J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK VII.

DE HUNNENSCHANS.

Daar is een Eunjer-wijf in dit gewest te vinden.

J. CATS.
Die schans beheerschte veld en golven – Van daar trok ’t vreemde wachtvolk uit, De Veluw langs, op moord en buit. –
A. W. SMALT Wzn.

N.gif (3240 bytes)iet zoo vroeg als hij wel gewenscht had, verliet Perrol den volgenden dag Amersfoort, vergezeld van Vidal en een twaalftal van zijn vertrouwdste ruiters; de bezorging en verdeeling van den roof hadden hem eenige moeite gegeven, en alleen zijn tegenwoordigheid was in staat geweest, om een bloedbad onder de woestelingen, die zijn bende uitmaakten, te voorkomen; ieder wilde zich het meeste toeigenen, hoewel de buit gewoonlijk gelijkelijk verdeeld werd. Hij had ook vele woorden moeten verspillen, om de plundering van het origelukkige Naarden aan Martha en haar dochter uit een voor hem eenigszins gunstig oogpunt doen zien; en het was niet uit eenig menschelijk gevoel, dat hij misschien ook nooit gekend had, dat hij vrouw Martha verzocht had, vader Van Broechuijsen in zijn naam te verzoeken, de gevangen burgers met zijn troost-redenen te sterken, voordat zij naar Utrecht vertrokken, en hen voor zijn rekening behoorlijk van voedsel te laten voorzien. Om dezelfde reden gelastte hij in hun bijzijn aan Walson, de gijzelaars niet te snel te laten gaan, en hun de noodige rust te gunnen. Hij zocht door dit alles zich voor te doen, alsof hij zooveel mogelijk trachten wilde het lot van de ongelukkigen te verzachten, die zijn plicht hem gedwongen had met zich mee te voeren, en hij beklaagde zich over het leed, dat een krijgsman in den oorlog genoodzaakt is zijn medemenschen aan te doen.

Het hoofd der Zwarte Bende reed met zijn geleide door het Hooge Land op de brug aan, die over het watertje de Laak ligt, en voorts door het moerassige land, dat ter weerszijden van het riviertje lag, naar Nijkerk, dat door eenige Utrechtsche voetknechten was bezet. Zonder zich hier echter op te houden, trok hij de een poort in, en de andere uit. De grond was hier hooger en beter voor de paarden; Perrol reed vooruit op een zwart paard, en scheen vol ongeduld, om het doel van zijn tocht te bereiken. Vidal volgde hem, en zag nu en dan met belangstelling over het land, dat zich ter rechter- of linkerzijde van den weg opdeed, en de ruiters, die, evenmin als de knaap, wisten waarheen zij gingen, volgden hun meester, terwijl zij zich onderling vermaakten met snoeverijen op de gruweldaden, welke zij in Naarden hadden gepleegd.

Het had den vorigen dag uit het noorden gewaaid; de wind was echter gedurende den nacht zuidelijk geworden, en Perrol voorspelde zich goed weer, toen hij uitreed; echter hinderde hem van tijd tot tijd de wind, en dan haalde hij zijn met zwart bont gevoerden rok dicht om den hals toe. Hij droeg een open helm met de roode pluim, en zijn borstharnas; maar zijn armen en beenen waren niet gewapend. Zijn knaap was even licht gewapend als hij, en het ijzer van hun helmen en harnassen was glad geschuurd; doch zijn mannen van wapenen staken van het hoofd tot de voeten in hun zwarte wapenrustingen; zij droegen hun lange speren met scherpe punten.

Nadat zij door een armzalig gehucht van een paar hutten gereden waren, vroeg Perrol aan een landman, die een ouden knol, met takkenbossen beladen, voor zich uitdreef, hoe ver hij nog wel van Putten verwijderd was, en of hij hem ook langs den naasten weg naar de Hunnenschans kon brengen. Nadat de kinkel hem een langen tijd bevreesd had aangestaard, gaf hij ten antwoord, dat hij omstreeks halverwege Putten en Nijkerk was, maar dat hem geen Hunnenschans in de buurt bekend was; doch wel een klein gehucht in het Hunnen-veen, dat rechtsaf naar den kant van Putten lag.

Het verwonderde Perrol, dat de kerel niets wist van de Schans, waarvan de pater hem toch met zooveel zekerheid gesproken had. Hij besloot geen nadere vragen aan den lompen boer te doen, die voor zijn akelig paard bevreesd scheen, en reed, zonder iets te zeggen verder. De boer, met zijn muts in de hand, boog tot de aarde voor Perrol, Vidal en voor elk der voorbijrijdende ruiters, blij zoo gemakkelijk aan deze ontmoeting ontkomen te zijn. Doch de achterste ruiter gaf hem, juist terwijl hij zijn hoofd zoo diep boog, dat zijn rug een horizontaal vlak vormde, een slag daarop met zijn speer, zoodat de arme boer een gil gaf en plat op den grond viel. Perrol zag om en lachte, toen hij den kerel zag liggen, zonder te onderzoeken, wat men hem gedaan had, en de ruiters, die herhaaldelijk omzagen, riepen lachend: „Wij gelooven, duivelsche Tuimelaar, dat gij den schoft hebt doodgeslagen; want hij staat maar niet op.” Deze antwoordde echter: „Ho, ho, jongens, zulk een gemeene kerel zal wel te veel gewoon zijn aan een dracht knuppelslagen, om zoo spoedig zijn stomme ziel uit te blazen, omdat ik slechts even zijn schoft heb aangeraakt.”

Hij had gelijk; want toen de boer dacht, dat zij ver genoeg verwijderd waren, zagen zij, hoe hij een eind maakte aan het doodliggen, opstond, en zijn paard met spoed voor zich uitdreef. De ruiters lachten. De Tuimelaar zette zijn hand aan den mond, en schreeuwde, en toen de boer omzag, wendde hij zijn paard, velde zijn lans, en deed alsof hij op hem af wilde rijden. Nauwelijks zag de onnoozele boer, welk gevaar hem dreigde, of hij liet zich weer op den grond vallen, tot groot vermaak van de ruiters. En toch hoorde men weldra geen enkelen lach meer onder hen; zelfs waagden zij het niet eens om luid te spreken; want Perrol, die ook den schreeuw gehoord had, dien de Tuimelaar had gegeven, had zich omgewend en met een dreigende stem geroepen: „Stilte!’ Dit enkele woord was genoeg geweest om hen weer in zwijgende werktuigen van zijn wil te herscheppen, terwijl hij zelf wenschte dat zijn ruiters hun buit reeds verbrast en doorgebracht hadden, want hij wist, dat zij nimmer gehoorzamer en stouter waren, dan wanneer het gebruik der beurzen weer voor een tijdje bij de bende, als geheel noodeloos, scheen te zijn afgeschaft.

Het speet Perrol nu wel, dat hij niemand uit Amersfoort had meegenomen, om hem als wegwijzers te dienen, want hij, noch n der zijnen was hier ooit geweest. Zoo voortrijdend, zag hij voor zich uit, toen de grond weer hooger en vaster begon te worden dan het gedeelte van het land, dat zij het laatst waren doorgetrokken, een weinig terzijde van den weg, een man op een boom zitten die omgewaaid of geveld was. Hij besloot nog eens te vragen, of hij op den goeden weg was; want er liepen zooveel waken en sporen, nu hier, dan daar, dat hij bevreesd was, dat het geboomte, dat vr hem lag, misschien een bosch was, waar de rechte weg nog veel moeilijker zou zijn te vinden, als men er eenmaal in was. De oude man, die onverschillig scheen voor den naderenden troep, was bezig een stuk brood te eten, en zijn ruigharige hond zat naast hem geduldig af te wachten, dat zijn meester hem iets gaf. Hij zag niet op, voordat Perrol zijn paard stilhield aan de diepe greppel, welke hier langs den weg liep, en deze hem toeriep:

„Hei daar, oude, gij moest mij den weg eens wijzen!”

De oude man, wiens kleeding bijna ruig was als de harige huid van zijn hond, riep tot antwoord: „De wegen, die wij moeten volgen, loopen uit elkander, en de weg dien ik u zou wijzen, zou zeker niet naar uw zin zijn.”

„Een wonderlijke kerel, Vidal,” riep Perrol; „mogelijk meent hij, dat hij alln de voetpaden kent; maar ik heb die stem reeds gehoord, en hem meer gezien. Kent gij hem niet?” eindigde hij, en zag oplettend naar den ouden man, die bedaard zijn brood at, en zijn hond met een hand een teeken gaf, om hij hem te blijven.

Vidal scheen hem echter niet te kennen of te willen herkennen, en Perrol riep nogmaals: „Wat denkt gij van her weer, kerel?” Maar het korte antwoord, dat hem grommig werd toegeschreeuwd, was: „Ik denk niets van het weer, maar eet, gelijk gij ziet.”

Toen riep Perrol, die met ongenoegen de wijde greppel en den hoogen wal aan de andere zijde bezag, driftig: „Vreet uw barst vol, gemeene boer! Maar zeg mij eerst, of wij dicht hij Putten zijn.”

„Putten! Putten!” riep de oude spottend, die nu opstond en een langen stok opnam, welke naast hem had gelegen, h, h, paardenman, daar moet gij al voorbijgereden zijn.”

„Voorbijgereden, kerel!” riep Perrol verwonderd, „en ik kom van Nijkerk, en ben nog geen dorp voorbijgetrokken.”

„Wel zoo! Wat wilt gij mij nu wijsmaken?” schreeuwde de andere lachend, „hebt gij in Nijkerk geen putten gezien, paardenman? Gij meent immers water-putten?” En gevolgd door zijn hond, stapte hij voort over de heide, waarmee de grond hier en daar begroeid was.

„Hij is het! Verdoemd, het is dezelfde!” riep Perrol driftig, die zijn paard niet wilde wagen, om over de steile diepte te springen. „Zit af, ruiters, en sleept dien ellendigen boef hierheen. Met spoed, kerels, Per moio! Het zal voor het laatst zijn, dat zulk een oud galgenaas zich met een voorbijganger vermaakt.”

Snel wierpen de ruiters zich uit den zadel, en aan Vidal de teugels toe, en n hunner sprong in de greppel; doch deze diepte, waaruit men misschien turf gestoken had, was zoo drassig, dat hij geen voet kon verzetten, maar tot aan zijn kniestukken in den grond zakte. Zijn makkers vonden het niet raadzaam hem te volgen, en staken hem het achtereinde van een speer toe, om hem er uit te halen. Nu riep Perrol opeens: „Voor den duivel! Daar verdwijnt hij! Ha, die verdoemde diepte!”

De Tuimelaar, die zeker zijn meester genoegen wilde doen, nam vijf speren, en stak de met de punten in de aarde aan de overzijde van de greppel. Zij waren nauwelijks lang genoeg om nog een klein eind aan zijn zijde op den grond te kunnen rusten: toch liep hij over deze brug van speren, en beklom toen, echter niet zonder moeite, de overzijde. Zoo hard hij loopen kon,volgde hij nu de richting, welke de onbeleefde, oude man genomen had, maar vruchteloos; want toen hij besluiteloos staan bleef, en Perrol hem toeriep, dat hij zou voortgaan, antwoordde hij, dat er zooveel greppels en sleuven in den grond gestoken waren, dat het onmogelijk was, om te weten waar men zoeken moest.

Perrol riep hem dus terug; de ruiter was intusschen weer op den weg getrokken en veegde de modder van zijn wapenrusting af. Vervolgens zaten zij weer op, en Perrol vervolgde zijn weg, na nog een nijdigen blik over het veld geworpen te hebben, waar de oude man verdwenen was. Hij had echter de moeite kunnen besparen om dezen onvriendelijken wegwijzer eenige inlichting te vragen; want het geboomte, dat hij voor zich gezien had, was een gedeelte van het Putter bosch, dat zich in dien tijd ook aan deze zijde van het dorp uitstrekte. Spoedig viel hem de molen in het oog, dien hij reeds in de verte had kunnen zien, indien hij met de ligging der plaats bekend geweest was; korten tijd daarna reed hij het dorp binnen, en de onzekerheid, waarin hij verkeerd had, deed hem ten stelligste besluiten niet verder te gaan, zonder iemand als gids mee te nemen.

