J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL I – HOOFDSTUK VII.

HILVERSUM

Watervogels! fladdert maar,
Heeft de jager roer en kogel,
Echter loopt gij geen gevaar,
Ieder schot, dat is geen vogel.
E. VAN BERCH Gz.

H.gif (3137 bytes)et legertje, waarheen Frank nog zoo tijdig was weergekeerd, lag op de grenzen van het Sticht. De voetknechten waren, zoowel als de gevangenen, grootendeels binnen Naarden gehuisvest; een groot deel echter bezette Bussum, Huizen en het Laarder of St. Jans kerkhof, dat in de nabijheid van den Amersfoorter weg was, of lag in een soort legerplaats, de men in de haast op het Hoog van Laren had opgericht. De ridder Jean de Salazar, bijgenaamd Petit Salazar, om hem van zijn vader te onderscheiden, die in zijn tijd een der voornaamste en geduchtste bendehoofden in het zuiden van Frankrijk geweest was, lag hier met zijn voetknechten, allen geoefende krijgslieden, meest uit Gascogne en Biscaye afkomstig, Lodewijk de Elfde had hem uit zijn goederen en heerlijkheden verdreven; dit had hem Frankrijk doen verlaten, en in dienst van den hertog van Oostenrijk doen overgaan. Hoewel Perrol tot den vijand was overgeloopen, meende Maximiliaan genoeg op den trouw van dezen hoofdman te kunnen steunen, om hem hierheen te zenden; en daar Petit Salazar zich beroemd had gemaakt door het beleid, waarmee hij nu en dan eenige invallen in Frankrijk had gedaan, beloofde hij zich veel goeds van des ridders kunde in den kleinen oorlog.

Het paardenvolk daarentegen had zijn intrek genomen in Blarikum. Laren en Hilversum; de paarden konden in deze dorpen beter van stalling en het noodige voorzien worden, en de ruiters terstond bij de hand zijn, om een strooptocht in het Sticht te ondernemen, of bij een plotselingen inval zich naar de bedreigde plaats te begeven.

De oude herder, die van het vernielen van de Schaffelaar ooggetuige was geweest, bevond zich den volgenden dag op weg naar het leger, waar hij Frank dacht aan te treffen: hij volgde het spoor, dat over de grens liep, vergezeld van zijn trouwen tochtgenoot Wolf, en dacht zoo, langs het Monnikenwater, Hilversum te bereiken, waar de ruiters van Van Schaffelaar hun intrek hadden. Maar juist toen hij het meertje aan zijn rechterzijde voorbijging, liep Wolf, om te drinken of voor iets anders, naar het water, en begaf er zich een eind in. Een  geschreeuw van watervogels liet zich hooren, en eenige wilde eenden, die in het riet of de biezen verscholen waren geweest, vlogen op; en nog vóórdat Ralph den hond had teruggeroepen, werden er eenige bogen losgedrukt; een aantal pijlen doorkliefden de lucht, doch vruchteloos, en weldra buiten het bereik der schutters, vervolgde de troep wilde eenden zijn richting noordwaarts. De herder, die niet begeerig scheen te zijn, om kennis met de jagers te maken, versnelde zijn tred; doch alvorens hij den dwarsweg bereikte, die zich vóór hem aan zijn linkerzijde vertoonde, hoorde hij, dat men hem naschreeuwde om te blijven staan. Hij zag niet om, en stoorde zich niet aan degenen, die hem schenen te vervolgen; maar toen men dreigde hem neer te schieten, stond hij stil, keerde zich om, en wachtte, op zijn staf geleund, een paar vervolgers af. Het waren een paar voetknechten van Salazar en Van Wilpen, die zich in de vroegte en in de stilte hierheen hadden begeven, om eenige eendvogels te schieten, en zich nu op Ralph wilden wreken, dat zijn hond buiten hun weten en dus vóórdat zij gereed waren, de vogels had opgejaagd.

