J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DERDE DEEL – HOOFDSTUK I.

DE KRIJGSRAAD.

Hij zwijgt, en wacht een wijl des landvoogds antwoord af,
Doch toen deze, eindlijk, hem een duister antwoord gaf,
Vertrekt de fiere held, door grainschap aangedreven.
J. NOMSZ.

V.gif (3505 bytes)an Schaffelaar reed in vollen draf langs den Hoogen Laarder weg; zijn paard, dat hij had aangespoord om spoed te maken, scheen aan het verlangen van zijn meester te willen voldoen en Van Schaffelaar kon gerust nadenken over wat hij gehoord had; hij behoefde het edele dier niet te noodzaken, om met meer spoed voort te snellen.

Toen hij het dorp bereikte, waar hij reeds vr eenige oogenblikken had behooren te zijn, reed hij, zonder op iets acht te geven, naar het huis, waar de krijgsraad belegd was. Het Duitsche voetvolk, dat Maximiliaan onder de bevelen van den Stadhouder had gesteld en dat de toegangen van Laren bezet hield, stond gedeeltelijk in slagorde voor de deur en zij, die er het bevel over voerden, beantwoordden zijn groet. Snel steeg hij af en wierp den teugel aan een der voor het huis staande ongewapende soldeniers toe, en hij trad een oogenblik daarna de kamer binnen, waar de Stadhouder, de aanvoerders van het krijgsvolk en hen die met het gezag over de ter heervaart opgeroepen poorters en bewoners van het platteland belast waren, had doen samenroepen. Het was een gewoon, eenvoudig, doch ruim vertrek; en toen de deur, die door vier mannen der lijfwacht van den Stadhouder bezet was, achter hem gesloten werd, zag Van Schaffelaar tot zijn blijdschap, dat de heer van Lalain nog niet tegenwoordig was. Hij boog en nam, zonder iets te zeggen, plaats op een der zitbankjes, die met leeren kussens belegd waren, en in een halfrond voor den armstoel stonden, welke voor den Stadhouder bestemd was. De aanwezigen beantwoordden zijn groet, en een man in een eenvoudig zwart gewaad, die aan een tafel naast den armstoel zat, was bezig iets voor te lezen, waarmee hij voortging, zoodra Van Schaffelaar zat; ’t was een algemeen verslag van de ligging en sterkte van Eemnes, benevens een opsomming van het aantal gewapenden, die het dorp bezet hielden, samengesteld uit de berichten van Frank en wat men reeds van te voren te weten was gekomen, en Van Schaffelaar, die genoeg van de ligging van het dorp af wist en Frank zelf gesproken had, bemerkte tot zijn genoegen, dat hij niets verzuimd had door zoo laat te komen.

Kort nadat de geheimschrijver van den Stadhouder geindigd had en terwijl sommige heeren over het gehoorde spraken, trad Joost van Lalain het vertrek binnen, gevolgd door den markgraaf van Antwerpen. De heeren stonden allen op en bogen zich eerbiedig; deftig, doch vriendelijk beantwoordde hij hun groet, en ging zonder iets te zeggen zitten en door te wijzen op de zitbanken, noodigde hij hen uit, eveneens plaats te nemen.

„Heeren,” zei hij toen bedaard, terwijl hij den langen degen, die aan zijn zijde hing, met de scheede op den stoel liet rusten, „meester Eckman heeft u zeker gezegd, wat gij weten moet, en ik vertrouw, dat gij dus allen, even goed als ik, met de zaak waarover wij te rade zullen gaan, bekend zijt. Maar alvorens hiertoe over te gaan,” vervolgde hij en richtte zijn oog op Van Schaffelaar, „vindt ik mij verplicht den heer Van Schaffelaar te vragen, of hij niet bekend is met het strikte bevel, om het klooster te Soest geen overlast aan te doen, en waarom eenigen zijner ruiters zich in het dorp vertoond hebben.”

