J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL I – HOOFDSTUK V

DE HINDERLAAG

Toen stroomden ze uit de ontsloten poort,
Van man en maag verzeld,
En braken door de drommen voort,
Die krielden over ’t veld.
H. TOLLENS Cz.

I.gif (3249 bytes)n de maand September gaf hertog Maximiliaan eindelijk aan de dringende verzoeken van den stadhouder van Holland en van David van Bourgondië gehoor; hij kwam in zijn noordelijke gewesten, en hield in ’s-Gravenhage een dagvaart van al de steden van Holland. De Bisschop zond meester Dirck Utenweert, deken van Oud-Munster en zijn vicaris-generaal naar Den Haag om zijn belangen te behartigen, en daar de hertog zag, dat de algemeene stem tot den oorlog neigde, gaf hij zijn toestemming; te meer, daar men hem verzekerde, dat de stad Utrecht met het ganschee Nedersticht in één maand ten onder zou kunnen worden gebracht.

De hertog liet op staanden voet Utrecht aan de helpers dier stad ontzeggen; doch Montfoort en zijn partij bekreunden zich hierom weinig; zij gingen voort met zich van alles te voorzien, wat hun aan levensbehoefte en krijgsvoorraad nog ontbrak, trokken in grooten getale uit Utrecht, en veroverden en verwoestten de sloten Nijenrode en den Ham; dit was het antwoord op de oorlogsverklaring van den hertog. De heer Van IJsselstein had op last van den Bisschop het Hoofd ter Eem van mondbehoeften en een flinke bezetting voorzien; doch die van Utrecht kenden het gewicht van deze sterkte, waarmee men hun allen toevoer langs de rivier de Eem kon afsnijden, rukten er voor, en veroverden haar op St. Lambertsdag; zoo ging dan ook dit belangrijke steunpunt voor den Bischop verloren. De heer Van IJsselstein behaalde wel een klein voordeel op die van Montfoort, welke een strooptocht in het IJsselsteinsche deden, maar toen hij later een aantal voet- en paardenvolk vereenigd had, waarmee hij het blokhuis aan de Vaart hoopte te verrassen, dat Jan van Montfoort pas was begonnen te versterken, stiet hij er het hoofd, en was genoodzaakt met verlies van eenig volk af te trekken, en zich met het afbranden van woningen en hoeven te vergenoegen. De Utrechtschen hadden dus tot nog toe in die afzonderlijke gevechten en aanslagen het voordeel gehad, en de hertog, die eerdaags weer naar Brabant zou vertrekken, trachtte David van Bourgondië in de maand September te overreden om al het krijgsvolk, dat hij niet bepaald noodig had om zijn persoon en zijn steden te beschermen, met de troepen, die in Holland bijeengebracht waren, te vereenigen, ten einde met meer kracht en eenheid den vijand alle mogelijke afbreuk te doen. Na lang beraad en op het aanhouden van zijn edellieden en krijgsbevelhebbers, gaf hij eindelijk aan dit verzoek gehoor, en het legertje werd om en bij het gehucht Maren, op den Amersfoorter Berg gelegen, bijeengebracht. Hij zelf nam met den heer Van IJsselstein en eenige andere heeren zijn intrek in de gebouwen, die toebehoorden aan de Abdij van Beerne, welke het grootste deel van de Marensche bergen in eigendom bezat, terwijl de overige bevelhebbers op het slot Maarsbergen gehuisvest werden.

Op een schoonen namiddag in September stond het voet- en paardenvolk tot oprukken gereed, opgesteld om den zegen van hun geestelijken heer te ontvangen. In plechtgewaad naderde hen de bisschop, gevolgd van zijn geheelen stoet van geestelijke dienaars. Hij hield een korte toespraak, waarin hij met de gewone toezegging van belooning en erkentelijkheid te kennen gaf, wat van hen verlangd en verwacht werd, en gaf hun zijn bisschoppelijken zegen, welken hen, zoo hij zeide, onoverwinnelijk zou maken. Toen klonk de krijgsmuziek en het volk riep: „Leve de Bisschop, Bourgondië en St. Maarten!”

Na afloop der plechtigheid verwijderde David van Bourgondië zich met zijn gevolg, en de diepste stilte werd ieder op doodstraf bevolen. Met stille trom rukte het krijgsvolk voorwaarts. De avond was reeds gevallen, en de duisternis begunstigde dezen tocht, welke niet zonder gevaar was, want de weg dien zij volgden, liep dwars over den berg op Soest aan; maar voor zij dit dorp bereiken konden, moesten zij tusschen Amersfoort en Utrecht doortrekken en den weg oversteken, die deze steden vereenigde. Het paardenvolk reed aan de vleugels en maakte de voorhoede uit; daarop volgde het voetvolk, dat, behalve de legerwagens, een drietal bussen meesleepte. Gelukkig was men in Utrecht niet goed onderricht over het doel van deze verzameling van gewapend volk, of verwachtte men niet, dat het nog zoo spoedig zou opbreken; althans, hetzij het hieraan, of aan den zegen van den Bisschop te danken was, zij volbrachten, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, hun tocht. Nog voordat de dag aanbrak, verlieten zij het dorp Soest, waar zij uitgerust hadden, en trokken verder op, om zich met het Hollandsche krijgsvolk te Laren te vereenigen. Die van Utrecht hadden de gelegenheid laten voorbijgaan om dit legertje geheel te verdelgen, of, op zijn minst genomen, te verstrooien en tot een schandelijken terugtocht te noodzaken.

908SR15.gif (1832 bytes)

Vier dagen, nadat de heer Van IJsselstein, die het bisschoppelijke leger aanvoerde, zich met de Hollandsche krijgsmacht vereenigd had, trad een oud man, die een hond bij zich had, bij den Keulhorsterdijk in een schuitje, dat in de Eem lag, stak de rivier over en bond het vast. Aan hem wien het toebehoorde, liet hij de zorg over om het terug te halen en hij richtte zijn schreden langs den Eemdijk naar Amersfoort. Het was Ralph, die, nog voordat de dag aanbrak, zich met Wolf op weg bevond; hij liet IJsselt aan zijn rechterzijde liggen en volgde de rivier, zonder zijn gelijkmatigen stap te vertragen of te versnellen, totdat hij aan een hoogte kwam, waar de weg omheen liep. Het was de laatste verhevenheid aan deze zijde der Amersfoorter Bergen, die bij de stad bijna tot aan de rivier reiken, of het overblijfsel van een aarden bolwerk, hier in vroeger dagen tot verdediging van de Eem opgeworpen. Ralph beklom den met gras en struiken begroeiden aardhoop, waarbij hem zijn staf van veel dienst was. Daarna zette hij zich op den top op zijn gemak neer, en deelde met Wolf zijn ontbijt; het eenige onderscheid in beider maaltijd bestond hierin, dat de meester uit een leeren zak dronk, dien hij bij zich had, en dat de hond genoodzaakt was aan de rivier te gaan drinken, wanneer hij dorst gevoelde. De diepste stilte heerschte nog in den omtrek, en werd alleen onderbroken door het slaan der klokken in de stad en op de omliggende plaatsen, en het loeien van het vee in de naburige weiden. De rivier volgde haar loop met een bijna onmerkbaar gemurmel, en naar de zijde van de stad hoorde men het geruisch van het water der Veluwsche beken, dat zich buiten de stad met sterk verval in de rivier stortte.

Plotseling echter richtte Wolf, die op het gras uitgestrekt had gelegen, zich op, en zag naar de zijde van het water; maar toen hij op het punt stond om door luid geblaf te kennen te geven, dat hij iets vreemds bemerkte, vatte Ralph hem in den leeren halsband, en gebood hem zich stil te houden. Het was nog zoo duister, dat de hond alleen door de fijnheid van zijn gehoor- of reukzenuwen iets moest ontwaard hebben, want zijn meester ontdekte niets, zoover hij zien kon. Eindelijk echter hoorde hij een geluid aan de overzijde van de Eem, alsof er vele menschen in gelijken tred voortgingen, en weldra was hij zeker, dat hij zich niet bedrogen had. Toen zij, die de rivier volgden, ten naastenbij tegenover hem waren, – want het was nu zeker, dat er volk aan de overzijde was, – hielden zij stil. Een oogenblik hoorde men iemand iets zachts, doch kortaf, gebieden; het ijzer van harnas en wapenen ritselde; daarna was alles weer stil, en men hoorde niets aan de overzijde dan het schuren van den stroom langs den oever.

