J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK XI.

FRANK.

’k Ben zonder hindernis in ’s vijands heir getreden,
.....................................................................
Maar hoe!
wat ’s dit? Wat angst kruipt ijlings door mijn leden,
Zie ik voor ’t eerst mijn moed in nood terug getreden?

O eischt de stem der deugd, dat ik mijn poging staak?
Mr. R. FEITH.
Mij dunkt ik hoor gerucht, daar roept een aan de poort,
O vreught! het is mijn heer, ik heb zijn stem gehoord.
J. VAN DEN VONDEL.

D.gif (3307 bytes)en volgenden morgen, lang voordat het begon te schemeren, werd de poort van Naarden, op last van den bevelhebber der stadhouderlijke lijfwacht en iemand uit de regeering der stad geopend, en de burgers en soldaten, die gezamenlijk de stad bewaakten, lieten een boer naar buiten, de een paard voor zich uit dreef, dat met beddegoed en kleeren beladen was. Toen rees de valbrug weer, hoewel men het niet noodig oordeelde de hamei te sluiten; de poort deuren werden toegeworpen, en alles keerde weer tot rust terug.

Het had het grootste gedeelte van den nacht geregend; de sneeuw, die des avonds nog op het veld lag, was verdwenen, en de wegen waren bijzonder moeilijk om te gaan, hoewel het hier een goede zandgrond was. De boer, die zich weinig om den kouden regen scheen te bekommeren, droeg zorg, dat zijn paard den stap niet verminderde; hij ontmoette geen mensch op den weg van Blarikum, dien hij volgde, en die meestal door een boschachtige streek liep. toen hij eindelijk buiten het hout en op de heide kwam, had hij niets gehoord, behalve het vallen van den regen, het ruischen der dennen, en den tred van zijn paard, dan het blaffen der groote honden op het pachthuis te Oud-Bussum, hoewel hij door de duisternis niets had kunnen zien van den steenen toren, die aan de linkerzijde van de woning lag, en op eenigen afstand aan het pachthuis het uiterlijk gaf van een vaste brug met zijn wijktoren.

Hij was echter nauwelijks drie voetboogschoten ver op de vlakte voortgestapt, of hij hoorde een paard achter zich: kort daarop riep men hem toe, dat hij zou stilhouden, en een man, die een eenvoudige ruiterkleeding droeg, reed hem op zijde en riep:

„Gij zijt vroeger vertrokken dan ik dacht, Kars, maar ik vermoedde, dat gij reeds op weg waart, want gelukkig hadden zij de hamei opengelaten; anders stond ik misschien nog vr de stad te wachten.”

„Komt gij mij dan misschien eenige bevelen van den heer aanvoerder brengen. Heer Frank?” vroeg de boer.

„Neen,” antwoordde deze, die van het paard sprong: „maar ik kom u ontslaan van de gevaarlijke zending, die gij op u hebt genomen. De reden is eigenlijk, dat ik zelf de plaats eens wenschte op te nemen, waar men u heenzendt en ik vernam de zaak te laat om mijzelf aan te bieden. Ik zal u een goed drinkgeld geven, en gij kunt zeggen, dat ik u den last hebt overgebracht om mij in uw plaats te laten gaan, en mij te Blarikum te wachten.”

De jonge boer maakte eenige tegenwerpingen: doch het gelukte Frank die te overwinnen. Daarop verwisselden zij van kleeren, en de last van het paard van den boer werd op dat van Frank overgepakt, dat zonder zadel was.

„Gij hebt nu veel van een dorper,” zei Kars, die van den regen, welke hem tot op het lijf was doorgedrongen, bibberde, en de touwen vastknoopte, die voor torsriemen dienden. „Men zal u niet herkennen; want uw gelaat is onkenbaar onder die muts; maar gij deed beter mijn stijven Vos te nemen dan dat sterke ruiterspaard.”

„Ik zal wel zorgen, dat hij zijn krachten niet verraadt,” antwoordde Frank. „O, mijn eigen hengst behoeft men slechts aan te zien om het strijdpaard te herkennen: maar wien deze ruige merrie van den aanvoerder niet kent, zal zich licht bedriegen; ook zal de Steeg hem wel wat mak maken. Gij wacht mij dus aan het dorp...?”

Doch hij hield zijn paard staande, dat hij reeds had aangespoord om voort te rijden, legde zijn hand op den schouder van den boer, en zei langzaam en somber: „Kars, indien de dag voorbijgaat, zonder dat ik terugkom, dan kunt gij terugkeeren en alle schuld op mij laden; er zal slechts n dag voor den Stadhouder verloren zijn. Aan heer Jan van Schaffelaar, den bisschoppelijken ruiteraanvoerder, kunt gij echter de waarheid zeggen; groet hem uit mijn naam, indien ik niet weerkom, en verzoek hem mij te vergeven, wat ik gedaan heb...”

„Vraag mij niets! riep hij driftig, toen de boer hem in de rede wilde vallen, „maar rijd nu voort, en houdt u niet op in den regen; ik zal dan tegelijk kunnen zien of gij reeds goed te paard kunt zitten,” eindigde hij en lachte gedwongen. Kars knikte met het hoofd, sprong op zijn paard, en riep: „Ik zal het zeggen en u wachten. Veel geluk! God geleide u, Heer ruiter!” en verwijderde zich met al de snelheid van het slechte paard, dat hij bereed.

In gedachten verdiept, liep Frank met groote schreden naast zijn paard; hij was even onherkenbaar, als toen hij in Amersfoort was gekomen; zijn somber gelaat geleek wel niet meer op de zorgelooze tronie van den boer; maar indien men veronderstelde, dat hij met verlating van huis en hof zijn besten inboedel voor de roofgierige krijgslieden in veiligheid bracht, dan was de neerslachtigheid, welke zijn gansche houding te kennen gaf, beter te verklaren.

Zonder zich aan den regen of den slechten weg te storen, ging Frank voort; het verheugde hem, dat Kars, de zoon van den boschwachter te Hilversum, zich zoo gemakkelijk had laten overhalen, om wat hij te verrichten had, aan hem over te dragen. Hij vertrouwde, dat het dezen niet ten kwade geduid zou worden, en Van Schaffelaar hem mettertijd wel onder zijn ruiters zou opnemen, als hij vernam, dat Frank hem had toegezegd, hem als ruiterknecht onder zijn speer te nemen. Frank hoopte, dat men het, wat hemzelf betrof, zou toeschrijven aan dwaze nieuwsgierigheid, of een verlangen, om zich verdienstelijk te maken. Hij had zich gehaast den jongen weg te zenden, om zich des te vrijer aan zijn gedachten te kunnen overgeven; maar hij voelde zich nu gans verlaten; zijn hart gaf zich geen lucht, zooals weleer op de heide, door een treurig gezang; ternauwernood loosde hij nu en dan een pijnlijken zucht; doch de zon schoot nu ook haren gouden stralen niet over het woeste veld; het was nog duister, en de doordringende regen verminderde nog niet.

Toen hij het Loo voorbij was, en in de buurt van een paar dorre heesters op den rand van de hoogte stond, haalde hij den teugel aan, en zag om zich heen; een doodelijke stilte heerschte er, zoowel op de hoogte als in de laagte, en hoewel het reeds begon te schemeren, verhinderde de regen hem zelfs den kerktoren van het dorp Blarikum te zien, dat aan zijn voeten lag. De gure zeewind, die over de heide tot hem doordrong, kon hem niet nopen een enkelen blik naar zijn zijde te werpen, waar de zilte waterplas zich, als het dag geweest was, aan zijn oog zou hebben vertoond; want zijn blik bleef op n punt gericht. Waarschijnlijk trachtte hij tevergeefs naar de zijde van de Eem te ontwaren wat hij zocht; hij stampte ten minste ongeduldig met den voet, en riep toornig: „Eemnes...! Eemnes...!” terwijl hij, als wilde hij zijn oogen dwingen, door den nevel heen te zien, die zijn gezicht belemmerde, met de hand over zijn oogen streek, waarna hij op zijn wambuis sloeg, en woest lachend, de vuist dreigend vooruitstrekte.

Hetzij een andere gedachte zich van hem meester maakte, en hij zich dit oponthoud niet langer durfde toestaan, of dat hij zelf schrok, toen hij zijn lachen over de vlakte hoorde klinken, hij dreef zijn paard plotseling voort, en daalde van de hoogte neer.

Hij nam zijn weg zooveel mogelijk buitenom het zeer verspreid liggende dorp, waar nog alles in rust was, stak vervolgens het Melkpad over, en naderde verder langs den naasten weg de landscheiding tusschen Gooiland en het Sticht. Eindelijk bemerkte hij, dat hij aan de uiterste grens van Gooiland was.

Hij stond stil, en verhinderde zijn paard verder voort te gaan; want de moeilijke en ongelijke weg had de opgepakte goederen doen verschuiven, en hij haalde de touwen vaster aan, voordat hij de Meenesteeg inreed, die, daar zij eenigszins lager lag dan de Gooische grond, evenals het weiland, gedeeltelijk onder water lag. Terwijl hij hiermee bezig was, naderde iemand, die langs de landscheiding van de zijde van Hilversum scheen te komen. Frank werd hem niet gewaar, zoowel door den regen, die het uitzicht hinderde, als door den ijver, waarmee hij den laatsten knoop in het touw legde: doch hij richtte zich snel op, en schrok, toen men hem toeriep:

„Ha, zijt gij daar? Ik heb mij dus niet bedrogen, maar ik kom, God zij dank, nog bijtijds.” Frank herkende de stem van Ralph, en zag dezen met snelle schreden naderen; hij kon geen woord uitbrengen, doch zuchtte diep, en leunde geheel verslagen tegen zijn paard.

