J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK X.

HET KLOOSTER.

Doe mij noq nu’ liefde eens hooren:
Zeg nog ns, dat gij mij mint.
J. DU PR.

H.gif (3137 bytes)eer Jan van Schaffelaar sidderde, toen hij de tijding kreeg van den boosaardigen aanslag van Perrol. Tevergeefs had hij Wouter voorzichtigheid aangeraden; de goede en geen kwaad denkende meester had zich, evenals de vrouwen, door het bendehoofd laten misleiden. Maria sluimerde zonder vrees aan den rand van den afgrond, waarin hij haar wilde neerploffen; kon Van Schaffelaar haar toeroepen, wat Perrol gedreigd had? Zou het onschuldige kind zijn waarschuwende stem begrepen hebben? Kon hij zijn bruid doen blozen van schaamte?

Maar God had haar bewaard; hij dankte den Hemel, dat zijn lieve bruid gered was. Zoo zag hij dan, dat deze vreemde ruiter nu eens zijn wraak snel wist te doen treffen, als met Van Baerbergh, dan weer bedaard zijn tijd kon afwachten, om hem, dien hij treffen wilde, nog heviger in het hart te grijpen. O, hij zag nu, dat deze duivel in menschelijke gedaante reeds zijn belofte was nagekomen, en alleen door hoogere bestiering zijn vloekwaardig voornemen verijdeld had gezien; daarom vernam hij met blijdschap, dat de aanvoerder der Zwarte Bende de Vergulde Helm reeds des morgens vroeg na dien vreeselijken nacht ontruimd had, zoodat Martha, noch haar dochter, hem sedertdien weergezien hadden. Sindsdien was Maria door medewerking en op aanraden van pater Van Broechuijsen heimelijk uit de stad vertrokken; want haar vader was niet machtig genoeg om haar te beschermen tegen een gewelddadigen aanslag van Perrol, die met zijn Zwarte Ruiters in Amersfoort doen kon, wat hem goeddacht.

In het begin van December begaf Van Schaffelaar zich naar Naarden, waar de Stadhouder weer een leger bijeen bracht; zijn ruiters waren reeds vroeger daarheen getrokken en thans te Hilversum gelegerd. Hij verheugde zich, dat de Bisschop hem eindelijk had toegestaan te vertrekken; en de hoop om Maria, die hem in zoo langen tijd niet gezien had, eens aan zijn hart te drukken, maakte hem reeds bij voorbaat gelukkig. Vijf en twintig mannen van wapenen vergezelden hem, en zoo snel de grondgesteldheid het mogelijk maakte, reed hij over den Amersfoorter bergen op den Vuurschen weg aan, om van daar het Gooiland te bereiken.

Toen hij de hoogten opreed, die tot nog toe den toenmaligen weg van Utrecht naar Amersfoort voor hem verborgen hadden, ontwaarde hij een twintigtal ruiters, die, een oogenblik te voren, voorbijgetrokken waren en den weg naar Amersfoort volgden. Hij zag het zonnelicht op de punten der lange speren flikkeren, en herkende de rusting der Zwarte Ruiters. Vr hen uit reed een man op een fraai paard, die een grooten hoed met een lange veer droeg. Was het Perrol, die hier voorbijtrok? Hij hoopte het: daarom gelastte hij zijn ruiters zich vast in den zadel te zetten, en hun speren gereed te houden; langzaam daalden zij van de hoogten af, zonder dat de vijandelijke ruiters hen gewaar werden. Toen zij in de laagte waren, plaatste Van Schaffelaar hen, volgens het toenmalige krijgsgebruik, op een rij; de paarden werden gespoord, en snelden over en ter zijde van den breeden weg vooruit. „Van Schaffelaar en St. Maarten!” riepen de mannen van wapenen.

Ofschoon de Zwarte Ruiters zich onverhoeds zagen aangevallen, riep een forsche stem: „Keert om, mannen, sluit het gelid, velt de speer en staat vast!” Dit was het eenige, dat hun overbleef; want de Schaffelaars waren hen zoo op de hielen, dat zij niets anders konden doen, dan hen vast in den zadel af te wachten. Zij beantwoordden het veldgeschreeuw van hun vijanden niet, en vingen hen onverschrokken op: maar de aanval geschiedde met zooveel kracht, dat de paarden weken, en de slagorde gebroken werd.

Nu vlogen de Zwarte Ruiters vloekend uitn, en werden vervolgd; her- en derwaarts zetten de Schaffelaars hen na; maar in deze afzonderlijke gevechten konden zij hun meerdere sterkte in getal niet behouden; want nu eens streden zij allen tegen twee ruiters van Perrol of omgekeerd, dan weer vochten zij man tegen man.

Van Schaffelaar, die wel de speer had aangenomen, welke zijn knaap hem overgaf, maar, zonder haar te vellen aan de rechterzijde van zijn ruiters gereden had, bespeurde met verwondering dat de vijandelijke aanvoerder niet eens den schok afgewacht had, doch zich reeds van te voren verwijderd had; daarom dacht hij dat het Perrol niet zijn kon; en toen zijn mannen de Zwarte Ruiters vervolgden, gaf hij ook zijn paard de sporen, om zich van den vreemdeling meester te maken, en zijn knaap volgde hem.

De vluchtende bereed een fraai paard en droeg een groen lakensche houpelande, die met zwart bont gevoerd scheen en het kwam Van Schaffelaar voor, dat hij geen harnas droeg. Geruimen tijd wanhoopte hij er aan om hem in te halen, want zijn hengst had veel te dragen aan den van het hoofd tot de voeten gewapenden bevelhebber. Hij had zich echter bedrogen; het paard van den vreemdeling beantwoordde niet aan de goede gedachte, die Van Schaffelaar er van gehad had, en weldra riep hij luid:

„Sta, en geef u over, of ik werp u van het paard!” en hij velde zijn speer. Deze bedreiging scheen eenigen invloed te hebben, want de vluchtende hield stand, wendde zijn paard, rukte zijn houpelande los en trok zijn degen. Een eind van hem af, hield Van Schaffelaar zijn paard staande, richtte zijn lans op, en beschouwde den vreemdeling: maar het was noch Perrol, noch zijn luitenant. Hij was nog jong, en scheen, naar zijn kleeding te oordeelen, niet tot de Zwarte Ruiters te behooren.

