J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK II.

DE HEIDIN.

Het laet zich over al den naem van Heydens geven,
En leyt, alwaer het komt, een wonder seldsaem leven,
Het roemt sich dattet weet uyt yders handt te sien
Wat yemant voor geluck of onheyl sal geschien.
J. CATS.

M.gif (3526 bytes)aria, ik denk wel, dat de heer Perrol, als hij terugkeert, zal zeggen, dat gij eenige vorderingen in het spelen gemaakt heb,” zei Martha, die bezig was een halsdoek te zoomen, tegen haar dochter. Deze had eenigen tijd een ballade gespeeld, welke Perrol haar geleerd had, en hing nu haar citer aan den muur. „Ik hoop ja, lieve moeder,” hernam zij, en zag door het raam naar het weer, „maar gij weet niet, hoe moeilijk de wijze is; doch ik troost mij gaarne eenige moeite om Van Schaffelaar te verrassen: hij houdt veel van zingen en spelen, en heeft mij reeds beloofd, dat hij het mij zou laten leeren als wij...”

„Nu wanneer dan?” vroeg haar moeder, die van haar werk opzag en lachte, toen Maria zweeg, en deze vervolgde snel: „Als wij getrouwd zullen zijn.”

„Ha, dan eerst?” lachte Martha hartelijk. „Kindlief, gij weet nog niet, hoe weinig de mannen hun beloften nakomen, en welk een drukte er heerscht, als men jong getrouwd is.”

„Ja, maar denkt gij dan niet, dat Jan een man van zijn woord is? Hij is een edelman, moederlief!” zei Maria, een weinig geraakt; maar vrouw Martha stoorde zich niet aan haar ongeloovig hoofdschudden, en vervolgde: „Dat is alles wel waar, kind, maar denkt gij dan ook niet, dat de heer Van Schaffelaar ons een gezonden, lieven kleinzoon beloofd heeft? Dan zult gij het zoo druk hebben, dat spel en zang geheel vergeten zullen worden.”

Maria bloosde, en Martha lachte; doch spoedig keerde deze tot haar werk terug, en zei langzaam: „Helaas, kind, het is zoo ver nog niet, en ik doe niet goed met zoo vroolijk te zijn, terwijl uw vader nog gevangen is; ja, voordat de goede God en mijnheer St. Elloy hem weer hierheen voeren, kunnen wij niet op duurzame vreugde hopen.”

„Maar wat heeft mijn goede vader dan toch gedaan, moederlief?” vroeg Maria, en zei, toen haar moeder zweeg: „Ja, wilt gij wel gelooven, dat ik meest uit den grond van mijn hart vriendelijk kan zijn tegen dien vreemden ruiteraanvoerder, alleen omdat hij zoo vurig verlangt den meester hier te zien? Van Schaffelaar ziet hem voor slechter aan dan hij is, en. gelooft nog altijd, dat hij zijn huis verwoest heeft maar de pater zelf hecht immers niet aan de woorden van den ouden herder. Hij kent hem niet zooals wij; soms wil ik hem onvriendelijk behandelen, om Van Schaffelaar genoegen te doen; maar hij is zoo vriendelijk; en wie mijn ouders acht en liefheeft, kan ik niet haten.”

„Wie het kwaadst schijnen en in een wolvenhuid gehuld zijn, zijn niet altijd het gevaarlijkst, zei mijn vader gewoonlijk,” hernam Martha; „maar ik keur niet af, Maria, dat gij vriendelijk tegen heer Perrol zijt; zijn rang geeft hem ook aanspraak op elks ontzag. Ik wenschte wel, dat hij hier nooit weer over den vloer kwam; hoewel ik nu niet meer zoo bevreesd voor hem ben, als toen hij voor den eersten keer hier kwam; ik wacht hem elken dag, en hij zal ons veel te verhalen hebben van den slag.”