„Frank, waartoe dient deze verkleeding? Wat doet gij hier?” vroeg Ralph, toen hij naast hem trad; want hij wees ontstemd op de ellendige kleeding, welke de jonkman aanhad. „Vader Ralph,” zei Frank en zuchtte, „hebt gij mij nooit meer in zulk een kleed gezien, dat gij er verwonderd over zijt?”

„Ja wel,” hernam Ralph, „maar ik weet ook, dat gij het schooierskleed voor het harnas verwisseld hebt. Ha, ha! Indien gij dat kleed zoo gaarne draagt, waarom verliet gij mij dan? Maar waar gaat gij heen?

„Drheen, Ralph,” zei Frank schoorvoetend, en wees op den kerktoren van Eemnes, die in het grauw verschiet flauw zichtbaar was.

„Dr, ongelukkige!” riep Ralph en stiet met zijn staf op den grond, „zijt gij dan uw leven moe? En gij zijt nog zoo jong!”

„De plicht gebiedt, vader,” zei Frank langzaam. „Een ruiter moet gehoorzamen; de Stadhouder zond mij om den vijand te verkennen.

„Er was dus niemand dan gij te vinden, om voor geld als verspieder zijn leven te wagen?” riep Ralph verachtelijk lachend: „zult gij mij nog zeggen, dat er geen schande aan zulk geld kleeft?”

„Ik verdien geen geld, Ralph!” riep Frank snel, en richtte fier het hoofd op; maar hij liet het op de borst zakken, toen Ralph vervolgde: „Dan liegt gij, Frank! Ik weet, dat gij mij bedriegt; maar het is nog tijd om terug te gaan; bedenk, dat de Zwarte Bende in het dorp ligt.”

„Ik weet het,” antwoordde Frank somber, en toen de schaapherder hem vragend bleef aanstaren, vervolgde hij met verheffing van stem: „Ralph, mogelijk ziet gij mij thans voor de laatste maal, en wat gij eenmaal voor den geest zaagt, zal bewaarheid worden; ik moet immers voor u sterven; daarom vader, verhinder niet de laatste daad van mijn leven, en ik zal u dankbaar gedenken tot aan mijn dood. Ik weet, dat Perrol daar genesteld is; dr zal mijn hand hem treffen; dezen avond zal zijn lijk zoo koud zijn als een steen, en waarschijnlijk,” zei hij droevig grimlachend, „zal dit hart dan rust hebben, en de man van wapenen zal even koud zijn als het bendehoofd...!”

„Frank,” viel Ralph hem in de rede, en legde zijn arm op den schouder van den ruiter, „Frank, denkt gij dan niet aan mij, aan uzelf? Huivert gij dan niet bij de gedachte om iemand, zelfs hem te vermoorden? Kind! Bedenk eens wat gij, zonder wapenen, zijt tegen Perrol met de Roode Hand; wat is uw oogmerk, ongelukkige knaap?”

„Vader,” zei Frank somber, „dat alles heb ik mijzelf gezegd; maar mijn voornemen staat vast. Kunt gij het een moord noemen, dien Perrol te verhinderen nieuwe euveldaden te verrichten? Ha, mijn moed en het staal, dat aan mijn borst rust, zullen mij bijstaan; morgen zal Van Schaffelaar geen vijand meer hebben, en die duivel zal zijn Roode Hand niet meer op Maria leggen, of ik zal omkomen.”

„Dat zult gij!” riep Ralph luid. „Frank, gij waagt uw leven, en ik dacht, dat gij haar liefhadt. Kan die ongelukkige drift u niet eens met het leven verzoenen? Zij is immers de uwe, als die vreemdeling en haar bruidegom elkander vernield hebben.”

„Ralph!” riep Frank verwijtend, „kent gij mij niet? Bij de Heilige Moeder Gods, gij spreekt als satan, en indien gij vader Ralph niet waart, aan wien ik het leven te danken heb, dan...”

„Dan stiet gij mij neer, knaap!” riep de schaapherder spottend, „alsof het mij een ondankbaren voedsterzoon zou verwonderen; maar weet, dat uw voornemen mij erger grieft, dan uw moordpriem zou kunnen doen.” Toen vervolgde hij jammerend: „Ga niet, Frank, maar wacht. Ik bekreun mij niet om Van Schaffelaar of om zijn blonde bruid, ik zie niets dan mijn Frank; laat de Roode Hand hen verstikken, als gij maar behouden blijft.”

„Vaarwel, Ralph,” zei Frank treurig. „Ik had gehoopt, dat ons laatste gesprek anders zijn zou; ik kan u niet danken voor deze liefde, die ik moet vervloeken en afwijzen; maar ik bid, dat de Hemel het u vergeven zal.” Na deze woorden rukte hij zich los, en sprong met n sprong achter op zijn paard, dat meteen vooruitsnelde.

„Frank, hoor mij om Gods wil!” riep Ralph, die hem snel volgde, en toen deze den draf van zijn paard iets verminderde, en hem met de hand vaarwel zei, vervolgde de herder: „Blijf, ik moet u spreken, kind! Wat zoudt gij doen als Maria reeds verloren was? Frank, gij komt te laat!”

„Vaarwel, vader!” riep hem de ruiter, die zich pijlsnel verwijderde, en misschien zijn woorden niet verstaan had, uit de verte toe.

De schaapherder gaf een wanhopigen gil, bleef staan, en zag, op zijn staf geleund, den knaap, dien hij had opgevoed, de Meenesteeg langs rijden; de tranen, die hem uit de oogen geperst werden, vereenigden zich met den regen, die langs zijn gelaat en zijn baard afliep. Meer en meer verloor hij Frank uit het gezicht; toen overmeesterde hem de droefheid; hij viel op den natten heidegrond neer, en jammerde. Hij sloeg zich op de borst, en verwenschte den ondankbaren knaap en de schoone Maria, die, zonder haar schuld, de oorzaak was van het lijden van den jongen ruiter, waarna hij uitriep:

„Voor niets heb ik u dan opgevoed, en hebt gij uw jeugd op de heide aan mijn zijde gesleten; zorg en liefde hielpen niet, en gij verliet mij, zoodra gij een paard hadt hooren brieschen, de trompet klonk, en een ruiter u tot zich nam. Maar gij verachtet mij niet, en hoordet naar mijn woorden, hoewel gij het harnas had aangeschoten; gij waart mijn Frank nog, mijn Frank, wapenbroeder van heer Jan van Schaffelaar; het was Gods hand: de zoon van den vader kon niets meer, niets minder voor mij zijn: – dat moest zoo wezen. O, indien gij niet verliefd waart op die deern, wier schoonheid u het leven kost, dan hadt gij gelukkig kunnen zijn, en nog, als uw vriend niet zelf op haar het oog geslagen had; maar...! Daar rijdt gij naar uw verderf, en kent vader Ralph niet meer; en dat alles is haar werk; voor niets heb ik het zinneloos wijf geraadpleegd, dat u op de heide heeft aangesproken, want ik hoopte, dat zij mij een raad zou geven tot uw welzijn. O, wat baat het mij nu, dat ik dag en nacht voor u waakte, en uw gangen bespiedde? Gij moet sterven! Vergeefs volgde ik dien Perrol; voor niets liet ik den helschen drank in zijn handen; ik wist voor wie hij bestemd was en zweeg; want Frank, gij zijt voor mij meer dan die vreemde deern. Ik hoopte, als zij dronk, ook uw liefde zou verdwijnen: maar de heks bedroog mij en den Zwarten Ruiter.” Hij zweeg en liet het hoofd hangen. „Maar zal ik hem laten vallen onder de Roode Hand, zonder een poging te doen om hem te redden?” riep hij een oogenblik daarna driftig, en stond snel op. „Neen, dat zal Ralph niet, en al wacht mij de dood in Eemnes, toch zal ik hem mogelijk nog eens zien, voordat ik sterf, al is hij dan ook vooruitgegaan.” Hierop greep hij den staf en sloeg de Steeg in, welke Frank was ingereden.

908SR15.gif (1832 bytes)

Het dorp Eemnes was in dien tijd nog niet verdeeld in de twee dorpen Eemnes buitendijks en Eemnes binnendijks, maar maakte n dorp uit, dat een half uur lang was. Het lag geheel in de lengte uitgestrekt ter weerszijden van den Wakkerdijk. De Wakkerdijk was de eenige toe- en uitgang. Aan weerszijden van het dorp was de ingang behoorlijk versterkt, en behalve het gedeelte der Zwarte Bende, dat er in lag, had men er van Utrecht veel voetvolk, dat uit onderscheiden vendels gelicht was. De inwoners en het gevluchte landvolk hielp deze macht nog versterken, en aan oorlogsbehoeften, bussen en andere verdedigingswapens was er geen gebrek. Perrol had zeer goed de sterkte van de plaats beoordeeld, en zij werd voor onwinbaar gehouden; van alle zijden waren de bewoners van het omliggende land dus hierheen gekomen, om zichzelf, hun vee, hun huisraad en hun levensmiddelen te bergen; want de macht, die de Stadhouder te Naarden vereenigd had, had hem in staat gesteld, herhaalde strooptochten in ’s vijands land te laten doen, en daarmee den hoon af te wasschen, dien de nederlaag aan de Vaart en de plundering van Naarden op de Hollandsche wapenen geworpen had.