In het dorp, dat nogal groot was, viel hem, toen hij de kerk naderde, welke aan St. Pancras geheiligd was, een huis in het oog, dat op den hoek van het kerkhof lag, en waar een aarden drinkkan, aan een stok gebonden, uitstak. Voor de deur van dit huis, dat, zoo vermoedde hij, een herberg was, hield hij stil. Hij en zijn ruiters werden van alle zijden nieuwsgierig gadegeslagen door de bewoners van dit eenzaam gelegen dorp, die door het woeste uitzicht der Zwarte Ruiters bevreesd en beducht waren, dat het misschien de voorhoede was van een naderende bende. Zij rilden reeds bij de gedachte aan plundering en brandstichting, en vreesden voor den wintervoorraad; maar toen de vreemde gasten zwijgend, doch rustig door het dorp trokken en voor de kroeg stilhielden, waar een geschilderde afbeelding van den apostel St. Andreas boven de deur was vastgespijkerd, begon de moed te herleven, en waren zij zoo stout de ruiters te naderen, om te zien, hoe deze afstapten, en, op bevel van den man met de roode pluim, de paarden naar den stal brachten. Toen de bevelhebber zijn paard aan zijn knaap overgaf, een onverschilligen blik op de gapende boeren wierp en in huis trad, staken zij de hoofden bij elkander, om te gissen, welke edelman en welk volk het zou zijn, en wat vader Plemp wel aan zijn gasten zou kunnen verdienen. Zij werden echter gestoord in deze berekening, die hen, vrij onbeleefd, tot aan de deur had doen naderen, in de hoop door een reet te kunnen ontdekken, wat de edelman gebruikte of deed; want de Tuimelaar, die van den stal, buiten om het huis kwam, en de deur bezet vond, gaf met zijn bijna geheel met ijzer bedekten voet een der boeren en trap onder zijn ruggegraat, zoodat hij, als een looden kogel uit een springaal, tusschen hen, de tegenover hem stonden, geworpen werd. Een uitroep van verbazing en schrik volgde; maar nadat de Tuimelaar met zijn ijzeren handschoenen nog twee boerenwangen had beploegd, nam de heele troep de vlucht, om misschien, op een veiliger plaats, hunne veronderstellingen en berekeningen te vervolgen.

Perrol stond bij het vuur, waarop men een paar takkenbossen geworpen had; hij scheen te praten met vader Plemp, die in een nederige houding voor hem stond, en toen de Tuimelaar binnentrad, en de deur op de klink deed, vroeg hij, wat daar buiten gebeurde.

„Niets, Messire,” antwoordde deze lachend, „maar de boeren zijn in alle landen hetzelfde: dom, lomp, onbeschoft en nieuwsgierig; zij waren zoo druk bezig om te zien, hoe een edelman zich verwarmt, dat ik er mij met handen en voeten heb moeten doorworstelen.”

De aanvoerder der Zwarte Bende gelastte nu den waard de paarden behoorlijk te laten voeren, en tevens dat elk der ruiters zich van brood zou voorzien, in geval het eerstvolgend dorp soms te ver verwijderd was, en stond hun toe, als de staldienst was afgeloopen, zich hier in het voorhuis, bij het vuur, spek, brood en bier te laten voorzetten.

„Heer,” zei de boerenwaard, „er is morgen een plechtige dienst ter eere van St. Andries, en heden is het vastendag; uw rijzige ruiters zullen zich dus met bier en brood wel vergenoegen.”

„Ik geloof van neen, boer,” antwoordde Perrol lachend, „maar stel u gerust: mijnheer St. Andries zelf zou met hen gerust een stuk spek eten; want zij hebben zich door een langdurig vasten voor dezen tocht, die een heilig doel heeft, voorbereid; ook heb ik dispensatie van den eerwaarden vader, heer David, Bisschop van Utrecht.” Deze reden scheen vader Plemp gerust te stellen, en hij gelastte zijn vrouw spoedig alles gereed te maken, terwijl hij den heer naar de kellenarij zou brengen.

Vidal was intusschen teruggekeerd; en nadat Perrol met hem een beker van het bier, dat bij het vuur warm was gemaakt, gedronken had, wikkelde hij zich in zijn gevoerden rok, en verliet met zijn knaap en den waard te huis.

Een klein eindje buiten Putten, aan den ingang van het bosch, stond de Celle of Uithof, gewoonlijk de Kellenarij genoemd, waar de kellenaar en onderkellenaar woonden, twee geestelijken uit de abdij Abdinckhof te Paderborn, die de inkomsten der abdij, waaraan veel land op de Veluwe toebehoorde, moesten inzamelen.

Toen Perrol vr het gebouw aankwam, dat een zeer oud aanzien had, was hij verwonderd, dat het zoo groot en zwaar was, en voornamelijk, dat de brug, die over de gracht lag, was opgehaald. De waard uit de herberg zei hem, dat zij misschien gehoord hadden, dat er krijgsvolk in het dorp was aangekomen, en daarom het huis gesloten hadden, en verzocht hem eenige oogenblikken te wachten. Hij liep daarop naar de gracht, en riep, dat er een vreemde edelman was, die den kellenaar wenschte te spreken, en eenigen tijd daarna daalde de brug neer; want men maakte zeker geen zwarigheid, den vreemdeling, die zich op een afstand zoo edel voordeed, met zijn knaap te ontvangen. Er waren nogal wat knechts in het huis; en naar de honden, die op de plaats vastlagen, en sommige bedienden, die pijlen en bogen in de hand hielden, toen hij in het gebouw trad, oordeelde Perrol, dat de geestelijke heeren liefhebber van de jacht en misschien wel beducht geweest waren voor een aanval op de kellenarij en de gegaarde penningen van den abt. De kellenaar was een oud, afgeleefd man, die, in zijn stoel zittend, Perrol ontving, en hem verschooning verzocht, dat hij hem niet tegemoet was gekomen, omdat hij sinds verscheiden jaren zijn kamer niet meer verliet. De broeder, die hem in het bestuur der goederen bijstond, was dezen morgen, zoo zei hij, naar Apeldoorn vertrokken, waar zijn tegenwoordigheid vereischt werd, en zou niet voor den anderen dag terugkomen. Hij vroeg hem verder, waaraan hij het te danken had, dat hij in zijn nederige Celle een bezoek ontving van den krijgshaftigen ridder, dien hij het geluk had bij zich te zien.

Perrol antwoordde hem zonder zich te bedenken, dat hij op eigen kosten in het leger van den hertog diende; dat hij een Brabantsch edelman was, die zich steeds beijverd had, zijn arm te leenen tot beveiliging van de onschuld en de heilige Moederkerk.

„Uw doel is edel, Heer,” zei de kellenaar, die nieuwsgierig was, wat deze dolende ridder hem toch wel zou hebben te vragen, „maar waarin kunnen wij u van dienst zijn?”

„Mijn doel, zeer Eerwaarde,” antwoordde Perrol, „is om deze omstreken te verlossen van de heks, die hier ergens in een oude schans moet wonen; en daar ik zie, dat gij zelf mij niet kunt vergezellen, is mijn verzoek om iemand als wegwijzer mee te geven.

De kellenaar zag verwonderd op, en trachtte hem zijn voornemen uit het hoofd te praten, door hem al de gevaren voor te stellen, die hem konden overkomen, en eindigde met te zeggen, dat hij misschien zijn ijver voor het belang der heilige kerk te ver dreef; dat, zoodra het hem gelukte de heks te verdrijven, de herders en het landvolk, minder bevreesd voor de macht van den boozen geest, ook minder belang zouden stellen in de vereering van de heiligen, welke zij nu in den nood aanriepen.

„Gij zoudt wel gelijk kunnen hebben, eerwaarde Heer,” hernam Perrol lachend; „maar ik blijf bij mijn besluit; ik heb altijd gehoord, dat men een goede daad doen moet, zonder de gevolgen te berekenen; en de waarzeggende geest, dien mijnheer St. Paulus uitdreef, bracht meester Simon zeker nog meer voordeel aan dan de gewijde ringen of andere dingen, die gij hier aan het domme volk verkoopt, aan uw abdij. Ik weet wel, dat meester Simon niet tevreden was; maar gij, mijn waarde Heer, die zelf de leer van het heilige kruis predikt, zult immers de verdelging van een verdoemde heks niet wraken.”

De kellenaar scheen de onnauwkeurigheid van deze aanhaling niet eens te bemerken en zweeg; want de woorden van den vreemden krijgsman en diens spottende blik brachten hem van zijn stuk, en hij riep binnensmonds zijn geliefkoosde patronen aan, toen hij den langen ruiter met den rooden vederbos, die nu opgestaan was, tegenover zich zag staan. Er lag iets dreigends in den lach van Perrol, en de kellenaar was bevreesd, dat het de satan zelf was. „Indien u zooveel aan het wijf gelegen is, kellenaar,” vervolgde Perrol, „zoo zal ik haar in vrede laten rusten; maar ik vorder van u terstond honderd rozenobels, en als het volle maan is, zult gij mij te middernacht een zwarten haan brengen op den galgenberg van Amersfoort.”

„Heer!” riep de kellenaar, die vergat, dat hij in maanden tijds niet had kunnen staan, veel minder gaan, en nu opstond om de kamer te verlaten. De eisch van den vreemdeling deed hem de haren onder zijn priestermuts te berge rijzen; maar Perrol drukte hem lachend weer op zijn zetel neer en zei spottend: „Zeer eerwaarde Vader, ik schertste slechts; ik ben mijnheer satan niet en wenschte slechts te onderzoeken, of gij als een braaf geestelijke, een afschuw hebt van den boozen geest. Ik zie nu, dat gij slechts geschertst hebt, toen gij zooveel belangstelling voor die verdoemde heks toondet: ik verzoek u dus mij een van uw dienaren als gids mee te geven.

De kellenaar maakte echter vele bezwaren en zei, dat geen van zijn knechts hem zou durven vergezellen, zoodat Perrol gemelijk uitriep: „Ik had gehoopt, dat een der geestelijken mij zou hebben vergezeld; doch nu dit niet kan, verlang ik ten minste een van hun knechts, die ik daareven gewapend gezien heb, alsof het hier een sterk slot, maar niet de woning van een paar papen ware.

„Ook de woning van de dienaren der kerk moet bewaakt worden, mijn zoon, zei de kellenaar, die zijn tegenwoordigheid van geest teruggekregen had; „blijf dus, en ik zal u wijn en brood laten voorzetten, of vertrek in vrede.”

„Het laatste, mijn waarde Heer, bevalt mij het beste,” hernam Perrol; „maar ik geef u den raad om veel pijlen te laten vederen en punten; want, bij mijnheer St. George, uw woning ligt hier zoo eenzaam, dat het mij niet verwonderen zou, indien een paar stoute knapen eens op de gedachte kwamen, om de pachtpenningen van den heer abt te komen afhalen.”

De kellenaar boog ootmoedig het hoofd, en zei plechtig: „Wat onze Heer Jezus wil, dat aan zijn dienstknechten geschiede, dat zullen zij geduldig dragen; maar ook meer niet; en indien, wat gij zegt, een bedreiging is, dan vergeven wij het u.” „Het is alleen een raadgeving, bijgeloovige paap!” riep Perrol, die zich verwijderde; „maar reken niet meer op het voordeel, dat de heks u zal aanbrengen, en bid, dat het u niet in het eeuwige vuur moge storten, dat gij het rijk van satan niet hebt omvergeworpen, uit belang voor eenige luie monniken.”

Het speet Perrol, dat hij zoo nutteloos zijn tijd verbeuzeld had; toch verheugde het hem, dat hij eenigszins bekend geworden was met de ligging van het gebouw; daarom alleen was het misschien, dat hij, toen hij bij Vidal kwam, die hem op de plaats wachtte en met de knechts sprak, nog een oogenblik vertoefde, den muur in oogenschouw nam en luid vroeg: „Is er onder die brave jongens iemand, die mij naar de Hunnenschans den weg wil wijzen! Op mijn eer, hij zal zich over mijn vasthoudendheid niet te beklagen hebben.” Toen zij zwegen, riep hij verwonderd: „Hoe! Niemand?”

Een hunner zei: „Neen, heer. Ik geloof ook niet, dat er iemand in het dorp is, die u, vooral met dit weer, er heen zou durven brengen; hoor den wind eens opsteken; de satan zal dezen nacht mooi weer hebben in de Hunnenschans.”

