J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK V.

DE GEVANGENIS.

Gevangen tusschen de enge muren,
Verwijderd ver van huis en baard,
Staat hij met wellust stipt te turen
Op hen, die vrij zijn op deze aard.
Z. VAN BERGH Gz.

M.gif (3526 bytes)eester Wouter zat gevangen in het slot van Wijk bij Duurstede. Hij bewoonde een kamertje boven in een der torens. Maar geen kluisters boeiden hem voeten of handen; hij kon ten minste zoo ver gaan als de muren van zijn gevangenis zich uitstrekten, en als hij op een bank stond, kon hij uit het kleine raam, dat met ijzeren staven voorzien was, over de rivier de Lek en de Betuwe zien.

Hij was zooeven op de bank geklommen, om zich met het riviergezicht te verlustigen en de frissche lucht in te ademen, toen hij voetstappen op de trap hoorde en het hoofd omwendde; maar het beangstigde hem niet. Hoewel hij niet kon raden, wie hem kwam bezoeken, toch wist hij, dat hij niet voor zijn leven te vreezen had, maar aangenaam voelde hij zich verrast, toen hij de deur hoorde openen en Van Schaffelaar zag binnentreden.

„Hoe hebt gij het, meester?” was de eerste vraag van dezen, terwijl hij den smid, die van de bank was afgesprongen, de hand gaf.

„Zoo redelijk wel, maar de verveling kwelt mij,” hernam Wouter, die niet zoo opgeruimd scheen, als toen hij in vrijheid was; „zeg, hebt gij goede tijding meegebracht, dat gij zoo spoedig terugkeert?”

Van Schaffelaar schudde het hoofd en zette zich neer, nadat hij Wouter gevraagd had, of hij ook iets verlangde en gelastte vervolgens den stokkeknecht te vertrekken en hem onder aan de trap te wachten, toen de meester niets behoefde.

„Frank is zooeven eerst van hier vertrokken,” zei Wouter, en schonk twee tinnen bekers vol met bier, „de goede jongen heeft mij nogal trouw bezocht. Sedert gij mij een quaekbord geschonken hebt, bezoekt hij mij meer, hij zegt om het spel te leeren; maar bij St. Eloy, dikwijls moet ik hem herinneren om met de steenen te gooien; en ik geloof, dat hem het geklaag over mijn verlangen om naar huis te keeren, een weinig verveelt. Doch, Jan, zeg het mij maar ronduit, heeft de Bisschop nog niets laten verluiden over mijn invrijheidstelling?”

„Helaas, neen, Wouter!” riep Van Schaffelaar. „Zooeven sprak ik hem en vroeg nogmaals om u vrij te laten, maar mijn bede zoowel als de losprijs dien gij, en zelfs de verachtelijke Perrol, hebt aangeboden, kunnen hem evenmin overhalen als de smeekschriften door uw dochter, in naam van haar moeder en door den braven vader van Broechuijsen opgesteld.”

„Maar wat wil die vreemde geestelijke toch, die zich met geweld op den zetel heeft neergezet?” zei Wouter met drift, en sloeg op de tafel.

„Hij is mijn heer, beste meester,” antwoordde Van Schaffelaar. „O, hoe heeft hij het nederige smeekschrift, dat door mijn lieve bruid geschreven is, onverhoord kunnen laten, dat zoo alle kenteekenen draagt van opgesteld te zijn door een treurende dochter! Maar ’t is alsof het priesterlijk gewaad het hart met een harnas omkleedt en belet edelmoedig te zijn of zich te laten vermurwen. Zei hij mij niet, dat het slecht geschreven en gevlekt was? Iets dat in mijn oog er de meeste waarde van uitmaakte; want ik zag, dunkt mij, Maria met de pen in de hand, sidderend van vrees en hoop. – O, meester, ik zag de tranen, die om u uit haar schoone, reine oogen op het papier neervielen.”

„Maar welke reden geeft die Bisschop voor zijn verstoktheid?” vroeg Wouter. „Hij wil noch losprijs, noch dank, als hij u vrijlaat, zegt hij,” hernam Van Schaffelaar; „doch die tijd is nog niet dr, maar wel nabij, verzekerde hij mij, en uw vrijheid zal het loon zijn voor mijn trouwe diensten. Geloof mij, Wouter, het aanbod en de bedreigingen van dien Perrol houden u gevangen, want zijn Eerwaarde haat hem.”

Toen antwoordde hij nog op eenige vragen, die de smid hem deed, en deelde hem mee, dat hij niets over de Vergulde Helm had kunnen vernemen, hoewel hij in de nabijheid van Amersfoort geweest was, en vervolgde: „Maar ik moet u nog zeggen, wat ik gedaan heb en wat er gebeurd is. Verwonder u dan nog, dat bisschop David niet zeer vriendelijk was. De Zwarte Bende heeft Naarden geplunderd!”

