J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL I – HOOFDSTUK VIII.

DE INLEGERING

Met geen inlegering wou E g m o n d ons belasten
Behalve dat bij zelf en zijn lijfwacht meê,
Die altijd tuchtig is, hier nam zijn legersteê.
J. VAN DEN VONDEL.

D.gif (3307 bytes)ienzelfden dag en reeds des morgens vroeg, werd aan vrouw Martha van stadswege bekend gemaakt, dat het paardenvolk dat den vorigen dag in Amersfoort gekomen was, bij de burgers in kwartier zou worden gelegd, dat ook een bevelhebber met een paar ruiters zijn intrek in de Vergulde Helm zou nemen. Tevergeefs beriep zij er zich op, dat haar man gevangen was, en men haar dus diende te verschoonen van dezen last; de bode haalde zijn schouders op, en zei, dat er nu niets aan was te veranderen; dat de verdeeling nu eenmaal zoo door de edele regeering bepaald was, en dat zij zorgen moest, dat alles tot de ontvangst der vreemde gasten in gereedheid werd gebracht.

Het gerucht, dat Perrol met een deel van zijn bende in de stad zou zijn binnengerukt, was haar reeds ter oore gekomen, en moeder en dochter zagen met schrik de vreemde mannen van dezen gevreesden hoofdman tegemoet; want dat het Perrol kon zijn, dat vermoedde zij niet, daar deze waarschijnlijk volgens haar gissing, bij voornamer lieden zijn intrek zou nemen. Nog was Martha met haar dochter bezig om alles vooraf te bespreken, toen Griet haar kwam berichten, dat een fraai gekleed en bescheiden jonkman haar verlangde te spreken; en toen zij last gaf hem binnen te laten, trad Vidal het vertrek binnen. Hij hield zijn muts in de hand, boog diep voor Martha en haar dochter, en zei, na een oogenblik te hebben gezwegen, want zijn oog bleef geboeid door de schoonheid van Maria: „Vrouw Martha, Messire Perrol, dien ik als knaap dien, heeft mij gelast u te zeggen, dat de stad hem in uw huis kwartier gegeven heeft. Hij laat u groeten, en naar uw beider welstand vernemen, er zal, indien u zulks geen overlast aandoet, nog dezen morgen hier zijn intrek nemen; komt het u echter nu nog niet gelegen hem te ontvangen, dan zal hij tot morgen of overmorgen elders zien onder te komen.”

„Heer knaap,” zei Martha verlegen, terwijl de wangen van haar dochter verbleekten, „ik vrees, dat uw heer niet naar zijn zin gehuisvest zal zijn; want hij weet misschien niet, dat de meester gevangen is.”

„Messire Perrol is er van onderricht,” hernam Vidal terstond, en voegde er vertrouwelijk bij: „Indien het wezen kon, vrouw, was het goed, mijn meester nog heden in huis te nemen; hij heeft ook gezegd, dat, zooals gij het schikt, het hem wel zal zijn, en mij gelast zijn kamer in oogenschouw te nemen.

Vrouw Martha stond op zonder verder iets te zeggen, en begaf zich met den knaap naar boven. Deze keerde weldra naar zijn meester terug met het antwoord, dat de vrouw van den smid Messire Perrol nog heden verwachten zou. Zij zond echter iemand naar den pater van het St. Aagten-Klooster, met verzoek aan den vader, om haar in deze moeilijke zaak wel met zijn raad te willen bijstaan.

Twee uren later zat Perrol reeds in het vertrek, dat boven den winkel was, en warmde zich bij het vuur, dat vroolijk onder den schoorsteenmantel brandde; een man, die over een der ramen aan de tafel zat, bezag een pen, welke hij in de hand hield tegen het licht; Vidal en Riso waren bezig met eenige goederen uit een kist te pakken.

„Zijt gij gereed, Froccard?” vroeg Perrol ongeduldig, en toen deze hem geantwoord had, dat hij slechts op het oogenblik wachtte, dat Perrol hem zeggen zou, wat hij schrijven moest, vervolgde de laatste: „In de eerste plaatst schrijft gij aan den Bisschop, en verzoekt hem, om Wouter, den smid uit de Vergulde Helm, op vrije voeten te stellen, en biedt een som van drie honderd Rijnsche guldens voor zijn losprijs aan.

„Driehonderd Rijnsche guldens,” zei de gewezen monnik verwonderd. „Is het te weinig?” vroeg Perrol lachend.

„Bij mijn ziel, neen, Messire,” hernam Froccard, „maar die kerel is immers zooveel niet waard, en dacht, dat gij......

„Bemoei u niet met mijn gedachten, verloopen monnik!” zei Perrol snel, „maar zeg mij, of die soms zoo hoog is, dat een geestelijke niet over zich krijgen zal haar te weigeren?”

„De Bisschop zal mogelijk in twijfel staan; maar wat mij betreft......” glimlachte Froccard.

„Gij schrijft dan verder,” vervolgde Perrol, „dat ik mij over de weigering zal wreken, indien hij mijn aanbod afslaat.”

„Daar zult gij geen nood van hebben, Messire,” zeide Froccard.

„Wij zullen zien,” hernam Perrol lachend; „vervolgens schrijft gij met nagemaakte hand een brief aan den vicaris van den Bisschop, waar gij hem aanraadt, zooveel mogelijk de pogingen te verijdelen, welke door de Utrechtsche partij in het werk gesteld worden, om den meester vrij te krijgen, daar men zijn hulp noodig heeft tot het vervaardigen van vele soorten wapenen, waaraan gebrek is. Ik weet, dat het u gemakkelijk valt, uw wijze van schrijven te veranderen; richt dus den brief zoo in, dat de snuggere heer Utenweert denkt, dat deze raad van een ijverigen bisschopsgezinde komt, die uit vrees zijn naam niet durft noemen, en het nuttig voor het welzijn van den Bourgondiër oordeelt, dat de smid gevangen blijft. Het zal u niet moeilijk vallen de bewoordingen te gebruiken, welke gij uit ondervinding weet, dat ze geschikt zijn, om op de gedachten van dezen paap een goede uitwerking te doen. Ha, ha, een monnik kan immers wel een geestelijke bedriegen!”