„Ik zou dus niemand kunnen overhalen?” vroeg Perrol aan hem, die gesproken had, en deze antwoordde: „Ik geloof neen, Heer. Niemand zou er u durven brengen dan de oude Ralph, indien hij het al doen wilde; want hij is wat eigenzinnig.”

„En wie is dat?” vroeg Perrol snel, „waar kan ik hem vinden?”

„Het is een oude herder, Heer, die nu hier, dan daar zwerft; dus als gij op hem wacht, zoudt gij lang hebben moeten zoeken om hem te vinden,” kreeg hij ten antwoord. Daar ook deze hoop om zonder geweld een gids te krijgen, vervlogen was, en hij de ligging van het huis in zijn hoofd geprent had, wenkte hij Vidal hem te volgen, en verliet de kellenarij, al de knechts verwonderd latend, wat hij toch in de Hunnenschans wel mocht hebben te doen. Zoodra hij in de Heilige Andreas was teruggekeerd, vroeg hij of zijn ruiters en de paarden gereed waren, en gelastte dadelijk op te zadelen. Nadat hij vader Plemp betaald had. verzocht hij dezen iemand op te zoeken, die hem tegen een goede belooning als wegwijzer naar Apeldoorn zou willen vergezellen.

De waard zei, dat het hem leed deed, dat hij te oud was om zelf mee te gaan; maar dat hij Slimmen Jasper zou roepen, een vroolijke borst, die hem best terecht zou brengen.

Terwijl vader Plemp er op uitging, verheugde Perrol zich, dat hij op deze wijze iemand mee zou krijgen, daar de naam van de Hunnenschans iedereen al dadelijk scheen af te schrikken; het speet hem echter, dat die Ralph niet in het dorp was; want hij had gaarne iemand gehad, die goedschiks meeging. Het getrappel der paarden op de steenen, die voor de deur lagen, deed hem naar buiten gaan, en hij zag met genoegen, dat zijn paarden er zoo frisch uitzagen, toen juist de waard terugkwam met een man van kleine gestalte, maar die zeer schrander uit zijn oogen zag, en dien hij hem voorstelde als Slimmen Jasper. „Zijt gij genegen mij den weg naar Apeldoorn te wijzen, Jasper?” vroeg Perrol. „Ja, edele Heer,” hernam deze, en boog, hoewel hij de muts ophield: „maar ik verzuim veel, want de wind zal goed zijn om te malen, en ik reken op een goede belooning.”

„Die zeg ik u toe,” zei Perrol lachend, „maar ik geloof, dat gij niets verzuimt: dit is immers geen weer om de zeilen aan den molen te slaan. Voor den duivel, het stormt, Jasper!”

„Ik wil zeggen, als hij een weinig gaat liggen, Heer,” antwoordde de ander meesmuilend, waarop Perrol vervolgde: „Rogardo, neem dezen molenaar achter op uw paard. – Kom, Jasper, zit op; want wij hebben haast.”

De molenaar klom nu op het paard, terwijl de ruiter, dien Perrol genoemd had, en die een Italiaan scheen te zijn, hem de hand reikte; maar hij zei lachend: „Ik bid u, edele Heer, noem mij Slimmen Jasper, zooals heel Putten doet; want er zijn meer Jaspers in het dorp.”

„Wijs mij dan den weg, Slimmen Jasper,” zei Perrol, die te paard steeg; en de molenaar wees met zijn hand den ruiter, waarachter hij zat, den weg aan, welken hij volgen moest. Vader Plemp groette hem tot de aarde, terwijl de boeren en dorpelingen op een afstand stonden te kijken, maar evenals de waard uit de Heilige Andreas, zich als knipmessen bogen, toen Perrol omzag.

Slimme Jasper nam zijn weg langs de kellenarij, en weldra gingen zij het Putter Bosch binnen. De boomen, bijna van alle bladeren beroofd, hadden een treurig aanzien, en de wind, die door de takken blies, scheen ook de laatste te willen doen vallen. Hoewel hier meer beschutting was dan op de vlakte, was het er bijna even guur, en Perrol bemerkte, dat hij zich met het weer te veel gevleid had. De weg was zeer moeilijk voor de paarden; want de gevallen bladeren maakten dien glad en glibberig, en daarbij was hij zoo smal, dat er geen twee ruiters naast elkander konden rijden.

„De weg is niet best, Slimme Jasper,” zei Perrol, die achter Rogardo reed, „hadt gij geen beteren kunnen nemen

,.Zeer zeker, Heer! Maar geen die nader is en beter beschut voor den wind,” antwoordde deze en vervolgde: „Wij zullen zoo door het Putter- in het Speulder-Bosch komen, dat ons bijna tot aan Garderen zal brengen. Maar het is onnoodig dat ik dit arme dier zulk een last veroorzaak; ik kan goed loopen, en dan zelfs beter de warmte houden; want dat harnas is zoo koud als ijs.” Met deze woorden liet hij zich van het paard glijden, en ging vooruit; toen reed Perrol naast hem, en zei hem, dat hij door Uddel wenschte te rijden.

„Uddel?” zei de molenaar verwonderd. „Ei kijk! De boeren waren al verwonderd, dat gij den kellenaar bezocht; maar als zij hoorden, dat gij ook te Uddel moest wezen, zouden zij nog meer staan te kijken. Doch wat heeft een edelman in dat akelige gehucht van kotten en schuren te maken, zou ik vragen. Perrol zei hem, dat een van zijn knechts, die hem jaren had gediend en nu overleden was, hem verzocht had wat geld aan zijn naastbestaanden daar te overhandigen, en dat hij dat zelf wilde doen, om verzekerd te zijn, dat het goed bezorgd werd.

„Een edele daad, Heer,” zei Slimme Jasper, „maar niet onnoodig; ik weet hoeveel moeite het kost, om geen meel te storten, als men een anders zak moet vullen. Maar dan zal het aardig laat wezen, als wij te Apeldoorn komen, en ik dank St. Pancras, dat ik den weg hier even goed in donker kan vinden als in mijn molen.”

„De kellenaar sprak ervan, mij een ouden herder mee te geven,” zei Perrol, „maar die was nu juist niet bij de hand; hij heet Ralph, geloof ik; kent gij hem?” „Of ik Ralph ken, Heer!” riep de gids verwonderd, „wel, kijk eens. Hij is nog vandaag voorbij den molen gekomen; mij dunkt, gij moet hem tegengekomen zijn, oud, lang, in schapenvel gekleed, met een langen staf en een ruigen hond. Kent gij hem nu, Heer?” eindigde hij, toen hij zag, dat Perrol zijn paard liet stilstaan.

„Ja, zei deze, die zijn verwondering bedwong en weer voortreed; „ik heb hem gezien; had ik hem gekend, Slimme Jasper, dan zat gij nu stil op den molen.” „Jawel,” hernam de molenaar, „of Ralph zoo maar klaar staat; voor goede woorden is hij doof; geld heeft hij niet noodig en om bedreigingen geeft hij niet. Maar ik geloof, dat gij nu beter voorzien zijt, Heer! Alle gidsen zijn geen goede wegwijzers.”

,.Dat kan wel zijn, Slimme Jasper,” zei Perrol lachend, „maar wat is die Ralph dan toch voor een schooier?”

.,Hoor, Heer,” antwoordde de molenaar, die dichter op hem toetrad: ,.Ralph is een herder, en mijn vader, die al jarenlang dood is, heeft mij verhaald, dat hij hem, zoolang het hem heugde, reeds gekend had; doch toen zwierf hij niet zooals nu door het land, maar kwam hier in de nabuurschap schapen koopen. Nu weidt hij dan hier, dan daar de schapen; maar hij behoeft niets te doen om van te leven; er is geen huis op de geheele Veluwe, waar men zou durven weigeren hem te ontvangen, geen haard, waarbij men hem niet gaarne een plaats inruimt, geen tafel, waaraan hij niet ongevraagd kan gaan zitten.”

„Maar wat is hij dan?” vroeg Perrol verwonderd.

„Wat hij is, Heer,” hernam de gids, die nu een weg, welke meer links liep, insloeg, „hij is met een helm geboren, en hij weet wat gebeuren moet; en toen hij zag, dat Perrol lachte en ongeloovig het hoofd schudde, vervolgde hij zacht: „Het is zoo, Heer, maar hebt gij wel eens van de heks van de Hunnenschans gehoord?”

„Misschien ja, maar ik herinner het mij niet,” zei Perrol; „wat is dat voor een wijf, Jasper?” en hij luisterde aandachtig.

„Slimme Jasper met uw welnemen, Heer,” antwoordde de gids; „maar ik weet niet, of ik wel doe er hier over te spreken; Barlebaen, dat is de duivel, die heeft veel macht, Heer.”

„Ik zal onderwijl een litanie opzeggen, spreek dan gerust,” riep Perrol, en Jasper hierdoor bemoedigd, vervolgde: „Dat wijf, St. Pancras moge ons bijstaan, is niet meer of minder dan een satansche tooverkol, die hier al meer dan een dozijn jaren in die Schans leeft, en menschen en beesten behekst. O, daarvan zou ik u wat vertellen kunnen; zij is erger dan de witte wijven, en niemand durft aan het meer komen, dat bij de Schans is.

„En waarvan leeft die heks?” vroeg Perrol nieuwsgierig.

„Wel, van den satan,” antwoordde Jasper, „maar mogelijk ook wel van de visch, die in het meer is, en die de duivel voor haar er in gepoot heeft, want visch is immers alleen in loopend water of in de zee. Toch leggen de herders dikwijls brood neer, om te maken, dat zij de schapen geen kwaad doet, en mogelijk eet zij dat; want het verdwijnt.”

„Dat schijnt een rare tooverkol te zijn, Slimme Jasper,” zei Perrol; maar gij zijt zoo bij de hand, dat ik geloof, dat gij de Schans wel zoudt durven naderen.” „St. Pancras beware mij daarvoor!” riep de gids, „maar denkt gij wel om de litanie, Heer!”

,.St. Hubertus, bid voor ons,” zei Perrol overluid, en toen vervolgde de gids met meer vertrouwen: „Welnu, Heer, ga zoo voort, en dan kunnen wij geen kwaad. Die Ralph, van wien wij spraken, is de eenige mensch, die de Hunnenschans durft naderen en zijn schapen aan het meer laten drinken; maar hij is een wonderlijk mensch, en is met een helm geboren.”

„Ik geloof het gaarne, maar wat zulk een oude bedelaar doen kan, dat zou Slimme Jasper ook wel durven ondernemen,” zei Perrol. „Ik wed gij zoudt wel in de Schans durven gaan.

„De litanie, Heer,” zei de molenaar. „Neen, daar is Slimme Jasper te slim voor; maar dat Ralph het durft doen, o, dat is zeker. Op St. Pieter en Paulus was de zoon van den molenaar van Garderen bij mij aan den molen, en ik liet hem een looden beeldje van St. Pancras zien, dat ik bij den kellenaar voor een Andries-gulden gekocht had; toen vertelde hij mij, dat de broeder van Baske, die de schapen voor de vrouw uit het lange huis te Millingen weidt, hem gezegd had, dat hij de vorige week, toen hij op de hoogte aan den kant van Garderen lag te rusten, een mensch uit de Hunnenschans had zien komen, en dat hij meende, dat het Ralph geweest was; doch de zoon van den molenaar geloofde het niet; maar het toch wel waar zijn, en misschien is de kol toen op reis geweest op den bezem.”

Perrol lette weinig op het laatste gedeelte van zijn vertelling, en vroeg hem, hoe ver zij nog wel van Uddel verwijderd waren, en daarna hoe ver het meertje van het gehucht lag. Hij vernam tot zijn spijt, dat de avond al zou zijn gevallen, eer hij er komen kon, en hij dus zonder gids den weg niet zou kunnen vinden. Terwijl hij hierover nadacht, en tot zijn verdriet het weer hoe langer hoe boozer zag worden, verhaalde Slimme Jasper, die niet gewaar werd, dat de ruiter niet naar hem luisterde, dat er nog een meertje niet ver van het andere was, waarin groote schatten te vinden waren; de Hunnen, die de Schans weleer bewoonden, hadden hun afgoden van goud en zilver op een heuvel neergezet, maar door het gebed van een heiligen monnik waren deze afgoden met heuvel en al in den grond gezonken; daarom heette het nog het Goden-meer; tervergeefs had men beproefd den bodem er van te bereiken; de langste touwen waren nog te kort en men had wel eens gezegd, dat het water zoo diep was als de wereld.