„Heer!” riep hij uit, „ofschoon gij zwaar gewapend zijt, en ik niets heb om mij te verdedigen dan dezen degen, zal ik mij toch niet overgeven, want ik ben van edel bloed, ofschoon ik niet gewoon ben het zwaard te voeren.

Van Schaffelaar bezag zijn gelaat terwijl hij sprak; het was bedaard en onbevreesd en kondigde een edel gemoed aan, ofschoon het niet regelmatig en schoon gevormd was. Hij zei daarom tot den onbekende: „Heer, vergeef mij de moeite, die ik u veroorzaakt heb. Vervolg gerust uw weg en wijt hetgeen gebeurd is, alleen aan de knapen, die u vergezelden; ik meende dat gij tot de Zwarte Bende behoordet, maar deed u onrecht; God zij met u!” Zonder het antwoord van den vreemden edelman af te wachten, boog hij zijn hoofd ten teeken van afscheid, gaf zijn paard de sporen en keerde terug.

De vreemdeling wenkte den knaap, die zijn heer wilde volgen, en vroeg hem, terwijl hij hem eenig geld gaf, wie de krijgsman was, die hem zoo edelmoedig had vrijgelaten, en Heintje noemde hem zijn meester en volgde Van Schaffelaar. De jongeling had nu gelegenheid om te zien, wat er van zijn geleide geworden was. Hij zag Van Schaffelaar op eenigen afstand staan; deze blies op een horen, en scheen zijn ruiters terug te roepen. Sommigen hadden zich zeer ver verwijderd om hun vijanden te vervolgen, en hij zag met verwondering, dat de kleine knaap, die hem te woord had gestaan, zonder schroom een der Zwarte Ruiters te gemoet reed, die dwars over den weg rende, om te ontsnappen aan twee vijandelijke ruiters, die hem vervolgden. De groote ruiter scheen zelf verwonderd, dat de knaap het waagde, hem in zijn vaart te stuiten, en hief met beide handen zijn zwaard op; maar de knaap liet zijn kleine paard ter zijde springen en ontweek den slag. Snel op hem aanrijdende, stak hij zijn zwaard, zoo het scheen, in de voeg van het borstharnas; want de Zwarte Ruiter viel, en zijn paard werd door den knaap opgevangen en medegenomen.

Hoewel de jongeling met belangstelling de overwinning van den knaap had gadegeslagen, en hoewel de verslagen ruiter tot zijn geleide behoorde, zag hij toch met vreugde, dat het gevecht een einde had genomen. Langzamerhand keerden de Schaffelaars terug, sommigen langs den weg, anderen over de hoogten of door de engten daartusschen, maar zonder gevangenen, wel met eenige paarden; waarschijnlijk hadden de Zwarte Ruiters geen kwartier gevraagd of verkregen. Nu verliet Van Schaffelaar de plaats, waar de schermutseling plaats had gehad, en hij reed links af van den weg, in de richting der venen. Het kwam hem voor, dat de ruiters, die hem vergezelden, minder in getal waren dan tijdens den aanval, en hij zag dat zij eenige gekwetsten met zich voerden. Daar hij geheel alleen was, en niemand van de mannen zag, die met hem van Utrecht waren gekomen, reed de jongeling naar den ruiter, die door den knaap was neergestooten, steeg af, en onderzocht of hij zijn hulp ook nog noodig mocht hebben. De Zwarte Ruiter opende de oogen, toen zijn helm werd losgegespt en afgenomen; hij zag den vreemdeling aan, en zei flauw, terwijl zijn gelaat reeds door de doodskleur werd overdekt: „Neen, het is gedaan; en gij, die zelfs het veld geruimd hebt zonder te vechten, zult misschien niet begrijpen, dat het niet de naderende dood is, die mij wanhopig maakt, maar dat ik door de hand van dien ellendigen dwerg gevallen ben, wiens paard mij reeds eenmaal op den grond heeft geworpen.” Hierop braakte hij nog eenige verwenschingen uit tegen den knaap, sloot zijn oogen weer, scheen met zijn handen iets te willen grijpen, dat hij voor zich meende te zien, en blies den laatsten adem uit.

Geheel vreemd aan zulke tooneelen van moord en bloed, verliet de jongeling hem zoo spoedig mogelijk, en reed, terwijl hij zijn houpelande weer tot bovenaan toeknoopte, alleen den weg naar Amersfoort op. Af en toe keerden nu echter eenige Zwarte Ruiters tot hem terug. Niet ver van het Huis ten Dalen was een kleine herberg, waar zij hun intrek namen; want zoowel de ruiters als de paarden hadden rust noodig. De jongeling lichtte met moeite een zwaren leeren zak van zijn paard, die achter den zadel, in een mantel gewikkeld, vastgegespt was, en trad er mee de herberg binnen, terwijl zijn paard naar den stal gebracht werd.

908SR15.gif (1832 bytes)

In de parochie van het dorp Soest, lag in dien tijd een vrouwenklooster, dat aan de heilige jonkvrouw Maria gewijd was, en bijgevolg Marinburg heette, hoewel men het gewoonlijk eenvoudig de Brigitten noemde, omdat de kloosterzusters naar de regelen van de heilige Brigitta leefden.

Dit klooster werd op uitdrukkelijken last van den Burggraaf van Montfoort nooit door het Utrechtsche krijgsvolk gekweld, en hoewel de geestelijke maagden vooral wel eens bezocht hadden kunnen worden door eenige stoute stroopers van des Stadhouders partij, zij hadden door bemiddeling van den Bisschop, die haar huis zeer genegen was, ook van die zijde een vredebrief gekregen, die hun vrijwaarde tegen allen overlast van het vijandelijke krijgsvolk. Het huis had dus, hoewel de oorlog voortduurde, en reeds een aantal bewoners van Soest naar elders gevlucht waren, tot nog toe niets geleden, en de zusters hadden er in stille afzondering geleefd, alsof het vrede was.

