, dan kunt gij, behoudens den dienst van mijnheer den Bisschop, steeds op mij rekenen.”

Hij stak nu zijn zwaard op, en wilde met Moor terugkeeren, nadat hij den Stadhouder en zijn gevolg gegroet had; maar toen hij het edele dier aanspoordde om met spoed den slagboom binnen te snellen, viel het. Gelukkig dat het nog geen vaart had, en dat Van Schaffelaar het ongeval zag aankomen, anders zou hij onverhoeds op den grond geworpen zijn. Hij ontdeed zijn voeten snel van de stijgbeugels en reepen, en trachtte zijn trouwen makker in den strijd te doen opstaan; doch verzwakt door bloedverlies of vermoeidheid, en gedrukt door het gewicht van de zware ijzeren platen bleef het liggen. De ridder Petit Salazar en eenige anderen, die nu den Stadhouder verlieten en den slagboom zouden doorrijden, hielden bij hem stil, en hij zei, terwijl hij Henri, die dadelijk van het paard gesprongen was, en naast hem stond, de teugels toewierp:

„Mijne Heeren, mijn paard laat mij zitten, nu het gevecht voor mij gedaan is: ik gun het gaarne deze rust. Daar, Henri, neem den teugel, en zorg goed voor mijn armen, trouwen Moor.” Hierop groette hij de omstanders, wierp nog een blik op het paard, dat hem nazag; want het lichtte den kop op, toen zijn meester vertrok, die met overhaaste schreden naar den slagboom stapte.

De krijgslieden lachten, toen zij den kleinen knaap bij het licht, dat de toortsen en brandende huizen verspreidden, om het paard zagen loopen, angstig onderzoekend, wat de reden was, dat het was gevallen, en Salazar riep, toen hij gewaar werd, hoe deerlijk de knaap gehavend was: „H, h, mannetje, zeg eens hoe dat komt: het kleed, dat gij draagt, en uw handen schijnen wel nerlei geverfd; gij lijkt wel een kreeft.”

„Die verf was hedennacht niet duur, Messiere,” hernam Heintje, terwijl hij zijn eigen kleed bezag, en hij vervolgde, terwijl hij het hoofd oprichtte, en met zijn armen zekere beweging maakte: „Perrol en zijn ruiters hadden rood bloed, Messire! Het dorp is een half uur lang, en het komt mij dus voor, dat ik voor een kreeft nogal goed geloopen heb, dat ik u hier nog aan den ingang aantrof.” „De jongen heeft gelijk,” riep Salazar lachend, terwijl hij zijn paard de sporen gaf; en Henri, wien het eindelijk gelukt was Moor te doen opstaan, mompelde bij zichzelf: „Kreeft! Een aardige naam voor een dapperen schildknaap, vooral als ridders, die als slakken gekopen hebben, dien durven geven,” en hij volgde langzaam met het paard dat hij behoedzaam leidde, en dat telkens weer dreigde te vallen, terwijl de lijfwacht van den Stadhouder en eenige andere benden langs hem het dorp binnenrukten.

Zoodra Van Schaffelaar den slagboom, doch nu te voet, weer was binnengetreden, ging hij naar zijn volk, dat hem wachtte; zij waren reeds te weten gekomen waar Perrol gehuisvest was geweest, en hadden het huis bezet; want ook hun was de buit niet onverschillig, en met recht hoopten zij eenige dingen van waarde te bemachtigen. Bij het licht der fakkels, welke zijn ruiters droegen, zag Van Schaffelaar het wapenschild van Perrol boven de deur van het huis hangen, dat zij hem aanwezen; en hij riep, terwijl hij de deur intrapte, die van binnen gesloten was: „Geeft acht, mannen, dat niemand het huis verlaat of binnendringt, en zoekt in de schuren en hooibergen van de naaste huizen; ik beloof u een helm vol stukken zilvergeld, inden een uwer mijn bruid terugbrengt,” hierop ging hij het huis binnen.