Froccard was nu wijs genoeg, en begon te schrijven, terwijl Perrol glimlachend het vertrek rondzag, waarin hij zich voor eenigen tijd dacht te huisvesten. Het was de prachtigste van het geheele huis, en het huisraad was met bijzondere zorg bewerkt. In elk der bovengedeelten van de drie kruiskozijnen waren de glazen in het midden met fraaie kleuren en lofwerk geschilderd en hij wreef vergenoegd zijn handen, dat het hem zoo gemakkelijk gelukt was, zich in het huis te nestelen waar Maria woonde.

Toen de brieven gereed waren, trad Perrol naar de tafel, nam ze in de hand, vergeleek het schrift, en scheen te lezen, wat zij behelsden; terwijl hij hiermee bezig was, vertoonde zich een bijna onmerkbare grimlach op het akelige gelaat van den monnik, die wel wist, dat Perrol weinig of niets kon lezen van wat er in stond. Vervolgens ontstak Vidal, op last van zijn meester, een kaars, bracht zegellak en een dolk mee, op welks knop hetzelfde zinnebeeld was ingesneden, dat op de banier der Zwarte Bende stond. Toen zegelde Perrol met eigen hand den brief voor den Bisschop, zette er een onleesbaar teeken onder, dat zijn handteekening moest voorstellen, en legde de brieven ter zijde.

„Zij zullen niet vermoeden,” zei Perrol nu, „dat gij deze beide stukken geschreven hebt; ik ben over u voldaan; dáár ligt mijn beurs, Froccard. Neem er twee gouden leeuwen uit, en dan kunt gij vertrekken.”

De monnik boog en nam de beurs op; doch daar de koorden, waarmede zij was dichtgetrokken, in elkander verward waren, trad hij naar het raam, om beter te kunnen zien; maar Perrol, die misschien niet gaarne had, dat hij zich met de beurs terzijde begaf, zoodat hij niet zien kon, hoeveel stukken hij er uitnam, vervolgde lachend: „Hé, Froccard, geef maar eens hier, gij zoudt bij vergissing een rozenobel voor een leeuw nemen.

„Ik heb genoeg kennis van het geld, Messire,” hernam deze, terwijl hij schoorvoetend de beurs aan zijn meester overgaf, „om zulk een dwaling niet te begaan.”

„Het is juist die groote kennis, welke u in verzoeking zou kunnen brengen,” vervolgde Perrol meesmuilend, en opende de beurs.

„Ziedaar, eerwaarde heer geheimschrijver, uw belooning; maar ik wil u nog evenveel geven als vooruitbetaling voor een dienst, welken ik in het vervolg zal verlangen.”

„En die is, Messire?” vroeg de andere, terwijl hij de laatste geldstukken bij de eerste in zijn gordel stak.

„Froccard,” zei Perrol zacht, terwijl hij hem scherp aanzag, „herinnert gij u uw broeder Pedro nog? Ik bedoel ja, hoe doopte men hem ook weer, toen men u den naam van Froccard gaf?

„Vervloekte naam!” bromde de monnik binnensmonds en Perrol vervolgde: „Nu, de naam doet er immers niet toe; gij weet, wien ik bedoel ;” doch daar Froccard, alsof hij niet wist, wien zijn meester bedoelde, zich met gespeelde onnoozelheid scheen te bezinnen, riep Perrol driftig: „Vervloekte veinzaard, moet ik uw papenziel blootleggen, waarop die naar met bloedige letters geschreven staat? Per moio! Ik bedoel den kerel, met wien gij op de jacht gegaan zijt, en die nooit is teruggekomen, weet gij het nu of...”

„Ik weet het, Messire, het was de eenige vriend, die ......

„Dien gij ooit hebt vermoord, wilt gij zeggen. Maar gij liegt, schelm,” vervolgde Perrol spottend, „doch veins maar niet, satan zal dat wel verrekenen. Nu, die vriend verhaalde mij eens, dat gij de sleutels gemaakt hadt, met behulp waarvan gij het klooster van zijn kostbaarheden hebt beroofd, voordat gij beiden de pij weggeworpen en het verlaten hebt; is dat waar, Froccard?” vroeg hij en zag hem vorschend aan.

„Gij woont hier bij een smid, Messire, en die zal zeker beter dan ik in staat zijn,” antwoordde de monnik, „om aan...”

„Genoeg,” viel Perrol hem in de rede, „later zal ik de deur aanwijzen, waarvoor zij mij den sleutel maken moet, gij hebt mijn geld op hand ontvangen, en gij zult over mijn mildheid tevreden zijn.”

„En gij over mijn werk, Messire,” zei de andere.

Toen gelastte Perrol hem te vertrekken en riep, terwijl hij heenging: „Laat uw zwaard slepen, vloek als een duivel, als gij den geestelijken heer tegenkomt, die hier in het huis een bezoek aflegt, of, op mijn eer, hij zal den weggeloopen paap in u herkennen.” Hij bezag den brief nog eens, lachte verachtelijk, toen hij Vidal gelastte de beurs weg te sluiten en verviel in een diep gepeins, terwijl hij zich bij het vuur neerzette. Weldra echter richtte hij zijn hoofd weer op, kleedde zich aan, bracht zijn haar en zijn knevel in orde, en zei tot zijn knaap: „Welnu, Vidal, wat zegt gij van de dochter des huizes? Gelooft gij ook niet, dat zij wel waard is, dat een ridder op haar het oog laat vallen?”