Frank was van het paard gestegen, zoodra hij niet meer bevreesd behoefde te zijn, dat Ralph hem zou bereiken. Wat deze had gezegd, had hem z getroffen, dat hij wenschte het nooit te hebben gehoord. Gedurig zag hij om, en voelde berouw, den man, aan wien hij zooveel verplichting had, zoo opeens te hebben verlaten; de gedachte, hem waarschijnlijk nooit meer te zullen weerzien, maakte hem treurig, en deed zijn voornemen wankelen; maar toen hij de Meenesteeg, welke hij volgde, bijna ten einde was, herkreeg hij zijn bedaardheid, en dacht alleen aan wat hem te doen stond.

Daar men, zoo ver men zien kon, niemand op de Meenesteeg ontwaardde, maakten de voetknechten, die hier de wacht hielden, geen bezwaren om Frank binnen te laten, toen hij hun dit verzocht. Op hun vraag, vanwaar hij kwam, antwoordde hij, dat hij een huisje bij den Zijd-wind bewoonde, en het niet langer durfde wagen, buiten te blijven; en toen hij op een vraag, of hij ook geld bij zich had, zich op zijn armoede beriep, lieten zij hem door, nadat hij beloofd had, hun, als hij het laatste gedeelte van zijn huisraad gehaald had, iets te geven, dat nog eenige waarde had. Tegelijkertijd was er ook iemand met een paar hoornbeesten de versterking op den Wakkerdijk binnengelaten. Frank groette hem, toen hij boven op den dijk was, en zij gingen gezamenlijk naar de afsluiting op den derden arm van den driesprong, aan het begin van het dorp. De dijk was hier geheel doorgegraven, en met een losse brug ging men over de gracht. Een hek van zware balken, en met planken bedekt, sloot hier den dijk af, en van het hek liep, langs de gracht, een sterke rij stormpalen, tot in het drassige gedeelte onder aan den dijk. Een eind lang waren de palen met dikke deelen bekleed, waarachter de voetboog- en roerschutters veilig konden staan of liggen; en op sommige plaatsen waren openingen gelaten, groot genoeg om er de bussen en slangen door te leggen.

De verschansing, waarbinnen men hem, na eenige vragen, liet komen, werd dadelijk weer gesloten, en Frank beloofde, als hij nog eens terugkwam, hen te beloonen voor de moeite; maar de boer, die met hem kwam, gaf hun eenig geld, en daarom riepen de kloveniers van Willem van Wachtendonck, die hier stonden: „Zonder geld gaat niemand door! Wij kennen dat praatje al. Komaan, kinkel, het geld voor den dag, of wij smijten u naar buiten, en houden de bultzakken hier.”

„En het paard ook, bij mijn ziel, want het is veel te goed voor zulk een lompen vlegel,” zei lachend een hunner, die bezig was geweest met een stuk hout in de losse kamer van een oude slang te slaan, om meer kracht aan de lading te geven, en nu de kamer achteraan in de slang bevestigde, door een ijzeren pen door een bout te steken, waarna hij het op den daartoe vervaardigden balk, voor een der schietgaten legde, en met een lap gelied doek voor den regen bedekte.

Hoewel hij wel geld bij zich had, achtte Frank het toch beter, aan den boer een kleine som te leen te vragen op onderpand van het goed, dat op zijn paard lag; want hij vreesde bij de soldaten eenig achterdocht te verwekken, daar hij reeds gezegd had geen geld te hebben. De boer willigde zijn verzoek in, en de onbezorgde bewakers van den slagboom stonden hun toe verder te gaan, zooals zij zeiden, met verlof om het heele dorp door te gaan, en het weer te verlaten, en zelfs terug te komen, behoudens een nieuwe drinkpenning. Ook verwijderde zich dadelijk een hunner, om bier te koopen, terwijl de anderen weer onder dak kropen.

Aan den rechter kant van den dijk lag de kerk, die aan St. Nicolaas gewijd was, op het hooge kerkhof, dat met een muur was afgesloten, en het scheen dat men er partij van had willen trekken en het versterkt had; want er waren voor den muur stormpalen in den grond geslagen, waarachter het volk beveiligd staan kon; ook kwam het Frank voor, dat er vele bankarmborsten en eenige bussen op het kerkhof lagen, waarmee men de Meenesteeg bestrijken, ja het misschien den vijand, indien hij al de buitenste verschansing veroverd had, onmogelijk maken kon, om zich, bestookt door de pijlen en kogels, voor de hoofdverschansing binnen de soort wapenplaats op den driesprong staande te houden of te nestelen. Voorbij het kerkhof, dat, als een kasteel den dijk beheerschte, was nog een soort versperring, het was de laatste; en Frank begreep terecht, dat zij niet zou kunnen worden veroverd, zoolang men het kerkhof niet vermeesterd had. Doch deze werd nu niet bewaakt, tot genoegen van den boer, en nog meer van Frank, die zeer in zijn schik was, zoo gemakkelijk te zijn binnengekomen; wat, zoo verzekerde zijn nieuwe kennis hem, aan de andere zijde van het dorp, waar de Zwarte Bende lag, zoo gemakkelijk niet in zijn werk ging; meer, zoo hij zei, om de ongelukkigen, die hier een toevlucht zochten van hun armoedje te berooven, dan wel uit vrees voor verraad of verspieders; want Eemnes was z sterk, dat de Stadhouder en het volk van den Bisschop nooit zouden durven wagen er een aanval op te doen; wat Frank aanhoorde zonder hem tegen te spreken.

Er heerschte reeds groote drukte in het dorp; want men was bezig met vee uit onderscheiden stallen te halen en dieper het dorp in te drijven. Vrouwen, kinderen, boeren en krijgslieden liepen dooreen, hoewel er nog gestadig regen viel. Toen zij een eind waren voortgegaan, ontmoette de boer, voorbij de haven, iemand dien hij kende, en deze wees hem zeer bereidwillig den weg naar zijn woning en een plaats voor zijn beesten. Frank maakte ook van deze gelegenheid gebruik om zijn paard af te laden, en gaf het eenig hooi, waarop hij zijn nieuwen kennis verzocht, een oog te houden op zijn goede paard, totdat hij terugkeerde; want hij gaf voor, dat hij iemand zou trachten te vinden, die hij wist, dat hij in Eemnes was, en zei hem, dat hij spoedig het dorp zou verlaten, om nog eenig goed uit zijn woning te gaan halen, eer het door het volk van den Stadhouder geroofd of verbrand werd.

Het kostte Frank eenige moeite om zich van den goeden man te scheiden, met wien hij eerst sedert zoo kort had kennis gemaakt; maar hij verliet hem toch na iets gedronken te hebben, en spoedde zich op weg. Bij de kerk stonden de huizen ter weerszijden van den dijk: doch even voorbij de haven hielden die aan zijn linkerzijde op, en hij had een vrij uitzicht over het verdronken buitendijksche land. Doch aan de rechterhand stonden de woningen en schuren aaneengeschakeld aan de glooing van den dijk; het achtergedeelte der schuren of boomgaarden lag ook vaak in het water, en Frank volgde den dijk, totdat hij aan het andere eind van het dorp kwam. Het was, zooals de boer gezegd had: de slagboomen werden er strenger bewaakt, en de Zwarte Ruiters schenen niet zoo gemakkelijk door te laten als het volk van Wachtendonck. Onder de menigte verscholen, bezag hij vluchtig de versterking aan deze zijde, welke bijna evenals de andere was ingericht: met dit verschil echter, dat men bezig was om nog een afsluiting aan den ingang van het dorp, hij de kerk te maken, hoewel er reeds een meer naar voren op den Wakkerdijk lag. Ook hier heerschte een groote beweging; het kwam hem echter voor, dat er weinig rijzige ruiters in het dorp waren; want hij zag bijna geen ander krijgsvolk, dan dat te voet diende, en met voetbogen, pieken of kolfroeren gewapend was.

Hij vroeg aan een man, die evenals hij, zag naar wat er voorviel, waar de aanvoerder der Zwarte Bende gehuisvest was, en deze duidde hem een huis aan, dat evenals de kerk aan de buitenzijde van den dijk stond, en ongeveer een half boogschot van het kerkhof verwijderd was.

Hij bedankte hem, zonder te vragen, of Perrol in het dorp was of niet, en begaf zich, zonder te aarzelen, naar de hem aangewezen woning.