Wolf, die waarschijnlijk bemerkt had, dat het voornamelijk hem zou gelden, was vooruit gegaan en had den zijweg ingeslagen, zoodat hij buiten het gezicht was, toen de soldaten Ralph bereikten. Zij hieven dadelijk de hand op om hem beet te grijpen, en vroegen hem, onder scheldwoorden, waar zijn hond was; maar de soldaten van Van Wilpen, die den schaapherder herkenden, trokken hun wapenbroeders terug, en dezen, hoewel zij Ralph nooit gezien hadden, stonden verwonderd over de rustige en ontzagwekkende houding van den ouden man.

„Het spijt mij, goede vrienden,” gaf hij ten antwoord, „dat mijn hond uw jacht-genoegen gestoord heeft; het stomme dier heeft echter slechts een natuurlijke ingeving gevolgd; de hond jaagt evenals de mensch; maar gij, mannen, schijnt zelfs op menschen te jagen; want ik heb u, als ik wel heb, mij hooren bedreigen, om mij met uw pijlen te treffen; daarom ben ik blijven staan. Gij zult mij, nu ik de reden van het gebeurde gezegd heb, immers geen leed willen doen? En Ralph zal niet meer denken aan hetgeen gij gedreigd hebt: dus, goedendag, vrienden!”

„Ho, ho! Dat gaat zoo niet!” riep nu een der Gasconjes, „ik herken u nu best, oude boze Vos! Gij zijt dezelfde ruige duivel, op wien ik vóór Amersfoort twee pijlen verschoten heb; maar bij St. Just, het zal u nu niet helpen, of gij de muts al opsteekt, en ik zal u eens voorgoed afleeren, om weer met mij den gek te scheren, of dien ruigen hond in het water te sturen, als wij jagen.”

De schaapherder grimlachte ontstemd, en zag den vreemden soldaat onbevreesd aan; zijn makkers schenen zijn woorden goed te keuren, doch de knechtcn van Van Wilpen niet; een dezer laatsten zei: „Wees voorzichtig, vriend, want de oude man is met een helm geboren; hij kan de goede en de slechte dagen aanwijzen, en wat er gebeuren moet.”

„Zoo dit waarheid is,” zei de soldaat lachend, „dan heeft hij ook kunnen weten, dat wij op jacht waren; maar ik heb meer zoogenaamde toovenaars van mijn leven gezien. Wij zullen met de waterproef beginnen, of laat mij maar alleen begaan, als gij bang zijt.” Nu vatte hij Ralph bij de borst; doch deze bracht hem met zijn vuist een slag op den arm toe, zoodat hij weer moest loslaten. De soldaat wierp vloekend zijn voetboog neer, en ontzag zich niet zijn zijdgeweer te trekken. De trouwe, doch voorzichtige Wolf, die nu zag, dat zijn meester zijn hulp noodig had, keerde in dit oogenblik uit zijn schuilhoek terug, en plaatste zich nevens Ralph, knorde kwaadaardig, en liet den soldaten zijn tanden zien.

De knechten van Van Wilpen hielden den woesteling vast en beletten hem den ouden man aan te vallen, die zich echter gereed hield, om van zijn staf gebruik te maken. Maar misschien zouden zij spoedig den Schaapherder aan zichzelf hebben overgelaten; want de soldaten van Salazar werden ontstemd, dat men hun makker verhinderde zijn wil te volgen, toen plotseling zes ruiters uit den zijweg kwamen aanrijden; dezen kwamen, zoodra zij zagen wat er voorviel, met spoed naderbij.