Aller oogen vestigden zich op den krijgsman, die aangesproken werd, en met nieuwsgierigheid verwachtten zij, wat hij zou antwoorden, te meer daar de toon, waarmee de Stadhouder de vraag tot hem had gericht, koel en zelfs streng was. Doch zonder eenige aarzeling te laten blijken, hoewel deze vraag Van Schaffelaar verraste, antwoordde hij bedaard: „Het verwondert mij, edele Heer, dat gij mij vraagt, of ik met het bevel bekend ben, dat aan het leger gegeven is, daar gij zelf het mij hebt medegedeeld; en wat betreft, dat mijn ruiters in Soest zouden zijn geweest, heeft men u verkeerd ingelicht; zij, die er gistermorgen geroofd en gebrand hebben, behoorden niet tot mijn bende.”

„Toen ik u vroeg, of gij het bevel kendet,” zei de Stadhouder driftig, „bedoelde ik alleen, waarom gij er tegen gehandeld hebt; ik sprak niet, Heer Van Schaffelaar, van wat er des morgens, maar des nachts in het vrouwenklooster gebeurd is, wil weten, waarom gij, of iemand van uwentwege, zonder de heiligheid van het gebouw te ontzien er met geweld zijt ingedrongen.”

„Indien het klooster door iemand moet ontzien worden, dan is het door mij,” zei Van Schaffelaar; „want zijn Eerwaarde heeft het onder zijn bescherming genomen; maar buiten dat, Heer Stadhouder, verzoek ik u, eerst de zaak te laten onderzoeken, vrdat gij een edelman, in tegenwoordigheid van deze heeren, rekenschap vraagt van iets, waaraan hij onschuldig is. Nooit hebben mijn ruiters een kerk of een klooster geschonden; en die zegt, dat zij dezen nacht het vrouwenklooster hebben aangerand, die heeft, bij God, gelogen.”

„Men heeft toch uw wapengeschreeuw gehoord, Heer Van Schaffelaar,” zei de markgraaf en de heer van Lalain beet zich op de lippen en zweeg; „ten minste zoo verzekerde ons degene, die de tijding overbracht.”

„En was dat een bode van de mater, Heer markgraaf?” vroeg Van Schaffelaar. „Neen, maar toch scheen wat hij zei geloof te verdienen. Van het klooster zelf is nog geen bericht; doch het wordt elk oogenblik verwacht,” antwoordde deze met een vaste stem.

„Dus geloofwaardiger dan ik”, riep Van Schattelaar glimlachend, en vervolgde kortaf: „Maar weet gij wel, Heer, dat dit verhoor mij verveelt? Het is een zaak, die mijn eer betreft, en waarvan mijnheer de Bisschop alleen mij ongestraft zou kunnen beschuldigen omdat hij een priester is!”

„Heer Van Schaffelaar!” riep de Stadhouder; maar Van Schaffelaar stond op en riep: „Edele Heer, sta mij toe, u in te lichten over een zaak, die ik beter ken dan hij, die mij hier, waarschijnlijk zonder kwaad voornemen, heeft aangeklaagd, en dan kunt gij zeggen, wat gij goedvindt; ik ben edelman en zal u te woord staan. Mijne Heeren, de aanvoerder van de Zwarte Bende heeft hedennacht van mijn naam gebruik gemaakt om zich het klooster te doen openen, hij heeft mijn bruid, die er in verborgen was, en nu vraagt men van mij rekenschap van zijn gedrag; en alsof ik nog niet genoeg verloren heb, beschuldigt men mij van heiligschennis.”

„Bij mijn zwaard, ik beklaag u, Heer Van Schaffelaar,” riep het bendehoofd Petit Salazar meesmuilend: „Messire Perrol is vreeselijk haastig bij de meisjes, en ik ben beducht, dat gij uw bruid zonder krans naar het altaar zult moeten voeren, indien gij haar nog wilt trouwen na deze ongelukkige geschiedenis.”

„Messire Salazar,” zei Van Schaffelaar driftig, „voor die laaghartige spotternij zal ik voldoening vragen.

„Het zij zoo,” hernam deze losweg; „maar gij kunt mij niet verhinderen, het zeer hard te noemen, het arme kind te laten loopen, omdat Perrol haar geschaakt heeft.”