Zij, die Van Schaffelaar volgden, snelden dadelijk naar de kamers, welke vr in het huis waren; doch hijzelf was een oogenblik in het groote voorhuis blijven staan, hetzij overmand door de aandoeningen van zijn hart, of getroffen door een gerucht, dat hem van achter uit het huis had tegengeklonken, dat hij alleen gehoord had. Het was dus zeker om deze reden, dat hij het licht, dat hij droeg, boven zijn hoofd houdend, met spoed naar het achterhuis snelde. Neen, hij bedroog zich niet, flauw klonken de jammerklachten van een vrouw, die om hulp riep, hem in de ooren; hij zag Maria voor zijn geest worstelen met het monster, dat haar op Perrol’s bevel wilde vermoorden; hij hoorde haar, zoo kwam het hem voor, zijn hulp inroepen; zou hij dan nog te laat komen om haar lijk in zijn armen op te vangen; misschien niet eens tijdig genoeg om de bleeke lippen op te vangen, maar alleen om haar kouden mond te kussen? O, neen, dat kon niet, in Gods hoede had hij haar immers aanbevolen, daarom riep hij droevig: „Almachtige God in den hemel, verlaat haar niet, heilige Moeder Gods! Red mijn bruid!” en hij stond als een ijzeren standbeeld, dat een fakkel draagt, luisterend, vanwaar het geluid scheen te komen. Maar spoedig snelde hij weer vooruit, en sloeg de hand aan de klink van de deur van een achtergelegen vertrek; hieruit was het geroep gekomen, dat nu niet meer gehoord werd; en toen hij langs de deur lichtte, om te zien, wat haar gesloten hield, en duidelijk in de kamer zacht hoorde loopen, wierp hij de fakkel op den grond, en stortte zich met al zijn zwaarte tegen de deur. Viermaal weerstond zij den schok van den zwaar geharnasten ruiter; maar toen de levende stormram, de ijzeren platen, waarin de bewegingskracht besloten lag, nog eens met geweld tegen het hout bonsde, viel de deur neer, en Van Schaffelaar sprong in het vertrek.

Er was geen licht in; toch kon Van Schaffelaar, misschien door het schijnsel, dat door een hoog geplaatst venster kwam, of dat de toorts gaf, welke voor de deur lag te branden, flauw onderscheiden, dat een lange zwarte gedaante een in het wit gehulde gestalte in zijn armen gekneld hield; maar zoodra hij zich vertoonde, liet de man, die nu niet langer tijd had zich met de vrouw te bemoeien, haar vallen, of wierp haar op den grond, en sprong terzijde.

„Maria...!” riep Van Schaffelaar halfluid, en snelde naar haar toe; want hij hoorde haar stem niet meer. Een vreeselijke slag, welke hem op zijn helm werd toegebracht, deed hem op zijn knie neervallen; het gezicht van zijn bruid, en de toestand, waarin zij was, hadden hem zoo onvoorzichtig doen zijn, zijn oog van den man af te wenden, die met opgeheven zwaard op hem toegesprongen was. Een woeste lach volgde op den slag; Van Schaffelaar zag opeens in, dat hij geen tijd zou hebben om op te staan en zijn zwaard te trekken, voordat de tweede slag, die doodelijk kon zijn, zou vallen; daarom sprong hij met onbegrijpelijke vlugheid op, hoewel hem het hoofd duizelde, wierp zich tegen zijn aanvaller aan, die reeds het zwaard had opgeheven, en smeet den geharnasten belager van zijn bruid, zoo lang als hij was, achterover.

„Bij St. Veit en den duivel, wien heb ik daar?” brulde Wilhelm, die zich schuil had gehouden, toen de andere ruiters waren opgezeten, daarna nogmaals de wijnkan had nagezien, en daar hij meende dat alles gedaan was, besloten had de laatste oogenblikken van zijn leven door te brengen in de armen van het meisje, dat Perrol gevangen hield. Zijn wapen was niet aan zijn hand ontglipt; maar het kostte hem veel moeite zich te bewegen. Eer hij echter half was opgestaan, hoorde men een harden slag, die door het vertrek heen klonk; het zwaard ontviel aan zijn hand, terwijl hij zacht den naam van zijn geliefkoosden heilige aanriep, en toen, eer hij nog was neergevallen, een tweede slag zijn ijzeren hoed vannspleet, rolde hij op den grond, zonder dat een enkel woord, een enkele klank meer aan zijn mond ontsnapte, en Van Schaffelaar stak zijn zwaard op.