Reeds werd de zon achter de hoogten van de Veluwe zichtbaar, toen de herder nog op dezelfde hoogte zat; hij was echter zoo verborgen tusschen een paar heesters, die er op stonden, dat men noch van hem, noch van zijn hond op eenigen afstand iets kon zien. Achter zich had hij de Amersfoorter Bergen; links het vlakke land langs de boorden der Eem; vóór zich, over de rivier, het Hoogland; daarachter, meer ter zijde in het verschiet, de Geldersche hoogten, en aan zijn rechterhand de stad met haar muren, torens en kerken. Vooral aan zijn linkerzijde had hij een uitgestrekt gezicht over het lage Eemland, en alleen de dijken, welke door het land liepen, en de boomen, die de woningen omringden, welke achter Keulhorst en Emmeklaar stonden, zoowel als de nevel, die nog over het veld hing, verhinderden hem tot aan de zee te zien. Tegenover zich zag de schaapherder een aantal soldaten, die zich achter wat houtgewas in hinderlaag gelegd hadden: met hun wapens naast zich, lagen zij allen dicht aaneengesloten op den grond, opdat men hen niet gemakkelijk zou bemerken; en hun aanvoerder, die nu en dan behoedzaam op verkenning uitging, vermoedde zeker niet, dat iemand hen van nabij gedesloeg. Doch weldra zag Ralph een menigte krijgvolk, met snellen tred van den Keulhorsterdijk langs den Hamweg de stad naderen. Toen de voorsten bijna onder het bereik van een boogschot van de stad af waren, verspreidden zij zich naar alle kanten in de weilanden, en begonnen al de beesten, die in het land liepen, voor zich uit te drijven, en het geheele land, zoover als Ralph het kon overzien, was weldra overdekt met deze nieuwe soort van herders of beestendrijvers.

Door den mist, die nog niet was opgetrokken, kon waarschijnlijk de wachter op den toren niets van dat alles gewaar worden; maar het geloei der dieren, die in hun rust gestoord werden, en voornamelijk de melkbeesten, welke, in plaats van door den melker van hun melk verlost te worden, door de ruwe krijgslieden genoodzaakt werden zich met spoed te verwijderen, maakten den wachter eindelijk opmerkzaam, dat er iets ongewoons plaats had. Zij, die aan de Bloemendalsche Poort de wacht hadden, bemerkten spoedig wat er gaande was, en schoten hun roeren af. Zoo rustig als het nu aan de zijde van de hoogte was, waarop Ralph zat, zoo onrustig werd het aan de andere zijde der rivier.

Weinige oogenblikken nadat de wachten op den Lieve Vrouwetoren, door een herhaald blazen op zijn boom, het teeken gegeven had, dat er onraad was, begonnen de klokken van de St. Joriskerk en de kloosters te kleppen, en in de stad, die tot nog toe in een diepen slaap gedompeld was geweest, verhief zich nu ook het eentonig geluid van de bekkens, welke geslagen werden, waaraan zich een verward gedruisch van de burgers paarde, die zoo opeens in hun rust gestoord, door elkander op straat liepen, en door hun geschreeuw elkander meer vervaard maakten dan hun vijanden.

Eindelijk zag Ralph een aantal burgers uit de Bolder- en Bloemendalsche Poorten te voorschijn komen; het kleine aantal soldaten, dat zij waarschijnlijk van de muren hadden kunnen zien, en hun eigen sterkte hadden hen zeker doen besluiten om zich hun vee zoo maar niet te laten ontvoeren, en zij trokken in een verwarden hoop, voorzien van allerlei geweer, en velen ten halve gekleed, al schreeuwend vooruit. In vergelijking met de burgers, die met geheele hoopen uit de poorten stroomden, waren de soldaten ook zeer zwak; toch gingen zij bedaard met het voortdrijven van ossen, koeien, paarden en kleiner vee voort; en hoe meer zij zich van de stad verwijderd, hoe meer zij elkander naderden en zich aansloten. Hun achterhoede was sterk genoeg om de driftigste burgers terug te drijven, en hen te noodzaken degenen, die niet zoo hard geloopen hadden, op te wachten, ten einde gezamenlijk den aanval te beproeven.

Slechts enkele burgers hadden vuurwapenen; zelfs was het aantal der boog schutters niet groot; pieken, hellebaarden, pijlen, zwaarden en ook ander minder krijgsmansachtig geweer diende hun tot wapen, en de soldaten, die hun het hoofd boden, waren meest van bogen of roeren voorzien. Zij, die aan de rivier in hinderlaag lagen, hielden zich nog altijd stil, en de burgers waren hen voorbijgegetrokken zonder hen te ontwaren. Voorbij den Hamweg zag Ralph weldra geen soldaat, en nog maar een enkel stuk vee meer, dat aan hun handen ontsnapt was. De krijgslieden en hun roof bevonden zich dáár reeds achter of op den Keulhorsterdijk; doch meer naar de rivier ontmoette het voortdrijven van het vee zooveel moeilijkheid, dat alles zich voorbij de sluizen, in de bocht van den dijk met de Eem samenpakte. Terwijl nu de soldaten alle moeite aanwendden, om het domme vee langs den Eemdijk en den weg door Keulhorst, voort te drijven, waren de burgers eindelijk in zulk een aantal bij elkaar, dat zij tot den aanval besloten, en zich een gemakkelijke zegepraal beloofden op de achterhoede der soldaten, die niet konden terugtrekken, voordat de wegen weder vrij waren. Een hoopje burgers, dat Ralph pas later met de meeste orde uit de Bloemendalsche Poort had zien komen, scheen echter begeerig om in de schermutseling vooraan te zijn. Het gevecht begon; de afstand, waarop het plaats had, zoowel als de damp van het buskruit, verhinderde den schaapherder te zien, hoe alles zich toedroeg. Het scheen echter, dat de soldaten zich staande hielden; de burgers vielen nu opnieuw aan, en zelfs zij, die op een afstand stonden te kijken, om te zien hoe alles zou afloopen, roepen mee: „Amersfoort en Montfoort vooruit!”

Opeens echter vertoonde zich een vrij aanzienlijke hoop voetknechten op den Hamweg en wel aan de bocht, die de weg neemt, als hij de Eem bij de stad nadert, en de burgers, die in kleine hoopen verstrooid in het veld stonden, namen overhaast de vlucht naar de stad; sommigen echter liepen naar hun medeburgers, die bezig waren met schermutselen, misschien meer uit vrees dat zij de stad niet bijtijds zouden bereiken dan om de zwakste partij te hulp te komen. De soldaten, die vóór Keulhorst of op den dijk gestaan hadden en zich zoo goed mogelijk tegen de burgers hadden verweerd, vielen nu zelf aan, toen dezen terugtraden. Een oogenblik schenen de burgers in beraad te staan, wat hun te doen stond; maar de naderende vijand, die hen uit de hinderlaag achter den Ham in den rug viel, en hen weldra geheel dreigde in te sluiten, liet hun geen andere keus dan zoo spoedig mogelijk terug te keeren, zich gevangen te geven of te sneuvelen; het eerste was zeker het verkieslijkste, doch niet gemakkelijk. Ralph zag nu hoe de soldaten, die tegenover hem lagen, eindelijk hun gemakkelijke houding verlieten en zich oprichtten. Zij waren, behalve met hun zijdgeweer, met halve pieken en voetbogen gewapend; zij hielden zich echter nog achter het niet zeer bladrijke boomgewas, dat hun ternauwernood verborg. Even spoedig en even ordeloos als de burgers waren komen uitloopen, was ook hun terugtocht, of liever hun vlucht, en pijlsnel liepen zij naar de ruimte, welke er overbleef, tusschen het volk, dat hun den terugtocht trachtte af te snijden, en de rivier, in de hoop hier door te dringen. Die van de stad hadden zeker nu een paar bussen op den muur of op een der bolwerken daarbinnen gesleept; want Ralph zag het vuur en den rook van deze stukken. De schoten vielen, maar de kogels schenen niet veel kwaad te doen, daar de vijand misschien te ver verwijderd was; en toen de ongelukkige burgers aan Amersfoort den eenigen weg, die hun nog overbleef, wilden nemen, werden zij opeens in hun vlucht gestuit door de voetboogschutters, die nu bij de rivier te voorschijn traden en hun pijlen op hen afschoten.

Een wanhopig geschreeuw dat van de muren herhaald werd, verhief zich toen in het veld, de vrouwen en kinderen zagen daar hun mannen en vaders aan den doos prijsgegeven. In dit hachelijk oogenblik trokken de soldaten, die in de stad in bezetting lagen, uit de Bloemendalsche Poort; zij hadden tot nog toe gelegerd de stad te verlaten, die aan hun bescherming was toevertrouwd, daar zij, naar zij zeiden, geen last hadden om buiten de stad te vechten of op het vee te passen; maar de verwoede menigte had hen gedwongen den uitval te beproeven. Zij trokken echter zoo langzaam voorwaarts, dat er echter in het geheel geen hulp van hun aanval te verwachten was; maar zij, die in de stad de bussen bedienden, en misschien de vruchteloosheid van hun schoten bemerkt hadden, gebruikten die met vrucht om hun eigen soldaten met verhaasten tred te doen voortgaan.

De schaapherder zag nu, hoe het hoopje burgers, dat met zooveel orde was uitgetrokken, en zich bij den aanval aan de spits gesteld had, ook nu weder dien post op zich scheen te willen nemen; een kleine aarzeling, welke er onder de vijandelijke soldaten ontstond, toen die uit de stad meer en meer naderden, werd door hen te baat genomen, en zij wierpen zich vol moed op hun bestokers. De vorige burgers trachtten enkel nog hun lijf te redden, grepen dit oogenblik aan, en zonder acht te slaan op de pijlen der voetboogschutters, die velen hunner neerwierpen en kwetsten, liepen zij naar de stad. De voetknechten waren door den uitval van die uit de stad, en door den dapperen aanval van die weinige burgers verhinderd, hun linkervleugel meer naar de rivier te laten oprukken, en de boogschutters waren niet sterk genoeg om de vluchtende menigte in haar vaart te stuiten; zij moesten zich dus vergenoegen hun pijlen in den dichten hoop te schieten.