„Goddank, dat Van Schaffelaar daar niet bij geweest is,” zei Maria. „O, ik ben altijd zoo bevreesd, dat zij elkander eens ontmoeten, en ik durf toch Perrol niet bidden om mijn bruidegom niet te bevechten; hij zou wel denken, dat ik twijfelde, of Van Schaffelaar niet veel vromer en moediger is dan hij. Maar zeg eens moederlief,” vervolgde zij, sloeg haar arm om deze heen en kuste haar, „het is nu goed weer; spoedig zullen de Zwarte Ruiters en Perrol weer in de stad zijn, en dan wilt gij niet veroorloven, dat ik uitga; daarom sta mij nu toe, de oude zieke vrouw buiten de Triesjenspoort eens te bezoeken; ik kom spoedig terug.”

Vrouw Martha trachtte haar dit plannetje uit het hoofd te praten, maar tevergeefs: „ik zal Dirk vragen om met mij te gaan, dan behoeft gij immers niet bang te zijn,” riep het meisje, en verliet haastig, zonder iets te zeggen, het vertrek. Niet tevergeefs had Perrol zijn slechte inborst vermomd; hoe meer men voor hem bevreesd geweest was, des te meer hadden zijn vriendelijkheid en beleefdheid de vrouwen getroffen. Gewoon den meester te gehoorzamen (want ook Wouter uit de Vergulde Helm was ijverzuchtig op zijn gezag) waren zij reeds vanzelf geneigd, zich geduldig te onderwerpen aan den wil van den vreemden gast, die door den rang dien hij bekleedde, en de macht die hij bezat, van iedereen ontzag kon eischen. Hoewel de burgers langzamerhand de vrijheid, welke hun als menschen toekwam, reeds begonnen te heroveren, was het zelfs in die tijden niets ongewoons, dat een enkele onverlaat, aan het hoofd van een troepje booswichten, de heele bevolking van een stad of een vlek voor zich deed beven, en zij hem zonder tegenspraak naar willekeur liet beschikken over de eer van hun dochters en vrouwen, hun bezittingen, ja zelfs over hun eigen leven. Soms verwonderde het echter de brave vrouw, dat haar dochter, die in het eerst Perrol tegemoet was gegaan, alsof hij haar het doodvonnis kwam aanzeggen, nu zijn bijzijn niet ontweek, en gewillig zijn woorden aanhoorde, die, hoewel altijd gepast en vriendelijk, meest toch niet onduidelijk lieten vermoeden, dat hij haar schoonheid bewonderde, ja, zelfs dat zij eenigen indruk gemaakt had op zijn hart, op welks sterkte hij dikwerf lachend zei, te veel te hebben vertrouwd, toen hij zijn intrek in de Vergulde Helm had genomen. Menigmaal had zij opgemerkt, dat Maria haar hand niet verstoord of bevreesd terugtrok, wanneer het bendehoofd haar in den zang en het snarenspel onderwees, en dan haar vingers op de toets van de luit verplaatste, als het accoord, dat zij greep, niet zuiver was; en de bezorgde moeder zou reeds lang haar dochter tot meer voorzichtigheid vermaand hebben, indien zij het deugdzaam hart van Maria niet gekend, en niet gevreesd had haar te bedroeven. Maar zij vermoedde niet, dat de bruid van Van Schaffelaar door haar vriendelijkheid Perrol wilde doen vergeten, dat zij voorheen onvriendelijk geweest was, en zij zich vleide met de hoop, dat hij, alleen om haar geen leed te doen, te allen tijde zich zou wachten Van Schaffelaar te benadeelen, wien hij, naar hij zeide, achting, hoewel dan ook geen vriendschap toedroeg. Helaas! Het lieve onschuldige kind kende Perrol met de Roode Hand nog niet!

Zoo zat Martha te denken, toen Maria met een mand aan den arm de kamer binnenkwam, en zei: „Dirk zal terstond gereed zijn, moeder. Hij zei mij, dat het werk er niet door vertraagd zou worden; o, hij is een beste, gedienstige borst.”