Wat er gebeurd was, had haar, die hij nog bijtijds van de gewelddadige aanslagen van den beschonken ruiter verlost had, tot zichzelf doen komen; zij stond dus op, en strekte haar armen naar haar redder uit. Ook Van Schaffelaar snelde op haar toe; want zijn gemoed was te vol om te spreken, en hij ving haar aan zijn borst op. Hij voelde door het koude harnas noch het hevig kloppend hart, dat tegen zijn rusting sloeg, noch den lichten druk der zachte en mollige armen, die hem om den hals gevat hadden; maar hun lippen ontmoetten elkander. O, toen hij zijn bruid in zijn armen drukte, voelde hij zoo sterk, hoe gelukkig hij was; zonder schroom rustte zij aan zijn borst, zij was dus nog volkomen waardig, zijn echte vrouw te worden; anders zou zij zijn omarming hebben afgewezen; hij wist immers, hoe zij nog onlangs zich reeds als zijn onwaardige bruid had beschouwd, alleen omdat Perrol haar gezegd had, dat zij hem niet beminde. Ook zij voelde het geluk door hem gered te worden; nog nooit had zij hem zoo vol liefde gekust; de liefde overwon ten laatste de schroomvalligheid van de maagd.

Maar al de zoete droomen, die bijna gelijktijdig zijn hart verteederden, werden opeens als door een tooverslag van een boozen geest verdreven; want zij, die hij aan zijn borst geklemd hield, stamelde den naam van zijn vijand, en Van Schaffelaar herkende de stem van zijn bruid niet. O, die naam van het hoofd der Zwarte Bende, vol liefde uitgesproken door haar, die hij voor zijn bruid, voor Maria gehouden had, die hij als zijn bruid had gekust, doorboorde zijn hart met dolksteken.

„Wie zijt gij?” riep hij wild, terwijl hij haar bij het middel vatte, en van zich losscheurde; en daar ook de vrouw, toen hij sprak, verschrikt terugtrad, riep Zij: „Gij zijt Perrol niet; laat mij vrij, wie zijt gij?” Maar Van Schaffelaar antwoordde haar niet; want een paar van zijn ruiters, die nu ook tot hier al zoekend met licht doordrongen. maakten dat hij met verwondering de vreemde en schoone vrouw aanzag, die hij nog altijd tusschen zijn ijzeren handschoenen geprangd hield. Gerustgesteld door zijn verbazing en de tegenwoordigheid van de ruiters, of veel liever door de edele gelaatstrekken van den vreemdeling, vroeg zij nu nogmaals doch zonder eenigen angst te verraden: „Waar is Messire Perrol?”

„Perrol! Altijd Perrol!” schreeuwde Van Schaffelaar, terwijl hij haar driftig losliet. „Messire Perrol is dood!”

„En gij hebt hem gedood!” riep zij snel, en vestigde haar zwart oog, dat droefheid en toom scheen te verraden, op den ruiter, die voor haar stond. „O, dan weet ik, wie hem vermoord heeft: gij zijt dus Jan van Schaffelaar!”

„Die ben ik, vrouw!” riep Van Schaffelaar, trad op haar toe en vervolgde met verheffing van stem: „Maar wie zijt gij, die over zijn dood klaagt? Spreek!” Zij ging eenige stappen achteruit, en antwoordde eenigszins bevreesd: „Ik ben Aleida, de spreekster. Ik bid u, neem mij in uw bescherming, Heer!”

„Ha!” riep Van Schaffelaar hoonend en driftig, „zijt gij de zwarte Aleida... die beroemde spreekster? Waarom beroept gij u niet op de gedachtenis van mijn vriend, op Coene van Baerbergh? Ha! Hoe is het mogelijk, dat ik u voor mijn bruid heb kunnen houden, en al wat laag van uw kunne is, aanzag voor al wat rein en deugdzaam is. Maar neen, aan uw kussen zou ik u en uw soort herkend hebben; de lippen, die een Perrol gekust hebben, kunnen niet kussen als de mond van een engel van onschuld en deugd; en ik... ik zou u beschermen! – Maar zeg mij, waar mijn bruid is, en ik zal het doen.” Dit laatste zei hij bedaarder, en zag haar ongeduldig en vragend aan.