Het waren ruiters van Van Schaffelaar, een dier kleine troepjes, welke van tijd tot tijd werden af gezonden, om de wegen te doorkruisen en het oog te houden, zoowel op wat over de grenzen kwam, als wat naar het Sticht ging. Zoodra zij Ralph herkenden, vroeg de man van wapenen, die het bevel voerde, waarom zij den ouden man te lijf wilden; en toen hij de reden gehoord had, gelastte hij hun, zich spoedig te verwijderen, hoewel hij eigenlijk verplicht was hen te laten straffen, omdat zij zonder toestemming hun kwartieren verlaten hadden. Deze gunstige beschikking hadden zij voornamelijk aan de voorspraak van den schaapherder te danken, die echter tot den soldaat, welke gemelijk zijn zwaard opstak, zei: „Gij hebt de hand aan mij geslagen om eenige watervogels, en mijn bloed willen vergieten: Ralph zal het u herinneren, als dit stomme dier over u heenloopt, zonder dat gij een vinger kunt optillen, om het kwaad te doen.”

De soldaat bromde iets binnenmonds, maar volgde zijn makkers, die reeds heengingen, toen de ruiter riep: „Komaan, spoedig uit de voeten, man van Messire Salazar, of ik zal u nog dadelijk bij hem brengen, en wij zullen zien wat de ridder zeggen zal.” Vervolgens zei hij: „Gij kunt gerust naar het dorp gaan, oude. De weg is vrij: maar zou het niet goed zijn, om dien baas aan den band te houden?” en hij wees op den hond.

De schaapherder bedankte de ruiters, die nu hun weg vervolgden, voor hun bijstand; hij knoopte, om hun genoegen te geven, het eene einde van het koord van een slinger, dien hij uit zijn tasch gehaald had, aan den halsband vast, en vervolgde zijn weg naar Hilversum.

908SR15.gif (1832 bytes)

Al had Van Schaffelaar geen macht genoeg, om zijn aanstaanden schoonvader op vrije voeten te stellen, toch had hij invloed genoeg, om dezen gevangene onder zijn eigen bewaring te nemen; en Wouter zat met Frank bij een groot vuur, in een kamer van een der huizen in het begin van het dorp, dat door den boschbewaarder bewoond werd. De meester van de Vergulde Helm zag er deftig uit; want hij had een met bont gevoerden rok van Van Schaffelaar aan; en een lange lap lijngewaad, welke om zijn hoofd gewonden was, zou hem misschien voor een Muzelman hebben doen aanzien, indien men niet, wegens den beker wijn, dien hij ledigde, een ondervraging nopens zijn belijdenis van den Islam noodig zou hebben geoordeeld.

Frank zat tegenover hem aan de tafel, en sprak met hem over wat de jonge ruiter in Amersfoort gezien en gehoord had; de meester vroeg naar de kleinste bijzonderheden, en wilde alles weten, wat zijn vrouw en dochter gezegd hadden. „Ho, vriend Frank,” zei hij, „indien mijnheer David maar niet al te vasthoudend is, dan hoop ik spoedig mijn lief wijf en de kleine Maria weer te zien; in mijn hoofd rommelt het nu en dan wel zoo wat; maar die verdoemde Biscayer heeft er toch geen scheur in kunnen slaan; wij weten wel wat een stormhoed moet kunnen verdragen,” en hij lachte. „Niet, beste jongen, dat het hier niet goed is, of dat Van Schaffelaar niet goed laat opschaffen, bij St. Elloy, dat wil ik er niet mee zeggen; maar mijn hart trekt toch weer naar den eigen haard, en ik heb den tijd om te wachten; mijn trouwe Dirk zal wel goed opgepast worden en mijn vrouw en mijn dochter zijn immers even veilig, alsof ik bij hun was. In de steden is men altijd veiliger dan op het land, zoodra er iets te doen is; gij ziet immers, dat onze bruidegom ook al voor de Schaffelaar bang wordt; de ruiters zullen nu al een goed eind op weg zijn. Hé, wat denkt gij er van, Frank? Wat drommel, jongen, drink eens!”