In dit klooster had Maria een schuilplaats gezocht, toen Perrol haar genoodzaakt had, om het ouderlijk huis te verlaten, waar zij niet meer veilig was voor zijn aanslagen. De snelheid, waarmee zij vertrokken was, en de voorzorgen, die men genomen had, gaven haar vader het vertrouwen, dat het hoofd der Zwarte Bende niets te weten was gekomen van haar vertrek, of van de plaats waar zij zich bevond; en Martha troostte zich, toen haar dochter haar verliet met de verzekering, welke de pater haar gaf, dat de mater van het klooster haar met liefde zou ontvangen, en dat Perrol, al werd hem bericht waar zij was, het waarschijnlijk niet zou durven wagen, de rust der kloosterlingen te verstoren, of de heiligschennende hand te slaan aan het meisje, dat zich onder de bescherming bevond van de navolgers van de heilige Brigitta. Zij troostte zich dus en dankte God, dat Hij haar hij al deze onheilen nog den zegen had geschonken, om zich uit den grond van haar hart te kunnen verheugen over de redding van haar dochter, die rein en onschuldig uit de handen van het monster verlost was, en dat haar smeeken en de vermaningen van den pater van Broechuijsen zooveel invloed op het gemoed van haar man gehad hadden, dat hij zijn voornemen, om Perrol te straffen voor zijn laaghartig gedrag, had opgegeven.

Omstreeks vespertijd naderde een boer, die een zak rapen aan een dikken stok op zijn rug droeg. de Brigitten. Hij stond eenige oogenblikken stil, om te luisteren naar de kloosterklok, die getrokken werd, en waarvan het geluid zich over de vlakte verspreidde, doch naar het scheen, door een echo met kracht werd teruggekaatst; want ook de Birkenaars – de reguliere kanunniken van het naburige mannenklooster – gingen kerkwaarts en de zilverachtige klank der kloosterbengels verloor zich even zacht over het veld, als een zucht over de lippen van een maagd, die de komst van haar minnaar verbeidt. Nu versnelde de boer zijn tred, en begaf zich naar het verblijf der zusters, dat bijna geheel uit hout was samengesteld, opende het hek, dat een soort van voorplein, voor het huis, van den weg afzonderde en trad naar de deur. Doch hij scheen zich te bedenken, wierp zijn zak op den grond en ging, nadat hij eenige oogenblikken de kleine ramen van het verblijf der nonnen n voor n had opgenomen, in de kerk.

Maria begaf zich, nadat de vesper was afgeloopen, uit de kerk in haar kleine vertrek. Zij was, evenals de zusters, in een grauwen rok en mantel gekleed; maar zonder het roode kruis met de witte rondte er in op den mantel. Sedert de aanvoerder der Zwarte Bende haar eerst zoo geveinsd, en daarna zoo woest zijn gruwelijke liefde en wraakzucht bekend had gemaakt, was zij krank naar geest en lichaam. Haar kuisch gemoed treurde wel niet om de kussen, die hij haar gegeven had, of omdat zijn dartel oog een blik op haar bekoorlijkheden had geworpen, want zij wist niet wat er met haar voorgevallen was, sinds zij haar moeder geroepen, en vrdat zij in haar armen het bewustzijn herkregen had. Niets verschafte haar afleiding in het stille huis, waar zij verborgen was; zij dankte God wel dagelijks voor zijn bewaring, en bad Hem voor haar ouders, Van Schaffelaar en zichzelf; maar wat het bendehoofd tot haar gezegd had, herinnerde zij zich nog zoo goed, dat zij elk oogenblik bevreesd was hem opnieuw voor zich te zien verschijnen. En woord van Perrol had haar ziel vooral geschokt. O, als zij aan die beschuldiging dacht, en die was geen oogenblik uit haar gedachten, dan kromp haar hart van schaamte inn; hij had immers gezegd, dat zij Van Schaffelaar niet beminde – dat zij dus zijn liefde, zijn vereering niet waardig was! Zij had haar hart onderzocht, maar er het beeld van haar ouders en van haar bruidegom in gevonden. Perrol had dus gelogen; want niemand beminde zij dan Van Schaffelaar.

Soms had zich het bleeke gelaat van Frank achter haar bruidegom vertoond; ook hem had zij lief, maar zij had slechts medelijden met hem, zij beminde hem niet als zijn vriend. „Zou hij mij beminnen?” dacht zij, en na deze. gedachte kon zij zijn beeld niet meer uit haar hart verbannen; zij zag hem altijd treurig en bleek voor zich staan, als toen zij hem de roos overgaf. Sedert dat oogenblik verliet haar vaak alle vertrouwen in zichzelf en zij weende; en toch beminde zij Van Schaffelaar alleen.

De nonnen, die gedurende den dienst achter het koorhek zaten, hadden alleen uit tijdverveling, en zonder verdere belangstelling naar den boer gezien, toen hij in het ruim van de kerk trad, doch Maria had opgemerkt, dat de landman, na zich gebogen en geknield zijn gebed gedaan te hebben, met bijzondere aandacht naar die zijde van het aan den dienst gewijde gebouw gezien had, waar de nonnen zaten.

De duisternis, die in de kerk heerschte en die door de weinige lichten op het altaar niet veel verminderd werd, verhinderde haar den man te herkennen, indien zij hem al meer gezien had; maar zijn lange gestalte en de fiere tred, den boer anders niet eigen, waarmee hij tot midden in de kerk genaderd was, waren haar niet ontgaan, evenmin als zijn blik, die een oogenblik stijf op haar gericht was gebleven. Was het een vreemdeling, die aan zijn nieuwsgierigheid voldeed, of iemand die haar zocht en kende? Was het Van Schaffelaar, of Perrol of een van zijn zendelingen? Zij wist het niet; en toch stelde het haar gerust, toen de boer, voordat nog de zusters uit de kerk weer naar het klooster gingen, het heilige gebouw weer verliet.

In het eenzame vertrek gekomen, dat zij bewoonde, zette zij zich bij het venster neer, en zag naar buiten. Het was reeds duister, en toch kon zij de boomen in den hof nog zien; want de sneeuw, die des morgens gevallen was. lag nog op de takken en zij herinnerde zich, hoe zij zich in vroeger jaren wel in den tuin, achter het huis van haar ouders, vermaakt had met figuren van sneeuw omver te werpen, die Frank vervaardigd had, of zich door haar vader of Van Schaffelaar in een slee te laten rijden. Doch dat alles was nu over, alleen door de wraakzucht van het bendehoofd. Zoo dacht zij na over het verleden en werd daardoor de mater van het klooster niet gewaar, die de cel binnengekomen was; maar toen deze haar naam riep, schrok zij en zag om. „Er is iemand beneden, mijn dochter, die u verlangt te spreken,” zei de mater; „zet daarom de kap op, het is koud en gij zoudt zieker kunnen worden, want het strijdt tegen onze regelen om hier een man te laten komen.”