„Mijne Heeren,” zei de Stadhouder, die zijn bedaardheid herkregen had, „alles zal zich nader ophelderen en de heer Van Schaffelaar bedriegt zich, als hij denkt, dat het ons in de gedachte zou kunnen komen een enkel woord te zeggen, dat zijn eer kon kwetsen. Zoovele dingen zijn er, de mij komen kwellen, dat het geduld ten einde loopt; bijvoorbeeld, zooeven ontving ik een onbeleefden brief van den aanvoerder der Zwarte Bende, die mij beschuldigt, iemand afgezonden te hebben om hem te vermoorden, en toch weten wij er op mijn eer niets van. Volgens wat hij schrijft, denk ik, dat hij een der ruiters van den heer Van Schaffelaar bedoelt, die dezen morgen te Eemnes geweest is; wij verzoeken hem er onderzoek naar te doen.”

„Frank?” zei Van Schaffelaar halfluid, en toen vervolgde hij: „Edele Heer, ik zal doen, zooals gij verlangt; maar die Perrol verdient minder geloof mij, dan de gemeene jongen van het Leger! En wijl hij leeft en mijn ruiter onverlet is teruggekomen, geloof ik met u van gedachten te mogen verschillen.” „En waarom niet?” zei Lalain grimlachend, maar Perrol schrijft van de wonde, welke hij door een schot met een voetboog ontvangen heeft, voordat de moordenaar ontsnapte, en van een ouden schaapherder, dien hij gevangen heeft en tot bekentenis zal dwingen. Maar ik wil gelooven, dat hij liegt, doch verzoek u toch de zaak te onderzoeken, want het is een zaak, die mijn eer betreft,” eindigde hij met nadruk.

Opnieuw had Van Schaffelaar een bewijs gekregen, dat de ridder Joost van Lalain, heer van Montigny, die door velen verdacht werd de hoeksche partij toegedaan te zijn, nog verstoord op hem was om de vrijmoedigheid, waarmee hij de zaak van bisschop David meermalen voorgestaan en verdedigd had. Hoewel de onvriendelijke bejegening van den Stadhouder hem zeer onwelkom was, liet hij zich er niet door terneerslaan, en wachtte hij met ongeduld naar wat in rondvraag zou worden gebracht en dat waarschijnlijk nu wel niet anders kon zijn dan de aanval op Eemnes, te oordeelen althans naar wat de geheimschrijver had voorgelezen.

De Stadhouder stipte nu ook in het kort aan, wat vr en tegen een onderneming op Eemnes overwogen diende te worden. Hij herinnerde hun aan het ongunstige weer en de sterkte van de plaats, en sprak, zonder echter van zijn nederlaag aan de Vaart te reppen, van de geoefendheid der vijandelijke benden en gevaren voor geheel Holland, indien men voor Eemnes het hoofd stiet of geslagen werd, waardoor de vijand in stoutheid zou toenemen, en zijn strooptochten niet langer te verhinderen zouden zijn. Hij noodigde voorts ieder uit, om op zijn beurt zijn gevoelen naar zijn beste weten en zijn gedachten te uiten, zonder zich om iets te bekommeren dan om het algemeene welzijn.

Wat hij gezegd had, geschiedde slechts voor de leus; want hij had zorg gedragen iedereen duidelijk te laten merken, dat hij het niet raadzaam vond, om in dezen tijd van het jaar het versterkte dorp aan te vallen; en Van Schaffelaar, die den invloed van Joost van Lalain, als Stadhouder, ridder van het Gulden Vlies en krijgsman van naam kende, had weinig hoop om zijn stem de meerderheid te zien behalen, en toch gaf hij den moed niet op, want Maria moest gered worden.

Zooals hij vermoed had, gebeurde het; de aanvoerders der poorters, die geen ander belang bij de zaak hadden, dan om zoo weinig mogelijk gevaar uit te staan, en zoo spoedig doenlijk ontslagen te worden, keurden een aanval in den tegenwoordigen tijd als zeer gevaarlijk af, en waren van oordeel, dat het gelichte volk ontslagen moest worden tot het naderende voorjaar. Alleen die van Amsterdam herinnerden eerbiedig aan de onrust, welke men in de stad had doorstaan, toen de Zwarte Ruiters Naarden verrast hadden, en toonden zich bezorgd, dat niet alleen het platteland zou worden leeggeplunderd, als men de dorpen in het Gooiland onbezet liet, zoolang Eemnes niet gewonnen was, maar dat zelfs Amsterdam bij de vorst, die elk oogenblik te verwachten was, groot gevaar liep om aangevallen en rampzalig te gronde gebracht te worden.