Toen de stadssoldaten het voetvolk bijna bereikten en zich gereed maakten om hun roeren los te branden, kwam er langs den Hamweg een bende ruiters in vollen galop aanrukken, die waarschijnlijk tot nog toe achter de Huizen van den Ham verborgen waren geweest. Ralph zag hen dadelijk, misschien eer dan de soldaten, die hun roeren afvuurden, hij stond op, en zag met aandacht naar die zijde, en het scheen alsof de nieuw aangekomenen hem bijzonder veel belangstelling inboezemden. Toen de rook optrok, zonder dat er een nieuwe losbarsting was geschied, zag hij, dat de soldaten meerendeels waren neergesabeld; zij, die overgebleven waren, liepen, door de ruiters vervolgd, zonder wapens of met slepende pieken naar de stad. Twee ruiters echter, die misschien de aanvoerders waren, stonden naast elkander op den weg; zoo zij al deelgenomen hadden aan den bijval, zoo vervolgden zij toch den vluchtenden vijand niet.

Bevrijd van deze bestokers, maakte het voetvolk een snelle linksche beweging, zoodat het vluchten naar de stad onmogelijk werd. Thans liep het hoopje burgers, dat tot nog toe zoo heldhaftig gestreden had, ook uiteen; de eenige keus, welke den ongelukkigen nog overbleef, was de rivier, en velen begaven zich te water. Maar ook hier troffen de pijlen en kogels; Ralph zelf scheen nu niet meer veilig te zijn; een pijl snorde hem langs het hoofd, en hij zag een soldaat, die zich vooroverboog om zijn voetboog te spannen, het oog op hem gericht houden. De schaapherder glimlachte, zag nog eens over de vlakte, en daalde met Wolf aan de landzijde van de hoogte af. Snel legde de soldaat den pijl in de groef van den boog, bracht de kolf tegen zijn rechterschouder, en mikte over den pijl.

De muts van den schaapherder bewoog zich nog altijd heen en weer achter aardhoop; de soldaat drukte de pees los, de pijl snorde door de struiken doorboorde de muts van schapenvel; maar toen de muts zich in de hoogte verhief, en hij zag, dat zij op een stok geplaatst was, vloekte hij luid op dengene, die hem twee schoten had doen verspillen. Een spottend gelach antwoordde hem; de muts boog zich voorover, als om hem te groeten, en verdween.

908SR15.gif (1832 bytes)

Sedert de belegering van en bestorming der stad door Filips van Bourgondië, den vader van den tegenwoordigen Bisschop, had er in Amersfoort niet zulk een volksbeweging plaats gehad; maar helaas, het was thans geen door de overwinning opgewonden menigte, die door luide kreten haar zege verkondigde; men had geen buitgemaakte vaandels in Gods huis op te hangen, of plechtige omgangen tot dankzegging te houden; overal heerschten rouw en wanhoop. De vrouwen der verslagenen liepen, gevolgd door hun schreiende kinderen, als radeloos door de stad, vervulden de lucht met hun weeklachten, vroegen aan allen die zij tegenkwamen, haar echtgenoot, den vader van haar kinderen terug, en beschuldigden in hun zinsverbijstering de mannen en knapen, die zij ontmoetten, van lafheid.

Het waren nu niet de lijken van de Bourgondische krijgslieden, die onbegraven in de van vee beroofde velden lagen, maar de uitgeplunderde lichamen der Amersfoortsche burgers. De verwarring en de schrik waren zoo groot geweest, dat de burgers niet eens den moed hadden gehad aan hun gesneuvelde medeburgers dezen laatsten hoon te besparen: niemand durfde zich buiten de muren te wagen, voordat de achterblijvers en trosboeven van het vijandelijke leger, die de dooden uitkleedden en beroofden, zich verwijderd hadden. Vrouw en kind begaven zich nu naar buiten, en zij, die het gevecht gelukkig ontkomen waren, gingen vooraan om de plaats aan te wijzen, waar zij, die aan hun zijde gestreden hadden, gevallen waren. Een man, dien men sedert geruimen tijd in de verte het slagveld had zien doorkruisen, kwam nu naar de stad, en begaf zich naar binnen, toen de anderen naar buiten snelden. Hij antwoordde niet op hetgeen men hem vroeg, maar vervolgde langzaam en pijnlijk zijn weg, zijn schreden ondersteunend door te leunen op een groot, breed zwaard, dat hem tot wandelstaf diende. Ook in de Vergulde Helm heerschte droefbeid; de vroolijke meester Wouter was niet teruggekeerd; ook hier beweende men een vader en het hoofd van het huisgezin. Hoewel moeder en dochter hun smart minder luidruchtig geuit hadden dan vele andere vrouwen, toch was die niet minder hevig, en daar de onzekerheid, waarin zij verkeerden, bijna even pijnlijk was als het ongeluk zelf, toch deed de terugkomst van de drie oudste gezellen van den smid voor een oogenblik haar droefheid verminderen en de hoop herleven.

Vrouw Martha bevond zich met haar dochter in de huiskamer; de grond was geheel nat van het water, dat droop uit de kleeren van Dirk en de twee gezellen, die op een bank zaten, en op hun zwaarden geleund, van de vermoeienissen uitrustten. Wat Dirk betreft, hij zat in den stoel van den meester, en vertelde aan de vrouwen, die met angstige verwachting de woorden uit zijn mond opvingen, hoe alles zich had toegedragen. Op de eerste vraag van Martha, of haar man leefde of dood was, had Dirk zijn schouders opgehaald en gezegd. „God geve, dat ik mij bedrieg, maar ik vrees, dat de Vergulde Helm zijn meester verloren heeft.” Hij verhaalde voorts, hoe Wouter aan allen, die hij in de haast had kunnen vereenigen, aangeraden had, zich eerst behoorlijk te wapenen en daarna wel later dan vele andere burgers was uitgetrokken, maar toch het eerst met ernst het gevecht had aangevangen tegen de soldaten van Van Wilpen, die het vee voor zich uitdreven en de achterhoede uitmaakten. „Maar toen onze meester den tweeden aanval wilde beproeven tegen de vijandelijke knechten, die vóór Keulhorst bij de rivier hadden post gevat,” vervolgde hij, „toen kwamen die satanische knapen van den kapitein Salazar, die de tweede slagorde had, achter de huizen van den Ham te voorschijn en vielen ons in den rug, om ons te omsingelen. Nu was er aan geen redden van het vee meer te denken; elk zag naar een goed heenkomen om, en de vlucht begon. De meeste burgers wierpen hun wapens weg, en de soldaten van Van Wilpen begonnen nu ook op hun beurt ons duchtig met hun roeren en bogen te bestoken. O, waren al de burgers zoo goed gewapend geweest, als wij van de Langestraat, en zoo moedig als mijn meester, dan hadden wij nog wel door de slagorde van die Fransche huurknechten kunnen heenbreken, maar het was een verwarde hoop. Vergeefs riep de meester: „Staat, burgers! Sluit aan en volgt de jongens van de Langestraat!” maar zij luisterden niet naar hem, en zochten, tusschen den vijand en de Eem door, naar de stad te ontkomen. Maar zie, daar rezen eenige voetboogschutters op, die achter het eikenboschje aan den rivierkant verborgen gelegen hadden en op ons schoten; nu vermeerderden de angst en de vertwijfeling; de pas was afgesneden; alles drong weer achteruit en met moeite worstelden wij door die besluitelooze menigte heen. Op dit oogenblik moeten zeker die luie schobbejakken van soldaten, die hier in de stad zoo den gebraden haan speelden, zijn aangevallen; indien zij vroeger hun plicht gedaan hadden, zouden zij zelf en wij er misschien beter afgekomen zijn; maar zij kwamen te laat en hun uitval diende alleen om ons van eenige rabauwen te verlossen, die het leven niet waard waren, terwijl er toch zooveel brave lieden gevallen zijn. Hun komst maakte echter, dat kapitein Salazar zich zoo spoedig niet tot aan de rivier kon uitbreiden en onze meester greep deze gelegenheid aan, om een poging te doen tot behoud van de burgers, die het gebruik van hun armen en wapens schenen te hebben vergeten. „Ik wil laten zien,” riep hij, „dat de meester uit de Vergulden Helm in zijn jeugd soldaat geweest is, en dat hij evengoed een harnas weet te verbrijzelen als te smeden. Komaan, jongens van de Langestraat! Laten wij die knapen van den kleinen Salazar eens luchtig op de huid vallen; indien wij zijn linkervleugel verslaan, zijn wij gered, en arme menschen, welke als het onnoozele vee in het rond loopen, kunnen zich redden, als zij die boogschutters onder den voet loopen! Die mij liefheeft, volge mij, val aan, Amersfoort, val aan!” Met deze woorden snelde hij welgemoed op den vijand in. „Valt aan, jongens, jongens van de Langestraat, slaat dood!” riepen wij, die hem volgden; doch wij waren weinig in getal; ik was met vijf van mijn makkers achter hem, met velen van ons gilde en de naaste buren van den meester. De weerlooze hoop burgers maakte nu ook grootendeels gebruik van deze gelegenheid om naar de stad te vluchten, maar die laffe soldaten lieten zich reeds bij den eersten aanval door de vijandelijke rijzige ruiters overhoop werpen, en sloegen op de vlucht. Toen kregen wij de geheele macht van dien duivelschen Salazar op het lijf. Mij dunkt, ik zie hem nog, op een groot wit paard, achter de gelederen van zijn volk, dat hij op zijn manier op ons aanvuurde. Vele honden zijn des hazen dood, zegt men; zoo ging het ook bij ons: de meester was zoo driftig, dat hij mij niet hoorde, toen ik hem aanried ook om zijn behoud te denken; doch hij riep maar: „Terug, Salazar! Leve St. Eloy! Voor Amersfoort!” Helaas, wat ik verwacht had, gebeurde; een der vreemde soldaten gaf hem zulk een slag met zijn hellebaard op het hoofd, dat de meester bewusteloos neerviel. De soldaten juichten, toen zij hem zagen vallen; want zij hadden de kracht van zijn arm ondervonden; eenigen wierpen zich op hem om hem af te maken, indien hij nog leefde. Vruchteloos beproefden wij, gezellen, ten minste zijn lichaam meester te worden, want nauwelijks was hij gevallen, of de soldaten wierpen zich op ons. Sedert heb ik onzen goeden meester niet weergezien; een oogenblik boden wij nog weerstand, en drie van mijn makkers vielen aan mijn zijde. De dood van den braven meester uit de Vergulde Helm benam den moed aan hen, die bij ons waren; ook de jongens van de Langestraat zochten een goed heenkomen, of liever een andere plaats om te sterven. Van alle kanten ingesloten door het zegevierend krijgsvolk, dat lustig de trom roerde, van alle zijden bestookt met pijl en kogel, bleef er niets over, dan door het water heen aan den dood te ontkomen. Ik wierp mij met deze twee gezellen zonder aarzelen in de Eem; velen volgden ons voorbeeld, zelfs waren er onder, die voor het eerst van hun leven te water gingen. Wij bereikten met ons drieën gelukkig de overzij, ofschoon die verdoemde voetboogschutters nog menigeen in het water doodschoten of kwetsten; zij troffen mij echter slechts aan den arm. Toen wij aan den vasten wal en gered waren, begon aan de overzijde de slachting van de arme burgers, die weldra niet eens meer het water konden bereiken, maar zich moesten overgeven. Zij werden onbarmhartig van het leven beroofd; toch geloof ik, dat velen nog gered zijn; want toen wij stadwaarts gingen, zagen wij de bisschoppelijke ruiters, die dwars over het veld kwamen aanrennen en zich tusschen de soldaten en de burgers wierpen; het overschot is dus zeker gevangen genomen. Hier eindigde Dirk, en zei nog eens, dat het ongeluk alleen geschied was, omdat de smid zich voor zijn medeburgers in de bres gesteld had en hij ried de vrouwen aan, om alle hoop nog niet op te geven, voordat men nadere berichten had.