Vidal reed achter Perrol en den molenaar en voorts de ruiters n aan n; de Tuimelaar, de achteraan reed, hield nu een oogenblik zijn paard stil, en antwoordde, toen zijn makker hem vroeg, waarnaar hij gezien had, want hij reed nu weer vlak achter zijn voorman: „Waarnaar ik kijk, Wilhelm? Ik verbeeldde mij, toen ik zooeven omzag, dat ik daar achter ons in de bocht van den weg, dien verdoemden boef zag, die daar straks zoo wonderlijk verdwenen is.”

„Meent gij den vent met zijn hond?” riep de ruiter verwonderd, en de Tuimelaar riep: „Denzelfden, kameraad, en het zou mij niet verwonderen, want toen wij langs dat huis reden, waar Messire Perrol een bezoek heeft afgelegd, verbeeldde ik mij ook, dat ik dien leelijken rekel gezien heb, en het zal met hem wel zijn, zooals met den duivel en zijn staart: ziet gij den hond, dan is de meester niet ver meer af.

„Bij St. Veit, gij hebt gelijk, geloof ik,” hernam Wilhelm, „het is dezelfde grijskop, als ik ’t wel heb, die daar te Utrecht met die zandkluit wierp; toen hadden wij hem in handen, maar Messire Perrol had juist een goede bui, anders zou hij nu niet meer loopen kunnen. Ha, ha, het was een aardig lijk, dat ik den vorigen nacht hielp thuisbrengen; maar de verdiensten waren ellendig,” eindigde hij lachend.

„Dat is waar, gij behoordet ook tot de dragers van dien edelman,” zei de Tuimelaar; „maar den anderen morgen deed hij zijn best; het was zijn tijd, vriend Wilhelm, en Messire stak niet mis.

Vervolgens onderhielden zijn elkaar over hun tegenwoordig rondzwerven in deze onbekende streek, en geen van beiden kon gissen, wat Perrol voorhad; en toen Wilhelm zijn verwondering te kennen gaf, zei de Tuimelaar: „Ho, ho, Duitsche jongen, als gij wat langer bij de Zwarte Bende geweest zijt, zult gij u over niets meer verwonderen, evenmin als een paard over een ezel; vraag Rogardo maar eens daarnaar. Maar gij spreekt ervan, Vidal de woorden uit den mond te halen; doch dan moet gij knap zijn, want die knaap is even dicht als een malinkap van Milaan.”

In het begin liep de weg vrij gelijk, maar sinds de gids van het paard gestapt was, ging het opwaarts; dit hield een geruimen tijd aan, waarna de grond, hoewel nu eens rijzend, dan dalend, weer meer effen was.

„Wij zullen nu spoedig weer van de hoogte afdalen, Heer,” zei Slimme Jasper nu, „en dan kunnen wij zeggen, dat wij het grootste gedeelte van het Putter Bosch achter den rug hebben; de grond is glibberig door het blad en de paarden zouden gemakkelijk kunnen storten.”

„Zoo,” zei Perrol, „ik wenschte wel, dat wij dit satansche bosch al door waren; want op de vlakte kunnen wij beter vorderen.”

„Met onderscheid, Heer,” merkte Slimme Jasper aan. „Maar waarlijk, daar begint de regen; nu zal het er lief uitzien. Hoor den storm daarboven eens in de toppen der boomen; niet voor niets zag ik dezen morgen zooveel zeemeeuwen, die zich op het land trachtte te bergen. De heilige Pancras moge ons wel bijstaan voor de vallende boomen en ons op de heide wel op de been houden!”

Een luid gevloek liet zich onder de ruiters hooren, die hun met zwarte schapenvachten gevoerde wapenrokken dicht om zich heen trokken, want de storm begon heviger dan ooit te loeien, en de koude regen viel desondanks met heele stroomen naar beneden; het was de akeligste Novemberdag, dien men zich op zulk een plaats bedenken kon. „Indien dat weer aanhoudt, Heer,” zei de gids, die me groote stappen naast Perrol ging, van koude bibberde, „dan zal het pikdonker zijn, als wij te Uddel komen, want om vier uren zal er van de zon niet veel meer te vinden zijn, en ik zou u raden om terug te keeren.”

„Neen,” riep Perrol driftig, hoewel ook hij in den zadel rilde van de kou; „wij krijgslieden, Slimme Jasper, zijn gewoon de elementen te trotseeren, maar denkt gij nog, dat het een goede wind is om te malen?” vroeg hij spottend. „St. Pancras beware mij,” antwoordde deze luid, want het spreken viel moeilijk; „maar ik heb toch spijt, dat ik den molen verlaten heb.”

Perrol zei verder niets, maar zijn blik was duister; deze tegenspoed, waartegen hij zich wel wilde verzetten, maakten hem gemelijk; hij voorzag moeilijkheden in het bereiken van zijn doel, want schoon het niet voor het eerst was, dat hij bij den nacht tegen regen en storm moest kampen, zoo benam de lafhartigheid van den molenaar hem toch schier alle hoop om de Hunnenschans te bereiken. O, hij zou den ouden herder gaarne goede woorden en veel geld hebben willen geven, als hij hem als wegwijzer had willen dienen, want binnen weinige dagen verwachtte Van Middachten hem te Utrecht met Maria, en zijn tegenwoordigheid werd den volgenden morgen in Amersfoort dringend vereischt; daarom besloot hij niet langer te wachten, om zich van een gids te verzekeren, en hij zei schijnbaar vroolijk: „Zeg eens, Slimme Jasper, wij vorderen traag, en gij zult wel vermoeid zijn; zet u dus achter mijn knaap, zijn hengst is sterk en hij is niet zwaar gewapend, dan kunnen wij haast maken.” en wil dus uw raad volgen,” antwoordde de wegwijzer, die staan bleef. De achterste ruiters stonden in de stijgbeugels op, om te zien, wat dit oponthoud veroorzaakte, en Vidal nam hem op bevel van Perrol achter zich. Nu liet deze zijn knaap voorop rijden, en begaf zich zoo dicht mogelijk in zijn nabijheid. Zij kwamen nu ook sneller vooruit en de aanvoerder der Zwarte Bende begon langzamerhand vrij duidelijk zijn verlangen te kennen te geven, om de Hunnenschans te bezoeken.

In het eerst zag Jasper verwonderd op, doch lachte weer, want hij dacht, dat Perrol gekscheerde; maar toen deze hem nogmaals trachtte te bewegen, om hem er heen te brengen, riep hij: „Geef aan die begeerte geen gehoor, Heer! Dat is een ingeving van den duivel! Waarom heb ik ook over die heks gesproken? Bedenk toch, Heer, dat het een tooverkol is, die tot alles in staat is, en dat gij uw arme ziel voor eeuwig ellendig zoudt maken.

„Wees niet bevreesd, Slimme meeldief,” hernam Perrol spottend, „ik en mijn ruiters hebben gewijde dolken bij ons, die in een heks ingaan als in een meelzak, en gij hebt immers dat looden poppetje van den kellenaar; spartel daarom maar niet tegen; wat dien Ralph geen kwaad doet, zal Slimmen Jasper ook niet ongelukkig maken.”

„Heer!” riep de molenaar angstig, „ik mag, ik durf niet; niemand kan het doen dan Ralph, want die is immers met een helm geboren.”

„Indien het aan den helm hapert,” zei Perrol, „dan zal ik u er een van mijn ruiters opzetten, als wij de Hunnenschans naderen, en gij behoeft er geen voet in te zetten; als ik die oude sterkte maar even rond kan rijden, dan ben ik voldaan.”

„Neen, edele Heer,” zei de gids zuchtend, „ik ben aangenomen om u naar Apeldoorn te brengen, en dat zal ik doen, en zelfs over Uddel; maar naar de Hunnenschans breng ik niemand. St. Pancras beware mij! Ik laat liever mijn belooning in den loop.”

„Ik wil naar de Hunnenschans, kerel!” riep Perrol kwaadaardig, „en gij zult er mij brengen: spreek niet tegen, of ik laat u, bij St. Pancras, dien gij gedurig lastig valt met uw lafhartig gepraat, het hart uit uw ellendig lijf snijden, en dat gaat zekerder dan de beziening van de heks!” Tegelijkertijd vatte hij den molenaar, die zich van het paard wilde laten glijden, bij zijn wambuis. „Ha slimme Jasper!” riep Perrol, „dacht gij ons zoo van uw gezelschap te berooven? Dat zullen wij wel verhinderen. Vooruit, Rogardo, bind mij dien schoft de handen op den rug, en gesp hem met een riem aan Vidal vast.” „St. Pancras, sta bij! Edele Heer, genade!” riep de arme molenaar, die bijna niet spreken kon van angst, en sidderde, toen de ruiter zijn handen knevelde.

„Zwijg, Per moio!” schreeuwde Perrol, die hem zijn dolk onder den neus hield. „Ziet gij dit brok staal, laffe guit? Welnu, wijs mij den weg, maar klaag niet, of ik stoot het u tuschen de ribben, en nu regelrecht naar de Hunnenschans, als gij uw leven liefhebt.”

De Slimme Jasper, die van te voren zoo spraakzaam was geweest, werd zoo onzacht tot zwijgen gebracht, dat alle opgeruimdheid hem verliet; hij begon nu eens recht na te denken, waarom hij zich gewillig, op hoop van een goede bebooning, had laten overhalen, om dien vreemdeling als gids te vergezellen; de bruine, sombere tronin van de ruiters kwamen hem nu schrikwekkend voor; alleen de knaap op wiens paard hij zat, had nog een menschelijk gezicht. Hij dacht aan vrouw en kinderen, aan den molen en zijn meelzakken, en op een middel om te ontsnappen, maar zelfs de Slimme Jasper zag geen hoop op redding, en hij begon halfluid te bidden, wat Perrol echter door den wind niet hooren kon en waarin Vidal hem zeker niet wilde verhinderen.

Perrol, die reeds nmaal het woord tot den molenaar gericht had, die hem echter door den stormwind, en de aandacht waarmee hij bad, niet gehoord had, gaf hem nu een slag met de hand, en vroeg hem nogmaals, waar zij zich bevonden. Gedwee antwoordde de molenaar, dat zij in het Speelder Bosch waren. De aanvoerder der Zwarte Bende scheen opgeruimder sedert hij zich van den gids verzekerd had, daar hij vermoedde, dat de vrees voor zijn leven dezen zou verhinderen, hem van het spoor te leiden, en hij moedigde zijn ruiters, die zonder morren achter hem reden, nu en dan aan, om hun paarden goed in den bek te houden, en vooral niet langzamer te laten stappen. Men vond in dit bosch over het algemeen grooter boomen dan in dat van Putten, toch waren er veel plekken met jong hout beplant. Reeds tweemalen hadden zij met groote moeite en tijdverlies het spoor moeten verlaten, en hun weg dwars door het bosch nemen, omdat er boomen over den weg heen waren gevallen, en herhaaldelijk hoorde men het kraken der boomen, die in het bosch werden ontworteld of van de takken, die er door den stormwind werden afgescheurd. Hoewel de boomen dor waren, vermeerderden zij toch de duisternis, die, zooals Jasper reeds vermoed had, vroegtijdig een aanvang nam. Dr, waar denneboomen stonden, was het reeds donker en het geruisch van den wind in de hooge toppen herinnerde Perrol aan het geweld, dat de zee maakt, als haar onstuimige golven tegen een rotsachtig strand gebroken worden. Hierdoor was het misschien, en ook door den regen, die Vidal in het aangezicht werd gezweept, als hij het hoofd rechtop hield, dat deze, tot tweemaal toe, voor zich uit op den kronkelenden weg iemand meende te hebben gezien, maar het zich evenwel ontgaf.

Op een oogenblik echter, dat hij weer voor zich uitzag, en de weg zoo nauw was, dat er tusschen zijn paard en het struikgewas ter weerszijden weinig ruimte overbleef en juist toen hij een zwaren boom voorbij reed, die hoog boven het andere geboomte uitstak, en reeds eenige zware takken verloren had, die over den weg lagen, begon het paard, dat hij bereed, op eens zoo hevig te steigeren, dat hij het tevergeefs de sporen in de zijden drukte en zich in den zadel wilde houden; want de hengst luisterde naar spoor noch teugel, ging op zijn achterpooten overeind staan, en door de zwaarte van den molenaar medegesleept, viel Vidal met den gids ter aarde. Indien Vidal aandachtig naar de borst van zijn fieren klepper gezien had, toen hij den ouden boom voorbijreed, Jan zou hij zich over de ongehoorzaamheid van den hengst niet verwonderd maar een puntig mes gezien hebben, dat op een stok gestoken, achter den stam uit te voorschijn kwam, en het paard in de linkerzijde van de borst trof.