Maar de harde woorden, die hij tot haar gericht had, hadden haar geraakt; in het eerst dacht zij, dat hij door haar schoonheid was getroffen; doch de verachting, waarmee hij haar bezien had, en de smart, die zij over het verlies van Perrol voelde, deden haar het gevaar, waarin zij was, vergeten, alleen om het genoegen te hebben, Van Schaffelaar leed te doen; en zij gaf hem met zekere zelfvoldoening ten antwoord: „Wat ik uit liefde voor Messire Perrol gedaan heb, zou ik nooit voor u doen; maar gij komt te laat, om de dochter van den smid te redden. Zoek haar, indien gij haar na Perrol met uw liefde wilt verkwikken; ik zeg u niet, waar zij is.”

„Niet?” riep Van Schaffelaar, greep haar bij den arm en schudde haar heen en weer. „Gij liegt, noem Perrol niet meer! Spreek! Waar is Maria?”

„Neen,” zei Aleida, die de pijn verkropte, welke de ijzeren vingers haar deden uitstaan, „ik ben slechts een zwakke vrouw; maar gij zult niet weten, waar zij is.” „Gij hebt gelijk, zwakke en diepgevallen vrouw,” zei Van Schaffelaar verachtelijk, terwijl hij haar losliet, en vervolgde ernstig: „Bid en vraag genade voor u, doch niet aan mij; daar naderen mijn ruiters, gij zult ook hun uw liefde moeten schenken, en dan sterven.”

„Heer!...” riep Aleida angstig, en wierp zich voor hem neer; want de vrees om aan de ruiters te worden overgeleverd, deed haar trots verdwijnen; maar Van Schaffelaar wendde het gelaat van haar af. Verscheidene ruiters naderden nu weer het vertrek, en traden op last van Van Schaffelaar binnen; doch men had Maria niet gevonden: alleen een kleine knaap was uit zijn schuilplaats te voorschijn gehaald, en op zijn bevel bracht men hem vr Van Schaffelaar. Het was Riso, die schoorvoetend naderde, en aan zijn kleeren en zijn haar zag men, dat hij zich in het hooi had verscholen. Van Schaffelaar herkende dadelijk den page van Perrol, en hij zei, terwijl zijn hoop opnieuw herleefde: „Jongen, ik zoek Maria, de dochter van meester Wouter; zeg mij waar zij is en uw leven zal gespaard worden.”

Verwonderd zag de page nu eens Van Schaffelaar en dan weer Aleida aan, en hij zei aarzelend: „Heer, mijn meester is streng; het staat mij niet vrij u te antwoorden.”

„Uw meester zal u geen leed doen voor wat gij mij zeggen zult, mijn jongen,” zei Van Schaffelaar vriendelijk, „ik zal u goed beloonen, maar haast u mij te antwoorden.” Doch toen de knaap bleef zwijgen, vervolgde hij streng: „Ik wil gehoorzaamd worden of...”

Nu zei de knaap langzaam: „Heer Van Schaffelaar...!” Maar hij vervolgde niet, en Van Schaffelaar zag, toen hij het oog van den page volgde, dat Aleida haar vinger voor den mond hield.

„Stoor u niet aan haar,” zei Van Schaffelaar driftig. „Spreek, jongen, en ik beloon u ruim.”

Maar toen de knaap wilde gehoorzamen, riep Aleida: „Riso, zeg hem niets; hij heeft Messire Perrol vermoord,” en dit bericht scheen den knaap te doen verstommen. Vruchteloos gelastte Van Schaffelaar, hem dreigend, te spreken; de page wilde niet antwoorden. Een vrouw en een kind hielden iets voor hem verborgen, dat hij met zijn bloed had willen betalen, om te weten, en dat hij den moed niet had, hun met den dolk op de keel af te vragen; want met den voet van woeden stampend, stiet hij zijn zwaard, dat hij halverwege had uitgehaald, om zich te doen gehoorzamen, in de scheede terug, en bracht zijn hand aan zijn voorhoofd.

Zijn ruiter, die zeer goed begrepen, wat hij verlangde te weten, en gehoord hadden, wie de schoone vrouw was, die vr hen stond, dachten, toen hun heer besluiteloos scheen, in zijn plaats te moeten handelen; en een gil, dien Aleida gaf, zoodra drie ruiters haar aanvatten, deed den aanvoerder opzien, juist toen anderen zich van Riso meester maakten.