„Ja, dat geloof ik,” hernam Martha, „indien ook hij gevangen genomen, of nog erger, gedood was, dan weet St. Eloy hoe het met de Vergulde Helm afgeloopen zou zijn.” Toen zij opzag, bemerkte zij, dat Maria bij het raam stond, en een stuk papier in de hand hield, en zij vervolgde glimlachend: „Leest gij den brief van uw bruidegom voor de honderdste maal nog eens over, Maria? Nu, dat is goed! Een gelukkig mensch, die lezen kan, want er zijn er maar zoo weinig, helaas,” zei ze bedroefd, en wischte een traan uit haar oog. Toen de goede pater van Broechuijsen u lezen en schrijven leerde, wat hem veel zorg en moeite baarde, dachten wij niet, dat gij nog eens de woorden van een wereldschen bruidegom zoudt lezen: want daar uw broeder toen nog leefde, hadden wij beloofd een non van u te maken. Maar de kleine Maarten werd ons ontnomen, en wij moesten ons troosten als mijnheer St. Job. O, het was een groote vreugde voor mij, dat ik u toen nog bij mij behouden mocht, daar uw broeder dood was.

Maria naderde haar moeder, en kuste haar, terwijl Martha vervolgde: „Onze lieve Heere Jezus had hem liever, en ik morde niet; wij weten waarvoor hij bewaard is gebleven. Doch lees maar voort, mijn kind, en ween niet.”

Het schoone meisje wischte de tranen uit de oogen van haar moeder, droogde toen haar vochtige oogleden af, en zei: „Ik wenschte, dat hij nog leefde, moeder. Maar, o, het zou mij zoo bedroeven u te moeten verlaten; doch,” vervolgde zij meer opgeruimd, om haar moeder van gedachten te doen veranderen: „lieve moeder, het verheugt mij zoo, dat Van Schaffelaar mij prijst om mijn schrift; o, luister nog eens, wat hij schrijft: „Lieve Maria, gij maakt groote vorderingen in uw schrift; gelooft gij wel, bruidje, dat ik uw brieven beter kan lezen dan van den besten klerk? Hun letters lees ik met mijn oogen, en de uwe met mijn hart; ik weet reeds wat er staat, vrdat ik lees, en mijn eenige vreugde is, als er niets meer te doen, en Frank in zijn droomerijen verdiept is, en ik uw brieven voor den dag kan halen,” is dat niet lief gezegd,” vroeg Maria, en zag haar moeder aan, „o, hij houdt zooveel van mij, maar dat die arme Frank nog altijd zoo treurt. Het is jammer, dat Ada zoo ongelukkig is; maar daar hij haar toch niet bemint, moest hij zich dit niet zoo aantrekken; toch is zij een goede jonkvrouw; want zij heeft hem in Utrecht gered, toen men hem gevangen wilde nemen, iets, waarvan heer Perrol zweert niets geweten te hebben; doch de jonkvrouw kan ook wel verkeerd verstaan hebben. Ik ben altijd nieuwsgierig om te weten, hoe zij de stad hebben kunnen verlaten, zonder herkend te worden; want Jan wil mij er niets van schrijven, uit vrees iemand in ongelegenheid te brengen. Dat is braaf, niet waar, moeder? En dan, als hij over vader Wouter schrijft, zie, dan moet ik weenen. Maar wat dat toch is, dat ongeluk, dat in Utrecht gebeurd is, met dien vriend van Van Schaffelaar, die in een tweegevecht door Perrol gedood is, en waarvan hij nog niets anders weet?”

„Ja, ja,” zei Martha, „dat is akelig en doet mij huiveren; Perrol moet daar zeker anders zijn dan hier; want soms vertelt hij wel eens van een gevecht, of iets dergelijks; maar nimmer geeft hij te kennen dat hij iemand zoo goedsmoeds zou kunnen vermoorden; doch de wijn is een gevaarlijke drank; zelfs uw vader, Maria, de anders zoo goed is, wordt bij den beker wel eens driftig. Ik herinner mij den jongen edelman nog zeer goed; hij vroeg altijd naar u, als hij soms hier kwam; maar uw vader noodigde hem nooit uit binnen te treden, en Van Schaffelaar bracht hem nooit mee.”