Het huis, dat niet meer was dan een gewone boerenwoning, doch misschien een meer gegoeden eigenaar toebehoorde, dan de overige huizen, welke hier stonden, was aan de voorzijde van rooden steen opgetrokken, en het laatste aan deze zijde van den dijk. Hij bleef even staan, alsof hij naar den stal zag, die naast de woning, maar meer achteruit lag. En waarlijk, er deed zich daar een tooneel voor zijn oogen op, dat wel geschikt was op iedereen, maar vooral op hem een diepen indruk te maken; want aan een balk, welke door het strooien dak van de schuur naar buiten stak, hingen twee menschelijke lichamen, en tusschen deze een klein varken. Het eene scheen een boer te zijn; doch de andere man kwam hem voor tot de Zwarte Ruiters te behooren; hij droeg althans het zwart leeren kleed, dat ook diegenen aan hadden, die geheel gewapend te paard dienden, en dat hij zooeven sommigen, die nog hun harnas niet aangeschoten hadden, had zien aanhebben. Het vreemdste was, dat de lichamen zoo hingen, dat de ongelukkigen beiden het hoofd schenen te buigen, om het varken des te beter te kunnen zien.

Misschien dacht hij nog eens aan Maria, aan Ralph, aan Van Schaffelaar en aan het noodlottig besluit, waartoe hij gekomen was; want het scheen hem moeite te kosten, zichzelf te overreden het huis binnen te treden, en in zijn verderf te loopen. Hij werd echter in zijn gedachten gestoord door den ruiter, die, met zijn kolfroer op den schouder, voor de deur op en neer wandelde; want deze riep, terwijl hij juist onder een zwart schild stond, dat tegen den muur hing, en waarop een zwaard en de spreuk van Perrol waren geschilderd:

„Heidaar, kerel! Hebt gij wat te zeggen op het varken? Ga voorbij, of blijf staan, duivelskind, als gij lust hebt om opgeknoopt te worden; want gij kijkt er even fel op, als de domme boer, die het niet geven, en de arme jongen, die het stelen wilde.”

Zonder iets te antwoorden, keerde Frank eenige schreden terug, ging door de opening, die aan deze zijde in de ophooging van den dijk was, en trad naar de deur.

„Heer ruiter,” vroeg hij bedaard, „is de heer aanvoerder der Zwarte Bende hier in huis? Of zeg mij, waar ik hem vinden kan.”

„Hebt gij dan wat aan Messire Perrol te zeggen?” vroeg de ruiter verwonderd; en hij zag hem verbaasd aan, toen Frank met het hoofd knikte en vervolgde:

„Ja, ik moet hemzelf spreken over iets, dat hem alleen betreft; zeg mij dus, is uw aanvoerder op het dorp?”

„H, Tuimelaar!” riep de ruiter nu, „daar is iemand om Messire te spreken.” Deze, die op het geroep uit de woning kwam, zei: „Moet de vlegel den aanvoerder spreken?” en hij bezag Frank van het hoofd tot de voeten; maar deze herhaalde onbeschroomd, wat hij reeds gezegd had. De Tuimelaar vertrok, keerde eenige oogenblikken daarna terug, en gelastte Frank hem te volgen.

Toen Frank de kamer binnentrad, waar de ruiter hem bracht, zag hij, dat Perrol half zat, half lag op een legerstede, waarover een berenhuid was geworpen; er waren geen stoelen, doch alleen een paar houten zitbankjes in het vertrek, dat met roode tegels bevloerd was. Een groot vuur brandde op den haardsteen, en Perrol scheen eenige bevelen te geven aan Riso, die met een paar andere pages bezig was kleedingstukken in kisten te pakken, die met leer overtrokken waren. Hij sloeg daarom zoo dadelijk geen acht op Frank, toen deze binnentrad en de jongeling had daardoor den tijd om alles te overzien en zijn tegenwoordigheid van geest te herkrijgen, die het voornemen dat hij koesterde, hem bijna deed verliezen, vooral toen hij het voorwerp van zijn haat vr zich zag, en die hem toch zoo noodzakelijk was tot het welslagen van zijn onderneming.

Perrol liet hem echter niet lang met rust, maar vroeg barsch: „Is dat de kerel, Tuimelaar?” Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde hij: „Gij verlangt mij te spreken, boer? Wat hebt gij te zeggen?”

„Ja, Heer,” zei Frank langzaam, wijl de stem van Perrol hem getroffen had, en hij bleef staan, zonder iets te zeggen; want hij hoorde een vrouw gillen in het naastgelegen vertrek.

Opeens herinnerde hij zich wat Ralph hem had nageroepen, en de toon van een jammerende vrouwenstem vond weerklank in zijn borst. Met angst luisterde hij naar elk geluid, dat tot hem doordrong, en hij dacht aan Maria. Vervolgens zag hij vorschend naar Perrol, die ook gestoord scheen door het gejammer en uitriep: „Voor den duivel, zal zij dan nimmer leeren van den nood een deugd te maken! – Riso zeg, dat men haar een weinig van hier verwijdert, want zij hindert mij; maar gelast tevens, dat men zorg draagt dat zij niet ontvlucht.” Op dit oogenblik werd de deur geopend en Walson trad binnen. Toen hij Perrol vroeg, wat er voorviel, zei deze lachend: „Het lieve kind wilde nu reeds dit huis verlaten, en toch heeft zij dezen nacht kunnen leeren, dat wat ik wil, geschieden moet; dat tranen en bedreigingen mij niet kunnen afschrikken; dat alleen liefkoozingen mij winnen kunnen; maar ik zal er voor zorgen! Nu ik haar eenmaal in mijn macht heb……”

.,Zult gij haar zoo spoedig niet vrijlaten,” viel Walson hem grimlachend in de rede. „Vindt gij goed, Messire, dat ik tracht haar gerust te stellen?” en hij naderde de deur, waardoor Riso vertrokken was; doch Perrol riep:

„Verplicht, Heer luitenant, ik hoor haar niet meer; blijf dus, en laat ons liever eens hooren, wat deze boer te zeggen heeft. – Welnu, kerel, sta daar niet, alsof gij geworgd waart; maar spreek duidelijk en snel.”

„Heer,” zei Frank, die met aandacht elken klank der vrouwenstem, die nu zweeg, en elk woord, dat Perrol en zijn luitenant geuit hadden, opgevangen had: „Wat ik te zeggen heb, betreft alleen u; ik verzoek dus u alleen te mogen spreken.” Hij was nu weer gerust: ’t was de stem van Maria niet.

„Alleen, boer?” vroeg Perrol verwonderd, „dit is mijn luitenant, en die ruiter en knapen zullen zich wel wachten om te luisteren naar wat gij zegt. Spreek, wat wilt gij dan?” eindigde hij gebiedend.

„Gij zelf zoudt niet gaarne willen, dat iemand anders, zelfs de heer luitenant, het hoort,” antwoordde Frank. „Wat ik te zeggen heb, raakt u alleen; het zou mij het leven kosten, als het een ander ter oore kwam.”

„Ziedaar den stijfkoppigsten ezel van een boer, dien ik in lang gezien heb,” zei Perrol lachend. „O, Walson, wees zoo goed om een oogenblik naar de andere zijde van de kamer te gaan,” en hij vervolgde barsch, toen Walson, de Tuimelaar en de pages aan het einde van het vertrek stonden; „Treed nu nader, vlegel, maar weet vooruit, dat, indien wat gij komt vertellen, niet veel te beduiden heeft, ik u zal laten slaan, dat men u van de eene kerk tot de andere zal kunnen hooren jammeren.”

Frank naderde nu, en stond weldra vr den aanvoerder der Zwarte Bende. Perrol lag half zittend, op de berenhuid, en rustte met zijn arm op de tafel, die tegen de legerstede was geplaatst, en waarop een kan met wijn, een paar glazen en een bord met brood stonden. Hij was niet gewapend en nauwelijks gekleed; de gespen van zijn jakeboenhomme of borstrok van blauw zijden laken waren niet dicht gegespt, zoodat zijn hemd en zelfs zijn hals en een gedeelte van zijn borst zichtbaar waren. Geschikter gelegenheid om zijn plan te volvoeren had Frank niet kunnen wenschen; Perrol was in zijn macht en indien zijn hand maar niet aarzelde, zoodra het staal, dat Wouter zelf vervaardigd had, er in zou zijn vastgeklemd, dan was Maria bevrijd van de aanslagen van het bendehoofd, en de beleediging, die hij haar aangedaan had, bloedig gewroken. Doch het was alsof een nevel zijn oog verduisterde. Hij sidderde; zijn arm was zoo zwaar als lood; hij kon zelfs Perrol met de Roode Hand niet vermoorden, zijn deugd beschermde den booswicht; eindelijk gaf de wraakzucht hem nieuwe krachten. Maar is het den mensch eigen, niet tevreden te zijn, als het geluk hem eens begunstigt; voor luttele oogenblikken nog zou Frank alles gegeven hebben, om Perrol zoo voor zich te zien, en nu verlangde hij nog meer; hij voelde den druk van het dolkmes, dat onder zijn wambuis verborgen was, tegen zijn borst, en haalde ’t niet te voorschijn. Misschien zou hij niet geaarzeld hebben, indien Perrol in het midden van zijn ruiters gestaan, en geweigerd of gevreesd had hem te laten naderen; maar de gerustheid, waarmede deze hem voor zich liet treden, de achtelooze houding, die elken tegenstand onmogelijk maakte, boezemde hem, zoo al geen eerbied of ontzag, dan toch verbazing in; daarom begreep hij niet te veel te wagen of van het geluk te veel te vergen, door zich in een gelijken kamp met den aanvoerder te willen meten. Met graagte greep hij de gelegenheid aan, om, in plaats van als een laaghartige moordenaar, zich als een wrekende engel voor den onverlaat te vertoonen, en zelfs na zijn dood de achting van Maria, van Van Schaffelaar en alle brave menschen niet te verliezen; de eerzucht bekroop hem, om dien geduchten ruiteraanvoerder in een gevecht met gelijke wapens neer te stooten; daarom bleef hij nog voor Perrol staan, en vermoordde hij hem niet. Hoewel er slechts weinige oogenblikken noodig waren geweest om Frank zijn voornemen aldus te doen wijzigen, riep Perrol hem toch ongeduldig toe: „Zult gij eindelijk spreken, hond, of geeft gij er den duivel van?”