„Ik wed, dat onze aalmoezenier die gevolgtrekking niet eens gemaakt zou hebben, Vidal,” zei Perrol spottend; „maar, beste jongen, wij zullen ook niet wreed zijn; integendeel, wij zullen haar gelukkig maken, door haar den wellust van te beminnen te doen kennen. Het zal een aangename gelegenheid zijn, om mij op den heer van de verbrande Schaffelaar te wreken. Ga nu heen, Vidal, en dien mij aan, maar bij de moeder, want dat behoort immers zoo?” vervolgde hij lachend. „Die ziet, op mijn woord, er ook niet kwaad uit, en moet in haar jeugd ook een aardig liefje voor een ruiter geweest zijn.”

Vidal boog en vertrok. Perrol stond op zijn eerbiedig verzoek aan zijn page toe, de stad eens te gaan zien en stapte door het vertrek heen en weer, terwijl hij nu en dan een blik op de huizen aan de overzijde wierp.

908SR15.gif (1832 bytes)

De eerwaarde geestelijke had zich, ondanks zijn hooge jaren, gehaast om aan het verlangen van vrouw Martha te voldoen; hij bracht haar onder het oog, dat er vooreerst niets te veranderen zou zijn in de huisvesting van het krijgsvolk en gaf de hoop, dat Perrol alleen door het toeval bij haar zijn intrek genomen had. Hij vermaande haar hem met die onderscheiding te ontvangen, welke hem toekwam, want hoewel deze vreemdeling niet gunstig bekend stond, was hij machtig en men wist immers niet met zekerheid, of het aan hem kon worden geweten, dat Van Schaffelaar, door den bevelhebber der soldeniers, die bij den uitval sneuvelde, in zijn vertrek bemoeilijkt was, noch of hij zoo slecht was, als men wel wilde doen geloven. Hij zelf zou niet nalaten daaromtrent nadere berichten in te winnen en gaf haar den raad, haar dochter zooveel mogelijk van hem verwijderd te houden. Ook deelde hij haar omzichtig mee, dat men reeds in den vroegen morgen het bericht ontvangen had, dat het volk van Petit Salazar gedurende den onstuimigen nacht den Hoevelaakschen molen had geplunderd, en dat er een gerucht liep, dat de Schaffelaar, door toeval of door vijandelijk geweld, een prooi der vlammen was geworden. Hij gaf haar zijn zegen en ried de verontruste moeder aan, getroost de beproevingen te ondergaan, die haar door den Hemel zouden worden opgelegd, daar zelfs de eerwaarde vader, de Bisschop, zich zooveel vernederingen moest getroosten; en de goede man vertrok met de belofte, haar in tijd van nood zijn hulp en zijn bijstand te zullen verlenen.

Martha was alleen in het groote huisvertrek, toen Perrol binnentrad, want Dirk, de gezel, was weer in zooverre hersteld, dat hij had kunnen opstaan en zich naar zijn eigen slaapstede begeven. De vrouw des huizes was, als gewoonlijk, netjes, doch eenvoudig gekleed; zij beefde, toen het hoofd der Zwarte Bende haar naderde. Perrol was geheel anders gekleed dan wij hem tot nog toe gezien hebben; hij droeg een wambuis van lichtgroen laken met een langen rok, die hem tot aan de knie reikte... zijn hozen waren van hetzelfde laken, en zijn schoenen van zwart glimmend leer. Indien men de kleine gouden knoopjes, die van voren over de borst en langs de binnenzijde der mouwen van zijn wambuis liepen, niet mee wilde rekenen, droeg hij geen andere versierselen, dan een fraaie gouden keten, die ontelbare malen om zijn hals was gewonden, en waarvan het slot op zijn borst afhing. Hij nam de groene kaproen van het hoofd, toen hij haar naderde, boog en zei vriendelijk:

„Waarlijk, mijn lieve huisvrouw, gij doet mij te veel eer aan, door mij hier aan de deur op te wachten; ga zitten, als ik u bidden mag.” Hij wierp een blik door het vertrek, doch verborg zoo spoedig zijn ontevredenheid, dat hij Maria niet gewaar werd, dat de moeder er niets van bespeurde.

„Het zou mij niet voegen, Heer, om mij neer te zetten, voordat gij plaats hebt genomen,” antwoordde vrouw Martha, „gij komt in een huis, dat door zijn meester verlaten is, gij vindt een vrouw, treurende om haar man en ik vrees, dat de edele regeering niet wel gedaan heeft, u ergens te huisvesten waar men u niet naar uw stand ontvangen kan.”

Perrol glimlachte bijna onmerkbaar, doch zonder te antwoorden op wat Martha gezegd had, zei hij: „Welnu, beste huisvrouw, ik zal gaan zitten; maar hoe gaat het met den meester? Hoe maakt het mijn vroolijke harnasmaker? Hebt gij hoop hem spoedig weer hier te zien?”

„Och neen, Heer,” hernam Martha treurig, „al de gevangenen moeten naar den Bisschop vervoerd worden; zijn Eerwaarde wil van geen losgeld hooren, zoodat ik vrees, dat het nog lang zal duren, eer de meester zal terugkeeren, om zelf u als gast welkom te kunnen heeten.”

„Op mijn eer, vrouw Martha,” zei Perrol, „het ongeluk, dat uw braven man is overkomen, doet mij van harte leed; ik zou gaarne gezien hebben, dat hij mij hier met den beker in de hand, naar landsgebruik, ontvangen had, maar

 „Zal ik last geven, of zelf een kan wijn voor u halen, Heer,” vroeg Martha, terwijl zij opstond.