„Laat den jongen los!” zei Van Schaffelaar; „hij is zijn meester trouw: ik wil dat hem geen leed geschiedt,” en gehoorzaamden hem. Ook degenen die Aleida vasthielden, hadden een oogenblik gewacht; doch toen hun heer naar hun zijde zag zonder iets te zeggen, gingen zij voort met haar handen te binden, terwijl n haar kleed aan den hals wilde losmaken, riep zij: „Genade, Heer!” en zag hem met een smeekenden blik aan; zij beefde als een riet onder de handen der ruiters, die met haar spotten.

„Gij zult mij dus nu antwoorden?” vroeg Van Schaffelaar; maar zij antwoordde neerslachtig; want zij wist dat hij haar niet zou kunnen gelooven: „Ik weet niet waar uw bruid is, Heer. De heilige Maagd zij mij genadig, maar ik zeg de waarheid.” Toen verdween ook deze hoop weer voor Van Schaffelaar; en toch, toen hij Aleida aan den moedwil zijner ruiter overgegeven had gezien, voelde hij medelijden met haar; zij was wel niet rein en onschuldig als zijn bruid; maar het was een vrouw. En ook op zijn last lieten zij, die haar hadden aangevat, haar met vrede.

Van Schaffelaar stond op het punt om te vertrekken, want de kamer was bijna geheel vol met zijn ruiters, die van tijd tot tijd waren binnengekomen met het droevige bericht, dat men nergens iets van Maria had kunnen ontdekken. Hij wilde heengaan, want de toorn welde met ontembaar geweld in zijn gemoed, hij vreesde voor zichzelf. Hij wilde zijn handen niet bezoedelen met het bloed van het meisje of het kind. Maar nu kwamen twee nieuwe personages op het tooneel: de meester uit de Vergulde Helm verscheen, nog altijd gewapend met de bijl, en met slijk en bloed overdekt, voorafgegaan door Heintje, die Moor verzorgd, onder de wapens van Perrol een nieuw zwaard opgezocht, en den meester ontmoet had, die zich naar zijn heer begaf.

„Goeden nacht, Heer aanvoerder,” zei de smid luid en met opgeruimde stem, toen hij binnentrad, de strijdbijl op den schouder; „de zaken staan goed, niet waar? De ruiters rukten wat lui vooruit, want zij maakten al dat zwarte goed af, dat wij op den dijk nog levend vonden, daarom ging ik maar vooruit. Ho, ho, dat moet een lief gedrang geweest zijn, of heb ik het mis? Maar waar is Maria, Jan!” eindigde hij verwonderd vragend, en stond nu opeens stil; want hij zag nu, dat de vrouw, die op eenigen afstand stond, zijn dochter niet was.

„Helaas, Wouter,” antwoordde Van Schaffelaar droevig, „wij hebben haar niet kunnen vinden, noch ontdekken waar zij is. Ha, deze vrouw en die jongen weten het misschien, maar willen het niet zeggen; bij St. Maarten!”

„Willen niet?” riep Wouter en deed een stap voorwaarts, „o, dat zullen wij eens zien,” en hij lichtte zijn bijl van den schouder.

„Neen meester, sedert zij weten, dat Perrol dood is, weigeren zij te antwoorden,” zei Van Schaffelaar bedaarder.

„Perrol dood! Is ’t mogelijk!” riep de vader van Maria verbaasd. „Maar hebt gij wl, Jan, is hij hier aan den slagboom gebleven?”

Terwijl zij elkander onderhielden, was Heintje den page van Perrol genaderd, en wees hem dreigend den opsteker, dien hij ontbloot had, en die er nog de sporen van droeg onlangs gebezigd te zijn. Riso sidderde voor den blik en de gebaren van den knaap, wiens kleine en mismaakte gestalte nog terugstootender werd door de haveloosheid van zijn wapens en kleeren, en het bloed, waarmee die bevlekt waren, en snel trad hij naar Van Schaffelaar, ten einde dezen om bijstand te smeeken. Niet vruchteloos was dit stilzwijgend beroep op de menschlievendheid van den braven ruiteraanvoerder; want met een strengen blik wenkte hij Henri om niet dichter te naderen, en zei: „Hij is niet aan den slagboom gevallen, maar in het gevecht door deze hand. Dat geluk heeft mijnheer St. Maarten mij gegund; en indien het licht was, zoudt gij hem aan de zijde van de kruin van den dijk gevonden hebben; daar ligt de aanvoerder der Zwarte Bende; hij viel het eerst, en over en naast hem vielen zijn ruiters; zoo heeft God het gewild.”