Ook de burgemeester van Naarden voorspelde de droevigste gevolgen, indien men de dorpen onbezet liet, alvorens Eemnes te bemachtigen en hij haalde aan wat Naarden had moeten ondergaan.

Voorts liepen de gevoelens meer uiteen; want de aanvoerders der soldeniers, hoewel op buit belust, vreesden toch voor den aanval op het sterke dorp, waarbij zij zeker het spits zouden moeten afbijten; het was hun ook onverschillig, of de vijand gedurende den winter Hilversum, Laren, Blarikum, Huizen en andere dorpen geheel vernielde en tot in het hart van Holland doordrong. De ridder Petit Salazar zei, dat hij, naar wat hij vernomen had, Eemnes als zeer sterk beschouwde; maar dat hij ook gehoord had, wat er was heengevoerd en van oordeel was, dat het wel de moeite waard was een kans te wagen, en dat hij dus onder goedvinden van zijn edelheid, den Stadhouder, van gevoelen was, dat het dorp hoe eerder hoe beter moest worden bemachtigd, en hij eindigde glimlachend: „En op mijn eer, mijne Heeren, om u te toonen, dat, hoewel ik voor mijn gemak mijn vijanden gewoonlijk in een hinderlaag tracht te lokken, ik ook het wild weet op te jagen, en uit zijn leger te verdrijven, ben ik bereid om de voorhoede uit te maken.”

Toen hij weer plaats had genomen, stond Van Schaffelaar op: het was nu zijn beurt om te spreken, en aller oogen vestigden zich op zijn ernstig en door moed bezield gelaat. Het licht, dat door een der kleine vensters juist op hem viel, gaf hun gelegenheid om de krijgshaftige gestalte van den ruiteraanvoerder te bewonderen, die met bedaardheid en toch vol kracht zijn gedachte uitte. „Edele Heer,” ving Van Schaffelaar aan, „ik ben geheel van hetzelfde gevoelen als de vrome mannen van des Hertogs goede steden Amsterdam en Naarden. Nu reeds valt het moeilijk, het krijgsvolk in deze, door den oorlog uitgeputte dorpen van het noodige te voorzien.” En voorts betoogde hij, waarom naar zijn meening een aanval op Eemnes moest worden gewaagd. Daarna vervolgde hij: „Indien ik mijn gevoelen mag zeggen over de wijze, waarop de aanval zou dienen te geschieden, dan kan hij alleen gedurende den nacht met hoop op een goeden uitslag ondernomen worden; en elke dag verzuim, maakt de plaats nog onneembaarder. Slechts twee wegen staan ons open voor een krachtdadigen aanval: het is langs den Wakkerdijk. Terwijl het eene gedeelte van het leger van Blarikum op den dijk aanrukt en de eerste versperring aan dien kant van voren tracht te vermeesteren, moet deze beweging ondersteund worden door een aanval langs de Meenesteeg op de staketsels, die daar zijn geplaatst. Alleen gedurende den nacht is een goede uitslag mogelijk, want bij dag zou het niet doenlijk zijn onder het geschut van het kerkhof dat de Steeg bestrijkt, te blijven staan, of anderhand den aanval op de hoofdverschansing te doen.

Tegelijkertijd trekt de tweede afdeeling van het leger langs de Vikevoortsche steeg, die buiten bereik van het geschut ligt, en voorts over den Wakkerdijk op het andere gedeelte van het dorp aan, en bcstormt ook dr de vijandelijke werken. Van twee zijden in den nacht op de uiterste punten met kracht aangegrepen, zal de vijand zijn handen vol hebben; en toch geloof ik, dat er nog meer gedaan kan worden, en het zou mij zeer verwonderen, indien de brave poorters van Amsterdam en andere plaatsen, die bij de scheepvaart zijn opgevoed, geen gelegenheid vonden om de gemeenschap langs de Biersteeg en de Zijdwind te herstellen, en de verdedigers der versperringen in den rug aan te vallen.