„O, ik dank u,” vervolgde hij snel, „ik maak zulk een groot gebruik van het druivennat niet; ik wilde alleen maar zeggen, dat ik ook van harte wensch den smid hier te zien. Welk een schoone gelegenheid, om over het smeden van een goede rusting te spreken en te onderhandelen! Want de meester uit de Vergulde Helm kan goed rekenen, vrouw,” zei hij lachend, en vervolgde ernstig: „Maar dat de man van het huis verwijderd is, was een reden te meer, om hier en niet elders mijn intrek te nemen. Bedenk toch eens, een vrouw alleen in dezen tijd, nu er vreemd krijgsvolk in de stad ligt en men telkens oproer en zelfs een vijandelijken aanval kan verwachten. Gij zoudt toch niet geheel van het krijgsvolk vrijgekomen zijn, en mijn ruiters zijn, ik moet het bekennen, nu en dan wat lastig; maar nu hebt gij niets van hen te vreezen, gij behoeft slechts mij en mijn knaap en een page te huisvesten. De rest van mijn gevolg en de ruiters, die u te beurt waren gevallen, heb ik elders heengezonden. Wat zegt gij van deze schikking? Bevalt zij u, beste huisvrouw?”

„Zeer zeker, Heer,” antwoordde Martha, die wel wenschte, dat het bendehoofd zich elders had gehuisvest, „ik dank u voor deze goedheid,” en zij zag opmerkzaam naar het krijgshaftige gelaat en de welgevormde leest van den vreemden gast; zij was getroffen door zijn innemende manieren en woorden, en voelde, dat zij zich te vroeg angstig gemaakt had.

Perrol bemerkte ondertusschen, dat de goede vrouw hem vriendelijker dan in het begin toesprak, en zei opgeruimd: „Zie beste vrouw, ik had wel bij voornamer lieden onder dak kunnen komen, maar den meester kende ik immers; ik beloofde mij in de Vergulde Helm een gul onthaal en heb mij niet bedrogen. Een krijgsman houdt niet van hoofsche gebruiken, een vriendelijk gelaat en een goede keuken zijn hem daarentegen altijd welkom; terwijl ik mij in voornaam of in mijn eenzaam vertrek zou moeten zitten vervelen, denk ik hier als lid van het huisgezin bij den gastvrijen haard den winter te slijten. Ik verwed alles wat gij wilt, dat, eer er twee weken om zijn, gij niet beter weten zult, of Messire Perrol van de Zwarte Bende behoort tot uw huisgezin. Beschouw mij als uw zoon, beste vrouw, of als uw neef,” zei hij lachend. „Hoe minder omslag men voor mij maakt, hoe liever ik het heb; van dit oogenblik af zijn mijn knaap Vidal en mijn page Riso zoowel tot uw orders als tot de mijne.”

„Te veel goedheid. Heer,” antwoordde Martha verlegen, „dit vertrek past niet voor u; dat boven den winkel is voor u nauwelijks goed genoeg, en uw knaap iets te gelasten, zou mij niet voegen.

„O, hij is een goede borst,” zei Perrol, „gij zult het ondervinden. Maar zeg eens, beste huisvrouw, toen ik vroeger hier was, heb ik nog een meisje hier in huis gezien; was dat uw dochter? Waar is zij? Zij is immers wel, hoop ik?” „Ja, Heer,” antwoordde Martha aarzelend, „maar zij is in haar kamer.”

„En zal ik dan het genoegen hebben haar te mogen begroeten?” zei Perrol vriendelijk. „Bedenk, dat ik zeker lang hier blijf, maar dat het de plicht van een ridder is, nimmer te verzuimen, zoo spoedig mogelijk een vrouw of een meisje van zijn hoogachting te verzekeren.”

„Gij doet mijn dochter te veel eer aan, Heer,” antwoordde vrouw Martha, „en indien ik haar ga roepen, zal ik genoodzaakt zijn u hier alleen te laten.”

„O, voor zulk een reden kunt gij mij gerust hier alleen laten,” zei Perrol vriendelijk, „ik bid u, ga heen en zeg aan uw dochter, dat iemand, wien het ongeluk, den meester overkomen, van harte leed doet, hier op haar wacht en dat hij bereid is om alles te ondernemen, wat zij denkt, dat zou kunnen dienen om den echtgenoot en vader in u beider armen terug te voeren. Om ’s Hemels wil, zeg haar dit,” zei hij met vuur, „en ga nu heen, bid ik u, beste vrouw, om uw dochter te halen.”

Vrouw Martha voelde zeer goed, dat zij dit verzoek niet kon weigeren; het zou toch een beleediging voor den ruiteraanvoerder geweest zijn hem dit af te slaan; de waardige vader had haar immers vermaand, haar gast zooveel mogelijk genoegen te geven; zij boog dus, en verliet het vertrek. Zij zag niet, dat Perrol met moeite een spottenden lach onderdrukte, toen zij zich verwijderde.

Zoodra hij alleen was, riep hij vroolijk: „Ha! ha! wij zullen dan nu het geluk hebben de lieve bruid van den edelen heer der verbrande Schaffelaar te zien; het zal mij benieuwen, of de laatste der Schaffelaren door het hoofd der Zwarte Bende niet uit haar hart zal worden verdrongen.”

Lang duurde het, eer Martha terugkeerde. Het had haar veel moeite gekost Maria te overreden om haar te volgen; het lieve kind besefte niet genoeg, hoe noodig het was, den ruiteraanvoerder genoegen te doen, zij was immers de bruid van Van Schaffelaar; in hem en in haar vader had zij immers trouwe en moedige beschermers. Maar haar moeder herinnerde haar eraan, hoe ver deze dierbare mannen verwijderd waren, ook aan wat de pater gezegd had en dat Perrol op haar wachtte. Maria gaf eindelijk toen; waarom zou zij nu weigeren aan zijn verzoek te voldoen, terwijl zij toch niet zou kunnen volhouden, gedurende al den tijd, dat hij hun gast zou blijven, zich voor hem verborgen te houden? Perrol liet niet blijken, dat het wachten hem had verdroten, toen Martha, die het eerst binnentrad, tot hem zei: „Ik bid u om verschooning, Heer, dat ik u zoo lang alleen gelaten heb; mijn dochter was niet goed genoeg gekleed, om voor u te verschijnen.”