„Ja Heer,” antwoordde Frank zacht, „maar ik durf niet spreken, zoolang zij daar staan; het zou mij het leven kunnen kosten.”

„Het leven,” zei Perrol, „en wat zoudt gij daaraan verliezen? Zeg, heeft het leven voor een boer ook nog iets bekoorlijks, vlegel?”

„Het is alles wat hij heeft, Heer! Laat hen gaan en gij zult de reden van mijn verlangen begrijpen.”

Perrol bedacht zich, en riep toen: „Walson, de kerel staat er op, dat gij allen vertrekt, ga dus heen; want de ellendeling schijnt zoo bevreesd voor zijn leven te zijn als een bedelmonnik.”

„Messire,” hernam Walson, terwijl hij nader trad, „bedenkt gij wel, dat gij nog veel te doen hebt, en dat die gemeene boer mogelijk, als het op stuk van zaken komt, niets van belang zal hebben te zeggen.”

„Heer!” riep Frank angstig, „een oogenblik slechts behoeft gij mij te woord te staan,” maar zonder hem te antwoorden, sprong Perrol van zijn legerstede af, en zei:

Gij hebt gelijk, Walson, ik ga met u mee. – Riso, geef mij mijn gevoerden rok. – En gij, boer kunt in dien tusschentijd uw gedachten verzamelen, wat gij te zeggen hebt; maar zorg, dat het spoedig gaat, als gij mij weerziet, want anders zullen mijn ruiters uw geheugen met hun stijgbeugelreepen moeten opscherpen.”

„Elk tijdverzuim, Heer!” riep Frank, die den aanvoerder, welke buiten zijn bereik was, weer naderde, „kan groot onheil veroorzaken, hoor mij aan!” Hij werd echter in zijn rede en zijn loop gestuit, doordat Walson hem bij den arm vatte en zei: „Blijf staan, boer! – En als gij mijn raad volgt, Messire, dan spreekt gij dezen vlegel niet alleen; want zoo hij al een boer is, geloof ik, dat hij een raar soort dorper is.”

„Tuimelaar,” zei Perrol, „neem dien knaap mee en laat hem ergens gevangen houden, totdat ik terugkom. – En gij, lomperd, maak u gereed om straks in tegenwoordigheid van den ridder Walson, die daar staat, uw mond te openen of alleen te worden opgeknoopt.”

De Tuimelaar trad dadelijk naderbij. Frank zag geen mogelijkheid Perrol te naderen en hij was genoodzaakt zich te laten wegbrengen.

De aanvoerder der Zwarte Bende trok zijn met bont gevoerden rok aan, zette zijn hoed op, nam zijn handschoenen, en verliet het vertrek met Walson, die onder het heengaan beweerde, dat de boer waarschijnlijk niets anders dan een bespieder, zoo niet erger was.

908SR15.gif (1832 bytes)

Frank zag nu, helaas te laat, het onheilzame van zijn voornemen in; hij had te veel vertrouwd op de wraakzucht, die hem bezielde en gedacht, dat het hem even gemakkelijk zou vallen Perrol te vermoorden, als hem met gelijke wapenen te bestrijden; maar hij had aan de ingeving van zijn hart gehoor gegeven, en dit juist had hem in het verderf gestort. Tevergeefs had Perrol zich onvoorzichtig aan zijn dolk blootgegeven; tevergeefs had hij zijn leven gewaagd; voor niets wachtte hem nu een verschrikkelijke dood, zonder hoop om zich op zijn vijand te kunnen werpen; zelfs het vermoorden bleef hem niet eens meer over; ook deze laatst toevlucht, hoe vreeselijk, hoe verachtelijk zij zijn mocht, was hem benomen, en hij had niets voor Maria of voor Van Schaffelaar gedaan.

Terwijl de Tuimelaar hem, met behulp van eenige ruiters, naar de huizen aan de overzijde van den dijk voerde, had deze het onder zijn wambuis verborgen wapen ontdekt, en daarom zag Frank zijn einde reeds nabij. Hij lag in een klein vertrek van een boerenwoning op den kouden steenen vloer, maar was ongevoelig voor de koude der steenen, die door zijn natte kleeren drong, want zijn armen en voeten waren stijf gebonden, ja zelfs had men hem met een dik touw, de beenen en het lijf aan een onbeweeglijk blok hout, dat toevallig op den grond lag, vastgebonden. Een klein raampje of liever luchtgat, wierp het licht juist op zijn gelaat, en met moeite kon hij daardoor het verblijf, waarin hij was opgesloten, rondzien; alleen meende hij aan den muur een soort van mantel en een voetboog te zien hangen. Er was n deur in het hok, en daarvr hoorde hij den schildwacht heen en weer gaan.

Voor zichzelf niet, maar voor het welzijn van Van Schaffelaar en zijn bruid speet het hem, dat hij Perrol ontzien had, en hij beschuldigde zichzelf van lafhartigheid. Hij bad voor Maria en om vergeving voor zijn zonden; hij dacht aan haar en aan de oogenblikken, die hij in haar bijzijn had doorgebracht, waarin hij het zoete, maar voor hem zoo bittere gif der liefde had ingezogen. Dan dacht hij aan de vrouw, die hij in de woning van Perrol had hooren jammeren; hij trachtte na te gaan, wie de ongelukkige zijn kon, en vreesde zich bedrogen te hebben, toen hij gemeend had Maria’s stem niet te herkennen. Hij dacht aan Ralph, die hem nog vr korten tijd ten beste geraden had, en riep in zijn gedachten de dagen terug, toen hij met den ouden schaapherder achter de schapen rondzwierf, – dagen zonder geluk of genot, maar dagen van onbezorgde rust en tevredenheid, – en hij wenschte, dat hij zijn goeden pleegvader nimmer verlaten had. Doch dan vertoonde zich het lieve beeld van Maria weer voor zijn geest en hij zuchtte en beklaagde zich niet meer over het leed, dat hem drukte; want hij kon zich geen geluk meer voorstellen zonder het meisje, dat hij beminde. Met moed, hoewel met smart, deed hij zich geweld aan om haar te vergeten en zich alleen met God bezig te houden; maar steeds keerden zijn gedachten weer tot haar terug, en als hij bad, bad hij voor haar.

Hij luisterde niet naar de voetstappen van den ruiter, die hem bewaakte, noch naar het gerucht, dat zich nu en dan in andere deelen van de woning hooren liet; zelfs kon hem het kloppen met zware hamers op stormpalen of balken, dat op eenigen afstand van het huis in het veld plaats had, niet uit de gedachten wekken, waarin hij verdiept was, en hij lag met gesloten oogen, omdat het licht hem hinderde, zonder hoop op redding, het oogenblik af te wachten, waarop men hem zou komen halen om voor Perrol te verschijnen. Opeens echter werd hij opmerkzaam door eenig gerucht, dat dichter bij hem ontstond, en iets, dat voor een oogenblik het licht onderschepte, deed hem de oogen openen. Tot zijn niet geringe verbazing zag hij, dat iemand zich door den zolder heen, liet afzakken; en toen deze man, die als uit de lucht kwam vallen, naast hem geknield lag, zei hij zacht en dankbaar: „God zij dank, dat gij komt, Ralph!”

De oude schaapherder, die gemakkelijk door de slagboomen was heengekomen, was met omzichtigheid de plaats genaderd, waar de Zwarte Ruiters lagen, en had aldaar vernomen, wat er met den boer gebeurd was, dien hij vermoedde, dat Frank zou zijn. Eenmaal bekend met de plaats, waar men hem gevangen hield, had hij over de zolders, waar niemand acht op hem sloeg, zonder veel moeite den weg gevonden naar dat gedeelte, waaronder de gevangenis van Frank was. De Tuimelaar had geen acht geslagen op het luik in den zolder; hij was niet zoo goed bekend als Ralph met de bouworde van de boeren-woningen in deze streken.

In een oogwenk was de jonge ruiter bevrijd van zijn banden, en Ralph zei toen pas: „Kom, dwaze knaap, nu moet gij voort; zet u op mijn schouders en klim naar boven.” Maar Frank zei: „Eerst gij, vader, en ik zal u volgen.” „Neen, Frank,” zei Ralph zacht, „gij zijt vlugger dan ik; draal niet langer; hebt gij nog niet genoeg geleerd?”

Toen trad Frank snel naar den wand waaraan een dagge hing, die hij bij zich stak, en hij zou aan liet verlangen van Ralph voldaan hebben; maar juist toen hij voorbij het luchtgat ging, zag hij ongeveer een boogschot ver van de huizen af, bezijden het dorp, een aantal menschen, die op de Biersteeg stonden en bezig waren om die te versperren. Plotseling greep hij naar een voetboog, die aan den wand hing, zette zijn voet in den beugel en spande de pees.