Maria en haar moeder hadden gunstiger tijding verwacht; opnieuw stortten zij tranen over den goeden meester, die steeds een zorgvol echtgenoot en vader geweest was. Nog veel wilden zij vragen, maar de bleekheid van den meester knecht en de vermoeidheid, welke de drie mannen lieten blijken, maakten, dat zij de gezellen aanrieden zich van droge kleeren te voorzien; deze verlieten dan ook het vertrek om zich in de werkplaats te gaan verkleeden. Toen zij terugkwamen, hadden moeder en dochter weer meer hoop, want de eene had de andere zoeken te troosten. Griet had gezorgd, dat er wijn en brood voor de gezellen voorhanden was; ook scheen de wijn hun krachten te doen herleven. Zij waren alle drie op meer dan één plaats licht gewond, maar hadden daar zelf in voorzien; doch Maria verbond de wond, welke Dirk aan den arm had en die vrij ernstig was. „Ik dank u, Maria,” zei de gezel; „ik wenschte wel, dat gij uw vader ook dienzelfden dienst kondet bewijzen; dan ware hij nog hier en wij allen waren gerust.”

„O, ik had ook nimmer geloofd, Dirk,” zei vrouw Martha, „dat gij zoudt terugkomen zonder den meester, en toen ik u zag, dacht ik reeds, dat hij gered was.

„Zoo,” antwoordde Dirk verlegen, „ik had het, bij mijn ziel, zelf niet geloofd, indien iemand het mij gisteren gezegd had; maar tegen de overmacht kan men niet; ook weet gij nu immers nog wat er gebeurd is en hebt iemand om den winkel aan den gang te houden, want wat konden die drie arme borsten die na den meester gevallen zijn, u voor dienst doen? Immers niet, en toch zou ik misschien maar beter gedaan hebben om mij maar te laten vermoorden, als gij denkt, dat ik een ontrouw gezel geweest ben.”

Martha en haar dochter hadden moeite om hem te beduiden, dat zij hem, noch zijn makkers beschuldigden; de vrouw gevoelde, dat zij jegens den trouwen knecht onrechtvaardig geweest was, en toen zij hem vroeg, of de soldaten, die zich op den smid geworpen hadden, hem voor zijn oogen met hun wapenen getroffen hadden, antwoordde hij, dat Wouter nauwelijks gevallen was, toen hij reeds door het vooruitdringend volk aan hun oog onttrokken werd, waaruit hij opmaakte, dat de meester, zoo de eerste slag hem niet gedood had, misschien nog in leven kon zijn. Maria wischte de tranen af, die langs het schoone en van alle kleur beroofde gelaat biggelden, en vroeg: „Maar, Dirk, ik heb u van rijzige ruiters hooren spreken; kunnen die nog niet tijdig genoeg gekomen zijn? Immers indien de heer Van Schaffelaar zich bij hen heeft bevonden, dan liep mijn goede vader geen gevaar.

„Tijdig,” herhaalde Dirk, en daar hij niet opnieuw wilde zeggen, dat Wouter reeds lang gevallen was, toen de ruiters kwamen, en de vrouwen zoo hun laatste hoop niet wilde ontnemen, vervolgde hij: „Ja, wij willen het hopen, maar zeker weet ik het niet, en al hing er mijn leven aan, dan zou ik niet kunnen zeggen, of de heer Van Schaffelaar er bij geweest is of niet.”

„Hoe is het mogelijk,” zei Martha verwonderd „gij waart er immers bij, en hebt ons zelf van de ruiters verhaald.” Zij wenschte zoo gaarne, dat hij haar verzekerd had, dat de meester nog leefde, maar de eerlijke borst, die niet anders gewoon was dan de waarheid te zeggen, haalde de schouders op en antwoordde: „Ja, bij mijn ziel, wij hadden geen tijd om naar het paardenvolk te kijken, toen het voetvolk ons op de huid viel. Het is voor de tweede maal in mijn leven, dat ik een gevecht bijwoon; het kan gebeuren, dat de aanvoerders weten, wat er gebeurd is, maar wij, gemeene lieden, weten niet wat er voorgevallen is; men heeft slagen uitgedeeld en slagen ontvangen, dat is alles wat men weet, als men levend thuiskomt. De meester, die in zijn jeugd de wapenen voerde, heeft mij altijd gezegd, dat hij het zoo bevonden heeft.”

„O die akelige onzekerheid,” zei Maria; „beste Dirk, is er dan niets aan te doen om eenige inlichting te bekomen? Zal mijn lieve vader, indien de goede God hem tot zich genomen heeft, daar gedurende den nacht moeten liggen?” Zij bedekte snikkend haar gelaat met haar handen. Maria, eigen smart vergetend, sloot haar in de armen; en terwijl Maria haar moeder eveneens omhelsde, en haar gelaat aan den moederlijken boezem verborg, zei deze: „O, gezellen, bedenkt wat Maria gezegd heeft; misschien is mijn man, hoewel gekwetst, nog niet dood; mogelijk hebben die wreedaards nog medelijden met uw goeden meester gehad. Ik weet het, Dirk, wij vragen veel, maar bedenk wien wij beweenen; o, ik weet, dat Wouter door u geacht en bemind wordt. Zou er geen mogelijkheid zijn om zijn droevig overschot terug te vinden?”

„De vijand is nog niet afgetrokken, vrouw Martha! Maar zoodra het kan geschieden, zullen wij zien,” zei Dirk aarzelend, en schudde met het hoofd.

„Foei, Dirk,” zei Griet, die moeite had om het gesprek te volgen; want zij spraken allen zacht; de droefheid en vermoeidheid hadden hun krachten uitgeput. „Zal het lijk van den meester, wiens brood gij zoo vele jaren gegeten hebt, dan onbegraven in het veld blijven liggen, als dat van een vreemden schooier? Neen, neen, toen ik nog jong was, dachten de mannen er heel anders over.” Maar Dirk noch één van zijn makkers antwoordden iets; zij bewaarden een diep stilzwijgen.