„Een meisje als uw dochter, vrouw Martha,” antwoordde hij opstaande, „zal altijd beminnelijk zijn, in welk gewaad zij zich ook vertoont; ook valt de tijd zelden kort, als men op iemand wacht, die men wenscht te zien.” Toen naderde hij de vrouwen en vervolgde: „Ik dank u dus, Maria, dat gij aan mijn verzoek, u door uw goede moeder overgebracht, voldaan hebt en verzeker u, dat het mij streelt, hoop te durven voeden, eenigen tijd met u onder één dak te mogen doorbrengen.” Hij zag het meisje aan, dat bleek en met neergeslagen oogen naast haar moeder stond, vatte haar hand, terwijl hij boog, en zei vriendelijk: „Gij schijnt bedroefd! Denkt gij om uw vader? Heeft uw moeder u dan niet gezegd, dat niets mij te moeilijk zal wezen om hem weer te bevrijden?”

Maria trok haar hand snel terug, toen hij die in de zijne nam, die met een witten handschoen bedekt was; een lichte blos vertoonde zich op haar gelaat, terwijl zij haar hoofd met waardigheid oprichtte, en haar rein oog op hem vestigde.

Maar hij deed geen moeite om naar hand vast te houden en zei met een innemende stem: „Zeg mij dan tenminste, Maria, dat gij wel zijt; het zal mij immers niet verboden zijn, naar uw gezondheid te vernemen? – Uw dochter is ziek, beste vrouw, waarom hebt gij mij dat niet gezegd?” riep hij, zich tot Martha wendend.

„Zij is niet ziek, Heer, maar door het ongeluk, dat haar vader trof, teneergeslagen. – Antwoord den heer toch eens, Maria,” zei haar moeder en wenkte haar met de oogen, om haar het stilzwijgen te verbreken.

„Ik ben wel, Heer,” antwoordde Maria, die gerustgesteld werd door de bescheiden houding van Perrol, en omdat hij haar hand losgelaten had; „maar ik treur om mijn goeden vader, die gekwetst en afwezig is. O, ik dank u, indien het inderdaad uw wil is hem zijn vrijheid te hergeven.” Haar oog verried, dat zij zijn woorden wantrouwde.

„Gij twijfelt, Maria!” riep Perrol verwonderd. „denkt gij dan, dat ik met uw droefheid en die van uw moeder spot? O, waarmee heb ik dat verdiend?”

„Mijn vader is u vreemd, Heer,” zei Maria zacht, „en in Utrecht zijn even goede wapensmeden als hij; welk belang kunt gij dus in hem stellen?” en een glimlach zweefde om haar mond.

„Welk belang?” zei Perrol met nadruk en vriendelijk. „O, wie is de man, die niet gaarne alles doet om een vrouw tranen te besparen! U moeder is verdrietig, en gij weent nog op dit oogenblik, omdat gij aan uw vader denkt; o, Maria, het is tevergeefs dat gij het verbergt; ik zie een traan, die uw oog ontrolt. Maar de goede God zal aan uw kinderlijk verlangen gehoor geven, en ik zweer op mijn eeuwig welzijn en bij deze beeltenis van mijn Heere Jezus, onzen Zaligmaker, dat ik niets vuriger verlang dan de vrijheid van uw vader.”

Maria zag hoe hij de linkerhand op de borst lei en zijn rechterhand uitstrekte naar een looden Christusbeeldje, dat op een zwart houten kruis aan den muur hing. Zij kon niet vermoeden, dat Perrol om zoo weinig zijn ziel voor eeuwig ongelukkig zou maken; dat het alles logentaal was, en dat de edele uitdrukking van zijn gelaat, het heilige vuur, dat in zijn open oog glinsterde, de geestdrift, waarmee hij sprak, slechts bedrog waren, en toen hij haar zacht vroeg, als bedroefd over het weinige vertrouwen, dat zij in hem stelde: „Zult gij mij nu nog niet gelooven?” antwoordde zij: „O ja, Heer, zeker; het zou zonde zijn niet te gelooven, wat gij zoo heilig bezweert; ik bid u, duid mij mijn ongeloof niet ten kwade. O, ik weet wel, dat niemand reden heeft om mijn goeden vader niet van ganscher harte genegen te zijn.”

Martha verzocht Perrol nu weer plaats te nemen, en toen zij zaten, zei hij opgeruimd: „Het doet mij genoegen, vrouw Martha, dat men niet meer aan mijn bedoelingen twijfelt; maar ik weet wel, waarom uw dochter mij haar geloof weigerde; dat komt van mijn gedrag op dien morgen, toen de meester mij voor het eerst hier in de kamer bracht. – Is het niet zoo, Maria?” vroeg hij, en richtte zijn oog op het meisje, dat tegenover hem, naast haar moeder zat en verlegen haar oogen neersloeg.

„Uw gedrag heeft haar nimmer reden gegeven u te mistrouwen, Heer,” zei Martha, om haar dochter, die zweeg, te helpen, hoewel zij wel beter wist.

„En toch, beste vrouw, vervolgde hij, „wenschte ik wel, dat uw dolchter zelf mij geruststelde.”

„Mijn moeder heeft gelijk, Heer,” antwoordde Maria langzaam, „ik herinner mij niet, dat gij ooit iets onaangenaams gezegd hebt; waarom zoudt gij een burgermeisje, dat u geen leed kan doen, kwaad toewenschen?”