Maria zag verwonderd; de boer kwam haar weer in de gedachten, daarom vroeg zij snel: „Om mij te spreken, eerwaarde moeder? Is het mijn vader, of komt hij uit zijn naam? O, als het Perrol maar niet is! Kent gij dien man?”

„Neen, Maria,” zei de mater met afschuw, „de heilige Brigitta dank ik, dat die onverlaat nooit zijn oog op mij geworpen heeft; ik ken den man niet, die beneden wacht. Hij zei mij, dat hij uw bruidegom is; maar ik ken heer Jan van Schaffelaar niet.”

„O, is het Van Schaffelaar?” riep Maria verheugd, en greep haastig naar de kap; doch toen stond zij plotseling stil, en de mater moest haar nog eens aansporen om haar te volgen.

Bij het vertrek gekomen, waartoe ook de mannen den toegang hadden, opende de mater de deur en liet Maria vr zich uitgaan. Deze wierp een snellen blik op den man, die bij de tafel stond, want zij herkende den boer, dien zij in de kerk gezien had; maar tegelijkertijd viel het licht van de draagbare lamp, die op de tafel stond, op zijn gezicht, en terwijl hij de grove muts van het hoofd rukte, haar naam noemde, en zijn armen uitstrekkende, eenige schreden voorwaarts deed, riep Maria: „Mater, hij is het! De Heilige Maagd zij gedankt, dat ik u zie, Jan! O, ik dank u, dat gij gekomen zijt,” en zij snelde in allerijl naar hem toe, en viel in zijn armen.

Het eenvoudige gesticht der vrome nonnen kon geen zalen en kamers aanwijzen, zooals de rijke en prachtige kloosters van dien tijd in andere streken van ons land, of in andere landen; maar hij, wien het werd toegestaan er een zuster of bloedverwant te bezoeken, behoefde haar ook niet achter een traliewerk te spreken: een voorzorg, welke lastig en droevig was voor den man, die met edel gevoel in het huis der geestelijke zusters kwam, en onvoldoende tegen hem, die alleen kwam om een jonge non of leekezuster met verliefde blikken te beschouwen, of haar de vingers te kussen, en onder de hand over te halen, hem in de gelegenheid te stellen, haar op een nadere plaats met meer vrijheid zijn liefde te kunnen verzekeren.

Daarom genoot Van Schaffelaar het geluk, zijn bruid aan zijn hart te drukken; en toen de mater zag, dat Maria hem herkende, liet zij hen alleen, om naar de eetzaal terug te keeren; de pater had haar meegedeeld, in welke betrekking de edele Van Schaffelaar stond tot de deugdzame dochter uit de Vergulde Helm, en zij achtte daarom haar tegenwoordigheid overbodig.

„Maria,” zei Van Schaffelaar teeder, die haar naar de bank geleidde, welke bij de tafel stond, „zet u neer; want ik weet, dat gij niet gezond zijt, en toch kon ik het niet langer uitstellen u eens te bezoeken, zoodra het mogelijk was. Zeg mij, Maria, zal mijn komst u geen nadeel doen?”

„O, neen, Jan,” antwoordde zij. „Ik heb u reeds gedurende de vesper gezien; doch het was zoo duister, dat ik u niet herkennen kon. Het zal mijn gezondheid niet schaden, geloof mij; ik heb zoolang naar dit oogenblik verlangd, en toch heeft uw bezoek mij nog verrast; maar ik ben anders wel.”

„Verbergt het mij niet, bid ik u, Maria,” zei Van Schaffelaar bewogen; „wilt gij, dat ik even aan een der leekezusters verzoek, u wat water te brengen? „O neen, blijf, bid ik u,” hernam Maria en lei de hand op zijn arm, „het zal wel overgaan.

„Rust dan tegen mijn borst, o, gun mij dat genoegen, Maria,” zei Van Schaffelaar, „leg uw hoofd op mijn schouder.” Maar toen hij, zijn arm om haar middel geslagen, haar aan zijn hart trok, zuchtte zij en voldeed niet aan zijn verzoek; daarom riep hij verwonderd en treurig: „Ben ik niet uw bruidegom, Maria? Ben ik niet dezelfde Jan van Schaffelaar, met wien uw ouders u verloofden? Lieve bruid, zeg het mij in Gods naam, denkt gij, dat ik u niet meer liefheb, zooals voorheen?”

„Neen, Van Schaffelaar! O, neen, ik weet, dat uw hart niet veranderd is,” riep zij en omvatte met haar zachte armen den hals van haar bruidegom. Toen zei hij zacht en de vreugde keerde weer op zijn gelaat: „O, gij stelt mij gerust, Maria, maar zeg het mij, waarom hebt gij gezucht?” Hij kustte haar, maar zij verborg haar gelaat aan zijn borst: het scheen, dat zij niet rustig in zijn armen geklemd bleef, en hij vervolgde daarom aangedaan: „Ben ik niet reeds zoo goed als uw echtgenoot, Maria? O, waarom wilt gij mijn omarming dan ontvluchten? Heeft het geestelijk gewaad u dan van mij vervreemd? Voorheen rusttet gij kalm op deze borst, aan dit hart, dat alleen voor u slaat, en uw ouders keurden het immers goed, en zagen het met welgevallen.”

„Ik weet het, Van Schaffelaar,” zei zij zacht en treurig, „maar mijn hart is niet zoo opgeruimd als toen. Uw Maria, uw bruid, weet niet, of zij uw liefde nog verdient……” en hij hoorde haar weenen.