„Ik heb pas gedronken, meester,” antwoordde deze, „en ik denk er evenzoo over als gij.” Hij had Wouter niets gezegd van Perrol, om hem niet noodeloos ongerust te maken, en deze riep lachend: „Nu, dan zullen wij hierover tenminste geen twist krijgen. Maar biecht eens op; want het blijft onder ons: vielen de vrouwen u niet om den hals, toen gij die goede tijding bracht? In zulk een tijd zijn de vrouwen en meisjes niet karig met een kus, vooral als de bode jong en knap is, en een ruiter neemt zulke munt altijd aan. Heb ik heb geraden, Frank?” eindigde hij, en lachte luid.

„Ja en neen, meester,” antwoordde Frank na een oogenblik te hebben gedraaid, en hij stond Op: „Maar gij weet immers hoe vreemd ik gekleed, en hoe mijn gezicht met slijk besmeerd was.”

„Maar ik weet ook, dat het als wat donker was,” zei de smid glimlachend; „en dat de vrouwen naar zulke kleinigheden gekeken zouden hebben, dat geloof ik nooit; ik zie al, gij wilt er niet voor uitkomen; ik weet dus al genoeg,” lachte hij. „Maar zeg mij dan ten minste eens, of de wijn, dien Martha u geschonken heeft, naar uw smaak was, of is dat ook een geheim?”

„O, de wijn was bijzonder naar mijn smaak,” antwoordde Frank. „en ik ben bevreesd, dat als gij weer thuis komt, meester, gij gewaar zult worden, dat ik uw kelder heb nagezien.”

„Dit is maar grootspraak, jongenlief,” zei de smid vroolijk, „want, eilieve, zie eens, drinkebroer, daar staat uw beker nog bijna onaangeroerd op de tafel, en het is de eerste, dien gij dezen morgen hebt ingeschonken.”

„Ik weet het wel,” hernam Frank, „het komt dat ik gisteren en eergisteren te veel gedronken heb,” en hij zag door het glasvenster den weg op naar de zijde van het Gooier bosch.

„Het spijt mij, dat gij er zoo spoedig uitscheidt,” zei Wouter, „en dat gij mij, al is het dan niet van het gelag, tenminste alleen achter de kan laat zitten. Maar verwacht gij wat, dat gij zoo onrustig door de glazen tuurt? Ik dacht u nog te vragen, hoe gij vindt, dat Maria er uitziet sedert zij bruid geworden is, en of het u niet is opgevallen, dat het lieve kind nog grooter geworden is.”

„Op een anderen tijd, beste meester,” zei Frank, „hedenavond bijvoorbeeld, zullen wij er over spreken; doch nu kan ik niet; ik weet niet wat mij scheelt; maar ik heb hier geen rust of duur; het vertrek is mij te eng,” en hij stapte, in gedachten verdiept, heen en weer.

„Uw gedachten zitten toch niet in de kan,” zei deze, terwijl hij zich inschonk; „drink eens, zooals het een ruiter betaamt, en dan zal die gekheid wel overgaan.” Maar in weerwil van zijn woorden, sloeg hij Frank met belangstelling gade. Op dit oogenblik werd de deur geopend; de schaapherder stak zijn hoofd er tusschen door naar binnen, en zei: „Goedendag, Frank, men zei mij, dat gij alleen waart.” „O, vader Ralph, zijt gij daar!” riep de jongeling en keerde zich snel om; want hij stond met den rug naar de deur gekeerd, toen deze geopend werd.

„En wie is die daar?” vroeg de schaapherder en wees op den smid, die hem nieuwsgierig aanzag.

„Het is de meester uit de Vergulde Helm, vader,” antwoordde Frank, „treed toch binnen, voor hem behoeft gij niets te verzwijgen,” en hij streelde Wolf, die tegen hem opsprong, over den kop.

„Zoo,” zei de herder bedaard, en ging op een bank zitten. „Wat ik u te zeggen heb, kan en moet ook door hem gehoord worden. Ik ben blij u te zien, Frank,” vervolgde hij, en zijn stem beefde van aandoening, terwijl hij den jongeling, die voor hem stond, de hand drukte; „want zie, ik ben dezen nacht om uwentwil nog ver gegaan; ik dacht, dat alles met u gedaan zou zijn geweest, en dat ik u heden begraven zou hebben.”