„Ik ben bereid met mijn bende langs de Vikevoortsche-steeg den aanval op het kwartier van den aanvoerder der Zwarte Bende te wagen, en zal mijn plicht doen. Indien er eenige vrome mannen van Naarden bereid mochten zijn met mij mee te gaan, ten einde de staketsels neer te houwen, zullen zij mij welkom zijn; zij hebben ook nog iets af te rekenen met Perrol met de Roode Hand, en wij zullen hem met de stukken betalen, indien God en St. Maarten met ons zijn. – Edele Heer, ik stem vr den aanval, en wel nog dezen nacht.”

Toen Van Schaffelaar zweeg en weer ging zitten, liet zich een zachte uiting van goedkeuring hooren, en de burgemeester Jan Coman Jansz., die over de Amsterdamsche poorters het bevel voerde, zoowel als de drie overmannen der schutterijen van de stad en de burgemeester van Naarden, dankten hem met een buiging van het hoofd, voor wat hij in hun belang gezegd had. Nu stond de markgraaf van Antwerpen op, en gaf zijn gevoelen te kennen; hij drong vooral aan op een bezadigd overleg, en vermaande ieder om zich niet door bijzondere belangen te laten meesleepen, noch door roekeloosheid en geringschatting van den vijand het welzijn van het geheele leger in de waagschaal te stellen, daar de gevolgen van een nederlaag vr Eemnes, dat zoo goed van volk voorzien was, niet te berekenen waren. Ten slotte zei hij, dat het te laat of nog te vroeg was voor zoo’n onderneming. Zoodra de markgraaf was gaan zitten, vatte de Stadhouder zelf het woord op; hij had met ongeduld aangehoord, wat zij, die vr den aanval waren, gezegd hadden; maar hij had hen niet gestoord, en zei: „Met welgevallen, Heeren en brave lieden, heb ik zoowel de moedige gezindheid gehoord, die een gedeelte van u bezielt, als de bedaarde gevoelens, die weer anderen aankleven. Op mijn eer, ik wenschte niets liever dan eens een goeden slag te slaan tegen het krijgvolk van Montfoort; maar ik ben aan mijn gevreesden heer, den Hertog, rekenschap schuldig van de macht, welke hij onder mijn bevelen gesteld heeft, en moet dus, hoe ongaarne ook, vooreerst een aanval op Eemnes ontraden. Indien de meerderheid van u er echter voor is, zullen wij het met Gods hulp bestaan; zij, die dus vr den aanval op het dorp stemmen, verzoek ik op te staan, hun, die er tegen zijn, te blijven zitten.”

Van Schaffelaar, Petit Salazar, de burgemeesters van Naarden, Weesp, Muiden en Amsterdam, de overmannen der schutterijen, de buurtmeesters van Gooiland, en de aanvoerder der Duitsche ruiters of voetknechten, stonden op, terwijl de markgraaf en de overige aanvoerders der poorters en soldeniers bleven zitten. Van Schaffelaar zag om zich heen, of er zich niet meer bij hem zouden voegen, want zij, die opgestaan waren, behoorden tot het kleinste getal. Doch toen ook de maarschalk van Gooiland zitten bleef, werd hij tot zijn smart gewaar, dat hij alle hoop moest opgeven om Eemnes te zien vermeesteren en Maria te redden, maar de stem van Joost van Lalain riep hem tot zichzelf terug.

„Gij ziet zelf, Heeren en vrome lieden,” zei hij, „dat gij de minderheid hebt, en dat dus de onderneming moet worden uitgesteld. Ik dank u voor uw goede en dappere gezindheid, en u allen voor de blijken van eerbied voor uw gevreesden heer en de bezorgdheid voor het welzijn van het land, en herhaal, dat het mij leed doet; ik zou zoo gaarne het bevel tot den aanval gegeven hebben.” Met deze woorden stond hij op.

„En wat weerhoudt u, edele Heer?” riep Van Schaffelaar. „En woord slechts van u, en geen dezer heeren zal er aan denken bezwaren te opperen, maar met moed ten strijde gaan.”