„Maria, lieve Maria!” riep hij, „laat mij deze tranen wegkussen. Zeg, dat gij geschertst hebt, dat gij het zelf niet gelooft, want uw liefde is mijn geluk.” Doch toen hij zag, dat zij snikte, en met het hoofd schudde, vertoonde zich een dreigende uitdrukking op zijn gelaat, die weldra in een droevigen glimlach veranderde, en hij riep treurig: „O, Maria, waaraan denkt gij? Ik wil geen woord gerept hebben van wat die wreedaard gedaan heeft, uit vrees van u zijn gruwelijke daad in het geheugen terug te roepen. Maar kent gij mij dan niet, Maria? – Hoe kunt gij vermoeden, dat gij mij minder waard zoudt zijn, nadat gij om mijnentwil met de wraakzucht van dien zwarten booswicht hebt moeten kampen? O neen, Maria, ik bemin u nog heviger, nadat gij voor mij geleden hebt. O, waarom koelde hij zijn wraak niet op mij?”

„Op u, Van Schaffelaar?” zei zij langzaam doch treurig; „ik ben het eerste offer – en dan wil hij u treffen; dat heeft hij mij gezegd en er op gevloekt. O, als gij moest sterven vr uw tijd, evenals die roos, die uw naam droeg! Helaas, ik heb niets gedaan dan mijn plicht; ik verdien geen meerdere liefde.” „Gij treurt om een bloem? – Zoo is de vrouw! Maar zie mij aan: ben ik even zwak als zij? – Neen, de man is gelijk den boom van het woud, hij valt niet bij den eersten bijlslag; God alleen kan hem verpletteren met n slag, en Hij bemint zijn kinderen,” zei hij bemoedigend en kuste haar op het voorhoofd.

„Waarom treurt gij dan nog, Maria?” vroeg hij na eenige oogenblikken; want zij antwoordde hem niet. Toen zei zij, en zag hem aan, als wilde zij in zijn oog lezen, wat hij dacht: „Helaas, mijn bruidegom! Ik wil u zeggen, wat mij bedroeft. O Jan, in dien vreeselijken nacht, toen ik alleen was overgelaten aan de woede van Perrol, toen ik zelfs dacht, dat de Hemel mij had losgelaten, toen……” Doch hier zweeg zij, en verborg haar gelaat. Hij sidderde, zijn gelaat werd doodsbleek, een zucht ontsnapte aan zijn krampachtig tezamen gedrukte lippen; toen kustte hij haar lokken en zei vriendelijk en met aandoening: „Welnu, Maria, vervolg! Uw bruidegom heeft u zoo lief, vertrouw hem alles; wat gij zelfs voor uw ouders verzwijgen zoudt, zeg dat mij; zijt gij niet reeds zoo goed als mijn vrouw? Mijn hart zal u nooit verstooten; o, zeg dus Maria, – toen……?”

„Toen,” riep zij snikkend, zonder dat zij de uitdrukking van zijn gelaat gezien had; want indien zij de bleekheid van zijn gelaat had gadegeslagen, zou zij niet hebben durven spreken, – „toen, Jan, heeft hij mij gezegd, dat ik u niet liefhad, niet beminde met hart en ziel, maar dat hij alleen mij liefhad, die wreedaard!”

„Bij mijnheer St. Maarten, en mijn dagge! Hij loog als een gemeene roover en maagdenschenner; – en daarom weent gij, Maria? O, zie mij aan, verkwik mijn hart, lieve bruid, door een vroolijken blik van uw schoon en onschuldig oog. Gelooft gij dan nog, wat hij u gezegd heeft om u te bedriegen? Lach eens, Maria, – verzet die dwaze gedachte; – past het nog de bruid van een edelman, hem met zulke kinderachtigheden te verontrusten en zijn hart vrees aan te jagen?” eindigde hij verheugd. Zijn oogen fonkelden van geluk; hij zette zijn hand onder haar kin en richtte haar hoofd een beetje op, om het lieve gelaat des te beter te kunnen zien.

„En toch, Jan,” riep zij mistroostig „denk ik steeds aan wat hij gezegd heeft; die ijselijke woorden klinken mij nog altijd in het oor. O, zoo gaarne zou ik ze vergeten, maar ik kan niet. Tevergeefs heb ik voor mij en voor u gebeden; doch de rust keert niet terug. – O, indien ik u eens niet liefhad, zooals ik u moet liefhebben,” snikte zij.

„Maar uw eigen hart, Maria,” zei Van Schaffelaar liefdevol, „weerspreekt immers wat die booswicht gezegd heeft; waarom maakt gij u dan angstig? Ik beschuldig u immers niet! Bij onzen lieven Heere Jezus zweer ik, dat ik nooit een oogenblik getwijfeld heb aan uw liefde, sedert ik u het laatst gezien heb. „Gij twijfelt dus niet?” vroeg Maria, meer gerustgesteld. „O Jan, uw woorden doen mij zoo goed; maar ik dacht, dat hij misschien gelijk kon hebben; gij hebt mij immers zoo dikwijls in uw brieven, die ik nog alle bewaard heb, gesmeekt niet vriendelijk te zijn tegen dien vreemden ruiter, en toch ben ik het geweest.”

„Doch niet omdat ik voor uw trouw bevreesd was, Maria,” zei Van Schaffelaar gevoelvol, „o neen, – maar ik was beducht, dat zijn geveinsde taal bij u en uw moeder een gerustheid en zorgeloosheid zou verwekken, welke mij beangstigden. In spijt van zijn laaghartige taal, zult gij mij altijd beminnen, altijd zult gij mijn Maria en mijn lieve bruid zijn, tot gij mijn vrouw wordt.” Hierop kuste hij haar, en door zijn liefde en zijn woorden gerustgesteld, beantwoordde zij zijn blikken van innige verknochtheid. Zonder eenigen schroom te gevoelen lag zij in zijn armen, en beantwoordde den druk van zijn hand; daarom antwoordde zij, toen hij eenige oogenblikken later vroeg: „Twijfelt gij nog, of gij mij als uw bruidegom liefhebt, Maria?”

„Neen, Jan, maar hoe kunt gij dit nog vragen? Ziet gij niet, dat ik gelukkig en zoo gerust ben? Zit ik niet even dicht naast u als weleer? O, ik gevoel nu, dat ik u even lief heb, als toen wij geknield voor mijn vader lagen,” en om hem te overtuigen, sloeg zij haar arm om hem heen en kuste hem. O, zij gevoelde nu, dat zij zich voor niets beangstigd had, dat zij Van Schaffelaar alln liefhad; zij dacht niet meer aan Frank, noch aan wat Perrol gezegd had.