„Frank, wilt gij dan, dat wij beiden omkomen?” zei Ralph verwijtend, en wilde hem met zich meetrekken, maar de jongeling, die nu ook den bout op den boog gelegd had, zag hem smeekend aan, en zei: „Ik ga terstond, vader! Men zal op ons geen gedachte hebben.” Snel plaatste hij zich nu vr het luchtgat en mikte; hij zag Perrol en Walson, en legde den boog aan. Een oogenblik zag hij over den bout; bedaard stond Ralph achter hem, toen drukte hij los, de pees strekte zich, het staal klonk, en de bout vloog naar zijn bestemming; maar tegelijkertijd rukte de schaapherder hem ook van het raampje weg en noodzaakte hem te vertrekken. „Getroffen, vader,” zei Frank vroolijk, terwijl hij den boog neerlegde en tegen diens schouder opklom. Nu boog zich de schaapherder voorover, en wierp een blik naar de Biersteeg; vervolgens stak hij Frank de hand toe, en toen hij boven was en het luik voorzichtig liet vallen, antwoordde hij op de vraag van Frank, wat hij gezien had: „Zwijg, knaap, en volg mij; want dat dwaze schot kan onzen dood verhaasten, zonder hem het leven te kosten.”

Zij gingen nu door den engen doorgang tusschen het graan op den zolder. Spoedig echter werd het gaan moeilijker, daar men nu op de plaats kwam, welke boven de deel was, waar geen vaste zolderingen lagen. Over een balk bereikten zij de ladder, daalden er langs af, en liepen beneden een eind snel langs de huizen voort, waarna zij zich op den bovenweg begaven. Het was nog even druk en woelig op den dijk, en de spoed, waarmee zij gingen, verwonderde, naar het scheen, niemand; ook wist natuurlijk nog geen hunner, dat men op den aanvoerder der Zwarte Bende geschoten had. Frank had zoo graag gevraagd, wat Ralph gezien had; maar hij durfde het niet; want de Schaapherder liep voor hem uit, en scheen niet genegen om hem te woord te staan. Nu en dan speet het hem, dat Ralph gekomen was; want hij had gehoopt door den dood moedig tegemoet te gaan, de schande over den mislukten aanslag te doen vergeten, en de dood bracht hem immers ook rust. Het verwonderde hem nu zelf, dat hij niet geaarzeld had den boog los te drukken, terwijl het toch hetzelfde was, of hij op Perrol schoot, dan of hij hem met een handwapen trachtte te dooden, daar het beide onverhoeds geschiedde.

Toen zij de woningen naderden, waar zijn paard stond, kwam hij naast Ralph, wees hem de plaats aan en vroeg wat hij doen zou. De schaapherder gelastte hem zijn paard terstond te halen, wat hij deed, waarbij hij den boer, die het verzorgd had, de zorg voor zijn kleeren en zijn beddegoed aanbeval. Tevergeefs trachtte Frank, zelfs met bedreigingen van te zullen blijven, Ralph over te halen zich alleen met het paard, of ten minste met hem te verwijderen, maar de oude man was onverbiddelijk en wees streng zijn aanzoek van de hand. Hij beduidde Frank, dat hij eerst later het dorp zou verlaten, dat hij er nog iets te doen en niets te vreezen had, daar niemand wist, dat hij Perrol kende; want hij had verzwegen, dat hij reeds met dezen kennis had gemaakt. Ralph vergezelde hem dus tot aan de verschansing; de voetknechten zaten op een bank, die zij naar buiten gesleept hadden, want het was nu droog weer, en zij stookten op eenige steenen een vuur aan. Zij herkenden hem dadelijk en hij riep hun toe: „Laat mij door, mannen en ik zal zorgen niet met leege handen terug te komen.”

Zij voldeden aan zijn verzoek, herinnerden hem er aan zijn belofte niet te vergeten, en Frank reed door den slagboom, na Ralph te hebben gegroet, zonder dat de krijgslieden dit konden bemerken. Met aandacht zag de oude man, tegen de verschansing geleund, hoe Frank met de wacht sprak, die aan de Steeg stond, doorgelaten werd en zich verwijderde. De krijgslieden, die naast hem stonden, hielden een gesprek over het paard, dat de boer bereed, maar zij werden gestoord in hun redeneering door een ruiter, die snel langs den dijk door het dorp kwam aanrennen.

„Er moet niemand doorgelaten worden!” riep hij: „er zijn verspieders in het dorp, en de aanvoerder van onze bende is gekwetst!” en toen hij vr de verschansing stilhield, vervolgde hij: „Ho, ho, wat is dat voor een kerel die daar wegrijdt?”

„Het is een boer die hier voor een poos eenige goederen gebracht heeft,” zei degene die over het volk van Wachtendonck scheen te bevelen.

„Het is de hond zelf,” riep de Tuimelaar, die het bevel was komen brengen. „Mannen, laat mij door, en ziet of gij hem ook kunt treffen; schiet hem neer!” Terwijl eenigen een slagboom openden, liepen anderen naar de kerk terug, en juist toen de Tuimelaar ook de laatste versperring door was, werd er een slangstuk van het kerkhof gelost. De Schaapherder sidderde. Weldra volgden een paar bouten der zware windasbogen; doch met vreugde zag de oude Ralph, toen de rook opsteeg, dat geen der pijlen getroffen had, dat Frank nu zoo spoedig mogelijk voortrende, en weldra geheel buiten het bereik van het geschut zou zijn. Met nieuwsgierigheid volgden de krijgslieden de twee ruiters op de Steeg, en degene, die reeds te voren het paard van den boer geprezen had, en een smidsgezel scheen te zijn, zei: „Ik wed, dat die domme boer het nog zal winnen; want zijn ruig paard is niets minder dan dat van den ruiter, en deze draagt ook nog wat ijzer aan zich. Wat denkt gij er van, oude?” vroeg hij aan Ralph.

„Ik denk er ook zoo over,” antwoordde deze, die met bezorgdheid tuurde, of de ruiter ook iets scheen te winnen op den knaap, die vervolgd werd.

„Welnu, zei ik het niet?” vervolgde dezelfde man, die, toen Frank in het dorp kwam, juist bezig was om een slangstuk te laden; „want de oude weet het; er gebeurt niets, dat hij niet reeds van te voren gezien heeft.”

De aandacht, welke dit gesprek op den schaapherder deed vestigen, scheen dezen niet te bevallen; hij getroostte zich echter de vragen der krijgslieden en omstanders; want er was veel volk naar de verschansing heengevloeid, en hij wilde niet heengaan, voordat hij verzekerd was, dat Frank ontkomen zou. Hij werd echter in zijn beschouwing gestoord, daar hij een hand op zijn schouder voelde leggen, en toen hij omzag, herkende hij een der Zwarte Ruiters.

„Ha, ha, zijt gij ook hier? Nu zal ik u den weg eens wijzen, lompe herder,” grauwde Rogardo hem toe, die hem nu, door Wilhelm bijgestaan, met zich voortsleepte.

„Mannen, gij hebt den verkeerde voor!” riep Ralph bedaard en hij draaide het hoofd om, om nog eenmaal naar de Steeg te zien; maar zijn pogen was tevergeefs, zij trokken hem met zich voort. De boeren en andere inwoners zeiden niets, en traden bevreesd terug; maar de smidsgezel waagde het een goed woord voor hem te doen; hij had den ouden man dikwijls in Utrecht gezien; hij wist, dat hij niemand kwaad deed, en trachtte dus het voetvolk over te halen, hem te ontzetten. Doch toen Rogardo barsch ten antwoord gaf, dat de eerste, die het waagde, den ouden galgebrok te bevrijden, op last van Messire Perrol zou worden opgeknoopt, traden zij terug, en Ralph zelf scheen zich nu gelaten aan zijn lot te onderwerpen; want hij zei ernstig: „Mannen, stelt u om mij niet bloot aan de slagen van de Roode Hand. Ziet gij daar die bloedige streep niet in de lucht? Hoort gij niet het gevecht der strijdenden en het gekraak der verschansingen, die gij bewaakt……”

Maar hier werd de oude schaapherder gestoord in den voorspellenden uitroep, dien hij deed, want Rogardo sloeg vloekend den arm naar beneden, welken Ralph naar de lucht had uitgestrekt, en noodzaakte dezen hem te volgen.

Met geheimen schrik zagen de meesten naar de wolk, waarop de schaapherder gewezen had, en die werkelijk een bloedroode kleur had, anderen zagen met medelijden den ouden man zich met zijn vangers verwijderen, terwijl de krijgslieden zonder veel zorg voor de toekomst, of vrees over zijn voorzegging naar de Meenesteeg zagen, waarlangs de Tuimelaar, zonder in zijn voornemen om den boer te achterhalen geslaagd te zijn, stapvoets terugkeerde.