„O, ik ook moeder!” riep Maria lachend, „hij was een knap heer, maar een beetje vrijpostig, en het stond hem nooit aan, als ik den winkel verliet, wanneer hij er binnen trad; doch nu is hij dood,” eindigde zij ernstig.

„Indien Van Schaffelaar bij hem geweest was,” zei Martha, „dan had deze hem nog wel gered door hen te verzoenen.

„Ik twijfel er aan,” hernam Maria, het hoofd schuddend. „O, ik wenschte wel, dat ik er bij geweest was, wellicht leefde hij dan nog.”

„Gij, Maria,” zei Martha ongeloovig, „wat zoudt gij er hebben uitgericht?”

„O, meer dan gij denkt, moeder,” hernam het meisje; „heer Perrol heeft mij meermalen gezegd, dat hij nimmer een verzoek aan een vrouw had kunnen weigeren, en mij uitgenoodigd het te beproeven, toen ik hem niet wilde geloven. Daarom denk ik, dat hij niet had kunnen weigeren, als ik hem gesmeekt had den twist bij te leggen. – Hij spotte niet, toen hij mij dat zei, ik verzeker het u, moeder!”

„Ja, ik weet het wel, dochter,” antwoordde Martha; „maar zeggen en doen is twee. Gij kent de mannen nog niet: wees voorzichtig, en geloof hen niet, als zij zoo vriendelijk zijn.”

„En vader dan, en Van Schaffelaar, ja Frank en zelfs Dirk, lieve moeder?” riep Maria verwonderd en ontevreden, „moet ik die dan ook niet vertrouwen? Liegen die ook, als zij vriendelijk zijn, en mij iets zeggen uit eigen beweging, zooals hij deed?”

„Neen, Maria,” zei haar moeder ernstig, „die liegen niet; uw vader is een gemeen burgerman; die gaan niet met leugens om, vooral niet met hun kinderen, een kleine onwaarheid in hun vak of handwerk daargelaten. Maar de heeren schromen niet een vrouw wat op de mouw te spelden, om zich bij haar in te dringen; een waar vriend prijst niet altijd, Maria! Maar Van Schaffelaar handelt zoo niet; geloof dus, wat hij zegt, zonder daarom eiken ridder of edelman te gelooven, omdat hij goud en zilver draagt. Wat Frank betreft, de jongelieden zijn nog onbedreven in die kunst, welke hij ook nooit leeren zal; want achter d schapen heeft hij niet geleerd iemand te bedriegen; en Dirk, dien ik daar hoor aankomen, geloof dien ook vrij, uitgezonderd, als hij vertelt, hoe gelukkig hij van zijn leven wel in het visschen geweest is.”

„Daar ben ik reeds,” zei Dirk, die de kamer binnenkwam; en toen hij bemerkte, dat Martha naar den knuppel zag, dien hij in de hand hield, vervolgde hij lachend: „Ik neem dezen stok alleen mee, vrouw, omdat ik gaarne wat in de hand heb, en mijn linkerarm moet ik nog wat stil houden, maar niet omdat er iets te vreezen is; een kleine loop zal goed zijn voor uw dochter. Geloof mij, Maria heeft niets te vreezen.

„Denkt gij dat, Dirk? Welnu, dan is het goed; ga dan maar, en groet de oude sloof van mij, Maria.” Deze, die Dirk verzocht een paar woorden tot geruststelling van haar moeder te zeggen, knikte hem vriendelijk toe en kuste haar moeder, waarna zij haar opnoemde, wat zij in haar mand meenam en riep vroolijk, toen zij de kamer uitsnelde: „Griet knorde wel wat, moeder, en vroeg of ik alles de deur wilde uitsleepen; daarom zeg ik u liever zelf wat er in is. Nu, tot straks dan.”