Op haar verzoek vertelde hij haar nu, dat hij den vorigen dag van Wijk gekomen, binnen de grenzen van het Sticht zou blijven, en zei, nadat hij weer een van haar komen was, en waarschijnlijk eenigen tijd in de omstreken van Naarden en vragen beantwoord had: „Uw ouders willen u gaarne in hun nabijheid houden, Maria, en ik wenschte ook zoo gaarne, dat gij hier kondt blijven; maar het kan niet. Bedenk maar eens, de goede pater oordeelde, dat de kloosters in Amersfoort u geen veilige schuilplaats aanboden; maar hoe zult gij dan in dit huis, dat zoo afgelegen is voor de ondernemingen van dien mensch beveiligd zijn? Zou het voor het eerst zijn, dat een monnik of een non voor geld een geheim verried, of door bedreigingen tot bekentenis gebracht werd? Helaas, Maria, onze lieve Heer zelf werd immers voor een handvol zilver verraden, en gij zijt maar een arm meisje.”

„Denkt gij dan, Van Schaffelaar,” vroeg Maria angstig, „dat hij mij hier zou durven bezoeken of wegrooven? Heeft dit klooster niet een brief van Montfoort en zelfs van den Stadhouder, om het te beveiligen?”

„Hoe weinig kent gij de wereld, Maria,” zei Van Schaffelaar glimlachend; „maar daarom bemin ik u des te meer. De brieven zullen misschien niet eens erkend worden door de mannen, die ze verleenden; de oorlog, Maria, verschoont niets, en heel spoedig kan het omliggende land verwoest worden: daarom heb ik reeds aan den pater geschreven, om uw ouders te raadplegen, en hun voorgesteld u naar Zutfen te laten brengen; een vriendin van mijn zalige moeder is mater van het klooster Spitaal. Geloof mij, zij zal u met liefde ontvangen, en gij zult daar veilig zijn; ofschoon ik u nog liever in een der Hollandsche steden zag.

„Maar dat is zoo ver, Van Scliaffelaar,” riep Maria. „Hier heb ik nog hoop, om mijn vader of mijn moeder en zelfs u te zien en te spreken, maar Zutfen is zoo ver van hier.”

„Maar ook ver van Perrol,” zei Van Schaffelaar met nadruk, waarna hij snel vervolgde: „Hoor, Maria, ik wilde gaarne altijd dicht bij u blijven: maar ik offer gaarne mijn geluk op voor uw welzijn. Ik had gehoopt dat uw ouders reeds een besluit genomen hadden, en dan had ik u reeds in veiligheid gebracht; maar hun verlangen is, u zoo veel mogelijk in hun nabijheid te hebben. Hun ouderliefde maakt hen onvoorzichtig; zij hebben nog niet genoeg geleerd, en, de Heere vergeve het mij, zij hechten te veel aan de verzekering van den braven, maar niet argwanenden grijsaard. Wat zult gij dus zeggen, als men uw gevoelen vraagt?”

„Dat ik wil vertrekken,” riep Maria. „Ik heb u allen lief; maar het bendehoofd te ontvlieden is mijn eerste verlangen en mijn plicht. Gij zult mij schrijven, als ik daar te Zutfen zijn zal, niet waar?” vroeg zij.

„Zeer zeker, Maria,” antwoordde hij, en zei zacht: „Wilt gij mij een bewijs van vertrouwen schenken? O, denk dan, dat uw ouders van u gehoorzaamheid kunnen vorderen: maar dat uw bruidegom ook iets voor u is. Mochten zij u dus hier willen houden, of kwam het antwoord niet spoedig genoeg, vertrouw u dan aan mijn hoede toe, gij kent mij immers? Wie heeft meer belang dan ik, om over u te waken? Behoort gij mij niet reeds? Mijn liefde is niet zorgeloos, maar maakt mij beangst; zult gij mij dus volgen, als ik u kom afhalen? Zult gij aan de smeekingen van uw bruidegom gehoor geven, zelfs als uw ouders u hier zouden willen houden?”

Met gespannen aandacht wachtte hij het antwoord op zijn vraag; zij scheen zich te bedenken, en zei eindelijk, terwijl zij hem haar hand reikte: „Altijd gehoorzaamde ik mijn ouders, Van Schaffelaar, maar zij en de Heilige Maagd zullen het mij vergeven, als ik om deze reden mijn plicht verzaak. Uw bruid zal u volgen; maar ik bid U: haast u niet; een enkele dag wachtens kan mij misschien voor schuld behoeden; ik wilde u en mijn ouders gaarne beiden genoegen doen.”

„Ik dank u, Maria!” riep hij en kuste haar hand; „hoe ongaarne ook, moet ik u dit uitstel toestaan; maar als de toestemming komt, dan ziet gij mij spoedig, misschien reeds morgen weer. – De mater zal mij wel wachten en ontevreden zijn, dat ik zoolang bij u bleef; ik hoop maar, dat u het spreken niet vermoeid heeft.” Met deze woorden stond hij op en vervolgde glimlachend: „Zoudt gij mij onder dit kleed wel gekend hebben, Maria, indien ik mijn naam niet genoemd had?”

„O ja, Jan,” zei zij. „Was het in de kerk zoo duister niet geweest, ik zou u dadelijk herkend hebben; dat grove goed kan uw hooge gestalte en uw deftigen tred niet verbergen, en ik zal nimmer vergeten, dat gij, ter liefde van mij, deze gemeene kleeding hebt aangeschoten, die een edelman of dapper krijgsman niet voegt.”

„Die lof bevalt mij uit uw schoonen mond,” zei hij vriendelijk; „en indien ik eenigen prijs stel op eeretitels en bezittingen. is het alleen om die met u te deelen. Maar het verheugt mij, dat ik, nu ik afscheid neem, de hoop mag voeden u spoedig weer te zien; daarom, Maria, houd goeden moed en vertrouw op God en op Van Schaffelaar!”