„Ik zal gaan,” riep Maria en stond op, „die arme gezellen zijn vermoeid en gekwetst, ik, zijn dochter, zal gaan; het is plicht! Die vreemde soldaten zullen mij niet terugwijzen, als ik zeg, dat ik mijn vader zoek; ik zal hem de oogen sluiten, indien wij hem voor altijd verloren hebben, of hem verzorgen, als hij nog leeft. O, hij zal niet sterven, mijn goede vader, als hij zijn Maria naast zich ziet.” Voor een oogenblik kleurden zich haar wangen, en een treurige glimlach vertoonde zich op haar gelaat, dat door geestdrift en ouderliefde bezield werd. „Gij zult niet gaan, Maria,” zei vrouw Martha en greep haar bij den arm, „gij moet hier blijven, mijn dochter, het is mijn plicht uw vader te gaan zoeken; ik heb hem immers trouw beloofd voor God! Volg mij niet; mijn lieve Heere Jezus zal mij bijstaan, en de krijgslieden zullen de bedroefde vrouw geen leed doen; maar uw onschuld zouden zij niet ontzien, na uw vader vermoord te hebben.”

„O, laat mij niet thuis, beste moeder,” zei Maria smeekend, „laat ons tezamen gaan.

„Wilt gij dan, Maria, dat ik tweemaal tranen zal storten op één dag? Wilt gij dan, dat ik mijn man en ook mijn dochter verliezen zal?” zei Martha ernstig, „want de woeste soldaat is zonder mededoogen.”

„Gij zult niet gaan, vrouw Martha, noch uw dochter,” zei Dirk vastberaden, terwijl hij met moeite opstond. „Of denkt gij, dat het volk van Salazar zich aan uw woorden of tranen zou storen? Gij zijt nog te jong, meesteres, om die knapen in den weg te komen; onze Griet zou minder gevaar loopen, maar zij kan hier blijven; ik zal zelf gaan. Bedroeft u niet, voordat ik nader bericht breng, en indien ik niet vóór den avond terugkom, dan moet gij maar denken, dat ik bij den meester lig.”

Hij kustte de handen van Martha en haar dochter en toen deze vroeg, of zijn wond aan den arm hem veel pijn deed, zei hij: „Neen, Maria, dat zal wel gaan. Al wat ik u verzoek, is mij in uwe gebeden te gedenken, als ik niet weerkom; want ik ben een arme zondaar, en al hetgeen gij verzoekt, zal de Lieve Heer aan zijn gebenedijde Moeder niet weigeren; vaarwel! Wat u betreft,” zei hij tot de gezellen, die wilden meegaan, „blijf liever hier; ik kan alleen wel zoeken, en gij zoudt mij niet kunnen verdedigen tegen de overmacht; ik wil geen anderen verdediger, dan mijn Heer Jezus. Hij zal mij genadig wezen.” Hij wees het zwaard en den opsteker terug, die zij hem ter hand wilden stellen, gaf hun en Griet de hand en verliet langzaam, doch gelaten het vertrek.

De getrouwe meesterknecht kwam terug, en toen men hem op een stoel neergezet en een weinig te drinken had gegeven, wees hij op het zwaard van den dapperen meester, dat hij had meegebracht.

„Anders heb ik niet gevonden,” zei hij zacht; „en toch ben ik op de plaats geweest, waar hij viel. Beschuldig mij niet, het is mijn schuld niet; maar zij hebben sommigen der burgers van hun kleeren beroofd en in de sloot geworpen; misschien is hij daar bij geweest, of God heeft hem gered. Groet hem dan van mij, en hij zal u zeggen, dat ik aan zijn zijde mijn plicht gedaan heb; maar ik zal hem niet weerzien.” Hij zweeg, zijn hoofd zonk op zijn borst voorover, en hij zou gevallen zijn, indien Maria hem niet bijtijds had vastgehouden.

Toen de avond viel, zat Martha voor het glasraam, en sloeg nu en dan haar vochtig oog ten hemel: zij bad. In de bedstede, die de brave smid in den vroegen morgen met spoed verlaten had, om de reden van het alarm te vernemen, rustte nu zijn trouwe knecht. Gelukkig had Martha zich bedrogen, toen zij meende, dat hij stierf; toen hij zijn bewustzijn verloor, had men hem weer bijgebracht, en hij sliep nu. De goede Martha wou zelf hem verzorgen, wijl hij zooveel voor haar man gedaan had; de christelijke plicht gebood het haar immers om alles voor den armen gezel te doen, wat in haar vermogen was, en zijn verzorging zelf was geëigend, om haar wat verstrooiing te bezorgen. Zij had Maria verzocht zich ter rust te begeven, en deze had eindelijk aan haar bede voldaan. Vader Hendrik van Broekhuijsen, pater van het St. Agatha-klooster, had het huis der rouw bezocht, en zijn troostredenen waren niet zonder vrucht geweest; hij was de biechtvader van het huisgezin, en ofschoon zijn tijd zeer kostbaar was, daar ook andere ongelukkigen hem behoefden, had de goede vader eenige buren overgehaald, om, vóórdat de avond viel, met het noodige gereedschap de slooten te doorzoeken. Hij bracht echter zelf aan de bedroefde vrouw de tijding, dat men den meester niet gevonden had, vermaande haar om goeden moed te houden, en zich tot God de wenden, keurde het goed, dat zij haar dochter ter rust had laten gaan, en verliet, na Dirk den pols gevoeld te hebben, het vertrek en het huis, met de belofte den anderen morgen terug te komen. Zij zat dan, aan den goeden en vroolijken Wouter denkend, voor het raam, toen Griet voorzichtig binnenkwam en haar berichtte, dat er een boerenknecht of veehoeder was, die haar alleen wenschte te spreken, maar niet wilde zeggen, wie Martha gelastte haar hem te zeggen, dat zij nu niemand spreken kon, maar dat hij op een anderen tijd moest terugkomen; doch Griet kwam spoedig en niet blij gezicht terug, en zeide vroolijk:

„Die jongen brengt tijding van den meester, vrouw! De goede Heer geve, dat hij niet liegt!”

Natuurlijk weigerde Martha nu niet langer den vreemden man te zien, spoedig in de kamer trad, en zelf de deur toedeed, zoodat Griet, die gedacht had ook iets te vernemen, in haar hoop bedrogen werd. De binnentredende, die een ruime, half versleten kleeding van grove wollen stof en een muts van leer droeg, zag snel de kamer rond, doch werd Dirk niet gewaar, die in de bedstede achter de gordijnen lag, en Martha, die hem reeds aan de deur tegemoet kwam, kon bijna niet spreken van aandoening. „Leeft mijn man? Om Gods wil, antwoordt mij,” vroeg zij met gesmoorde stem.

„Heeft men u gezegd, dat de meester dood was?” vroeg de vreemdeling, wiens stem misschien door vermoeienis ook niet vast was.

„Ja! Ja! Dat heeft men gezegd; maar, och, laat mij niet in onzekerheid, zal ik hem weerzien?” riep zij angstig.

„Wie op God vertrouwt, is nimmer verloren; de goede Heere Jezus is machtig. Hij kan het leven weergeven aan hem, die op den oever van den dood is,” zei de vreemdeling langzaam.

„Hij leeft dan nog! Wouter leeft!” riep Martha verheugd, terwijl zij hem bij den arm greep, „bedriegt gij mij niet? O, misleid een vrouw toch niet, knaap! Zeg mij, leeft hij nog?”

„Ik heb hem eenige uren geleden nog gezien,” antwoordde deze, „en ik zou u meer zeggen, indien ik niet vreesde, dat gij te veel ontstellen zoudt.”

„O, neen, spreek vrij op, nu hij leeft, kunt gij alles zeggen: het doet mij zoo wel. Maar hij is gekwetst? Verzwijg mij niets; want wie zal hem verzorgen, als ik het niet doe?” riep zij, lei haar hand op zijn schouder, en zag hem vragend aan.

„De wonden, die hij in het gevecht gekregen heeft, zijn van weinig belang: een beetje verdooving in het hoofd van den slag, die hem heeft neergeworpen; maar hij is gevangen, vrouw Martha,” zei de vreemdeling.

„En gij spreekt de waarheid, gij hebt hem gezien, gij zweert zulks hij uw zaligheid?” vroeg vrouw Martha, die nog twijfelde, en op hem toetrad, ten einde de uitdrukking van zijn gelaat te zien, dat vuil en onkenbaar was. Toen de vreemdeling met het hoofd knikte, riep zij verheugd: „O, dan heeft de Heilig Moeder Gods mijn bede verhoord; Wouter leeft, en Maria heeft haar Vader nog.

Terwijl de brenger van deze blijde tijding met aandacht den trek van geluk en zalige tevredenheid opmerkte, welke het gelaat van de brave vrouw bezielde, trof haar zijn fonkelend, zwart oog; zij noodzaakte hem tegen zijn zin eenig schreden naar het raam te doen, en riep toen verbaasd: „Zijt gij het, Frank; bedrieg ik mij niet? O ja, gij zijt het wel,” en haar armen om zijn hals slaande, kuste zij, niettegenstaande zijn morsig gelaat, den jongen ruiter; want zij had zich niet bedrogen.