Perrol hield dadelijk stil, maar was niet weinig verwonderd, toen hij drie menschen vr zich op den grond zag liggen, terwijl het paard steigerend den boschweg oprende, doch zijn verwondering nam spoedig een einde, toen hij gewaar werd, dat iemand, dien hij echter niet herkennen kon, met een mes den riem doorsneed, welke den gids aan Vidal vasthield. De hand aan zijn zwaard slaande, trok hij het uit de scheede, maar voordat hij zijn paard had kunnen omwenden, dat vreesachtig vr zijn pooten naar de drie menschen zag, die schenen te worstelen, ten einde den man, die de oorzaak en bewerker van dit ongeluk scheen te zijn, met zijn zwaard in den rug of op het hoofd te houwen, verdween deze achter den boom, Slimmen Jasper met zich in het kreupelbosch sleepend; en Vidal, die nu kon opstaan, ontving bijna den houw, die voor een ander bestemd was. „Afgezeten, knapen! Per moio, grijpt hem!” schreeuwde Perrol luid, zoodat zelfs de Tuimelaar zijn bevel duidelijk verstaan kon, en de ruiters wierpen zich uit den zadel, lieten hun speren op den grond vallen en snelden het bosch in; alleen Perrol bleef achter en sloeg zijn paard met het plat van het zwaard, omdat het niet spoedig genoeg aan zijn wil voldaan had.

Hoeveel spoed de ruiters maakten, toch was Vidal hen vr, en hij vervolgde door het kleine hout, dat tusschen het hooge geboomte stond, iemand, die voor hem vluchtte. Hij was vertoornd over wat gebeurd was, en wenschte den gids terug te vinden. Hoewel hij jong en sterk was, scheen degene dien hij vervolgde, niet minder vlug in het loopen, en door struiken, over omgevallen boomen, en belette de wind hem de voetstappen van Jasper, of wie het zijn mocht, te hooren, volgde hij met schrander beleid den vluchtende, die tevergeefs nu en dan van richting veranderde. Nog had hij hem niet gezien, of iets vernomen van de ruiters, die hij ver achter zich had gelaten; hij versnelde nu zijn loop, zooveel maar immer mogelijk was, en eindelijk werd hij iemand gewaar, die, dat zag hij al dadelijk, Jasper niet was; maar het zou misschien nog lang geduurd hebben, eer hij hem had ingehaald, indien deze niet over den wortel van een gevallen boom gevallen was. Vr hij kon opstaan, was Vidal naast hem, en stiet hem met zijn voet weer neer, trok zijn zwaard en riep: „Zoo, onbeleefde schooier, zijt gij het geweest, die mij bij den heg hebt aangerand?” Zijn voet drukte den gevallene op den grond, die vruchtelooze moeite deed om op te staan, en rustig doch ernstig riep: „Sla toe, man van Perrol! Maar zeg mij eerst, de hoeveelste grijsaard ik ben, dien gij vermoordt, dan zult ook gij het recht hebben, om den bijnaam aan te nemen van de Roode Hand!” en hij lachte schel en schaterend, zoodat het door het bosch klonk, terwijl een hond, die eenige schreden verder met een touw aan een boom was vastgemaakt, vergeefsche moeite deed om zich van dezen breidel te ontslaan.

Doch Vidal, die de grijze haren zag, welke, daar de muts was afgevallen, door den wind heen en weer woeien, en vol dorre bladeren waren, stak zijn zwaard op, vatte den ouden man bij de hand, haalde zijn voet terug, en zei, terwijl hij hem hielp opstaan: „Maar wat had mijn arm paard u gedaan, oude man?” Ralph (want deze was het, die Slimmen Jasper verlost had) legde zijn magere hand op den schouder van den knaap en wilde iets zeggen, maar deze riep: „Vlucht, oude, en laat uw hond zwijgen, want indien de ruiters u zagen, zouden zij geen medelijden hebben,” en verwijderde zich zoo snel mogelijk. De oude schaapherder zag hem na, maakte Wolf los, die met zijn tanden moeite had gedaan om het touw af te bijten, en vervolgde toen, na zijn muts opgezet te hebben, zijn weg dwars door het bosch.

Vidal keerde zoo haastig mogelijk terug, voortduren ’n beetje rechts afhoudend, en was zoo gelukkig, om spoediger dan hij verwacht had, op den weg te komen, welke de sporen droeg van kort te voren door een troep paardenvolk bereden te zijn. Toen hij bij Perrol kwam, zei hij, dat hij het spoor van iemand, dien hij gevolgd had, bijster was geworden; ook de ruiters waren reeds, zonder den gids gevonden te hebben, teruggekeerd. Het paard van Vidal was reeds opgevangen en met een stuk boomzwam verbonden, en Perrol gelastte hem terstond op te zitten.

Er bleef geen ander middel over, om uit het bosch te komen, dan hun weg te vervolgen, en zwijgend reed Perrol vooruit. Hij meende ook dien Ralph herkend te hebben, van wien zijn gids, die zoo te ongelegener ure ontsnapt was, hem gesproken had. Hij begreep niet, hoe zoo’n oude man hen hier had kunnen volgen, ja zelfs in hinderlaag afwachten, en waarom hij er belang bij scheen te hebben hem te dwarsboomen; het eerste liet zich nog verklaren door de kennis van voet- en bijpaden; maar voor het laatste kon hij geen grond vinden. Het weer, dat eer erger dan beter werd, had bijna allen moed bij zijn ruiters en hun paarden uitgedoofd; hun wapenrokken beveiligden hen weinig tegen de koude; de regen liep langs helm en harnas, en drong door de voegen van schouder- en dijstukken tot op het leeren kleed, dat zij er onder droegen. Perrol alleen gaf den moed nog niet op, maar besloot zijn doel te bereiken, zonder zich door het noodweer of den ellendigen, ouden schaapherder te laten afschrikken. Op de omgevallen boomen na, die zij hoe langer hoe meer vonden, bleef de weg aldoor hetzelfde; de ruiters en Perrol zelf, die meermalen gezworven hadden in groote bosschen en wouden, kenden het gevaar dat men loopt, om er in te verdwalen, als men het spoor bijster wordt, vooral in den nacht; en de duisternis nam hand over hand toe.

Toen Perrol eindelijk buiten het bosch geraakte, zonder dat n hunner een ongeluk overkomen was, kon hij op de vlakte reeds niets meer zien; het laatste uur hadden zij vr hun paarden moeten loopen, om den weg te kunnen houden; en toch wist hij niet, of het die wel was, welken hij had behooren te volgen. De hoop, om hier of daar een onderkomen te vinden, begon bij de ruiters te herleven; maar daarentegen verminderde het zelfvertrouwen van hun aanvoerder, troen hij, bij het verlaten van het woud, de Hunnenschans niet voor zich zag. Zoover de duisternis hem toeliet te zien, was hij op een heide, waarop wat dorre distelen en struiken stonden, en de weg, dien zij tot nog toe gevolgd hadden, scheen zich hier in de heide te verliezen; alle hoop was dus voor hem verloren om dezen avond de heks te spreken, en hij moest zich gelukkig rekenen, als hij den geheelen nacht niet met zijn ruiters hier in den regen en de koude op de vlakte moest doorbrengen.

Hij stampte met den voet, dat het natte zand en het water om hem heen spatte, en vervloekte de heks, zichzelf, Maria en haar bruidegom; maar het kraken der boomen in het woud en het loeien van den stormwind door het geboomte overstemden de godslasteringen van den woesteling. De verbolgen natuur sprak luider dan de stem van den mensch: Perrol zweeg. Daar niemand hunner meer van de ligging van het land wist dan hij, kon hij noch bij Vidal, noch bij zijn ruiters eenige raad inwinnen, en beval hij kortaf zijn mannen op te stijgen. „Bij mijnheer St. George en den satan, knapen!” riep hij woest, „ik gelast u de gelaatstrekken van dien ouden schaapherder in uw gedachten te prenten! Die mij tijding brengt van zijn dood, zal beloond worden, en herinnert mij, als ik er niet aan mocht denken, dat die molenaar ook niet vergeten wordt; ha, zoo slim zal Slimme Jasper het nog nooit gehad hebben, als hij eens weer in onze handen is. Komt, jongens, nu voorwaarts, volgt mij, en zijt verdacht op de kuilen en diepten.”

Een tijdlang reden zij voort, maar spoedig noodzaakte hen de stormwind weer af te zitten; te meer, daar de heide met struiken en vol kuilen was, die met water gevuld waren. Te midden van een hevigen rukwind, hoorde men den val van een der ruiters, die met paard en al ter aarde werd geworpen. Rogardo vloekte vreeselijk, terwijl zijn harnas knarste en hij zijn hengst dwong weer op te staan. Een spoor, dat zij een half uur later ontdekten, maakte het gebruik van de paarden weer mogelijk; doch meer wegen schenen elkander hier te kruisen, en op goed geluk moest men er n inslaan, op gevaar weer naar het bosch te worden teruggevoerd. Zoo doolden zij in den duisteren nacht rond, zonder dat zij, waarheen zij ook zagen, eenig licht ontdekten; maar het weer moest nog verschrikkelijker worden. Toen zij begonnen te vermoeden, dat zij tot nog toe op een hoogte hadden rondgedwaald, waarover de stormwind met woede heenblies, en het spoor, dat zij nu volgden, van de hoogte naar beneden liep, doorkliefde eensklaps een bliksemstraal de lucht, en een hevige donderslag volgde dadelijk op het weerlicht. Van dat oogenblik af scheen de lucht in vuur te staan, en het geratel van den donder veroorzaakte, dat de ruiters den stormwind niet meer hoorden.

Zoowat aan de helling van de hoogte stond Perrol, te paard gezeten; de roode pluim hing slap hij zijn helm neer; ’t was een vreemd schouwspel, hem en zijn ruiters te zien, als het licht van den bliksem hen bij tusschenpoozen verlichtte. De punten der lansen schitterden in het licht, en elk deel van hun wapenrusting en hun wapenen, elke uitdrukking van hun somber gelaat, was nu eens zichtbaar, dan weer zag men van menschen en paarden niets.

Opeens, nadat weer een hevige lichtstraal de vlakte en het bosch verlicht had, gaf Perrol een schreeuw van vreugde en rende met spoed de hoogte af, gevolgd door de ruiters, die hij met donderende stem gelastte hem te volgen. Hij had namelijk, toen de vlakte onder hem verlicht werd, twee plaatsen gezien, welke het licht des hemels als een spiegel weerkaatsten, en hij hield het voor de meertjes.

Doch toen zij een eind in de vlakte waren, begon het weerlichten op te houden, dat zoo goed den weg langs de glooing van de hoogte voor hen had verlicht, en Perrol moest weer in het duister op goed geluk voortrijden, zooveel mogelijk de richting volgend, waarin hij meende het water te hebben gezien. Terwijl Perrol met ongeduld een nieuwen bliksemstraal wachtte, om zijn weg daarnaar te regelen, stond zijn paard plotseling stil, en toen hij het de sporen gaf, sprong het voorwaarts; maar hij ontdekte nu, dat het tegen iets was aangereden, hoewel hij niet beseffen kon, wat het geweest was, daar het zoo weinig weerstand aan den schok geboden had; doch een jammerende stem riep: „Heere Jezus, Maria, wees mij genadig. St. Andreas, bewaar mij!”

Het bevreemdde Perrol hier iemand aan te treffen, maar het verheugde hem. Zijn ruiters vloekten van schrik en verbazing, want een levend wezen, dat zij door de duisternis niet herkenden, drong met geweld tusschen hun paarden door; doch de Tuimelaar steeg op bevel van Perrol af, en riep hem toe: „Messire, ik heb hier een soort van mensch opgevischt, zonder haar op de kruin van zijn hoofd; het is een toovenaar of een priester, dien mijnheer satan ons toezendt om ons den weg te wijzen, of een goede engel om ons te bekeeren.”

„Om ons als gids te dienen!” riep Perrol, „maar breng hem hier,” en hij vroeg, toen de Tuimelaar de gedaante bij hem bracht, die hij nauwelijks zien kon, hoewel zij naast zijn paard stond: „Wie zijt gij?”