„Ik ken u immers, Jan,” zei zij gevoelvol. „Weet ik niet, hoe mijn welzijn u ter harte gaat? En de Hemel zal mij niet gered hebben om mij later in de handen van onzen vijand te laten vallen.”

„Neen, Maria, dat zal hij niet,” riep Van Schaffelaar met drift; toen vervolgde hij ernstig: „Maria, ik heb u niet gesproken over wat Perrol bestaan heeft; ik heb u niet gevraagd, wat hij gezegd of gedaan heeft; ik wist reeds genoeg, toen ik hoorde, dat de Heilige Maagd u had bewaard; daarom zweeg ik, om u die verschrikkelijke tooneelen niet te herinneren. Doch ook ik ben maar een mensch; ook ik heb driften, welke de godsdienst niet altijd kan bedwingen. Van Schaffelaar wil zich wreken, wil vergelden wat Perrol u deed, de beleediging straffen, die men zijn bruid heeft aangedaan. Ik heb de puinhoopen van mijn voorvaderlijk huis gezien en heb zijn bitteren spot in zijn legerplaats moeten verduren; – ik heb hem u het hof moeten laten maken, en zijn vervloekten aanslag voorbereiden; want ik kon niets voor u doen, – plichten jegens mijn heer weerhielden mij. Maar ook gij, Maria, gijzelf hebt door mijn zwakheid mijn arm aan banden gelegd, en die arm moest u beschermen. Ik vraag mijn woord terug. Evenals gij, zou ik bij verrassing mijn woord hebben kunnen lossen, door u te verzoeken mij een bede toe te staan; doch ik heb dit niet gewild. Enmaal, Maria, beloofde ik u geen twist te zoeken met Perrol, en ik hield mijn woord; maar zie, Maria, nu wil ik u aan uw voeten smeeken mij mijn vrijheid te hergeven. Thans helpt geen vrede houden meer; het wraakzwaard moet niet aarzelen in deze vuist!”

„Mijn bruidegom,” zei Maria treurig, en hield hem staande; want hij wilde de knie buigen, en schudde het hoofd, toen zij de strijdlust in zijn oogen las. – „O, ik vrees zoo voor zijn bloeddorst. Van Schaffelaar, denk aan het lot van den ongelukkigen Van Baerbergh.”

„Ook hij moet gewroken worden, Maria!” riep hij met vuur, en strekte zijn arm uit; „ik bid u, handel edelmoedig, wijs mijn verzoek niet af. Of twijfelt gij aan mijn moed? Zou alleen die booswicht het zwaard kunnen voeren? Zal ik u, zal ik onze liefde niet verdedigen? Zal mijnheer St. Maarten, mijn patroon, mij niet bijstaan, zoo de hel al aan mijn armen kracht mogen geven?” Doch Maria aarzelde en schudde het hoofd. Toen riep hij treurig: „Wilt gij dan, Maria, dat uw bruidegom, dat ik, edelman en aanvoerder der Schaffelaars, wacht, tot hij u vermoord of van uw eer beroofd heeft? Zal mij dan niets overblijven dan mij te verweren, als hij zich op mij werpt, nadat hij mijn bruid vermoord heeft? Zeg, Maria, laat gij mij geen andere keus?”

„Neen, Van Schaffelaar! Neen, mijn hartevriend!” riep zij, „zou ik waard zijn eens uw huisvrouw te worden, als ik langer weigerde? Ik geef u uw woord terug. Ik dacht goed te doen, toen ik het u afvroeg: vergeef het mij, indien ik misdeed; alleen vrees voor uw leven, maar niet voor uw moed, bracht mij op die gedachte. Betreft al wat uw eer aangaat, ook mij niet? Zou ik het kunnen verantwoorden, als door mij de edele Van Schaffelaar zich niet zijner waardig kon gedragen?”

„Ik dank u, Maria,” zei hij verheugd. „Heb geen berouw, dat gij mij mijn woord hebt teruggegeven; ik ken den man, met wien ik te doen heb, en in dit leven wachten mij aan uw zijde nog zulke schoone dagen, dat ik geen dwaas gebruik zal maken van uw goedheid. Vaarwel dus, lieve bruid, en verwacht mij spoedig weer; want zoodra de toestemming van uw ouders komt, of te lang wegblijft, haal ik u af; noch het weer, noch de tijd van dag of nacht zal mij terughouden.”

„Maar niet al te spoedig toch,” zei Maria; „want dit hebt gij mij beloofd. Wees bij het terugkeeren ook voorzichtig; want ik ben bevreesd, dat men u zelfs in deze kleeding herkennen zal; waarlijk, gij hebt te veel gewaagd met mij te bezoeken! Maar ik zal den bijstand des Hemels voor u afsmeeken.”

„Wees dan gegroet, Maria, en vertrouw op mijn voorzichtigheid,” zei hij, sloot haar in zijn armen en vervolgde: „Gij zijt zoo schoon bruidje, dat ik vergat te vragen, of gij mij ook eenige bevelen te geven hebt; ik ben geheel tot uw dienst en eisch geen hooger loon dan weleer,” en hij zag haar lachend aan.

„Neen, Jan,” antwoordde zij, „voor het oogenblik heb ik niets te verzoeken, dan dat gij voor uw veiligheid zorg zult dragen, en zoo gij mij dit belooft, beloon ik u gaarne met een kus.” „Ik dank u, Maria,” vervolgde hij vroolijk: „maar bezin u eens, vergeet gij niemand, hebt gij mij waarlijk niets meer te zeggen?” „Mijn vader? Is die in het leger?” vroeg zij snel; maar Van Schaffelaar schudde met het hoofd en vervolgde: „Voor zoover ik weet, niet; maar ik heb u den groet van iemand overgebracht: gij vergeet mijn goeden vriend Frank.”

„O, Frank!” riep Maria, die den jongen ruiter geheel vergeten had; en toen zij, zonder iets te zeggen, staan bleef, zei Van Schaffelaar vriendelijk: „Nu, schrik maar niet, Maria. Ik zal hem niet zeggen dat gij hem geheel vergeten hebt, en hem uit uw naam groeten; hij is ongelukkig, en verdient dus, dat zijn vrienden hem niet vergeten.”