Martha lachte, terwijl zij haar kind nazag, en verwachtte de oude dienstmaagd met klaagliederen over de verwoesting, die in haar schapraai was aangericht. Zoodra zij het huis verlaten hadden, bood Dirk aan, de mand te dragen; maar Maria sloeg dit aanbod van de hand, omdat zijn linkerarm nog rust noodig had; zij ging naast hem, en praatte vertrouwelijk met hem: hij behoefde niet achter haar aan te gaan, zooals de knechts der jonkvrouwen. Dirk was echter ook meer dan een gewoon gezel; vooral voor haar, die hem van haar vroegste jeugd aan gezien en gekend had. Het gelukte hun echter niet zoo meteen de poort te bereiken; nu eens ontmoette hen iemand, die naar meester Wouter vroeg, dan weer werd Maria uitgenoodigd hier of daar in huis te treden en eenige oogenblikken te vertoeven, of zij hield zelf stil voor een raam, waaraan de een of andere bejaarde man of vrouw zat, die zij kende om te vragen, hoe het hun ging. Toen zij eindelijk aan de St. Andries-poort kwamen, vroeg Dirk aan den burger, die als schildwacht met zijn piek heen en weer stapte, of men gerust naar buiten kon gaan, en of er ook wat nieuws was; maar het antwoord was bevredigend, dat de gezel weldra welgemoed met de dochter van zijn meester over de laatste brug en langs den sluitboom, die daar voor stond, naar buiten trad.

De woningen en schuren, die hier buiten de poort stonden, zagen er ellendig uit. Toen Maria een eind was voortgegaan tusschen deze van stroo en slecht hout opgerichte gebouwen, die meestal bloksgewijs stonden, hield zij stil en zei. „Ik dank u nogmaals voor het geduld, dat gij met mij gehad hebt; maar wees nu zoo goed, Dirk, om hier een oogenblik te wachten; ik zal spoedig terugkeeren, en zal u maar niet uitnoodigen met mij naar binnen te gaan; de hut is zoo klein, en de drukte mocht de oude vrouw eens hinderen.”

Dirk scheen het hiermee eens te zijn; want hij zei: „Het is ook zoo, Maria. ik ben beter bij gezonden dan bij zieken, en zal u hier zoolang wachten, als gij zult goedvinden; het is frisch weer, en ik sta hier buiten den wind.”

Maria ging nu naar de bouwvallige hut, waarin de zieke vrouw woonde niet haar zoon, die een veehoedersknecht was, opende voorzichtig de oude deur, welke er aanhing, en trad binnen. Dirk had haar doen opmerkzaam gadegeslagen, en stapte heen en weer, toen hij haar niet meer zag. Geen mensch kwam hem tegen of ging hem voorbij, en toen hij, na eenigen tijd gewacht te hcbben, bleef stilstaan, bemerkte hij, dat hij te veel gezegd had, toen hij zich voor den wind beveiligd achtte.

Hij luisterde voor de hut, of hij Maria hooren kon, en toen hij bemerkte, dat zij, zeker op verzoek van de zieke vrouw, een gebed opzei, kruiste hij zich, en hervatte zijn wandeling weer, van tijd tot tijd zich al verder van de hut verwijderend. Welkom was het hem daarom, dat hem eindelijk een menschelijk wezen naderde; vooral toen dit iemand was, dien hij kende. Nadat hij op diens vraag geantwoord had, dat hij hier iemand wachtte, noodigde deze hem uit, hem voor een oogenblik te volgen, daar hij hem over het beslaan van een paard wenschte te raadplegen. De gezel aarzelde eerst; maar hij had Maria nog zoo vol ijver hooren bidden, toen hij de laatste maal voorbijging, dat hij besloot aan de uitnoodiging gehoor te geven, in het vertrouwen, dat hij terug zou zijn, voordat zij gedaan had.

Hij volgde dus met haastige schreden den man, dien hij verzocht hem langs den naasten weg te brengen, tusschen eenige verspreid liggende schuren en stallen; maar toen hij bij het paard was gekomen, begon hij den man zoo duidelijk en omslachtig te beduiden, hoe de hoefijzers moesten worden aangelegd, dat hij vergat dat Maria op hem wachtte, of misschien zijn hulp noodig kon hebben. 