„Ja, ik ben Frank, beste Martha,” antwoordde deze, en drukte haar hand met aandoening in de zijne.

„En waarom niet gezegd, dat gij het waart, en waarom zoolang gewacht met mij te zeggen, dat Wouter leeft?” vroeg zij verwonderd.

„Ja, Martha,” zei Frank aarzelend, „het zou mogelijk beter geweest zijn, dat gij mij niet herkend hadt, ik ben natuurlijk niet veilig hier in de stad,” vervolgde hij snel, „en ik vreesde u kwaad te doen door dadelijk te zeggen, dat de meester nog leeft.”

„O, ik geloof niet, dat het mij kwaad gedaan zou hebben,” zei zij gevoelvol; „kan de vervulling van de vurigste wenschen en gebeden kwaad doen? Neen! Zie, ik ben nu zoo verheugd, als ik nimmer was; maar hoe is het mogelijk, dat Wouter nog leeft? Gij, of de heer Van Schaffelaar hebt hem zeker gered.” Frank zei haar nu, dat Wouter alleen aan een goddelijke bewaring het leven te danken had; men had hem reeds voor dood gehouden, toen hij gevallen was, en dit, of het spoedig voortrukken der soldaten van Salazar, was waarschijnlijk de reden, dat men hem den doodsteek niet gegeven had. Van Schaffelaar, die, toen de soldaten van de stad verjaagd waren, zijn ruiters had gebruikt om zooveel burgers als hij maar kon het leven te redden, terwijl hij den ridder Jean de Salazar herinnerde, dat de Bisschop het maken van gevangenen had bevolen, had tevens aan den ridder gevraagd, waar het gevecht het hevigst geweest was, en den vreemden krijgsman zelf had hem de plaats aangewezen, waar die van de stad den aanval op zijn linkervleugel gedaan hadden. „Het waren dappere lieden,” zei hij, „en zij zijn niet teruggegaan, voordat hun aanvoerder, die zich als satan weerde, gevallen was.” „Wij kenden den meester,” vervolgde Frank, „en wisten nu, waar wij hem moesten zoeken, als hij mocht zijn gevallen. Hij was nog buiten kennis, toen wij hem vonden, en met moeite brachten wij hem bij. Onze ruiters hebben hem naar Keulhorst gedragen; hij bevond zich vrij wel, toen ik hem verliet, en zal onze bende op een wagen volgen. Gaarne zou Van Schaffelaar hem teruggezonden hebben; maar de bevelen luiden zeer stellig, en mijn vriend kan niets voor hem doen dan een goed woord bij den Bisschop; want bij de eerste gelegenheid moeten de gevangenen naar Rhenen of Wijk overgebracht worden. Ten einde u gerust te stellen, verzochten Van Schaffelaar en uw man mij, u dit alles te berichten; ik trok deze vermomming aan, sneed den knevel af, en maakte mijn gezicht met aarde en water onherkenbaar. Ik ben door de Kamppoort binnengekomen, een melkbeest voor mij uitdrijvend, dat ik voorgaf in veiligheid te willen brengen. Voordat ik vertrek, moet ik u den groet van den heer Van Schaffelaar en den meester overbrengen; zij verzoeken u, zoowel als uw dochter, goeden moed te houden, en uw man heeft mij verzocht te vragen, of Dirk en zijn gezellen, die zoo braaf gestreden hebben, gered zijn of niet,” eindigde hij snel.

„Dirk ligt daar,” antwoordde Martha, „hij is met twee van zijn makkers teruggekomen, en heeft nog een vergeefschen tocht gedaan om het lijk van zijn meester te zoeken, en dit heeft hem bijna het leven gekost; wij dachten, dat Wouter in een sloot geworpen was.”

„Indien ook hij onder de handen van de knapen gekomen was, die de lijken hebben uitgeschud, dan zouden wij ons over zijn behoud niet behoeven te verheugen” zei Frank en wendde zich naar de deur.

„Gij zult dus vertrekken zonder Maria te zien,” zei Martha verwonderd; „neen, dat kan niet; ik wil het arme kind ook niet langer in onzekerheid laten.” „Ik kan niet langer blijven, beste vrouw,” antwoordde Frank; maar eer hij vervolgen, werd de deur geopend, en Maria zelf trad snel het vertrek binnen „Is er goede tijding van vader?” riep zij en zag rond in het donkere vertrek „moeder, zeg mij toch wat er van is, leeft hij?”

Martha aarzelde, en Frank bewaarde een diep stilzwijgen; doch toen Maria angstig vervolgde: .,Och ik zie het al. Alle hoop is vervlogen: hij leeft niet meer,” toen sloot Martha haar in haar armen en zei verheugd: „Neen, mijn dochter, uw vader is niet verslagen. De Heer heeft hem ons gelaten, en uw bruidegom heeft hem verzorgd. Daar staat Frank, hij brengt u den groet van den meester en van heer Jan.”

„Dus gered!” zei Maria en sloeg haar oog dankbaar ten hemel, „door U. o God en door Van Schaffelaar. O, moeder, dat is te veel geluk na zooveel droefheid. Zij beefde van aandoening en haar moeder liet haar zitten op een stoel. Griet, die de lamp aanstak, gaf zoo luid haar vreugde over de goede tijding te kennen, dat Dirk zich bewoog, en met zwakke stem vroeg, wat er gebeurde. Frank, die sedert de komst van Maria nog niets gezegd had, trad naar de bedstede, gaf den knecht te drinken, en deelde hem behoedzaam mee, dat alle hoop op behoud van den meester nog niet voorbij was, daar men bericht had, dat hij gevangen was genomen.

„Maar gij zegt niets tot Frank, Maria,” zei haar moeder, nadat zij haar had laten drinken, „en toch hebben wij aan hem deze vreugde te danken.”

„O, het is zoo, moeder,” zei zij, „maar ik dacht om niets dan om mijn vader. Ik dank u, Frank. O, gij hebt mij zulk een groote weldaad gedaan! Kom een weinig naderbij want ik kan nog niet opstaan; ik zal God bidden, dat hij er u voor zegent,” en zij stak hem haar hand toe.

„Bid voor mij. Maria,” zei Frank, die haar langzaam naderde; „maar ik verdien niet voor de tijding, die ik breng, iedereen zou hetzelfde gedaan hebben.” Hij greep haar hand en kuste die.

„Wat is dat, Frank?” zei Martha verwonderd; „voor welke jonkvrouw ziet gij mijn dochter wel aan? Men zou waarlijk zeggen, dat die kinderen elkander nooit gezien hadden. Maria! Frank waagt zijn leven om thans hier te komen; gij had hem uw wang moeten aanbieden, zooals het een brave burgerdochter betaamt, of zijt gij vies van het zwarte gelaat van den armen jongen, dat hij om onzentwil heeft vuil gemaakt?” eindigde zij lachend.

„O, neen, lieve moeder, zei Maria fluks, terwijl zij met moeite opstond en haar wang, die over de bestraffing van haar moeder kleurde, aan Frank te kussen gaf. .,Ik bid u, zet u neer, Maria,” zei Frank aangedaan, „wanneer men om het verlies van een braven vader getreurd heeft, kan men ook zoo spoedig aan alles niet denken.”

„Gij kunt ook niet meenen, dat ik u thans minder genegen zou zijn dan voorheen,” zei Maria vriendelijk; „maar uw hand beeft, indien ik het wel heb; ga zitten en verkwik u. Ik geloof, moeder, dat zijn krachten uitgeput zijn, evenals bij Dirk. Ga toch zitten, Frank!”

„Ik dank u, Maria,” hernam deze; „o, ik ben nog sterk; gij hebt u vergist,” zei hij glimlachend, „een krijgsman mag niet beven, en ik moet heen: de heer Van Schaffelaar wacht mij misschien reeds terug; hij heeft mij vooral verzocht u te groeten, en uw vader......

„Gij wilt dus vertrekken, voordat gij mij alles verhaald hebt, wat gij weet, en hoe mijn vader het maakt,” riep zij snel, en wierp een smeekenden blik op hem. Maar Frank zei, dat hij reeds alles aan haar moeder verteld had, en voor zijn en hun eigen veiligheid niet langer durfde blijven. Doch vrouw Martha en Maria wilden hem volstrekt niet laten gaan, maar tot den volgenden morgen houden. Vergeefsch was zijn tegenstreven; eindelijk gaf hij, onder het loozen van een zucht, zijn toestemming, en hield met het van vreugde opgetogen gezin den avondmaaltijd; want, als was de meester uit de Vergulde Helm gevangen, men hoopte toch hem spoedig door bemiddeling van Maria’s bruidegom, misschien wel zonder losprijs, in Amersfoort te zien terugkeeren. 