„Ik denk dikwijls aan hem, Jan,” zei zij langzaam, „en zou zoo gaarne zien, dat hij gelukkig was; groet hem dus van mij. Uw vertrek doet mij zoo leed, dat ik den trouwen, jongen ruiter vergeten had. Helaas, elken dag bid ik voor hem.”

„Ik weet wel, Maria,” zei Van Schaffelaar, „dat gij hem het beste toewenscht; daarom, stel u gerust, hij zal het niet weten; en zoo hij mij vergezelt, als ik u kom afhalen, spreek hem dan eens vriendelijk toe en tracht hem op te beuren.” Zooals Van Schaffelaar gevreesd had, was zijn bezoek aan de mater reeds te lang voorgekomen; zij opende nu de deur, ten einde hem te verzoeken het huis te verlaten; want de tijd, waarop men gewoon was het klooster te sluiten, was reeds lang voorbij. Van Schaffelaar verzocht haar verschooning voor den overlast, die hij haar en de portierster veroorzaakte, welke de goede moeder kloostervoogdes hem vriendelijk verleende. Hierop kuste hij Maria vaarwel, bad haar hem niet verder te vergezellen, en op hem te vertrouwen, en verliet, de mater volgend, het vertrek. Bij den uitgang van het klooster gekomen, legde hij eenige geldstukken in een houten bakje, dat naast de deur hing, dankte de goede, eerwaardige vrouw voor de zorg, welke zij voor zijn bruid gedragen had, en verliet het klooster, waarin Maria zich voor Perrol had verborgen.

Van Schaffelaar was even voorbij het dorp op den dijk gekomen, die van Soest naar het Gooiland liep, en was van plan, dien dwars over te steken, ten einde over de Wetering der Vuursche venen en bosschen, en langs de weinig bezochte wegen, tusschen de Baarnsche venen en de Hooge Vuursche, de Gooische grens te bereiken; maar een vijftal ruiters, die van de zijde van Amersfoort kwamen, en die hij op de dik met zand overdekte kruin van den dijk niet had kunnen hooren naderen, kregen hem waarschijnlijk in het oog, toen hij den dijk beklommen had.

„Ziet gij daar niet een kerel voor ons uit?” riep een hunner met een ruwe stem. Van Schaffelaar stond stil, toen hij deze vraag hoorde, welke hem niet zeer aangenaam was; maar terwijl een der andere ruiters antwoordde: „Ja wel, Rogardo. Hij draagt iets, en dat kunnen wij gemakkelijk onder ons verdeelen,” had Van Schaffelaar zijn plan om den dijk te verlaten, reeds opgegeven, en hij ging dien nu over, alsof hij naar Eemnes of naar die zijde wilde gaan. Hij kromde zooveel mogelijk zijn edele gestalte onder den zak, dien hij torste, en trok de muts over zijn voorhoofd tot op zijn oogen. Hij zou zijn last hebben kunnen wegwerpen en zich met de vlucht redden; maar de grondgesteldheid stelde hem er aan bloot, door de ruiters achterhaald te worden: hij verkoos daarom liever hun argwaan geen voedsel te geven, te meer daar hij hoopte, dat dit laatste redmiddel hem desnoods altijd nog zou overblijven: de gedachte, dat Maria voor hem bad, stelde hem gerust, zoowel als de bedaarde moed, die hem altijd eigen was.

Hij wachtte niet af, dat zij hem bereikten, maar bleef aan de zijde van den dijk staan, juist op een plaats, waar deze steil binnenwaarts afliep; hij had zich dus slechts te laten vallen, om buiten hun bereik te zijn, en riep, zooveel mogelijk den tongval van een landman aannemend, en terwijl hij de hand aan zijn muts bracht: „Goedennacht, Heeren ruiters: en goede reis!”

„Hei, kerel, wat hebt gij in dien zak?” riep Rogardo, die vooruitreed; „treed nader schoft, en zeg waar gij zoo laat vandaan komt; en waar gij naar toe gaat!” „Van Soest, Heer Ruiter,” hernam Van Schaffelaar, mijn meester zei: „Jaap breng fluks de rapen nog eens aan Hein te Baarn, en daarom is Jaap nog zoo laat op den dijk.”

„Dus hebt gij rapen in dien zak, stomme duivel?” vroeg een der ruiters vloekend en Van Schaffelaar zei droogweg: „Rapen Heer, en anders niet believen de Heeren eenige knollen, dan zal Jaap ze hun geven.”

„Nader, schoft!” schreeuwde Rogardo, en toen Van Schaffelaar hem genaderd was, voelde hij op den zak, stak er zijn hand in en riep: „De lomperd heeft niet gelogen, het zijn niets dan rapen,” en zij dachten, toen Van Schaffelaar vervolgde: „Als een der Heeren reizigers den zak op zijn paard wilde nemen, zou het een groot gemak voor Jaap zijn, en het komt er op een paar dozijn knollen niet aan, als de Heeren ze lusten.”

„Loop naar den duivel met uw knollen, schooier!” riep Rogardo en gaf een harden stoot tegen den zak, zoodat hij Van Schaffelaar van de schouders viel, en de rapen over en van den dijk afrolden. Maar zonder zich te bezinnen, boog zich de gewaande Jaap voorover, terwijl hij een klaaglied over het verlies van zijn rapen aanhief, en zich bezighield met het verzamelen van zijn verloren veldvruchten. Gelukkig hadden zij door deze beweging geen gelegenheid, om zijn gelaat en zijn houding te kunnen gadeslaan, en zij vertrokken, terwijl n hunner hem nog toeriep: „Indien gij weder het geluk hebt om de ruiters van de Zwarte Bende tegen te komen, zorg dan, gemeene hond, dat gij wat beters dan rapen hebt, of, bij St. Veit, gij hebt ons voor het laatst gezien!”

Van Schaffelaar richtte zich op, toen zij een weinig vooruit waren, nam de zak met wat er nog in was, op den rug, en keerde op zijn schreden terug, om den weg in te slaan, dien hij eerst had willen volgen; en hoewel zijn hart niet harder geklopt had dan anders, toen hij tegen het paard van Rogardo aanstond, was hij toch blij, dat hij het volk van Perrol ontkomen was: want hij vertrouwde niet roekeloos op eigen krachten.

908SR15.gif (1832 bytes)

MariaInhoudopgave OltmansFrank

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)