„Gezegd,” hernam Perrol lachend, „ik zeg niet, dat ik iets gezegd heb; de Hemel beware mij, om een lief kind als gij een hard woord te geven; maar ik herinner mij nog zoo levendig een sneeuwwitten hals gekust te hebben, en het smart mij nu, dat dit de oorzaak was, dat er tranen uit uw schoone oogen rolden; zie, daarvoor wilde ik desnoods op mijn knieën om genade bidden.”

„O, Heer,” zei Martha snel, „de meester, die toen nog hier was, heeft er u immers niets van gezegd; mijn dochter heeft dit reeds lang vergeten; indien het niets anders is, behoeft gij u niet ongerust te maken.”

„Ik dacht, dat het veel was, vrouw Martha,” antwoordde Perrol vriendelijk, „ik weet wel, uw man duidde het mij niet ten kwade, maar ik wenschte gaarne dezelfde verzekering van uw dochter te vernemen. Op mijn eer, ik zou veel willen geven, dat ik nimmer zoo stout geweest was, en dan weer nog veel meer, om nog eens zoo stout te durven zijn, en toch heb ik er berouw over. – Zeg mij dus, dat gij het mij vergeven hebt, Maria!”

Het schoone meisje bloosde, sloeg haar oogen neer en bewaarde het stilzwijgen. „Gij weet toch zeker, Maria,” vervolgde Perrol innemend, „dat het vergeven zulk een zoete wraak is; een vrouw vergeeft immer zoo gaarne. Wie heeft mij toch zoo zwart gemaakt in uw gedachten, dat gij mijn bede niet verhoort? O, die goedheid, Maria, zou mij zoo tevreden en voor eeuwig tot uw schuldenaar maken.”

„Indien gij denkt iets gedaan te hebben, dat vergeving noodig heeft, Heer,” zei Maria verlegen, „dan kunt gij u geruststellen; ik vergeef het u en hoop, dat de Heilige Moeder van onzen Lieven Heere Jezus u en mij ook zoo alles vergeven zal, als ik u in dit oogenblik doe.”

„Ik dank u; o, gij weet niet, Maria, hoe gelukkig gij mij maakt,” riep Perrol, die haar met welgevallen beschouwde; „en ik hoop, dat de Heilige Maagd mij zoo genadig wezen zal, als gij verzocht hebt; want ik ben een groot zondaar. Maar gij, Maria,” vervolgde hij zijn hoofd schuddend, „gij zijt zoo goed, zoo deugdzaam. O, ik geloof niet, dat gij haar heilige voorspraak noodig zult hebben, om in het paradijs te gaan.

„Niemand is er, die haar genadige voorspraak en haar liefderijken bijstand niet noodig heeft, Heer,” zei Martha; „en wat mijn dochter betreft, hoewel wij haar in eer en deugd hebben grootgebracht, toch weet God alleen, welke beproevingen haar nog zullen worden opgelegd. Wanneer een meisje haar ouders verlaat en de wijde wereld ingaat, heeft zij haar plichten te vervullen jegens haar man en de kinderen, waarmee de Heer en de Heiligen haar echt zegenen, en de verleiding is dikwijls groot.”

Perrol lachte bij zichzelf, toen hij de brave vrouw van beproevingen hoorde gewagen; hij dacht bij zichzelf: „de verleider is dichter bij het lieve kind, dan gij wel verwacht; het zal mijn schuld niet zijn, als zij niet de tusschenkomst van alle Heiligen noodig heeft, om in het paradijs te worden toegelaten, en mogelijk zal zij er nog bevalliger uitzien, als zij wat van haar deugd verloren heeft.” Maar zijn gelaat verried niets van wat er in zijn zwarte ziel omging, en hij zei zonder gemaaktheid: „O, gij bedoelt het huwelijk van uw dochter; de meester heeft er mij van onderricht, de heer Van Schaffelaar zal immers het geluk hebben om haar naar het altaar te geleiden?”

„Zoo spoedig de oorlog geëindigd is, zal het huwelijk doorgaan,” zei vrouw Martha met wat ophef; „het is een groote eer voor ons, Heer, dat een edelman ons om haar hand gevraagd heeft.”

„Een edelman,” zei Perrol en onderdrukte met moeite een grimlach, „bij St. George, of uw dochter niet schoon genoeg is om een graaf aan haar voeten om haar hand te zien smeeken! Maar,” vervolgde hij langzaam en met belangstelling, „het doet mij van harte leed u dan een droevige tijding te moeten mede. deelen; of mogelijk is het beter, dat ik zwijg……”

Maria zei niets, toen hij ophield, maar hield haar oog strak op hem gericht; de vrees deed elk spoor van een blos van haar gelaat gedwijnen. „Spreek om Jezus wil, Heer, wat is er nu weer gebeurd?” vroeg Martha angstig.

„O, beste vrouw, wij leven in een naren tijd, hoewel ik voor mij aan zulk een leven gewoon ben,” zei Perrol; „ik zie, ik heb te veel gezegd, om niet voort te gaan; maar verontrust u niet! Alles kan nog weer hersteld worden. Zeg mij, heeft de heer Van Schaffelaar een kasteel of huis hier in de nabuurschap?”

„Ja,” antwoordde Maria snel, en Martha vervolgde: „maar dat is hedennacht, zoo de spraak gaat, geheel verbrand, Heer!”

„Dan is u het ongeval reeds bekend,” zei Perrol schijnbaar neerslachtig, en niemand zou gezegd hebben, dat hij de man was, die deze vervloekte daad verricht had; „het doet mij leed om uwentwil, Maria! Het verlies van zulk een gebouw is een groote schade; men zegt zelfs, dat de menschen niet gered zijn, weet gij ook, waar de heer Van Schaffelaar zich tegenwoordig bevindt?”