„Ik ben een monnik uit de abdij Abdinckh en onderkellenaar in het Uithof te Putten,” was het antwoord, „ik bid u...

„Wat doet gij hier?” viel Perrol den sidderenden monnik barsch in de rede, en de onderkellenaar antwoordde bevend:

„Doe geen leed aan een geestelijke, mijn zoon! Het zou u berouwen, en op uw sterfbed...”

„Wat doet gij hier, monnik?” riep Perrol nogmaals.

„Heer,” zei de onderkellenaar, „ik ben te Apeldoorn geweest, en dacht het heden nog tot Garderen te kunnen brengen, maar ik ben verdwaald op de heide; gij hebt mij omvergereden; ik bid u, laat mijn ezel opzoeken, en neem mij onder uw bescherming.”

„Gij woont dus te Putten en weet hier den weg niet, domme paap!” riep Perrol, „en denkt, dat ik mij zal bemoeien om uw ezel te zoeken, terwijl ik naar de Hunnenschans zoek. Kom, onderkellenaar, stap vooruit, en tracht uw ezel te vinden.”

„De Hunnenschans, mijn zoon,” zei de monnik met verbazing. „Hoe, vreest gij niet, dat de toom van den Almachtige op u neerdalen, en de bliksem uw hoofd verpletteren zal, als gij den voet in het verblijf van de heks zet?”

„Neen paap,” lachte Perrol hoonend, „want mijn helm is sterk; maar ik schrik voor het gezeur van een schijnheilgen monnik, die voor de verdoemde heks bezorgd is, omdat haar verblijf zijn abdij voordeel aanbrengt; daarom zwijg, en doe zooals ik wil. – Tuimelaar, sleep den heer onderkellenaar voort, maar houdt hem goed vast.”

De monnik onderwierp zich en zuchtte, want hij wist, dat de beschuldiging tegen zijn abdij niet van allen grond ontbloot was, en voelde, dat alle tegenstand of vermanning vruchteloos zou zijn.

Eenigen tijd waren zij zoo voortgetrokken, toen Perrol gewaar werd, dat zijn paard over een kleinen heuvel was gereden. Nu kwamen hem die grafheuveltjes, waarvan Pater van Broechuijsen hem gesproken had, in de gedachte; en hij was juist van zins den monnik te raadplegen, en dus den Tuimelaar te roepen, die hem vooruitging, maar dien hij door de duisternis niet zien kon, toen het lang gewenschte licht zich weer vertoonde.

„Daar is de Hunnenschans,” riep Perrol verheugd, en de monnik, die de Schans, Perrol en de Zwarte Ruiters nu eerst te zien kreeg, jammerde: „Heilige Andreas; wees mij genadig en red mijn arme ziel!”

Per moio, breng dien paap tot zwijgen!” schreeuwde Perrol, en men hoorde de ijzeren handschoen van den ruiter herhaalde malen met geweld neerkomen op den jammerenden onderkellenaar, wiens stem men weldra niet meer vernam; een week lichaam viel met een doffen dreun op de heide. Het hoofd van de Zwarte Bende had de Hunnenschans gezien, zooals men hem die beschreven had: een doodsch verblijf van dezelfde kleur als de heide. Het meertje had hij geheel kunnen zien en ook het reusachtige geboomte van het Uddeler Bosch, dat zich aan de overzijde daarvan tot aan den oever uitstrekte. Ten spijt van storm en regen, de woestheid der landstreek, en zonder gids, had hij het doel van zijn zoeken bereikt.

Hij stapte af, en beval zijn ruiters hetzelfde te doen; en terwijl er van tijd tot tijd weer een bliksemstraal door de lucht schoot, al scheen het onweer zich verwijderd te hebben, trad hij naar de gracht. De Tuimelaar daalde op zijn bevel er in af; maar door den regen, en misschien door den hoogen stand van het meer, was de diepe gracht, waarvan men op eenigen afstand niets ontdekken kon, zoo vol water, dat de wal hier niet te beklimmen was. Hij volgde dus de gracht, totdat hij aan een der ingangen kwam, waarvan de pater hem gesproken had. Hier gelastte hij zijn ruiters hem te wachten en den paarden brood te geven, en trad, alleen door Vidal gevolgd, de Schans binnen. Nieuwsgierig staarden zijn ruiters naar de aarden vesting, doch zonder eenige verwondering of angst te laten blijken, zagen zij hem met zijn knaap in de diepe groet, die in den wal was, verdwijnen.

Perrol zag oplettend om zich heen, terwijl hij zacht tot Vidal sprak, en diens helm en wapenrok tegen de zijne verwisselde. Als de bliksemstralen de Schans van binnen verlichtten, zag hij er niets in staan dan in het midden den ouden stam van een reusachtigen boom, welke door den stormwind of door den bliksem verpletterd was. De wal was zoo hoog, dat hij niets van de heide zien kon; alleen zag hij aan de achterzijde, waar bijna geen wal meer was, over het meer op het Uddeler Bosch, en hoorde hij den storm door het hooge geboomte huilen, en het geklots van het water, dat door den wind nu en dan tot in de Schans geworpen werd. De grond was bedekt met groote keisteenen, welke zeker uit de heide hierheen gesleept waren. Perrol hield ze voor de overblijfselen van een oud gebouw, of dat ter verdediging der sterkte hier bijeengebracht waren. De grootte der steenen deed hem, hoewel sidderend van koude nadenken over de reusachtige lichaamskracht der woeste bouwmeesters van de Schans; maar hij zag noch de heks, noch een gebouw, waarin zij kon wonen. Indien hij er niet zooveel belang in had gesteld om haar te zien, en alleen de nieuwsgierigheid hem hierheen gedreven had, zou hij misschien spoedig en zelfs tevreden dat de heks van de Hunnenschans zich niet vertoonde, verwijderd hebben, want het was zoo eenzaam en akelig in de verlaten werkplaats der Magyaren, dat zelfs het hoofd der Zwarte Bende een oogenblik in twijfel stond, wat hij doen zou; maar spoedig vermande hij zich, en vervolgde zijn weg langs den wal, en voorts langs de waterzijde, waar nog eenige palen zichtbaar waren. Eindelijk zag hij in den hoek van den wal, die ter weerszijden nog een klein eindje langs het water liep, een verhevenheid, die wel het hol van de heks zijn kon; en inderdaad, hij stond weldra voor een soort verblijf, dat aan twee kanten tegen den wal steunde, en met een dak van zoden bedekt was. Het water stroomde er langs neer, en de lage ronde muur was van dezelfde soort steenen samengesteld, welke in de Schans lagen. Perrol sloeg de hand aan het gevest van zijn dolk; daarna wees hij op de deur, en Vidal, die was blijven staan, naderde schoorvoetend, klopte aan de teenen horde, die den ingang sloot, en riep: „Doe open, wijze vrouw, ik heb uw raad noodig.” Maar zij hoorden niets in het hol; slechts de wind, het vallen van den regen en het steunen van de heen en weer buigende boomen van het woud deden zich hooren.

Daarom vatte Perrol een keisteen op, en sloeg er mee tegen den muur, dat het vuur er uitsprong. De heks werd zeker bevreesd, dat haar woning zou invallen; want een krijschende stem riep nu van binnen: „Is de meester daar? Ik wacht hem!” Maar toen Vidal voelde, dat de deur van binnen was vastgemaakt, riep hij nog eens luid: „Wijze vrouw, doe open, ik heb uw raad noodig!”

De lage deur werd nu inderdaad geopend en huiverend trad Vidal binnen, gevolgd door Perrol. De heks lachte, toen zij binnentraden, en lichtte hen in het aangezicht met een stuk brandend kienhout; zij sloot de deur weer, en liet er een ouden lap over heen vallen, die zeker oorzaak geweest was, dat Perrol buiten niets had kunnen zien van het vuur, dat op een grooten steen brandde. Het hol was bijna geheel gevuld met rook, die alleen door eenige openingen van het dak kon ontsnappen, maar waardoor het hemelwater daarentegen ook naar binnen kwam. Het hol was ruimer dan zij verwacht hadden, omdat het eenigszins in den wal liep; en Perrol kon er gemakkelijk in staan, daar het eenige voeten in den grond gegraven was, zoodat de muur in de hut beneden uit aarde en boven uit steen bestond. Zij zagen er niets dan een paar visschen, die, aan twijgen gestoken, aan het dak hingen, waartusschen ook een aantal gedroogde slangen en adders waren, die door den tocht heen en weer bewogen werden; eenige potten en een paar groote steenen, welke misschien voor tafel en stoel dienden, en in een hoek lag een hoop lompen, waarop waarschijnlijk de heks sliep. Het eenige levende wezen, dat zij buiten de kol te zien kregen, was een raaf, die bedaard heen en weer huppelde.

Het vuur was hun zoo welkom, dat zij er op toetraden, zoodra zij een blik om zich heen hadden geworpen. De heks, die de deur gesloten had, naderde hen nu, en vroeg spottend: „Wat zoekt gij hier? Moet gij kruiden, die het leven verkorten of verlengen? Spreekt! Of wilt gij in de toekomst zien?”

Vidal zweeg eerst, maar zei toen, terwijl angst en verlegenheid in zijn stem te bemerken waren: „Neen, vrouw; ik kom noch om het een, noch om het andere; maar...”

„Maar wat dan?” schreeuwde het wijf. „Weet gij wel, wat gij gewaagd hebt met hier te komen? Kent gij de heks van de Hunnenschans niet?” Zij schudde de roode kap, die haar gelaat verborg achteruit, en sprong om het vuur, nu en dan voor den ontstelden knaap stil staand, en dan lachte zij weer en vervolgde haar wilde sprongen. Toen stiet Perrol, wien dit begon te vervelen, en die zijn wapenrok hoog had dichtgehaald, zoodat zijn gelaat bijna geheel verborgen was, Vidal aan, en zei zacht, doch kortaf: „Heer, de vrouw verlangt te weten, wat gij begeert?”

Maar juist toen Vidal wilde spreken, riep het wijf gebiedend: „Zwijg! Als de heer spreekt, moet de knaap zwijgen.” Hierna lachte zij helsch, rukte Vidal den helm van het hoofd, wierp hem neer, en vervolgde: „En draagt er maar een pluim: het is de heer; maar gij zijt het niet. – Heer, wat verlangt gij van mij?” vroeg zij, en bleef voor Perrol staan, dien zij vorschend aanzag.

„Wat ik verlang, heks,” riep Perrol barsch, die besloot zelf te spreken, daar Vidal zijn bevelen door den angst scheen te hebben vergeten, maar eer hij verlangen kon, gaf het wijf een luiden schreeuw, en viel op den grond. Zij spartelde in het begin met handen en voeten, en zou misschien in brand geraakt zijn, want haar oude, zwart lakensche kleeding was op het punt om in het vuur te geraken, maar Perrol schoof met de ijzeren scheede van zijn zwaard het brandend hout wat ter zijde. Doch toen de heks eindelijk roerloos bleef liggen. verloor hij zijn geduld en riep: „Op, op heks, ik breng u geld, maar maak een einde aan dat kinderspel, dat met mij niet noodig is,” en stiet haar vrij onzacht met de punt van zijn laars in de zijde.

Maar nog verroerde zij zich niet; het was een vreemd schouwspel, de twee ruiters met verbazing of vrees te zien staren op de heks, die inngekromd voor het vuur lag. Men kon geen menschelijk gedaante in haar herkennen en zag niets dan een dorre hand of een uitgeteerden arm en eenige verwarde haarlokken te voorschijn komen uit een hoop vuil zwart laken, dat geheel met zand en slijk overdekt was, want het water dat in de hut binnendrong, had den anders vrij harden grond in een soort slijkmassa veranderd.

Toen Perrol, die zijn geduld verloor, opnieuw en nu met geweld en op goed geluk, tegen deze onbeweeglijke massa aanschopte, terwijl hij riep: „Sta op, heks, of bij den satan, ik zal u met mijn dolk belezen,” toen begon het leven, zoo scheen het, in het wijf terug te keeren. Zij kroop, of liever rolde, om het vuur heen en langs Vidal, die met afschuw terugtrad; haar hoofd kwam nu weer te voorschijn, en de knaap was iets geruster, toen hij haar herkende: hij had gevreesde dat uit den bal, welke langs hem heen was gerold, een akelig gedrocht, misschien de duivel zelf wel, te voorschijn zou zijn gekomen.