„Naarden!” riep Wouter verbaasd.

„Ja, het is maar al te waar; hoor, meester, hoe ik het vernomen heb. Gij weet, dat de Bisschop van zijn vrienden te Utrecht gehoord had, dat zijn vijanden het voornemen hadden om Eemnes te versterken en ik werd afgezonden, om berichten in te winnen. Verwijderd van den weg, bevond ik mij in den vroegen morgen in de nabijheid van Soest, toen Heintje, dien ik had afgezonden, om in het dorp te vernemen of er ook krijgsvolk in het veld was, mij de verontrustende tijding meebracht, dat er des nachts een groote bende rijzige ruiters door het dorp was getrokken, maar dat niemand het gewaagd had het hoofd buiten de deur te steken. Ik vermoedde toen al dadelijk, dat het volk tot de Zwarte Bende behoorde, maar tevens, dat de dorpelingen door de duisternis en den schrik het aantal ruiters veel vergroot hadden. Toch werd er veel omzichtigheid vereischt, want ik had maar twintig van mijn rijzige ruiters, buiten mijn knaap, meegenomen. Ging de vijand naar Eemnes, waarom dan des nachts daarheen gereden? En deze nachtelijke optocht geleek meer dien van een stroopbende. Zoo spoedig mogelijk liet ik dus den Stichtschen grond achter mij en reed ik op Laren aan; maar vrdat wij dit dorp naderden, zag ik in de verte een ruiter in vollen ren op ons aankomen. Op mijn bevel verlieten de mijnen dadelijk den weg, en alleen Heintje, dien ik genoodzaakt had een boerenpak aan te trekken, stapte op mijn bevel af, om zijn paardendek, zoo het scheen, te verleggen. Zoodra de ruiter dichterbij kwam, hield hij een oogenblik zijn paard in den draf, en scheen gevaar te duchten; maar Heintje schreeuwde hem toe naderbij te komen, want dat zijn paard, waarvan hij den poot bezag, kreupel was geworden, en nu naderde de ruiter. Toen wij hem beter konden zien, zag ik, dat het n van de Zwarte Bende was; mijn jongens vielen hem nu dadelijk te lijf, en voordat hij kon terugkeeren, sloeg een van mijn ruiters hem met zijn speer van het paard. In het eerst trachtte hij ons door allerlei leugens om den tuin te leiden, maar toen Heintje in hem den gruwelijken beul herkende, die hem te Utrecht den arm had opengekorven, besloot ik geen medelijden met hem te hebben en beval mijn volk, hem zlang met hun zwaarden te slaan, totdat hij de waarheid zei. Toen ik den lafaard beloofde hem het leven te schenken, deelde hij mij, nog vrdat hij de klingen gevoeld had, het volgende mee: Perrol was met zijn geheele bende uit Amersfoort getrokken en des nachts voor de poort te Naarden aangekomen. Hij had zijn volk verborgen, en een tiental ruiters, als boerenwijven verkleed, met manden aan den arm, vertoonden zich met het opgaan der zon vr de poort, alsof zij met hun waren ter markt wilden gaan. Zoodra de poort echter door den burgemeester geopend was, wierpen de ruiters hun manden weg, vielen op hem en die kleine wacht aan, en degenen, die opgezeten waren en op dit oogenblik wachtten, renden dadelijk, toen zij het afgesproken teeken hoorden, de stad in, vertrapten alles onder den voet. De burgers gaven echter de stad nog niet gewonnen, en hevig werd er op het kerkhof en in de kerk zelfs gevochten; maar Perrol en zijn luitenant voerden in persoon de ruiters aan, en de dappere poorters moesten zwichten. Meer dan veertig hunner lieten daarbij het leven, en velen zochten uit te stad te ontkomen of zich te verbergen: maar dit gelukte slechts weinigen, en zij moesten zelfs hun vijanden hun beste goederen aanwijzen. Perrol had dadelijk van zijn overwinning naar Amersfoort en Utrecht bericht willen zenden, met verzoek om de stad bijtijds te laten bezetten, indien men haar wenschte te behouden, en de ruiter had, naar hij zei, aan zijn hoofdman verzocht, de tijding te mogen overbrengen, omdat hij priester was, en het gejammer der arme burgers niet langer kon aanhooren; maar naar Heintje mij gezegd had, en naar de uitdrukking van zijn valsch gelaat te oordeelen, zou ik denken, dat Perrol hem juist om andere redenen had weggezonden, indien het hoofd der Zwarte Bende voor eenig edel gevoel vatbaar was. Zoodra ik het plan van den vijand had vernomen, reed ik naar de hoogten, waarover de wegen loopen en liet die bezetten. Meer dan n bode van Perrol viel in den loop van den dag, en zelfs des nachts in onze handen, niet levend, want zij vochten verwoed tot den dood toe, zoodra zij de onmogelijkheid inzagen om te ontkomen, en dreigden ons nog, als wij hen niet ongemoeid doorlieten, dat hun aanvoerder de stad zou laten plunderen. Hun woorden waren maar al te waar; want toen de nacht verliep en hij waarschijnlijk uit het wegblijven van zijn ruiters bemerkte, dat hij niet op ondersteuning kon rekenen, verliet hij de stad en van verre kon ik in de morgenschemering flauw de menigte karren en wagens zien, die zwaar beladen waren met den roof der burgerij. Daar mijn langer vertoeven op deze plaats onnoodig was, keerde ik met mijn ruiters, die rust behoefden, terug, en niets heeft mij meer verwonderd, dan dat hij bij zijn aftocht de stad niet in brand heeft gestoken.”