908SR15.gif (1832 bytes)

Den volgenden morgen was het ontbijt in de bovenkamer aan de tuinzijde door de zorg van Griet gereedgezet, omdat Dirk in het gewone huisvertrek te bed lag. Vrouw Martha had dezen nacht aan de zijde van haar dochter geslapen, en Maria was, nadat zij met Martha gezamenlijk de Heilige Moeder Gods en alle Heiligen vurig gedankt had, als het ware in de armen van haar moeder, onder het praten over haar goeden vader, ingeslapen. Zij gevoelden zich beiden zoo gelukkig, dat weldra een verkwikkende slaap zich van hen meester maakte; het was alsof een weldadige geest om het rustbed zweefde; want zelfs in den slaap behield hun gelaat een uitdrukking van hemelsche vreugde. Nu en dan zweefde er een bevallig lachje op het wezen van de schoone, deugdzame vrouwen, en zoo al een droom haar naar het slachtveld terugbracht, dan was het om den dapperen bruidegom met zijn ruiters den meester te zien redden, en hem aan de handen der soldaten te zien ontrukken, of door den Bisschop zijn vrijlating te hooren toestaan.

Terwijl Martha zich nu den anderen morgen, nadat zij zich met haar dochter onder het aankleeden in een vroolijk gesprek verdiept had, naar beneden spoedde, om te zien, hoe het met den zieke was, begaf Maria zich naar het vertrek, waar het ontbijt wachtte. Deze kamer, die even groot was als het huisvertrek, was echter veel deftiger gestoffeerd: de tafel en stoelen waren van notenboomhout vervaardigd; een trezoor van eikenhout, dat zeer fraai gebeeldhouwd was, stond op den achtergrond van de kamer, die halverwege met hout was beschoten; voor het overige waren de muren netjes gepleisterd en gewit. Onder de tafel lag een fijn gevlochten mat en een zeer kunstig bewerkte, zware, ijzeren vuurhaard stond voor een staande ijzeren plaat onder den grooten schoorsteenmantel op den haardsteen. Een der kleine kruisramen stond open, en Maria keek vroolijk in den tuin; het schoone weer had haar aan het venster gelokt, en zij deed een paar verdorde bladeren van den stengel van een bloem af, die in het breede kozijn stond. Het eenvoudig gewaad, dat zij aan had zat netjes aan de bevallige leest, en hoewel haar hulsel niet met zooveel zorg was opgezet als anders wel, zoo zat het misschien ook minder gedwongen.

Op dit oogenblik trad Frank in het vertrek; zij keerde dadelijk het hoofd om, en zei vroolijk: „Goeden morgen, Frank. Hebt gij wel gerust in de Vergulden Helm?” De jongeling had reeds een stap teruggedaan, zoodra hij haar gewaar werd; maar toen zij omzag, was hij genoodzaakt te blijven. „Ik dank u, Maria,” antwoordde hij terstond, „ik heb zeer gerust geslapen, kunt gij mij hetzelfde zeggen van u en uw moeder?”

„O ja, Frank,” hernam zij op denzelfden toon; „nu, wij zouden niet goed kunnen slapen na de goede tijding, die gij ons gebracht hebt!” Zij had zijn blik niet gezien, dien Frank op haar had geworpen, vóórdat zij omzag, en niet, dat hij gedurende den nacht geen oog gesloten had.

„Indien mijn komst u en uw moeder eenige rust bezorgd heeft,” zei Frank gevoelvol, „dan heb ik opnieuw reden om het oogenblik te zegenen, waarin uw vader en mijn vriend mij verzochten naar de stad te gaan; wanneer het hart treurig gestemd is geweest, is de rust zoo heilzaam.”

„Ja, gij hebt wel gelijk, Frank,” zei het meisje in gedachten, en vervolgde, toen de ruiter een weinig naderbij gekomen was, „maar nu zie ik eerst, dat gij zoo bleek zijt; gisteravond was uw gelaat zoo besmeerd, dat men uw kleur niet ontdekken kon, gij zijt immers niet ongesteld; want dan laten wij u niet vertrekken,” eindigde zij met deelneming.

„O, wel neen, Maria,” antwoordde Frank, „ik zei u immers toen reeds, dat ik gezond was; ik zal zoo bleek zijn, omdat ik mijn knevel heb afgesneden,” zei hij gedwongen lachend.

„Gij hebt dus een knevel gedragen, die uw gelaat bedekte,” zei zij, schalksch lachend; doch haar gelaat veranderde snel, toen zij een stap in het vertrek had gedaan; zij vatte zijn hand, voordat hij ze kon terugtrekken, en riep: „Maar waarlijk, Frank! Gij hebt de koorts; ik geloof dat uw hand beeft, evenals die van Dirk, toen pater van St. Aagten mij onderrichtte, hoe ik hem den pols kon onderzoeken.”

„Gij gekscheert met mij,” zei Frank, schijnbaar vroolijk, en trok zijn hand terug; „het dragen van het harnas vermoeit wel een weinig, en men is zoo gewoon om dien zwaren last om zich heen te hebben, dat men beeft, als men ongewapend is.”

„En Van Schaffelaar dan?” zei Maria, „is die dan ook niet aan het harnas gewoon? En toch heb ik nooit kunnen bemerken, dat zijn hand beefde.”

„Nooit, Maria?......” zei de ruiter vragend, terwijl hij haar opmerkzaam aanzag. Zij scheen zich te bezinnen, lachte en antwoordde toen: „Nu, ja.” Zij bloosde en vervolgde snel: „Nu ja. Nooit heb ik ontdekt, dat de zwaarte van zijn wapenen zijn hand minder vast maakte.”

„De heer Van Schaffelaar is ook sterker dan ik,” hernam de jongeling; „maar zoo gij iets aan hem hebt mede te geven of te zeggen, zoo onderricht mij er van.” „Gij zult mijn boodschappen getrouw overbrengen, niet waar?” vroeg zij vroolijk.

„Zeer zeker Maria,” zei Frank, en zij vervolgde: „Welnu, nader dan, of zet u neer; want ik moet deze bloem nog van haar dorre bladeren ontdoen, voordat wij gaan aanzitten.

„Ik zal hier blijven, Maria,” antwoordde Frank, met den arm op den hoogen rug van den stoel geleund „dáár aan het raam zou mij een der buren ontdekken kunnen.

„En wie zou u herkennen in dit akelige gewaad?” vroeg zij schalksch lachend, „vooral als gij de muts op hebt. O, ik ken wel een zekere jonkvrouw in Utrecht, die zoo niet met u bij den weg zou willen gaan.”

„En toch heb ik jarenlang zulk een kleed, zoo niet veel slechter, gedragen,” antwoordde hij droevig, „en ik weet, dat men, met lompen bedekt, gelukkig kan zijn.”

„Frank, vergeef het mij,” riep zij smeekend. „O, indien gij denkt, dat ik het gezegd heb om u verdriet te aan te doen, dan......

„Neen, Maria, neen, dat geloof ik niet,” zei hij snel. „Zie niet zoo treurig, bid ik u, dan kunt gij mij alles zeggen wat gij wilt, zonder mij leed te doen; maar gij wilt mij immers met iets belasten voor den meester en mijn besten vriend en beschermer Van Schaffelaar.”

„Nu dan, zoo gij het mij vergeven hebt,” zei zij ernstig, en haar schoone handen plukten de dorre bladeren van de stengels af, „zoo verzoek ik u aan mijn vader te zeggen, dat ik niet zal ophouden te bidden voor zijn beterschap en vrijheid, totdat hij terugkomt. Zeg hem niet, dat mijn goede moeder en ik zoo bedroefd geweest zijn; hij mocht eens denken, dat wij ongesteld zouden worden, en gij kunt hem immers verzekeren, dat wij gezond en gelukkig waren, toen gij ons verliet.”

„O ja!” antwoordde Frank, en zijn sprekend oog vestigde zich op het meisje, dat in een bevallige houding aan het raam stond, en nu eens haar bloemen, dan weer hem aanzag, „ik kan hem zeggen, dat gij steeds gezond en schoon zijt.” „Dat laatste, behoeft niet, heer ruiter,” zei zij lachend, en haar wangen kleurden zich bevallig.

„En aan den heer Van Schaffelaar?” vroeg Frank snel.

„Aan mijn bruidegom,” hernam Maria, het laatste blad, dat zij wilde wegnemen, buiten het venster werpende, „o, dien moet gij bedanken voor hetgeen hij voor mijn vader deed. Zeg hem dat ik voor hem bidden zal, en dat ik hoop, dat hij mijn vader spoedig de vrijheid zal kunnen laten hergeven: zeg hem, dat mijn liefde en genegenheid....”

„Ik zal hem dat alles zeggen,” zei de jongeling snel, haar in de reden vallend, zag somber voor zich neer.

„O ja, doe dat, Frank,” vervolgde zij, en zij was zoo in gedachten verdiept, dat zij waarschijnlijk niet had opgemerkt, dat hij haar in de rede gevallen was, „zeg hen, dat ik nu geen tijd had om te schrijven; maar geef hem deze bloem.” Hierbij keerde zij zich om, en reikte hem er een toe. De jongeling stak snel de hand uit, nam de bloem aan, en bracht die naar zijn gelaat; maar even snel verwijderde hij zijn hand weer, en zei langzaam: „Ik zal hem deze bloem geven, Maria. Ik zweer het u.”