908SR15.gif (1832 bytes)

Maria vond de vrouw alleen; haar zoon had haar reeds des morgens verlaten, en hij was te arm om iemand te betalen, die zijn moeder kon verplegen; met het verlies van haar vroegere welvaart, had zij al haar vrienden verloren; het was alsof dezen haar zelfs nooit gekend hadden. En huisgezin was er echter in de stad, dat zich haar aantrok: nu en dan werd Griet, of iemand anders, met een verkwikking tot haar gezonden; doch dit was niets bij de troostwoorden, welke de dochter van meester Wouter gewoonlijk haar toesprak, en de opbeurende gebeden, die zij voor haar deed; daarom weende de oude vrouw van aandoening en geluk, toen Maria als een engel in den nood binnentrad.

Maria zette met kinderlijke zorg de oude vrouw op een soort bankje, dat naast de plaats stond waar zij lag, verschikte toen den bultzak, gevuld met gedroogde bladeren, welke echter meest reeds tot stof gewreven waren. Zij waschte de zieke het gelaat en de handen, zei haar, wat zij meegebracht had, en hoe zij hoop had haar tegen den winter een beter verblijf in de stad te bezorgen, ten minste indien haar vader terugkeerde, voor wien de oude beloofde te bidden. Vervolgens hielp zij de zwakke vrouw weer ter ruste, en ging bij de ellendige legerstede, in de bedompte hut zitten. De oude, die iets van wat haar gebracht was, genuttigd had, verlangde nu ook, dat Maria voor en met haar zou bidden, en het lieve kind deed haar dadelijk genoegen en bad; doch als zij ophield, verzocht de vrouw, die zich thans zoo gelukkig voelde, dat zij haar nog niet zou verlaten, en Maria vouwde dan opnieuw haar handen, en begon, het schoone oog vol geloof ten hemel geheven, een nieuw gebed, dat de zieke naprevelde.

Toen de dochter van meester Wouter de oude eindelijk verliet, die haar bad toch spoedig terug te komen, legde zij eenig geld, dat zij van haar spaarpenningen had meegenomen, in de hand, die deze haar tot afscheid toereikte en zegenwenschen volgden haar, totdat zij de deur achter zich had dichtgedaan, Het meisje werd nu eerst gewaar, dat zij langer had vertoefd, dan zij van plan was geweest, en zij verwonderde zich niet, toen zij Dirk niet dadelijk zag; want zij dacht, dat hij zich hier of daar zou hebben neergezet. Maar toen zij tevergeefs rondzag, werd zij, zonder zelf te weten waarom, ongerust, en riep luid: „Dirk! Hier ben ik! Waar zijt gij toch, Dirk!” Haar roepen was echter tevergeefs; de gezel van haar vader kwam niet opdagen. Zij kon niet vermoeden, dat hem eenig leed was overkomen, en evenmin, dat hij zich met dit weer (want de wind was vrij guur geworden) hier of daar had neergelegd om te slapen; waarschijnlijk wachtte hij haar dus achter een der schuren, en zij wilde gaan zien, of zij hem vinden kon, of anders snel alleen naar de stad te gaan.

Zij zag niemand, zoover de gebouwen haar het gezicht vrijlieten: en deze eenzaamheid was weinig geschikt om haar weer moed te geven; te meer, daar de avond reeds begon te vallen, en er in deze verlaten gebouwen, voornamelijk in de overblijfsels van het St. Andries-klooster, gemakkelijk licht volk kon verborgen zijn, dat haar van haar kleeren kon berooven.

Zij keek dus vlug een eindje verder om den hoek van een schuur of zij Dirk daar ook beroepen kon; maar ook daar was hij niet. In de verte echter zag zij een St. Jansbroeder, die zeker naar zijn klooster terugkeerde; zij riep hem, en versnelde haar tred; maar de broeder die haastig liep, hoorde noch zag haar en verdween achter een der schuren. Mismoedig besloot zij nu alleen terug te keeren; want zij had gehoopt, dat hij haar misschien iets van Dirk zou hebben kunnen zeggen, of haar vergezellen.

Juist toen zij op den viersprong in beraad stond, welke van de vier wegen haar het vlugst naar de poort zou brengen, riep een schelle stem achter haar:

Deern! Deern! Wat doet gij op den kamp?”