De heks zat bij den haardsteen, zij scheen zich te bezinnen, want zij staarde, terwijl zij haar hoofd met haar handen ondersteunde en met haar elleboogen op haar knien rustte, in het vuur, terwijl de raaf met haar bek de veeren uit de roode pluim trok. Spoedig veranderde het wijf van houding; want zij had haar beenen kruiselings naar zich toegehaald, en stond snel op. Zij had een stok, die naast het vuur gelegen had, in de hand; haar grijze en zwarte, lange haren hingen, daar haar kap was afgevallen, los en wild langs haar borst en schouders; de opgeschorte mouwen van haar zwart kleed bedekte nauwelijks haar armen tot aan den elleboog. Geheel door het vuur verlicht, ontging geen enkele trek van haar gelaat, geen uitdrukking van haar rollend oog aan haar bezoekers; het geflikker der vlam en de opstijgende rook gaven iets duivelsch aan het wijf. Vidal ontstelde, en zelfs de aanvoerder der Zwarte Bende deed een schrede achterwaarts, toen zij haar hand met den stok, door den rook en boven de vlam naar Perrol uitstrekte, en terwijl buiten de stormwind huilde en de donder ratelde, gillend uitriep: „Perrol! – Perrol! – Wat zoekt gij in de Hunnenschans?”

Het was nu niet meer hetzelfde wijf, dat hen lachend ontvangen had, daarna was neergevallen, alsof zij van den duivel bezeten was, wat Perrol voor een staaltje der armzalige kunstgrepen had aangezien, waarmee zij den dommen herders vrees aanjoeg, en waardoor zij voor een toovenares doorging. Neen, zij had nu een geheel andere, meer schrikwekkende gedaante aangenomen; en zoo hij al niet geloofde aan haar macht, voelde hij zich toch door een onwillekeurige huivering aangegrepen, toen de heks, die hij nimmer gezien had, en die waarschijnlijk zelden of nooit de omstreken van de Schans verliet, zijn naam noemde. Hij zag met woede en verbazing naar de heks, die aan de andere zijde van het vuur stond, en een antwoord scheen te wachten, en kon zich niet verzadigen aan den aanblik van het bruine en gerimpelde gelaat, dat tusschen het verwilderde haar te voorschijn kwam, en door een helschen spotlust bezield scheen. Nu riep de heks nog eens: „Wat doet gij in de Schans, Perrol! Perr...o...l!” De laatste lettergreep van zijn naam hield zij bijna even lang aan, als het geluid van den laatsten donderslag, die gevallen was, terwijl zij sprak.

Het hoofd der Zwarte Bende kreeg door de uitdrukking van helsche vreugde, welke in den toon van die stem lag, zijn tegenwoordigheid van geest terug; en terwijl hij het vuur naderde, zoodat de stok van de heks zijn borstharnas bijna raakte, zei hij onbevreesd: „Gij schijnt genoegen te vinden, tooverkol, om dien naam uit te spreken, maar bedenk, dat het u het leven zou kunnen kosten, dat gij hem kent.”

Hier kon hij niet verder gaan, omdat het wijf schaterend van het lachen uit riep: „Perrol, Perrol! Ik weet het!”

Toen zij zweeg, liet hij zich door haar gelach niet afschrikken, maar schreeuwde driftig: „Heks, lach niet, maar noem ook zijn naam! Per moio! Wie is hij?” Hij legde hierop zijn hand op den schouder van Vidal, en noodzaakte den knaap om nader bij het vuur te treden.

De heks wierp echter geen enkelen blik op den bevenden knaap, maar zei ernstig: „Alleen hem, die mij opzoekt, dien noemt de meester mij; eerst den heer en dan den knecht. – Perrol, wat zoekt gij in de Schans?”

„Ha, ha, tooverkol,” lachte Perrol met verachting; „dacht ik het niet, dat gij slechts een ellendige bedriegster waart! Maar, bij mijnheer St. George, wat gij niet weet, dat moogt gij niet zeggen.”

„En wat ik weet, mag dat gezegd worden, aanvoerder der Zwarte Bende?” vroeg de heks wild lachend, en trad op hem toe, alsof zij door het vuur heensprong, en toen Perrol, die op deze nabijheid niet gesteld scheen, terugtrad, riep zij: „He, he, waarvoor zijt gij bang, dappere Heer!” Zij naderde hem weer, maar hij bracht de hand aan zijn dolk, en riep: „Terug, vervloekte heks, of, voor den duivel, ik jaag u dit staal in den buik.”

„Is de duivel ook uw meester, ha, ha!” riep de heks en lachte ijlhoofdig. „Wel zoo, Zwarte Ruiter, dat is goed, dan hebben wij denzelfden heer. Maar geef mij uw hand, als gij niet bang zijt, opdat ik zie, wat gij begeert.” Toen Perrol echter niet geneigd scheen om zijn hand te geven, riep Zij: „Perrol is bevreesd! Het bendehoofd durft zijn hand niet geven!” en zij draaide wild lachend in het rond.

Hierop trok Perrol, die zelfs den schijn niet wilde geven, alsof hij iets vreesde, zijn handschoen uit, stak haar zijn linkerhand toe, en zei nijdig: „Daar heks! Daar is mijn hand; zie er uit, hoelang gij nog in den ketel leven zult, want, per moio, gekookt zult gij worden!”

„Ha!” riep de heks, „de meester is heeter dan water, en water brandt niet! Maar de andere hand, Perrol, die moet ik zien, daar kan ik alleen in lezen,” eindigde zij en schudde het hoofd. Perrol trok zijn hand, die blank en goed gespierd was, terug en zijn handschoen weer aan.

„De andere hand, Perrol!” schreeuwde het wijf, toen hij geen aanstalten maakte ook zijn rechterhand te ontblooten.

„Neen, heks!” riep Perrol, „gij zult haar nooit zien.”

„Is zij dan ook rood zooals de mijne?” zei het wijf toen, schamper lachend. „Eilieve heer, zie deze schoone hand, zie hoe fraai,” en zij stak haar vuile, dorre en met roode vlekken bedekte hand naar hem uit, en hield haar voor zijn gezicht.

„Zwijg, tooverkol!” riep Perrol, „zwijg, of mijn dolk zal u tot zwijgen brengen; of denkt gij, dat ik hier ben gekomen, om als een ellendige boer uw spotternij aan te hooren? Uit mijn rechterhand zoudt gij evenmin iets kunnen zien, als uit mijn linker.”

„Ik wil die hand toch zien – en haar vragen aan den meester,” zei de heks langzaam en zich bedenkend; „maar zelfs zonder dat, zie ik toch alles door den geest,” Zij bracht nu haar hand aan het hoofd, strekte daarna haar rechter naar den grond uit, ten einde eenige teekens met den stok in den natten grond om den haardsteen te maken, en zei ernstig, toen zij weer achter het vuur stond: „Wilt gij dan liever spreken over hetgeen gebeurd is, Perrol? – Ha, bij mijn meester zijn reeds een aantal Zwarte Ruiters bij elkander, die branden reeds; – de aanvoerder nog niet; doch hij moet ook branden, en – die tijd is nabij!”

Nu noemde zij verschillende vreemde namen van menschen of steden op, en voegde aan elk een opmerking toe; en hoewel zij zacht en onverstaanbaar sprak, scheen Perrol haar zeer goed te begrijpen; want de verbazing en schrik stonden op zijn verwilderd gelaat te lezen.

„Ha, ha, dat was nogal aardig,” vervolgde zij duidelijker, zonder zich aan hem te storen, „de jonkvrouw uit de legerplaats gejaagd met al die andere lichte vrouwen; maar Perrol had haar niet getrouwd, en dan die aardige jonkman, haar broer, – Valbni, niet waar? Ha, ha! Die Romeinsche held werd betooverd door dien zwarten toovenaar. – He, zeg Perrol, doet gij niet wat aan de kunst?”

„Zwijg voor den satan! – Wijf! Wie zijt gij?” riep deze verwoed, en trad naar haar toe, de hand aan zijn dolk; doch toen zij zonder eenigen angst te verraden, hem zag naderen, en weer luid en half zinneloos lachte, toen hij vr haar stond, scheen hij te twijfelen aan wat hij gehoord had, en wierp een onderzoekenden of bevreesden, dan weer een wraakzuchtigen en ijzingwekkenden blik op het gerimpelde gelaat en het vuurschietend oog van de heks.

Hetzij deze eenig gevaar duchtte, of dat haar gedachten op iets anders gevestigd werden, zij vroeg nog eens, doch nu bedaard: „Perrol, wat zoekt gij in de Schans?”

„Wat ik zoek?” herhaalde deze, die elk woord dat zij sprak met de grootste aandacht scheen op te vangen, en stiet daarna zijn dolk geheel in de scheede terug, terwijl hij binnensmonds bromde: „Uw bloed, vervloekt beest! Maar dat zal naderhand komen.” En hij vervolgde luid: „Wat ik zoek, heks? Iets, dat zeer gemakkelijk te geven is, en dat ik met veel geld betalen wil. Ik moet een minnedrank hebben, welke haar, die hem drinkt, voor altijd – ik wil zeggen tot aan haar dood – aan mij verbindt. Let wel! Een drank, die haar voor een oogenblik, van wellust dronken, in mijn armen doet vallen, baat mij niets, neen! De dronk moet nooit zijn kracht verliezen. Maak dus spoed en verzuim geen tijd.” „Perrol is dan verliefd,” zei de heks langzaam, „maar men wil niets van zijn liefde weten. He, wilt gij zelf een drank drinken, lieve Heer, die u op mij verzot maakt? Ha, hal De heks van de Hunnenschans en de aanvoerder der Zwarte Bende! Een lief paar!” en zij lachte, dat zij schaterde.

„Wijf!” schreeuwde Perrol haar toe: „Kunt gij zoo’n drank maken als ik verlang?”

„Ja! – Hoe heet het liefje?” antwoordde de heks, en zag hem vorschend aan; maar hij riep: „Den naam? Indien gij alles weet, behoef ik u dien niet te zeggen, en toen zij met het hoofd knikte, vervolgde hij: „Doch spoedig, heks! Ziehier het geld; maar als de drank niet deugt, dan...

„Dan zal ik weer een nieuwen gereed maken,” viel zij hem gillend in de rede, en scheurde hem het geld, dat in een zakje was, uit de handen. „Maar hebt gij ook haar meegebracht? – Goed! Geef mij dan ook een dier zwarte haarlokken, die toch den tijd niet zullen hebben om grijs te worden.” Zij wees naar zijn hoofd, en grijnsde hem aan.

Perrol voldeed aan wat zij vroeg; zij bezag, terwijl hij den dolk opstak, waar mee hij zich een haarlok had afgesneden, bedaard het blonde haar, dat naast het zwarte op haar hand lag, daarop ging zij naar een hoek van haar verblijf, nam een aarden pot, en zette dien op het vuur.

Vidal had wel met vrees geluisterd, toen het wijf met zijn heer sprak, hoewel hij moeite had om haar vreemde spraak te verstaan; maar toch trof hem de stilte, die nu in het hol heerschte; te meer daar het noodweer buiten nog steeds aanhield. Het verschrikkelijkste oogenblik, de bereiding van den tooverdrank, zou nu aanvangen en alsof de raaf ook deelnam aan deze helsche bewerking, naderde zij al meer en meer het vuur, en staarde op den pot. Vidal trad telkens bevreesd terug, als het zwarte dier, dat meestal kwaadaardig met de vlerken sloeg, langs hem heen huppelde; want hij twijfelde niet, of het was de duivel zelf; hij had immers gezien, dat het beest altijd stil stond en luisterde, als de heks sprak.

Ook Perrol scheen deze akelige stilte niet te bevallen; maar stouter dan zijn knaap, zei hij: „Gij doet wel om te beginnen, en als de drank goed is, zal ik spoedig iemand anders hierheen zenden, die ook vruchteloos bemint.” De heks scheen hem echter niet te hooren, maar zag met aandacht naar den pot, waarin misschien water was; want er scheen geraas uit te komen, toen zij het vuur met haar stok oprakelde, en wat nieuw hout op den steen wierp.