„Zeg hem dan nog, – o, ik verlang veel, niet waar, Frank?” zei zij aarzelend, toen zij de duisteren trek gewaar werd, die over zijn gelaat zweefde.

„Nooit te veel, Maria! Wat zal ik aan Van Schaffelaar zeggen?” vroeg hij bedaard, terwijl hij nog altijd de bloem in de hand hield.

„Zeg hem dan,” vervolgde zij vertrouwelijk, „dat er aan het boompje, dat ik heb opgekweekt, drie knopjes gekomen waren, maar dat het eene, voordat het uitliep, is verkwijnd; ik heb het toen afgeknipt. De andere waren vol leven, en ik heb ze naar hem en mij genoemd! Elken dag bezag ik dan het bloempje en de zwellende knoppen; nu staan zij in vollen bloei. Zeg hem, dat het de roos is, die ik Maria genoemd heb, welke ik hem zend; dat ik de andere voor mij be houd, en dat ik hem hoop te zien, voordat zij verwelkt. Maar zoo gij denkt dat hij lachen zal, om dezen kinderachtigen inval, zoo zeg hem van dit alles niets, beste Frank,” eindigde zij, en zag hem vragend aan.

„En waarom zou hij lachen, Maria, als ik hem de roos geef?” zei Frank gedaan; „ik zal hem alles vertellen, zooals gij het mij gezegd hebt, zelfs van verdorde knopje; niets heeft meer waarde voor den man, dan een geschenk van haar, die hij bemint, en te vernemen, dat zij steeds aan hem denkt.”

„Gij weet dit,” zei Maria vertrouwelijk, „o, ik zie wel dat uw hart u ook niet meer toebehoort, Frank! Verhaal mij toch eens iets van uw Ada; gij hebt haar in lang niet gezien?”

„En wie heeft u van haar gesproken?” vroeg de jonge ruiter verrast en mistroostig.

„Wel, Van Schaffelaar,” zei zij, „en mijn vader; want die heeft haar immers gezien, toen zij met haar oom van Wijk terugkeerde; hij trof hem met dien Perrol aan den Bilt aan, of mogelijk weet gij dit niet eens!” Toen de jongeling haar niet antwoordde, maar in gedachten verdiept op de roos staarde, die hij in de hand hield, vervolgde zij: „Maar zeg mij eens, is zij zoo schoon, als men mij gezegd heeft, en heeft zij u wel van harte lief? Groet haar dan eens van mij, als gij haar ziet; want zij zal immers niet te trotsch wezen om mij haar vriendschap te schenken, ofschoon ik maar een burgermeisje ben?”

„Ja, zij is schoon, Maria, zooals men u gezegd heeft,” antwoordde Frank driftig, „en zij is mij genegen; denk ook niet, dat zij trotsch is, de arme Ada; o neen, en zij verdient uw vriendschap; want zij is zeer ongelukkig.”

„Is het dan toch waar, Frank!” vroeg Maria met deelneming, „dat haar geestvermogens zoo zwak zijn? Mijn vader zei mij toch, dat zij zeer wel was.”

„Helaas, ja,” hernam hij, „het is maar al te waar; soms is het, alsof de Heilign en de goede God haar verlaten, en dan is het donker in haar gemoed.”

„O, gij doet wel, dat gij haar liefhebt,” zei Maria vol medeleven, „uw liefde zal misschien haar verstand weer doen opklaren. God zal uw gebeden verhooren, en de Heilige Moeder zal u gelukkig met haar maken; bemin haar altijd!”

„Haar,” riep Frank somber, „neen, Maria, ik bemin haar niet, ik heb haar mijn vriendschap geschonken; maar mijn hart nooit!”

„En zij heeft u lief,” zei Maria verwonderd, waarna zij met deelneming vervolgde: „O, Frank, dan beklaag ik haar, dan is zij dubbel ongelukkig.”

Hij antwoordde niet; maar geheel teneergeslagen boog hij het hoofd voorover en haalde een ijzeren doosje te voorschijn, nam er een vuurslag, zwam en een vuursteen uit, legde de roos er voorzichtig in, en verborg het doosje weer. Toen hij opzag, wischte zij met de hand haar oogen af, en hij vroeg snel: „Gij weent, Maria?”

„Ik denk aan de ongelukkige jonkvrouw,” antwoordde zij, het hoofd schuddend, „en ik kan mij zoo goed voorstellen, hoe weinig vreugde het leven voor haar kan hebben.”

De jongeling bewaarde een oogenblik het stilzwijgen en zei aangedaan, toen Maria het raam dichtdeed: „Gij zijt zoo goed, Maria. Bid voor haar; o, zij was waard uw zuster te zijn; want ook zij is goed, ofschoon zij haar verstand moet missen.

Verder kon hij niets zeggen, want Martha trad het vertrek binnen, en zei vroolijk: „Ik breng goede tijding van Dirk; maar, mijn deugd, wat laat gij beiden de lip hangen. Kom, Frank, ik wensch u goeden morgen, jongen, daar gij het spreken schijnt verleerd te hebben.

Lachend bood zij hem nu haar blanke, ronde wang tot kussen aan; want zij had den jongeling lief, en zou hem zoo graag vroolijk gezien hebben. Zij behandelde hem zooals het een brave burgervrouw betaamde, die met de wetten der herbergzaamheid bekend was; en Frank, die reeds, vóór Van Schaffelaar hem als knaap tot zich nam, in de Vergulde helm als kind des huizes behandeld werd, moest tusschen moeder en dochter aanzitten.

908SR15.gif (1832 bytes)

De morgen was nog niet ver gevorderd, toen Frank zich reeds buiten de Utrechtsche poort bevond, die in dien tijd nog de St. Joosten Poort genoemd werd; hij begaf zich op weg om Van Schaffelaar op te zoeken, maar vermeed opzettelijk dicht langs de stad te gaan, en volgde daarna eerst den Utrechtschen weg. Zijn gelaat was weer even onkenbaar gemaakt als den vorigen avond, en hij stapte snel voorwaarts, zonder acht te slaan op wat er om hem heen voorviel. Toen hij gereed stond om den weg te verlaten, en rechtsaf zijn weg door het veld naar de Birk te nemen, stond hij echter stil, zag nog eens terug naar de stad, die in de diepte voor hem lag, en zuchtte. Toen hij zijn hoofd omwendde, werd hij vóór zich uit op den weg, die nog altijd steeg, een stofwolk gewaar; hij zag spoedig, dat het een hoop paardenvolk was, dat in draf naderde, en de nieuwsgierigheid, mogelijk ook een edeler gevoel, maakte dat hij zich in het houtgewas aan den weg verborg.

Spoedig naderden de ruiters, en Perrol reed hem voorbij. Het hoofd der Zwarte Bende was licht gewapend, en droeg over zijn harnas een houppelande van zwart laken, met breede bonte randen van sabelvel; met behendigheid bestuurde hij den fraaien, witten hengst, dien hij bereed; een lange, roode veer wapperde op zijn zwarten, ijzeren stormhoed. Zijn gelaat was trotsch, doch opgeruimd, en hij wierp een zegevierenden blik op de landstreek die beneden hem lag. Vidal reed achter hem, vier trompetters bliezen een mars, die door het hooger gedeelte van den berg werd teruggekaatst. Hierop volgden omstreeks een dertigtal ruiters, waarvan sommigen met speren gewapend waren, terwijl de overigen kruisbogen hadden. Niet de minste gewaarwording was zich op de zwarte tronies te bemerken, hoewel zich een bevallige landstreek aan hun oog voordeed en even gedwee als de jachttijger den negerkoning op zijn jachtpartij vergezelt, zoo volgden zij hun hoofdman, wiens sombere standaard in hun midden wapperde.

Toen zij voorbij waren, zag hij, dat er boven op den berg nog ruiters aankwamen, die een wagen schenen te begeleiden; Perrol had waarschijnlijk geen geduld gehad om langer zijn paard in den stap te houden, en was vooruitgesneld. Frank verwijderde zich nu, nadat hij nog een somberen en dreigenden blik naar den aanvoerder geworpen had, die door het stof bijna niet meer zichtbaar was. Toch bleef hij weer staan, toen hij geheel van den weg verwijderd was; hij haalde het doosje te voorschijn, opende het, en staarde eenige oogenblikken op de roos. Een traan viel uit zijn oog op de bloem. „Gij heet Maria,” zei hij met verrukking, en wilde de roos er uitnemen, toen hij een sterke hand op zijn schouder voelde liggen; snel sloot hij de doos, zag om en zeide, gerust ademhalend, terwijl hij de rechterhand uit zijn borst terugtrok: „Ha! Ralph! zijt gij het? Ik dacht.....” Maar toen hij zweeg, en zijn oog voor den ernstigen blik van den ouden man nedersloeg, zei de schaapherder bestraffend: „Ongelukkige, ik vreesde het reeds; gij hebt het meisje met de blonde lokken weergezien, – arme Frank.”

908SR15.gif (1832 bytes)

De legerplaatsInhoudopgave OltmansDe Schaffelaar

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)