„Een stadhouder en legerbevelhebber heeft andere plichten te vervullen dan een eenvoudig ruiteraanvoerder, Heer Van Schaffelaar,” zei de markgraaf.

„Ik weet het, Heer,” antwoordde deze kortaf: „maar ik wist niet, dat het een markgraaf van Antwerpen past om het woord op te nemen voor een stadhouder van Holland.”

De markgraaf wist niet dadelijk wat hij zeggen zou, want Petit Salazar zei halfluid, half lachend: „Alsof ik niet wist, dat de vredelievendheid van den markgraaf de sterkte van Eemnes nog zou helpen versterken.” Maar Joost van Lalain keerde zich met drift om naar Van Schaffelaar, en zei:

„Op mijn eer, Heer Van Schaffelaar, ik zeg u geen dank voor deze aanmerking.” „Ik verzoek er u ook niet om, edele Heer,” hernam Van Schaffelaar bedaard, „maar wel om bevel tot den aanval te geven.

„Ik zal nimmer gedoogen, dat men zich met mijn zaken bemoeit,” riep Lalain driftig; „wat de markgraaf zei, is zoo: doch evenmin zal ik mij laten dwingen om, tegen het bij meerderheid gestemde, het welzijn van het leger roekeloos te wagen; of zijt gij nog niet tevreden, dat wij u ongestoord hebben laten spreken, zoolang gij goedvindt?”

„Tevreden, maar ook niet meer,” zei Van Schaffelaar met besef van eigenwaarde.

„Zeer wel, Heer ruiteraanvoerder,” zei Lalain gemelijk spottend; „maar wij vergeven het u, hoewel wij met recht konden verwachten, dat gij u in dezen krijgsraad, overeenkomstig uw rang en uw jaren, zoudt hebben gedragen, zonder om uw eigenbelang of om een vrouw een onzeker gevecht te willen doordrijven, tegen het welzijn van het leger en het belang van uw heer, den Bisschop.”

„Bij mijnheer St. Maarten, Heer Stadhouder!” riep Van Schaffelaar, die met moeite zijn bedaardheid behield, „indien er niemand met meer eigenbelang gesproken heeft, dan zal het wl zijn. Op mijn woord van edelman en de gehoorzaamheid, die ik aan zijn Eerwaarde verschuldigd ben, verklaar ik, dat ik gesproken heb volgens mijn geweten, en dat ik niet voor den aanval zou hebben gestemd, indien het niet tot welzijn van hem en van het land, waarover gij gezag hebt, dienstig zou zijn geweest; en zoo iemand er aan durft twijfelen,” zei hij en wierp zijn handschoen op den grond, „dan heeft hij bij hals en keel gelogen.”

„Heer Van Schaffelaar,” zei Joost van Lalain, die zijn ontstemming verborg, „neem uw handschoen terug; ik ben niet gewoon mij door iemand te laten dwingen; wij gaan niet naar Eemnes! Neem uw handschoen terug, zeg ik, en bewaar hem voor Perrol!”

„Tot dezen avond zal ik hem bewaren, hoewel ik hier, op mijn eer, niemand zie, die een te groot heer is, om hem op te nemen,” riep Van Schaffelaar, en raapte zijn handschoen op. „Maar denk niet, Heer Stadhouder, dat ik zal smeeken om bevel tot den aanval te geven; want ik besef dat het nutteloos zou zijn. Alln,” vervolgde hij met verheffing van stem, „zal de eenvoudige bisschoppelijke ruiteraanvoerder Eemnes innemen, of er vr dood blijven; zoo waarlijk zij mij God genadig! En morgen zult gij beschaamd moeten zijn, Stadhouder van Holland, omdat ik zonder u overwonnen heb, of zonder bijstand gevallen ben,” en hij zette zijn hoed op.

„Heer aanvoerder!” riep de Stadhouder toornig, toen hij zag dat Van Schaffelaar wilde heengaan, „vergeet gij, dat ik hier het bevel voer, en dat gij niet moogt oprukken zonder mijn toestemming?”