„Bij de ruiters? – Op de plaats van het treffen?” vroeg Wouter, terwijl hij Van Schaffelaar vorschend aanzag; en toen deze met het hoofd knikte, vervolgde hij: „Dr vond ik een ruiter der Zwarte Bende; het schild met het zwaard en de spreuk er op, hing om zijn hals; een groote roode pluim had voorheen op den helm gewapperd, die nu in slijk en bloed op eenigen afstand lag, en drie breede openingen, welke met geweld in den deugdzamen malinkolder gestooten waren, hadden van den machtigen ruiter een lijk gemaakt; zeg mij, bedoelt gij dien?”

Van Schaffelaar boog nogmaals met het hoofd, en Heintje riep met zelfvoldoening: „Ja, meester, het was de opsteker uit de Vergulde Helm, die de gaten gestoken heeft; en de man, die den helm ophad, toen ik hem verliet, is Perrol,” en hij hield het wapen vlak voor den meester, hem aantoonend, dat de punt niet gebroken of stomp geworden was; doch deze zag er niet naar, maar zei langzaam: „Gij bedriegt u; die man was Perrol niet.”

„Perrol niet......” schreeuwde Van Schaffelaar; „en het schild en de pluim! Meester, in Gods naam, spreek, wie was het dan?”

„Ik ontdeed hem van zijn malinkolder – het rosachtige haar en het gelaat, dat ik heb afgewischt, behoorden niet aan Perrol, maar aan zijn luitenant,” antwoordde Wouter.

„Dus was het Walson, de Engelschman, en niet zijn meester, dien ik ontmoet heb!” riep Van Schaffelaar en sloeg zich voor het hoofd. „Perrol niet!” herhaalde hij nog eens en stampvoette. „Ha, hij dacht misschien, dat het harnas van den maagdenroover hem zou beveiligen tegen mijn zwaard; maar hij is dood en Perrol leeft,” eindigde hij treurig.

„Een oogenblik heb ik er aan getwijfeld,” zei Heintje, maar meer zei hij niet, toen hij de droefheid van zijn heer zag. Ook de smid zweeg, en wist niet, wat hij zeggen zou.

De ruiters spraken zacht onder elkander, en op het gelaat van Riso en Aleida was te lezen, dat dit bericht hen zeer verheugde; en terwijl niemand zich met hen bemoeide, wenkte zij den page om haar te naderen, en zij sprak zacht met hem.

,.Het heeft u dus nog niet gebaat, Maria!” riep Van Schaffelaar, stampte met den voet en sloeg op zijn zwaard, „dat ik den krijgsraad den aanval aanried. Tevergeefs zijn mijn brave ruiters bij menigte aan mijn zijde gevallen. Waarvoor, beste Wouter, hebt gij uw zoo dierbaar leven aan de slagboomen gewaagd? Helaas voor niets zijt gij met uw eigen bloed bedekt; voor niets heeft mijn stem een verschrikkelijk wee over deze plaats gebracht; vrouw en kind, man en grijsaard werden vermoord, en morgen zal dit schoone dorp niets zijn dan een brandende en rookende puinhoop; ten minste het baat Maria niet. – Ha, Perrol leeft dus nog, al is zijn bende bijna geheel vernietigd, en mijn bruid is nog in zijn macht......”

„Houd moed, Van Schaffelaar,” zei Wouter, hoewel zijn stem verried, dat hij even sterk bewogen was als de man, dien hij trachtte te troosten, en hij legde, toen hij zijn oogen afgeveegd had, zijn hand op den schouder van den aanvoerder. „Misschien vinden wij haar hier of daar nog in het dorp; ik ben nog sterk, en heb krachten genoeg haar te zoeken, of morgen opnieuw in den strijd te gaan en haar te verlosen.”