„Uw vriend de onderkellenaar ligt buiten de Schans, heks,” vervolgde hij, en lachte gemaakt. „Als gij eens met den satan breken wilt, dan zal die monnik u wel een middel aan de hand geven, indien mijn ruiters hem tenminste niet doodgeslagen hebben.” Maar de heks zweeg nog altijd, en toen hij weer iets wilde zeggen riep zij wild: „Zwijg! Zwijg! De meester is nabij. Meester! Meester! De drank zal koken.” Zij scheen geheel vervuld van wat zij verrichtte, en lette niet op het gehuil van den wind of het ratelen van den donder, Perrol zag echter plotseling om, hoewel het bedrijf van het wijf hem eenige belangstelling inboezemde; want hij hoorde een steen uit den muur in het hol vallen, en vreesde, dat het wrakke dak naar beneden zou komen; doch wat de heks verrichtte, deed hem weer naar het vuur zien.

Toen het vocht dat in den pot was, kookte, wierp zij er van tijd tot tijd wat kruiden in, die zij in de linkerhand hield; vervolgens roerde zij met haar stok het kooksel om, en danste om het vuur, terwijl zij op een vreemde wijs een paar eentoonige woorden mompelde. Zij hield telkens stil om weer kruiden in den pot te werpen, en hervatte daarna haar wilde sprongen om den haardsteen.

Perrol zag met verwondering naar het wijf, wier gelaat dikwijls verborgen was achter haar lange haren, die grijs en zwart waren, tot haar middel reikten, en wild om haar heen vlogen, als zij nu en dan snel ronddraaide. Vidal, die bevreesd was om door haar stok of haar haren aangeraakt te worden, was zooveel mogelijk achteruit getreden; maar zijn schrik vermeerderde niet weinig, toen hij voor het gat, dat door het uitvallen van den steen gemaakt was, het aangezicht van een mensch meende te zien, die in de hut zag; en eenige oogenblikken daarna rezen zijn haren te berge! Want toen zag hij er den kop van een weerwolf doorsteken, wiens oogen als vuurballen schitterden en verschrikt wende hij het gelaat naar een andere zijde. Perrol had gezien, dat de heks, toen haar kruiden op waren, de haarlokken in een lapje gewikkeld en ook in den pot geworpen had, terwijl zij den drank omroerde, en halfluid iets riep, waaronder hij, tot zijn verbazing, den naam van Maria en den zijnen meende te hooren. maar hij kon verder bijna niets verstaan; want zij hervatte haar vreemd gehuppel om den steen, en het noodweer hield aan.

Tot niet geringe vreugde van Perrol en Vidal, scheen de minnedrank eindelijk gereed; want het wijf staakte op eens haar gedans, juist toen men, tusschen het loeien van den wind, buiten de hut een gehuil als dat van een wolf hoorde en zij nam den pot van het vuur.

„Is de drank gereed?” vroeg Perrol, terwijl hij een fleschje uit zijn beurs te voorschijn haalde; maar zonder te antwoorden, wees zij gebiedend op den steen, die tot tafel diende, en toen hij het er zwijgend op gezet had, naderde zij en schonk er haar drank in over, waarna zij den pot, met wat er nog was ingebleven, in het vuur wierp. Het daarin vallende vocht deed den rook verdubbelen, en juist toen Perrol het flesch je, dat hij dichtstopte, tegen de vlam hield, en den bruinachtigen drank bezag, sprong de heks, schel lachend, op den haardsteen en schopte het vuur er van af. Het ging voor het grootste gedeelte op den natten grond uit, en zij schreeuwde wild: „Dank meester! Dank! De drank is bereid, de kruiden hebben gekookt, het vuur brandt niet meer!”

„Zal de drank nu goed zijn, heks, en werken, zooals ik het verlangd heb?” vroeg Perrol, die haar nog flauw zien kon.

„Ja!” riep zij, „de meester heeft hem zien koken.”

„Want anders, verdoemde tooverkol,” vervolgde hij, „zullen al uw duivelskunsten u niet beveiligen. Perrol zal zich herinneren, dat gij hem bedrogen hebt.” „En de meester ook! En de heks van de Hunnenschans ook, Perrol!” hernam zij, wraakgierig lachend; en hoewel hij haar bijna niet meer zien kon, trof het toch de toon waarop zij deze woorden uitsprak. Hij herinnerde zich, hoe zij hem gekend had, hoe zij den naam van de dochter van den smid had genoemd, hoe zij van menschen gesproken had, die hij aan zijn driften had opgeofferd, namen genoemd had van ongelukkigen, wier bloedige schimmen, hoewel zelden, zich toch wel eens voor zijn oog vertoond hadden en hij stond in beraad wat te doen.

Reeds verliet zijn dolk de scheede, en tastte hij, de linkerhand vooruitstekend, in den rook en den damp naar de heks, die hij zooeven nog meende te hebben gezien. Toen hij echter met den voet tegen den haardsteen stiet, werd hij haar nog niet gewaar, en toch hoorde hij haar lach; doch hij kon niet bemerken, in welken hoek zij zich verborgen had. Vidal, wien het in het hol, met rook gevuld, te eng werd, had in dien tusschentijd den ouden lap voor den ingang weggetrokken, de deur opengetrapt en was naar buiten getreden. Perrol volgde hem werktuigelijk, terwijl hij zijn dolk opstak. Toen hij ook uit het hol gekropen was, hoorde hij het wijf zijn naam noemen, en zag door den lagen muur, dat zij weer in het midden van de hut scheen te staan, blazend op een stuk glimmend hout; want hij ontdekte haar gerimpeld gelaat en wild blikkende oogen, die nu eens zichtbaar waren en dan weer verdwenen.

Nog nam hij den helm niet aan, dien Vidal hem voorhield, en was besluiteloos. maar hetzij het akelige van den nacht en het weer, of een geheime vrees voor het wijf hem terughield, of dat hij zich voornam haar nog eens te bezoeken, en dan te dwingen hem te zeggen, door welke macht zij alles wist, en haar vreeselijk te straffen, indien de drank niet goed werd bevonden; hij nam eindelijk den helm en mantel aan, en zei tot Vidal:

„Bij mijnheer St. George, indien gij u even ellendig in het veld gedroeg, als in dit hol, dan zou elk oud wijf voortaan mij als knaap kunnen dienen.” Hierop werd hij door het gelach van het wijf gestoord en hij mompelde, terwijl hij zich verwijderde: „Ja, lach, verdoemde heks! Per moio! Perrol zal ook lachen. Door een enkelen dolkstoot te sterven, zou een te gemakkelijk einde zijn voor de tooverkol, die door zulke vrome monniken in waarde wordt gehouden!”

Terwijl zij de Schans verlieten, meende Vidal in den uitgang, die het naast aan de hut grensde, een lange gedaante te zien staan, toen het weerlicht de Schans verlichtte; maar hij zei niets aan zijn meester; ook vermoedde hij, dat het misschien een der ruiters was. Maar dezen stonden allen bij elkander, rustend op hun lansen, en gaven een luiden kreet van vreugde, toen zij hun aanvoerder eindelijk uit de doodsche Schans zagen treden. Nieuwsgierig zagen zij van ter zijde naar hem om, toen de vlakte verlicht werd; maar niemand durfde iets vragen. Menschen en paarden waren in een akeligen toestand; niets was er aan hen, of het was druipnat en het vooruitzicht gaf geen hoop op beter.

„Zit op, mannen, en ziet uit of gij ook het spoor kunt vinden, dat links af, langs het meer loopt,” gebood Perrol, die, voordat hij te paard steeg, onderzocht of hij het fleschje met den minnedrank wel goed had opgeborgen. Spoediger dan hij verwacht had, riep de Tuimelaar, die te voet vr zijn paard ging, dat hij een weg gevonden had, die door wagens bereden scheen te zijn geweest, en Perrol gelastte, dat men dien zou volgen.

Bedaard zat hij op zijn hengst, en scheen den kouden regen noch den guren wind te voelen, die hem opnieuw aandeed, nadat hij zich in het hol bij het vuur van de heks gewarmd had; hij kende zijn onmacht tegen de worsteling der elementen. Toen zij bezijden de Hunnenschans den weg vervolgden, die geheel blank van den regen stond, verhief zich een verschrikkelijk geschreeuw in de Schans. De Tuimelaar stond stil, en Perrol en zijn ruiters hielden ook hun paarden staande; want ondanks het gehuil van den wind in het hooge geboomte, dat weldra de oude sterkte en het meer aan hun oog zou onttrekken, klonk een schaterend gelach over de heide. De ruiters staarden met schrik naar de plaats, vanwaar het geluid nu en dan kwam.

Perrol wilde juist (want hij herkende de stem van de heks) bevel geven om voort te rijden, toen het weerlicht over de vlakte flikkerde, en het water, het woud en de Schans verlichtte, en een uitroep van schrik ontsnapte aan de van koude klappertandende Zwarte Ruiters; want zij zagen een menschelijke gedaante, die in een liggende houding door een onkenbaar wezen snel over den wal werd rondgedragen. Toen een nieuwe bliksemstraal de duisternis weer voor een oogenblik deed verdwijnen, zag Perrol, dat de heks nog altijd met het mensch, dat zij boven haar hoofd op haar schouders scheen te dragen, pijlsnel over den wal van de Hunnenschans voortholde, en nu en dan voor een oogenblik uit het oog verdween, als zij langs het water ging, of in de diepte van de ingangen moest afdalen.

„Voorwaarts, mannen!” gebood Perrol, die zelf met stomme verbazing dit schouwspel had aangezien. De Tuimelaar vervolgde zijn weg, en toen hij het bosch bereikte, waardoor het spoor liep, en Perrol een laatsten blik naar de verblijfplaats der Magyaren wierp, scheen de heks de Schans te verlaten, want men hoorde haar helsche stem zich over de heide in de richting van het Godenmeertje verwijderen, en zelfs Perrol was verheugd, toen alleen het geluid van den storm, en het neervallen der takken en de koude regen hem in zijn overdenkingen stoorden.

De nacht was reeds ver gevorderd, toen Perrol eindelijk met zijn afgematte ruiters en paarden een menschelijke woning bereikte; want zij hadden het geluk gehad den weg, die hoe langer hoe meer opwaarts liep, niet te verliezen, en Perrol bevond zich, zooals hij ook reeds vermoed had, toen hij de richting van het spoor naging, aan den ingang van het dorp Garderen.

Tevergeefs echter klopte men aan het eerste huis of op de schuren, die daarnaast stonden; de bewoners waren er zeker niet opgesteld in zoo’n nacht den troep vreemde ruiters, die voor hun woning had stilgehouden, onder dak te nemen; maar zij hadden er misschien niet mee gerekend, dat de vreemde krijgslieden zelden gewoon waren het eigendomsrecht te eerbiedigen. „Werpt de deur neer,” gebood iemand, en weldra viel de deur verbrijzeld in het huis en eer er een half uur verloopen was, waren de paarden behoorlijk verzorgd, het spek, dat uit den schoorsteen gelicht was, had den ruiters goed gesmaakt, met wie Perrol het gevonden brood gedeeld had, en zij lagen te slapen om het vuur, dat zoo goed van groote blokken voorzien was, dat de woning groot gevaar liep in brand te geraken. De aanvoerder der Zwarte Bende had zijn harnas en zijn kleeren uitgetrokken en een lakensche, met lammervellen gevoerden mantel van den boer, die zijn woning ontvlucht was, omgeslagen, terwijl zijn kleeren naast den schoorsteen droogden. Hij zat in den eenigen stoel die in de woning gevonden werd, en warmde zijn verkleumde leden bij het vuur; nu eens zag hij op zijn slapende ruiters of luisterde naar de voetstappen van Rogardo, die in de gang de wacht hield; dan weer staarde hij in de vlam en zijn blik verried, dat deze akelige tocht hem niet tot inkeer had gebracht, of van zijn booze voornemens had doen afzien, neen hem zelfs nieuwe voorwerpen had doen kennen, die zijn wraakzuchtige gedachten bezighielden. Hij lachte, toen hij zich voorstelde, welke gezichten de kellenaar zou zetten, als hij met zijn benden de pachtgelden van de abdij kwam afhalen, en wat de tooverkol zou zeggen, als Froccard, indien deze nog leefde, haar onderhanden had. Een oogenblik daarna haalde hij het fleschje uit zijn beurs en beschouwde, kwaadaardig lachend den troebelen drank tegen de vlam van het vuur.

908SR15.gif (1832 bytes)

De aftochtInhoudopgave OltmansDe minnedrank

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)