„Waarom vraagt gij dit, Heer?” vroeg Maria doodsbleek.

„Waarom?” vroeg Perrol, verwonderd, „omdat ik bevreesd was, dat hij er zich ook misschien tijdens den brand zou hebben bevonden.”

„O, God!” riep Maria, en bedekte haar gelaat met haar handen. Haar moeder sloeg haar arm om haar heen, en zei zacht: „Verontrust u niet, kindlief? Uw bruidegom is in het leger; Frank zou het ons immers gezegd hebben, als hij er was geweest.”

„Ik zie, dat ik had moeten zwijgen,” riep Perrol, als ontevreden op zich zelf; hij sloeg zich voor het hoofd, stond op, ging het vertrek op en neer, naderde toen de vrouwen, zag hen met belangstelling aan en zei: „Och, weer moet ik om verschooning vragen; maar waarom zijt gij om mijn gevolgtrekking zoo bedroefd! Wat zou uw vriend nu op de Schaffelaar doen? Hij is immers aan de andere zijde van de stad bij het krijgsvolk; men zou het weten, indien hij omgekomen was. Houd dus goeden moed, Maria! Ik zal u alles terstond mededeelen, wat ik te weten kom; want men heeft er lieden heengezonden, en weldra zal het bekend wezen, of het ongeluk aan het toeval te wijten dan wel met opzet geschied is; ik vrees het laatste,” zei hij zonder aarzelen. „En toch zouden wij het moeten weten, indien onze soldaten een strooptocht gedaan hadden; ook kan ik niet bevroeden, waarom zij in zulk weer een enkel gebouw vernield zouden hebben. Maar de tijd zal het leeren,” eindigde hij, en ging weer zitten.

Maria, door de woorden van haar moeder en die van den moordbrander zelf bemoedigd, liet haar handen zakken, en Martha zei: „Een ongeluk bij zulk stormachtig weer kan gemakkelijk gebeuren, nietwaar, Heer? En wie zou zoo op den heer Van Sschaffelaar gebeten zijn om zijn onschuldig huis te verbranden? Hier in de stad, geloof ik ten minste, niemand, en de knechten van den kleinen Salazar zouden immers zijn huis niet vernielen.”

„Zoo denk ik er juist over, beste vrouw,” antwoordde Perrol, „het doet mij leed, om der wille van uw dochter, zelfs om dien van den heer Van Schaffelaar; ofschoon wij in het veld tegenover elkander staan.”

„En...” zei Maria, terwijl zij tevergeefs op zijn gelaat iets trachtte te bespeuren, dat met zijn woorden niet strookte, en zweeg toen.

„En – vervolg uw rede, bid ik u, Maria,” zei Perrol vriendelijk, en zij herhaalde moedig: „En toch, Heer, hebt gij hem, voordat gij den Bisschop ver… eer gij zijn dienst verliet, gevangen willen nemen.”

„Mijn dochter! Gij weet niet meer, wat gij zegt,” zei Martha vreesachtig, „gij spreekt van dingen, waarvan gij niets weet. – Heer, ik bid u om verschooning voor Maria!”

„O, ja! Ik weet het zeer goed, moederlief,” zei het schoone meisje en zag onbevreesd naar het bendehoofd, dat zonder eenige verwondering te laten blijken, en zonder dat zijn gelaat veranderde, antwoordde: „O, neen, vrouw Martha, uw dochter bedriegt zich niet; er is een oogenblik geweest, dat ik den heer Van Schaffelaar gevangen wilde houden. Maar gij zult ook weten, Maria, dat hij in vrijheid uit mijn legerplaats vertrokken is.”

„Dank zij den tijdigen bijstand en den losprijs van den aanvoerder der voetknechten; ik weet het, Heer,” hernam Maria onbeschroomd.

Perrol beet zich op de lippen, maar zei vroolijk: „O ja, de heer Van Nijveld heeft den losprijs betaald; indien hij geweten had, dat het mijn voornemen was om Van Schaffelaar zelfs zonder losprijs te laten gaan, zou hij zoo zot niet geweest zijn. Mijn ruiters hebben van zijn geld eens lustig op zijn gezondheid en die van den heer Van Schaffelaar gedronken; dat is al wat er gebeurd is.”

Maria bedwong zich om wat haar op de tong lag, te uiten, maar zei toch: „De heer Van Nijveld heeft zijn geld reeds terug, Heer, dus heeft hij bij zijn goede daad geen schade gehad.”

„Ik wist dit niet, Maria,” hernam Perrol snel, „en ik dank u voor het bericht; maar gij bedriegt u zeer, als gij denkt, dat ik uw vriend heb laten gaan voor een paar ellendige geldstukken. Neen, bij mijnheer St. George, voor zulk een prijs zou ik niemand laten gaan, dien ik wilde houden; maar wilt gij weten, aan wien hij zijn bevrijding te danken heeft, of weet gij het misschien reeds?” zei hij, en zag haar vragend aan. Maria zweeg, en Perrol vroeg nogmaals: „Aan wien, Maria? Zeg het mij, bid ik u.” Toen richtte zij haar oog ten hemel en zei vol vertrouwen. „Aan God, Heer!”

„Zeer zeker, Maria,” hernam Perrol lachend, „maar aan Hem niet alleen; aan u heeft hij zijn vrijheid te danken en aan niemand anders, ik zweer het!”

„Aan Maria, Heer?” vroeg vrouw Martha verwonderd.

„Ja, beste huisvrouw,” zei hij vriendelijk. „De meester had mij gezegd, dat hij zijn dochter aan hem zou uithuwelijken: om Maria alleen heb ik hem laten gaan, en indien zij nog denkt, dat ik mij door het geld heb laten overhalen, dan zal ik haar een som ter hand stellen, die nog eens zoo groot is, om hier in de kerk een stuk zilver te geven. Gij denkt immers niet zoo onedel van mij, dat gij gelooft, dat Van Nijveld met zijn geheele bende ooit eenigen invloed kan uitoefenen op Perrol, of zijn banier ter aarde werpen?” eindigde hij trotsch.