Frank had zelf, van wat hij in Eemnes gezien had, verslag gedaan aan den Stadhouder, die zich op dit oogenblik te Laren bevond, waar een krijgsraad belegd was; en deze, voldaan over de oplettendheid, waarmede hij de vijandelijke werken had bespied, dankte hem, dat hij in plaats van den boerenknaap gegaan was. De jonge ruiter, die zoo gelukkig aan den Tuimelaar ontsnapt was, reed nu naar Hilversum, weinig vermoedend, dat Ralph reeds gevangen zat. Hoewel hij voor Van Schaffelaar trachtte te verbergen, dat hij een ander doel had gehad dan de vijandelijke werken te verkennen, hielp hem dit niet, en hij was genoodzaakt te bekennen, dat Perrol hem daarheen gelokt had. Hij durfde hem echter niet zeggen, dat hij was heengegaan met het voornemen om hem te vermoorden, noch dat hij gevangen was geweest; want hij kende de riddelijke braafheid van zijn vriend en weldoener, en hoorde zich van zijn schuld bewust, gelaten aan, hoe Van Schaffelaar het afkeurde, dat hij zich voor niets aan zoo’n gevaar had blootgesteld, daar Perrol de man niet was, om geen gebruik te maken van het overwicht, dat zijn wapens hem konden verschaffen, indien hij niet, zooals wel te vermoeden was, de voorkeur er aan gaf, om de uitdaging te beantwoorden met den strop of de uitgezochtste martelingen. De aanvoerder was reeds gekleed om zich naar den stadhouder te begeven, en stapte, met Frank sprekend, voor de deur van het huis van den boschbewaarder, waar hij zijn intrek genomen had, heen en weer, toen Frank plotseling bleef stilstaan en met verwondering uitriep: „Mijn hemel, zie eens, wie komt daar aan?”

Ook Van Schaffelaar bleef nu staan, en zag naar de plaats, waarheen Frank met de hand wees, en ook hij riep nu: „Hij is het, hij heeft dan, God zij dank, eindelijk besloten, zelf te komen.”

De man, die met groote schreden naderde, en dien zij te gemoet gingen, droeg een stroohoed op het hoofd, welke in plaats van een pluim of veer, met een stalen punt prijkte. Een nauwsluitend jak van buffelleer was van voren bedekt door een fraai gepolijst borstharnas; voor het overige waren zijn beenen en armen zonder ijzeren bekleedsel; alleen op zijn handschoenen waren eenige plaatjes van ijzer vastgenaaid. Behalve met een zwaard en een opsteker, was hij gewapend met een handbus, die hij op den schouder droeg, en waarvoor zeker het kloverkruit, de looden kogels en de lont, in een leeren zak, bestemd waren. die aan zijn rechterzijde aan een riem hing.

„Komt gij om dienst te nemen in het leger, meester?” riep Van Schaffelaar hem toe; „gij zijt geheel gewapend als ik het wel heb.”

„Ja, Van Schaffelaar,” antwoordde Wouter; maar geen lach vertoonde zich op zijn gelaat; en voordat hij vervolgde, riep Van Schaffelaar ongerust: „Om Gods wil, meester, welke tijding brengt gij? Of komt gij inderdaad om met ons te vechten?”

„Ja!” riep de meester, „ja, Jan! Ik kom om aan uw zijde te vechten en uw bijstand te roepen; want dezen nacht is Maria door Perrol weggeroofd: wij hebben haar verloren!”

„Maria?” riepen haar bruidegom en Frank bijna gelijktijdig uit, en hun gelaatstrekken en stem verrieden zoo duidelijk, hoe diep hen deze tijding trof, dat de meester zijn eigen droefheid en den angst ter zijde stelde en zei: „Nu, houdt goeden moed, vrienden! Heet zij niet Maria, en kan de Heilige Moeder Gods haar niet beschermen, hoewel Perrol met de Roode Hand haar met zich heeft gevoerd? Ik kom u om hulp vragen; want mijn arm kind moet geholpen worden.” „Meester, spreekt gij de waarheid?” zei Van Schaffelaar doodsbleek en met verkropte smart; en toen Wouter treurig met het hoofd knikte, vervolgde hij langzaam: „Zal die mensch dan altijd mijn hoop storen? Zal altijd het geluk hem dienen, en dan in het einde de onschuld van dezen engel nog door hem verwoest worden? Mijn God! Hoe kunt gij dat gedoogen, daar zij deugdzaam en rein van zonden is, en zoo wij al Uw toom verdiend hebben, waarom moet zij voor ons boeten? Of bezoekt Gij ons in hetgeen ons lief en waard is, evenals Perrol?”

Hier zweeg hij, en zijn gelaat werd wild en dreigend; hij richtte het hoofd snel op, en sloeg de hand aan zijn zwaard. „Ha!” riep hij, maar vervolgde niet; want met zooveel kracht vatte hij het gevest aan, dat een der schakels van de keten brak. Toen wierp hij het zwaard voor zich neer en trapte verachtelijk lachend op het wapen, dat in de scheede trilde. „Vervloekt zijt gij!” riep hij wild, „ellendig zwaard, dat mijn Maria niet verdedigd hebt! Vervloekt! Driewerf vervloekt! – En gij, mijnheer St. Maarten!” riep hij, terwijl hij den dreigenden blik en de gebalde vuisten hemelwaarts ophief, „zijt gij geen goed patroon meer? O, hebt gij vergeten, hoe ik u steeds vereerd heb; waar is mijn bruid...? Hebt gij geen macht meer? Zijt gij niet sterker dan de satan, welke dien booswicht helpt? Ha! Vreest niet, St. Maarten, dat ook ik zijn bijstand zal inroepen; want ik kan alles doen voor Maria!” eindigde hij, en liet het hoofd op de borst vallen. Zijn woede was nu bedaard; de meester legde de hand op zijn borst, maar kon niet spreken; tranen stonden in de oogen van den bruidegom, den vader en den vriend. Toen boog Van Schaffelaar zich snel, die het zwaard weer opraapte, de scheede ver van zich afwierp, en het krampachtig tegen zijn borst drukte. Zijn oogen fonkelden; heldenmoed en vertrouwen blonken op zijn mannelijk gelaat; hoog hief hij het schitterend staal in de samengevouwen handen; zijn oog richtte zich hemelwaarts en hij riep luid: „En ik vergat U, mijn God! O, Gij zijt machtig, en de satan vermag niets tegen U. Schenk kracht, Heere, aan dezen arm, zegen dit zwaard; door U zal ik de zege hebben, de zege en mijn bruid t” Hij zweeg, liet den arm zakken, en zei vol vertrouwen tot den meester: „Wouter, wij zullen haar weervinden, en de heilige Jonkvrouw Maria zal uw kind bewaren tot ik haar aan uw hart leg. Volg mij!”

Gevolgd door den Meester en Frank trad hij binnen; maar wij zullen den smid uit de Vergulde Helm laten verhalen, wat hem van de zaak bekend was, en zelf eenige uren teruggaan, en ons naar het klooster begeven.

908SR15.gif (1832 bytes)

Het was nacht, en de regen, die tegen het kleine venster van de cel werd gejaagd, was misschien oorzaak, dat Maria niet sliep. Sinds Van Schaffelaar haar verlaten had, haakte zij naar het oogenblik, waarin zij het eenzaam gelegen, en toch niet veilige klooster verlaten zou. Gedurende den dag waren eenige HolIandsche ruiters in het dorp geweest, en hadden er geroofd en gebrand, en zij dacht aan wat Van Schaffelaar haar gezegd had. O, zij verlangde zoo om weer naar haar moeder terug te keeren. Juist toen zij half wakend, half sluimerend over dit alles nadacht, hoorde zij eenig gerucht buiten het klooster; men scheen aan de deur te kloppen, en weldra hoorde zij iemand buiten roepen: „Open voor Van Schaffelaar!” Zoodra zij dit hoorde, dacht zij, dat het haar bruidegom was, die haar reeds kwam afhalen, stond op en kleedde zich aan; zij luisterde of zij de stem van Van Schaffelaar of van Frank ook kon herkennen, en zij nam zich voor, den jongen man vriendelijk toe te spreken.

Het scheen, dat de portierster niet spoedig bij de hand was om de deur te openen; want men hoorde iemand last geven de deur onder den voet te werpen. Wel verwonderde haar dit bedrijf; maar zij veronderstelde, dat Van Schaffelaar geen tijd verliezen kon, dat misschien eenig gevaar haar boven het hoofd hing, en toen zij, nadat de deur was opengeloopen, hoorde roepen: „Leve Van Schaffelaar en St. Maarten!” twijfelde zij niet meer, of het was haar bruidegom, en opende haar cel.

Er vertoonde zich nu een lichtstraal tegen de zoldering boven de trap, die aan het einde van de gang lag, waarop de cellen uitkwamen, waaruit sommige nonnen angstig en nieuwsgierig stonden te luisteren naar wat er toch gebeurde. De oudste geestelijke dochters, hoewel zij het minst van het krijgsvolk te vreezen hadden, schenen het meest beangst; terwijl zij, die jonger waren, misschien wel eenig gevaar wilden doorstaan, om voor een oogenblik den eentonigen en strengen leefregel te zien verbreken, waaronder zij gebukt gingen.

Weldra zagen zij een krijgsman de trap opkomen; hij ging met spoed, en de zuster portierster, die achter hem aankwam, en de lamp droeg, had moeite hem te volgen. De meeste der nonnen traden terug; want nog nooit hadden zij hier een anderen man gezien dan den biechtvader van het klooster. De bruid van Van Schaffelaar meende haar bruidegom te herkennen, en bleef dus; en toen de ruiter, die stil bleef staan, zijn armen uitstrekte en zacht haar naam noemde, spoedde zij zich naar hem toe en riep: „Goddank, dat gij komt; mijn ouders hebben dus eindelijk toegegeven?” Maar zonder iets te zeggen, deed de ruiter twee schreden voorwaarts, omvatte haar met zijn rechterarm, kuste haar en riep: „Dezen keer ten minste heeft mijn mond den druk uwer lippen ontvangen, Maria, want de vorige maal waren zij ijskoud!”