„Het is een duivelsche vent,” zei Wouter, toen Van Schaffelaar zweeg, „en een dapper ruiter; jammer maar, dat hij zoo slecht bekend staat, en dat gij met hem niet op goeden voet staat. Als ik thuis was, zou ik waarlijk verheugd zijn, dat hij in de Vergulde Helm thuis ligt; hij ziet niet op een paar stukken geld, en ik kan goede zaken met hem doen. – Gij ziet immers uit de brieven van Maria, dat hij zich goed gedraagt,” eindigde hij, toen Van Schaffelaar droevig het hoofd schudde.

„Ja juist, Maria!” riep Van Schaffelaar treurig. „O, meester, ik wenschte zoo gaarne dat gij gelijk hadt, maar ik doorgrond hem beter; ik begrijp nu maar al te wel, waarmee hij mij bedreigd heeft in die legerplaats, waarheen heer David mij gezonden had. Geloof mij, uw vrouw en Maria kunnen hem niet leren kennen achter het masker van vriendelijkheid, dat hij heeft voorgedaan.” „En welk belang zou hij bij mijn bevrijding kunnen hebben?” vroeg Wouter, en vervolgde toen Van Schaffelaar zweeg: „Gij deedt wel, om over niets van dat alles te schrijven; want mijn vrouw zou zich maar ongerust maken, en Maria ook, zoo het onschuldige kind al begreep, dat iemand zoo slecht zou kunnen zijn, om haar ongeluk alleen uit wraakzucht te bewerken. Maar ik geloof, dat het hoofd der Zwarte Bende zoo zwart niet is, als gij wel denkt; of meent gij nog, dat hij, en niet het volk van Salazar, de Schaffelaar verbrand heeft?”

„Meester!” riep Van Schaffelaar driftig en sloeg met de vuist op de tafel, „ik weet wel, dat gij wapens voor de Zwarte Bende gemaakt hebt; maar het bedroeft mij u Perrol te hooren verdedigen. Bij de zaligheid van mijn vader, ’t is goed, dat ik in u den vader van mijn bruid moet en wil eerbiedigen, anders......

„Wouter,” vervolgde hij langzaam, want zijn drift was bedaard, „het smart mij, dat ik u het monster hoor verontschuldigen, dat op mijn bruid loert, dat uw kind, uw Maria, ten val wil brengen, maar gij hebt niet gehoord, waarmee hij gedreigd heeft; gij waart niet met mij in de legerplaats; ik vergeef het u dus. Doch ik bezweer u bij al wat heilig is, geloof mij: niemand dan hij vermoordde mijn ouden Hans, verwoestte mijn voorvaderlijk verblijf. Het is waar, geen mensch wist wie de moordbrander was dan Ralph; maar de oude schaapherder liegt niet; mijn hart zegt het mij.”

„De mannen van Salazar zijn even woest als die van de Zwarte Bende,” zei Wouter, „en...”

„Maar,” viel Van Schaffelaar hem in de rede: „Jean de Salazar is geen Perrol; en zoo hij al in staat mag zijn het huis van een vijand te verwoesten, zoo geloof ik niet, dat hij de Schaffelaar zou vernielen; want tusschen ons beiden is nimmer twist geweest. Te laat misschien zult gij gewaar worden, dat ik mij niet voor niets verontrust heb, dat mijn vrees geen ijdele vrees was; dan zal Maria, indien zij niet van rouw en droefheid gestorven is, het bejammeren, dat zij mijn zwaard in de scheede vastgeklonken heeft; dan zult gij kunnen weenen over uw kind, en mij zal niets overblijven dan haar te wreken en te sterven,” eindigde hij treurig. Hij bedekte nu zijn gelaat met zijn handen; tevergeefs trachtte de brave Wouter hem te overtuigen, dat hij zich voor Perrol niet bevreesd hoefde te maken, vooral als de Bisschop hem in vrijheid stelde, en hij naar Amersfoort kon terugkeeren.

908SR15.gif (1832 bytes)

WalsonInhoudopgave OltmansDe aftocht

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)