Maria schrok en keerde zich om; maar zag tot haar vreugde dat het een vrouw was, die tot haar gesproken had. Toen zij deze echter van naderbij bezag, vermeerderde haar vrees, want het oude wijf zag haar met nijdige oogen aan; de zwarte en grijze haren kwamen onder de oude, roodlakensche muts met lange slippen te voorschijn, en hingen haar haveloos over het bruine gelaat.

„Deern! Blonde deern! Wat doet gij op den kamp?” herhaalde de oude spottend lachend, en zag haar, voorover gebukt op haar kruk geleund, strak aan.

„Ik zoek Dirk, den gezel, goede oude. Hebt gij hem ook gezien?” stamelde Maria, die werkelijk beangst werd, dat het oude wijf haar zou aangrijpen, en in een der kotten sleepen, waar zij met haar metgezellen haar gemakkelijk van haar kleeren en zelfs van het leven zou kunnen berooven.

„Een knappe deern en een jong gezel, h, h! Verstaat gij mij wel?” riep nu de vrouw, schaterend van het lachen, en begon om haar heen te dansen, dat al de lappen van haar schoudermantel en van haar rok heen en weer begonnen te fladderen. Soms draaide zij zeer vlug, alsof zij op een spil stond, op haar eenen voet om, en maakte dan zulk een beweging met kruk en armen, dat Maria bevreesd werd, dat zij zou worden getroffen. Zij begon nu te begrijpen dat het de vrouw in het hoofd scheelde, en wilde zich snel verwijderen, terwijl zij uitriep:

„Goeden avond, oude! Ik ga naar stad!”

Maar het oude wijf gilde opeens, terwijl zij stil stond: „Gaan, gaan! Die staan moet, kan niet gaan; de meester wil het zoo.” Zij nam daarop haar kruk en liep om Maria heen, terwijl zij met de kruk een kring rondom haar op den grond trok. Toen zei zag, dat Maria hevig geschrokken bleef staan en den voet niet buiten den kring durfde zetten, vervolgde zij schaterlachend: „Ha, ha, deern! De gezel wacht; de meester wil het zoo; die staan moet, kan niet gaan!”

Maria wrong haar handen van angst, en zag rond; maar zij werd niemand gewaar, die haar verlossen kon van dit zinneloos wijf, dat nu voor haar zelfs een nog verschrikkelijker gedaante had aangenomen. Zij vermoedde, dat het wijf tot een bende heidenen behoorde, die misschien hun leger in het verlaten klooster hadden opgeslagen, en zij kruiste zich, zonder echter haar voet buiten den kring te durven zetten, dien de heidin om haar getrokken had.

„Goede moeder, laat mij gaan,” zei zij smeekend, „ik heb nu niets voor u; maar ga met mij mee in de stad, ik woon in de Vergulde Helm, en, zal u een aalmoes geven, of anders morgen, zoo gij wilt, als gij naar Maria vraagt.”

„De meester geeft!” schreeuwde de oude, „wat wilt gjij dan geven?” en sprong weer om haar heen.

„Een geheel nieuw kleed, als mijn huwelijk wordt ingezegend, en ik ben reeds bruid, goede vrouw,” zei Maria snel.

„Ha, bruidje, bruidje!” schaterde het wijf, „als de maan vol is, houd ik bruiloft met den meester, daarboven op de schans,” en zij wees met haar hand naar het Oosten. „Ik draag ook mijn bruiloftskleed,” zei zij, en begon te draaien, dat haar schoudermantel en rok, ofschoon bijna een hand dik van al de lappen, die er op hingen, wijd van haar lijf afvlogen.

„O, goede vrouw, laat mij gaan. ik bid het u,” bad Maria angstig, en stak baar de handen toe, terwijl de tranen haar over de bleeke wangen liepen.