Met de armen over elkander geslagen, stond Van Schaffelaar daar; zijn bleek gelaat verried vertwijfeling en woede; hij zag somber vr zich en zijn ruiters sloegen met belangstelling hun oogen op hem. Hoewel zij ruwe krijgslieden waren, raadden zij toch wat er in zijn boezem omging. Toen stiet Aleida den page ter zijde, die haar wilde verhinderen te spreken. Van Schaffelaar vestigde zijn duisteren blik op haar; doch zij naderde toch en zei luid: „Heer Van Schaffelaar, uw bruid is in Utrecht, en Messire Perrol is dezen namiddag naar Amersfoort vertrokken!”

Zoodra zij vernomen had, dat Perrol nog leefde, was haar boosheid, welke haar nu en dan den moed gegeven had over haar angst te zegevieren en den ruiteraanvoerder te trotseeren, geweken. Zij hield niet van Maria, op wie zij dacht dat Perrol verliefd was; maar Maria’s bruidegom haatte zij niet; de gedachte, dat Perrol bij Maria was, en dat hij haar om den wil van dat meisje verachtte en had laten opsluiten, deed haar niet meer denken aan wat Van Schaffelaar haar gezegd had; daarom had zij den page Riso uitgehoord, en nadat zij van hem had vernomen, waar Maria heengevoerd was, besloot zij, zonder te bedenken, dat zij Perrol misschien aan gevaar blootstelde, te zeggen, waar deze was, omdat zij dan aan Perrol zou kunnen worden ontnomen. De kostwinning, welke zij bij de hand had, gevoegd bij haar schoonheid, had haar reeds jong voor de verleiding doen bezwijken, en reeds vroeg gewend aan alles wat zedeloos was. Zij voelde wel, dat Van Schaffelaar haar wel hard had aangesproken, maar niet geheel zonder grond; en zij wist zeer goed, dat elk ander ruiteraanvoerder, in soortgelijk oogenblik, haar op een geheel andere wijze zou hebben doen behandelen; het was misschien minder daarom, dat zij Perrol van Maria zocht te verwijderen, dan omdat zij met het leed van Van Schaffelaar begaan was, dat zij hem de plaats verried, waar zijn bruid zich bevond.

„Spreekt gij de waarheid, vrouw? Of zijt gij onmensch genoeg, ons door een leugen van het rechte spoor te brengen?” riep Van Schaffelaar ernstig. Hij zag haar aan, en eindigde somber: „O, vertrouw niet te veel op mijn goedheid, want in het einde zou ik ook streng kunnen worden, en uw lot zou vreeselijk zijn.” „Aleida herhaalt slechts, wat de page haar gezegd heeft. O neen, ik lieg niet, Heer! Genade, Heer, want ik weet niet beter; in naam van uw bruid, heb medelijden met mijl” riep de Zwarte Aleida, die, getroffen door den blik van Van Schaffelaar, aan zijn voeten neerviel, en weenend de handen naar hem uitstak. „Ik denk, dat wij haar gelooven kunnen, meester,” zei Van Schaffelaar, na haar eenige oogenblikken beschouwd te hebben. „Helaas, hoewel wij verder dan ooit van uw ongelukkige dochter verwijderd zijn, weten wij nu toch iets. Mogelijk is het dit, wat de oude Ralph mij heeft willen zeggen, toen hij mij aan den slagboom in het voorbijgaan eenige woorden toeriep, zonder dat ik hem begreep. – Sta op, Aleida, en vergeet, wat ik gezegd heb; ik ben ongelukkig, en men vervolgt mijn bruid zoo vreeselijk! Wees gerust; gij hebt van Jan van Schaffelaar niets te vreezen, indien gij u op Maria beroept, zelfs niet al hadt gij schuld. Sta op,” zei hij vriendelijk, en haar bij de hand nemend, richtte hij haar op.