„Indien dit het geval is, Heer,” zei Martha beleefd, „dan danken wij u; Van Schaffelaar zelf heeft dat niet zoo begrepen of kunnen inzien.”

Maria boog en zei: „Indien het zoo is, Heer, hebben wij groote verplichting aan u, en toch……”

„En toch,” viel Perrol haar in de rede, „kon Van Schaffelaar niet raden, waarom ik hem eindelijk ongemoeid liet gaan en hij heeft het u dus niet kunnen berichten.” Hierop zag hij de vrouwen vorschend aan, en overtuigde zich daardoor, dat Van Schaffelaar haar niets gemeld had van de bedreigingen, die hij had geuit; hij verheugde zich en vervolgde opgeruimd: „Ik begrijp nu al te wel, waarom gij niet zeer verheugd moest zijn, toen gij hoordet, dat gij mij in uw huis zoudt krijgen. Maar alles zal zich wel opklaren en gij zult mij in het eind recht doen wedervaren; Van Schaffelaar bracht mij onaangename bevelen en dit verdroot mij; hij gedroeg zich echter onverschrokken en hoffelijk, zooals het een dapper edelman betaamt; het spijt mij, dat ik, door den Bisschop te verlaten, ook hem als het ware tot vijand heb gekregen, maar het zal niet altijd oorlog zijn.”

„Maar waarom verliet gij de zijde van den Bisschop, Heer?” vroeg vrouw Martha.

„Waarom?” vroeg Perrol lachend. „Ja, dat is te lang om nu te vertellen; in het vervolg zal ik het u wel eens mededeelen; maar gij kunt er u toch niet over beklagen, daar de meester een goeden heer aan mij hebben zal, want mijn ruiters kunnen niet lang met een zwaard toe. Nu ben ik immers hier om u te beschermen, en als gij mij maar iemand kunt aantoonen, tegen wien de Bisschop den meester zou willen uitleveren, dan beloof ik u op mijn eer, dat ik hem gevangen zal nemen, al zat hij ook onder den eerwaarden vader. Den heer Van Schaffelaar haat gij niet, ofschoon hij voor twee dagen vóór de stad was om uw stadgenooten te berooven, met het gevaar zijn aanstaanden schoonvader het hoofd te kloven; waarom zouden wij dan geen vrienden kunnen zijn, daar ik hier kom om stad en ingezetenen te beschermen?”

„Vrees niet,” vervolgde hij vroolijk, terwijl hij opstond, „dat ik altijd over paarden en gevechten zal spreken, ik heb ook meer gezien; ik zal u verhalen van landen, volken en gebruiken, van watervallen en bergen, van al de schoonheden der natuur, van de feesten, die ik bij vorsten en graven heb bijgewoond en van de vrouwen, waarmee ik het geluk gehad heb te mogen dansen; ik zal u hun kleeding, hun pracht van juweelen en borduursels beschrijven, alsof gij er bij geweest waart. Zulk een kleed, Maria, zou u goed staan. O, indien ik den heer Van Schaffelaar zie, zal ik hem aanraden er u een volgens mijn beschrijving te laten vervaardigen; ik ben zeker, dat het u bevallen zal; ik zal u de nieuwste balladen en sonnetten voorzingen, want gij houdt immers van den zang?” Nu zong hij, terwijl hij zijn kaproen opnam:

„Marie chèie,
Douce amie,
De ma vengeance,
Tu es l’espérance.”

en vervolgde toen: „De krijg heeft mijn stem wat doen verroesten; maar ik zal zoo goed zingen als ik kan. Als wij een schoonen dag hebben, en uw moeder het toestaat, dan heb ik, indien gij er lust toe gevoelt, een makken sneeuwwitten telganger in mijn stal, die tot uw dienst is, zoo dikwijls gij wilt uitrijden, want de aanstaande vrouw van een edelman kan zeker paardrijden. – Ik zal zorg dragen voor Maria, beste huisvrouw!

„Maar daar is iets voor u,” zei hij, toen Griet de kamer binnenkwam, „ik heb u ook reeds zoo lang opgehouden; doch wanneer men in goed gezelschap is, vergeet men den tijd. Tot weerziens dan!” Toen verzocht hij Martha en Maria, die opgestaan waren, te gaan zitten, groette hun vriendelijk en vertrok. Een oogenblik zaten moeder en dochter stilzwijgend tegenover elkander, en wisten niet wat zij van den man moesten denken, die zooeven vertrokken was; maar Griet zei: „Ik ben blij, dat die vent weg is, die mij naar de handen keek; maar de knaap, dien hij bij zich heeft en die kleine jongen, dat zijn goede zielen, geloof ik.”

„Zwijg toch, Griet,” zei vrouw Martha, „en spreek nooit dan met ontzag van heer Perrol, gij weet niet, hoe voorzichtig men wezen moet met het krijgsvolk, en wat men er van te vreezen heeft, vooral vrouwen alleen.”

„Ja vrouw,” zei Griet, „dat weet ik wel en vooral van zulke leelijke ruiters. Mijn moeder heeft eens een heele geschiedenis gehad met zoo’n Bourgondischen paardeman en……”

„Maar wat hebt gij daar in de hand!” riep Maria, die opstond en op haar toetrad.

„Een brief, Maria, die in stilte gekomen is; daarom wilde ik niet, dat die vreemde vent ik wil zeggen heer, hem zien zou.

„Van Van Schaffelaar, Moeder!” riep Maria, den brief openbrekend.

908SR15.gif (1832 bytes)

HilversumInhoudopgave OltmansDe lakenkopers

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)