„Lach, lach, bruidje! De meester wil geen gehuil,” riep de oude, die eerst nu weer spreken kon, en voorovergebogen op haar kruk naar adem hijgde; toch scheen de droefheid van het schoone meisje eenigen indruk op haar te maken, en zij vervolgde vrij bedaard: „En wanneer is het bruiloft, en waar blijft de bruidegom? Reik mij de hand, lief bruidje! – De meester wil het, en ik zal zien,” schreeuwde zij, toen Maria aarzelde, en het meisje had den moed niet om te weigeren. Haar kleine, lieve hand, die bevallig uit haar eenvoudig gewaad kwam, rustte bevend in de linkerhand van de vrouw, die mompelend met den wijsvinger van haar rechterhand de bijna onmerkbare lijnen volgde, welke zij, vooral nu het duister begon te worden, moeilijk kon zien. Maar o, welk een onderscheid was er tusschen Maria’s handen en die van het wijf, die vuil en rimpelig waren, en een roodachtige kleur hadden, alsof zij bij het vuur geschroeid waren.

„Het bruidje is blond en lief,” zei de oude binnenmonds, „maar wie zal haar hebben? En, twee, drie, vier – o, misschien zijn er nog wel meer; doch die ken ik,” riep zij verwonderd, „en die heb ik ook gezien; maar allen verdwijnen, en de eerste blijft. H bruidje, de eerste bruidegom zal u hebben, de meester heeft het gezegd.” Toen trok Maria haar hand terug. Maar driftig greep de vrouw ze weer, en streek de haren voor haar gelaat weg; haar oogen schitterden, en zij riep wild: „Meester, sta bij, verleen den geest!” Vergeefs wilde Maria haar hand terugtrekken; want zij sidderde voor de woede waarmee die werd gegrepen, en de oude riep: „Gehoorzaam deern! Ik wil haar zien; ik ken hem; hij behoort mij toe, laat zien, of vrees voor den meester!” Toen bood het meisje geen verderen en nutteloozen weerstand meer; de angst overwon haar krachten en zij viel gillend ter aarde, terwijl zij uitriep: „Heere Jezus! Maria! Sta bij!”

Het oude wijf, dat haar hand toch had vastgehouden, zag haar een oogenblik verbaasd aan, en scheen te luisteren; toen liet zij opeens de hand los, greep haar kruk, die zij had laten vallen, en riep met gillende stem: „De meester roept, en ik moet komen,” sloeg driewerf met haar stok op den grond en verdween pijlsnel, zonder dat Wouter’s dochter kon ontdekken, naar welke zijde zij zich verwijderd had.

Toen alles weer stil was, hoorde zij op eenigen afstand roepen; zij durfde zich echter niet verroeren; de woorden van het wijf lagen haar nog versch in de gedachten, en zij beefde als een riet. Doch spoedig begon de hoop in haar borst te herleven; want zij hoorde iemand, die haar naam riep, en herkende de stem van Dirk, den gezel. Zij kreeg nu weer kracht genoeg om op te staan, en zijn roep te beantwoorden, en weldra was hij bij haar.

Hij verontschuldigde zich, dat hij zich verwijderd had, en zei, dat hij gedacht had, dat zij hem op de plaats zou wachten. Het lieve kind beknorde hem niet, terwijl zij naar de stad gingen, doch vroeg op zijn arm te mogen leunen en hij bemerkte nu, dat er iets was voorgevallen, wat haar meer deerde dan een gewone ongerustheid, omdat hij haar alleen had gelaten. Zij zei slechts, dat zij geschrokken was voor een oud bedelaarswijf, dat haar ruw bejegend had, omdat zij haar geen aalmoes had kunnen geven, en verzocht, hem niets van dit alles aan haar moeder te zeggen, die haar anders nooit meer zou toestaan, om de zieke vrouw, zoolang zij daar woonde, te bezoeken.

De gezel beloofde dit, maar zwoer tevens, voortaan liever in het akelige hok van de zieke te wachten, dan Maria, als zij aan zijn zorg was toevertrouwd, weer uit het oog te verliezen. Men was juist bezig de valbrug op te halen, toen zij de poort naderden; maar op geroep van Dirk liet men haar weer zakken, en Maria was niet gerust, voordat zij in de stad was en de poort achter zich had hooren sluiten. 

908SR15.gif (1832 bytes)

De maaltijd (de morgen)Inhoudopgave OltmansDe biechtvader

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)