De gil, dien Maria gaf, toen zij gewaar werd, dat zij in de macht van Perrol was, werd herhaald door de nonnen, die zich nu allen in hun cellen verborgen; ook de portierster nam de vlucht, en zou hem dus in het donker gelaten hebben, indien de mater, die achter haar de trap was opgekomen, de lamp niet uit haar hand had genomen.

Perrol hield Maria met zijn rechterarm omvat, en droeg haar zoo naar de trap, terwijl haar voeten langs den grond sleepten. De goede kloostervoogdes wierp een blik vol medelijden op het doodbleeke gelaat van het meisje, dat niet wist wat er met haar gebeurde; zij wierp zich voor Perrol neer, bad hem deernis te hebben met de arme maagd en met het klooster, en de heilige verblijfplaats der zusters niet te ontheiligen.

„Voor den duivel, vrouw!” antwoordde Perrol, „licht mij bij, en babbel niet. Uw huis is immers beveiligd voor allen overlast, door het toedoen van zijn Eerwaarde; daarom heb ik last van mijn aanvoerder, den edelen Van Schaffelaar, om noch u, noch n der lieve nonnetjes eenig leed te doen, maar zijn bruid af te halen, eer een zekere Zwarte Ruiter, dien gij misschien wel hebt hooren noemen, haar hier nog eens mocht bezoeken.”

Van angst bevend, en zonder zijn woorden te gelooven, ging de mater voor hem uit; maar onder aan de trap riep Perrol om hulp; want hij kon Maria niet alleen dragen, zonder haar tegen zijn harnas te drukken. Dadelijk sprong er een ruiter naar hem toe, maar toen Perrol hem zag. riep hij kwaad: „Terug, Froccard, raak haar zelfs met uw vinger niet aan, of ik stoot u neer!” Toen naderde Vidal, die nog bij hem scheen te zijn, en deze hielp hem naar buiten dragen. Een draagkoets, welke tusschen twee torspaarden hing, stond gereed; zij werd er in gezet, en eenig geestrijk vocht, dat hij haar onder den neus hield, bracht

Haar tot zichzelf terug, m zij verbor haar gelaat tegen een der zijden van de draagkoets, toen zij, bij het licht van een fakkel, Perrol er naast zag staan.

„Maria,” zei hij spottend, gelooft gij nu nog niet dat ik u liefheb, daar mijn hart geraden heeft, waar gij u voor mij verborgen hadt; of zult gij dan altijd ongevoelig blijven? De kus, dien gij mij gegeven hebt, deed mij verlangen, u nog in dit oogenblik voor altijd tot de mijne te maken; maar ik heb mijn drift bedwongen. Ik wil u van pracht en rijkdom omringd zien, als gij mij gelukkig maakt; de armzalige cellen van dat ellendige klooster zijn niet waard getuigen te zijn van onze liefde, daarom moet gij geduld hebben. Vaar dus wel, Maria!” De bruid van Van Schaffelaar sidderde, te meer, daar alles wat hij zei, zooals zij in haar angst meende te hooren, door een vreemde stem aan de andere zijde der draagkoets werd herhaald. Toen hij eindigde, vatte hij haar hand, hoewel zij die vol afschuw terugtrok, kuste ze en sloot lachend de draagkoets, en ook zijn lach werd weerkaatst, evenals zijn woorden. Toen sprak hij zacht tot Vidal en Froccard, steeg te paard, reed vr een twintigtal ruiters uit, die reeds opgezeten waren, en gaf het teeken om hem te volgen.

908SR15.gif (1832 bytes)

Verder deelde Wouter aan Van Schaffelaar en Frank mee, dat men hem vroegtijdig had laten waarschuwen, voor wat er gebeurd was; hij kwam nu van het klooster, dat anders geen overlast geleden had, en zijn verhaal kwam zoowat neer op wat wij vermeld hebben; de mater had hem echter verzekerd, dat zij Perrol, toen hij wegreed, bevel had hooren geven den weg naar Eemnes in te slaan. Met gespannen aandacht hadden Van Schaffelaar en Frank den meester aangehoord; van tijd tot tijd alleen hadden zij door de beweging van hun gelaat, of het ongeduldig heen en weer schuiven van hun zitbanken, hun innerlijke gemoedsbeweging verraden, en door het uiten van een onwillekeurigen kreet van woede of smart aan hun hart lucht gegeven. De heele houding van den jongen man toonde echter minder drift dan van den bruidegom van Maria. Een pijnlijke gewaarwording kneep hem de borst tezamen, en belette hem de vrije ademhaling; zijn smart uitte zich niet luid, maar daarom niet minder hevig; want alle hoop om Maria, de schoone bruid van zijn vriend, haar, die hij zoo vurig beminde, te redden beschouwde hij als verloren. Had hij haar stem niet gehoord in het huis van Perrol? Had hij dezen niet tegen zijn luitenant hooren snoeven op de liefde, welke zij hem betuigd had? O, hoe kwam het, dat hij de stem, die zijn hulp inriep, niet herkend had, toen zijn geluksengel hem in haar nabijheid gevoerd had? Dit maakte hem wanhopig, en hij zat daar als verpletterd over wat hij gehoord had, en over zijn bloohartigheid. Hij, de gemeene knaap, die niets te verliezen had dan eenige levensjaren, vergald door een ongelukkige genegenheid, en zonder hoop op wederliefde, hij had geaarzeld, haar en zijn weldoener van Perrol te verlossen, uit een kinderachtige vrees om het hoofd der Zwarte Bende, zonder dat zijn maagdenschennende Roode Hand gewapend was, teneer te stooten: mogelijk had zij, die hij aanhad, toen nog kunnen worden gered. En hij zei tandenknarsend tot zichzelf: „Verheug u, dappere ruiter, want het geluk van uw vriend is verwoest; zijn bruid, de onschuldige, de schoone Maria, voor wien gij alles wildet opofferen, behalve een ongepast gevoel van eer en deugd, bespottelijk voor een schooiersjongen, als gij zijt, verkwijnt onder de liefkoozingen van Perrol met de Roode Hand; maar verheug u – men zal u nu niet Frank, den moordenaar, maar Frank, den lafaard, noemen, en hij liet het hoofd op de borst zakken, en zat oogenschijnlijk zoo gelaten te luisteren, dat Wouter verwonderd was over de bedaardheid, waarmee hij hem aanhoorde. Toen de smid het dorp noemde, waarheen Perrol zijn slachtoffer gevoerd had, stond Van Schaffelaar snel op, en riep: „Naar Eemnes, meester! Ha, nu weet ik genoeg. Bij mijnheer St. Maarten, ook ik zal roepen: Naar Eemnes! En mijn ruiters zullen mij volgen, en over stormpaal en staketsel zal ik den maagdenroover mijn veldgeschreeuw in de ooren donderen. Perrol! Zoo waar als God leeft, zult gij mij zien, en de Roode Hand zal u niet voor mijn wraak kunnen beschermen: deze hand zal u verpletteren!”

Bij deze woorden gaf hij zoo’n geweldigen slag met zijn vuist op de tafel, dat de smid terugtrad, en Frank, in zijn gedachten gestoord, snel opsprong. „Meester!” vervolgde Van Schaffelaar even driftig; maar hij bedacht zich, en zei minder luid: „Neen, ik wil u niet beschuldigen; en toch zoo gij naar mijn raad geluisterd had, zou uw arm kind gered zijn. – Helaas, de vrees om aan uw ouders ongehoorzaam te zijn, Maria, veroorzaakt uw ongeluk; maar uw bruidegom zal u verlossen of dood blijven – helaas, meer kan ik niet beloven! – Wacht mij hier, Wouter, en wees niet treurig, Frank!” riep hij en stak hun zijn handen toe. „Nooit begaf ik mij met meer verlangen naar een krijgsraad; als ik terugkom, breng ik u de tijding mee, dat wij naar Eemnes oprukken. Vaarwel dus, en vertrouw op de Heilige Moeder Gods; want zij waakt over mijn Maria!”

Toen hij dit gezegd had, verliet hij zoo snel het vertrek, dat noch de meester, noch Frank hem zoo spoedig konden volgen. Men hoorde hem buiten het huis aan Heintje gelasten zijn wapens gereed te maken, en toen de smid de deur uittrad, zag hij Van Schaffelaar zich reeds verwijderen.

De knaap haastte zich aan het bevel van zijn heer te gehoorzamen, en terwijl Frank naar den stal ging, bezag Wouter stuk voor stuk elk gedeelte der wapenrusting, die Heintje te voorschijn haalde. De droefheid over de ontvoering van Maria, welke hem ondanks den weg, dien hij had afgelegd, er niet eens aan had doen denken, om iets te eten of te drinken te vragen, verhinderde hem niet, om Heintje nu eens te prijzen, dan weer te laken over de wijze, waarop deze de wapens van zijn heer onderhield.

908SR15.gif (1832 bytes)

Het kloosterInhoudopgave OltmansDe krijgsraad

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)