„Hem begraven?” zei de smid, ongeloovig het hoofd schuddend.

„Mij!” riep Frank, „en zijt gij daarom in dat akelige weer vannacht bij den weg geweest?”

De schaapherder knikte met het hoofd, en de nieuwsgierige smid riep ongeduldig: „En, bij St. Eloy, wat is er dan toch weer aan de hand geweest, oude man?”

„Wat er gebeurd is, meester uit de Vergulde Helm?” antwoordde de schaapherder met nadruk, „Perrol heeft heden nacht de Schaffelaar verwoest.”

„Perrol!” riep Frank, en klemde zijn vuist krampachtig tezamen.

„Heeft die de Schaffelaar verwoest?” riep de smid verwonderd uit, en schoof den beker ter zijde.

De schaapherder knikte toestemmend; vervolgens vertelde hij, hoe dit ongeluk gebeurd was, en antwoordde op de vragen van den meester en den jongen ruiter, terwijl hij onder de hand een stuk brood met vleesch at, dat Frank hem voorzette. Toen hij zijn maaltijd beëindigd had, waarvan Wolf ook zijn deel kreeg, stond hij op, en zei: „Het is een groot verlies, maar niet onherstelbaar; ik dacht dat gij dezen nacht nog op de Steenen-kamer gebleven zoudt zijn, en daarom, Frank, was ik vooruitgesneld om u te waarschuwen.

„Ik dank u, Ralph,” hernam Frank langzaam; „het noodlot vervolgt mij; het verlangen om den meester te zien, lokte mij hierheen, waarom wildet gij mij redden, waarom ben ik maar niet gebleven?”

„Waarom?” zei de schaapherder ernstig, „omdat het uur van uw dood nog niet gekomen was; de wil kan, aan hetgeen beschikt is, niets veranderen, Frank,” vervolgde hij aangedaan, en legde de hand op den schouder van den ruiter, „gij denkt dus niet meer om mij, wijl gij u beklaagt, dat de oude man zijn lichaam met geweld heeft voortgesleept, om u voor een ongeluk te behoeden.”

„Vergeef het mij, vader,” riep Frank zacht, en nam de hand van den schaapherder in de zijne, „ik ben ondankbaar, schandelijk ondankbaar; maar vergeef het mij; gij weet…… Hier zweeg hij en bedekte zijn gelaat.

„Ik weet het,” antwoordde Ralph vriendelijk, „maar houd goeden moed, Frank, en denk niet aan hetgeen ik gezegd heb; ik weet, dat gij mij niet zult vergeten, vaarwel!”

„Gij blijft dus niet, Ralph?” zei Frank snel, „en toch zou de rust zoo noodig voor u zijn; ik bid u, blijf dezen dag hier.”

„Neen, Frank,” hernam deze, „ik moet gaan; want morgenochtend moet ik een graf graven voor den man, die het huis nog heeft willen verdedigen; dus, vaarwel!” Hierna drukte hij Frank de hand, groette den meester, gelastte Wolf hem te volgen, en verliet met hem het huis.

Wouter, die door deze tijding geheel teneergeslagen was, betuigde echter zijn vreugde, dat noch Van Schaffclaar, noch Frank op de Schaffelaar geweest was, toen Perrol die innam.

„En toch,” zei Frank somber, „indien ik er geweest was, dan...”

„Dan zou de Zwarte Bende er toch wel in gekomen zijn, beste vriend,” viel de meester hem in de rede, „en die ongeluksbode, de schaapherder, zou nu zeker ook een graf voor u moeten graven.” Frank antwoordde niet, maar zette zich bij het vuur neer, staarde er in, en grimlachte bitter: de goede meester wist niet, dat dit juist de wensch van den ongelukkigen jongeling was. 

908SR15.gif (1832 bytes)

De SchaffelaarInhoudopgave OltmansDe inlegering

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)