„Meester,” vervolgde hij daarna snel en beraden, gij blijft hier, en neemt deze vrouw en dezen page onder uw hoede: zij behooren mij en zijn onder mijn bescherming. Wat mij betreft, mijn weg ligt naar Utrecht. Eigen kracht of die van onze vijanden helpen hier niet; ik zal op den Goeden God vertrouwen en het uiterste wagen. De burggraaf is een man van eer, en op hem wil ik mij beroepen; hij kent Van Schaffelaar, en bij mijnheer St. Maarten, wij zijn vijanden, maar zal hij toestaan, dat door dien vreemdeling de kloosters worden geschonden, de dochters van de goede burgers worden geroofd? Dat een edelman van het Sticht in zijn eer, in zijn nauwste betrekking bloedig beleedigd wordt door dien onverlaat van een Perrol, is een zaak, die geheel vreemd is aan den oorlog. Hij zal de macht hebben, mij mijn bruid te doen teruggeven, of den maagdenroover te dwingen, als een man op klaarlichten dag in het openbaar, te paard of te voet, rekenschap te geven van zijn gedrag. Ik waag misschien mijn vrijheid, maar hier moet veel gewaagd worden, en mijn taal weerklank vinden in de harten van al wat edel denkt. Perrol denkt veilig te zijn achter Utrecht’s wallen, maar Van Schaffelaar zal hem noodzaken zich te vertoonen; ha, ik zelf zal hem de tijding brengen van den ondergang van Walson en zijn zwarte duivels, en bij mijnheer St. Maarten, ik zal hem met Gods hulp, met den voet op de keel, tot bekentenis van zijn euveldaden dwingen, of gij ziet mij niet weer.

„Doe zoo, Van Schaffelaar!” riep Wouter en drukte hem de hand. „Zie, gaarne ging ik met u, of in uw plaats, maar n van ons beiden is genoeg; gij zijt edelman; uw rede zal meer ingang vinden dan die van den meester uit de Vergulde Helm, en er blijft dan nog iemand over om u te wreken, indien indien wij u verliezen moesten. Maar zeg in elk geval aan heer Jan van Montfoort, dat het geen der vijanden van Utrecht aan wapenen zal ontbreken, zoolang er nog n in mijn winkel is, en mijn gezellen nog werken kunnen, indien ik mijn dochter niet terugkrijg. Zeg hem dat, Jan en tevens, dat ik, zoo het noodig is, mijn laatste geldstuk zal besteden, om de partij van den Bisschop te ondersteunen, en dat hij zien zal, wat een vader doen kan, en welken invloed meester Wouter’s stem in Amersfoort heeft.”

„Ik zal hem dat zeggen, meester,” hernam Van Schaffelaar; „maar laten wij nu om ’s hemels wil geen tijd verliezen.”

„Neen, bij St. Eloy, want die is kostbaar,” riep deze. „Maar luister eens: daar hoor ik de trom van uw ruiterknechten; de kerels komen daar eindelijk aan; zij hebben dus met de rijzigers van de Zwarte Bende afgehandeld; er leeft er niet n meer in het dorp.”

Heintje werd nu terstond af gezonden, om voor zijn heer een paard op te zadelen, en Van Schaffelaar werd van zijn zware wapenrusting ontlast, waarna hij ging zitten. Zijn ruiters zetten wijn en brood vr hem, terwijl de meester het vertrek verliet om onder de wapenen van Perrol een lichten helm en malinkolder voor hem uit te zoeken.

Toen Van Schaffelaar later op een der paarden van Perrol gezeten, en licht gewapend het dorp verliet, door de slagboomen, welke hij zelf vermeesterd had, verhaalden de krijgslieden, welke die bewaakten, hem, dat reeds eenigen tijd te voren een zijner ruiters was doorgereden, zonder dat hij gissen kon, wie het geweest was, en zonder dat het hem in de gedachten kwam, of het misschien Frank ook kon zijn geweest. Zijn knaap reed achter hem, benevens een tiental zijner ruiters, die zich vrijwillig aangeboden hadden hem te vergezellen, en die allen versche paarden hadden. Van Schaffelaar gevoelde zich een weinig meer opgebeurd, toen hij maar eerst buiten het dorp was, vanwaar hij zich nu met spoed hoe langer hoe meer verwijderde. Die nacht, zoo rijk aan verschrikkelijke oogenblikken, was hem als een droom; en toen hij niets meer van het doffe gerucht van de plundering, van het woest getier der krijgslieden, of het gejammer der dorpelingen, noch van het geloei van het vee meer hooren kon, toen kon hij zich bijna niet indenken, dat alles werkelijk gebeurd was, of dat het was geschied, zonder dat het Maria had gered, en dat hij van zijn vijand verlost was.

908SR15.gif (1832 bytes)

De krijgsraadInhoudopgave OltmansHet Huis Oosterweerd

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)