„Onder uw bevel?” zei Van Schaffelaar met vuur: „nooit heeft mijn genadige heer van Utrecht mij gezegd, dat ik onder uw bevel zou staan; maar al toondet gij mij zijn schriftelijken last, Heer Stadhouder, dan zou ik niet gehoorzamen; ik was edelman vrdat ik ruiteraanvoerder werd; en het geldt hier een zaak, die mij meer ter harte gaat dan mijn leven.”

„Maar uw ruiters, aan wien behooren die dan?” zei Lalain stampvoetend.

„Aan mijnheer David en aan mij,” antwoordde Van Schaffelaar, „en wees verzekerd, Heer Stadhouder, dat zij mij niet alleen zullen laten gaan; morgen zult gij hen in of vr Eemnes kunnen vinden, zij zullen dan overwinnaars of dood zijn.”

„Wij zullen zien, Heer ruiter, wij zullen zien, of zij zonder mijn wil u zullen volgen, en of mijn leger niet een handvol bisschoppelijke ruiters zal beletten hun dollen kop te volgen,” zei Joost van Lalain driftig, en hij trok met zijn hand aan de ridderorde van het Gulden Vlies, die om zijn hals hing.

„Wij zullen zien!” riep Van Schaffelaar. „Maar wees verzekerd, Heer van Lalain, dat mijn Schaffelaars niet zullen teruggaan, als mijn trompenaars geblazen hebben en mijn banier ontrold is, al was het voor uw meester. Neen, bij St. Maarten, zij zullen uw slagorde doorbreken, of zullen omkomen, en hun bloed komt over u. Vaartwel, mijne Heeren,” vervolgde hij met vuur, doch treurig, tot degenen die om hem heen stonden, „mogelijk zie ik u nooit weer, en ik verlang er ook niet naar, indien het zoo zijn moet, als men mij dreigt; maar gij zult niet tegen mij oprukken, na den aanval op Eemnes te hebben afgestemd; mijn hart zegt mij dit.” H3erop verliet hij snel het vertrek.

Met schrik en verbazing hadden de meesten hem aangehoord; met verkropten spijt stond de Stadhouder op, niet wetend wat hij doen zou, en hij strekte zijn hand naar de deur uit, alsof hij last wilde geven Van Schaffelaar tegen te houden of hem te bevelen om te blijven. Doch toen de deur werd dichtgeslagen, en de markgraaf zacht iets tegen hem zei, schudde hij het hoofd, en zei: „Neen, dat zou niet raadzaam zijn, want de bisschoppelijke ruiter is dol. – Wat dunt u er van, mijn Heeren en goede lieden?” vervolgde hij, zich opeens tot de heeren wendend die om hem heen stonden.

„Dat hij een vroom krijgsman is, edele heer,” zei burgemeester Jan Coman Jansz. en boog, „en dat het te wenschen was, dat zijn voorslag ware aangenomen; wij hadden zoo gaarne een einde aan de zaak gemaakt; het welzijn der burgerij zal ons nu noodzaken het leger te verlaten.”

„Het leger verlaten, Meester,” zei Joost van Lalain barsch; doch de burgemeester liet zich niet afschrikken, en zei met gepaste vrijmoedigheid: „En waarom niet, edele Heer! Indien er niet gestreden wordt, behoeven zij immers vrouw en kinderen niet te verlaten, om hier te liggen, wat beter aan soldeniers, dan aan poorters en schutters voegt.”

„Op mijn eer, hij spreekt niet kwaad, edele Heer!” riep Petit Salazar, die, in zichzelf mompelend, heen en weer had gestapt. „Maar het zal niet gezegd worden, dat een Fransch ridder een maagd in de handen van haar roover heeft gelaten, zonder haar te helpen verlossen; dat er een gevecht plaats heeft gehad, waarin een edelman van Biscaye niet heeft durven deelen; noch, bij de ziel van mijn vader, dat er iets te plunderen is geweest, zonder dat de mannen van Petit Salazar deel aan den buit gehad hebben: en daarom, edele Heer, wil ik u groeten; want ik zal met de ruiters van den Bisschop aanvallen.”

„Bij God, Heer ridder,” riep de Stadhouder verwonderd „spot gij er mee, of vergeet gij, dat mijnheer de Hertog u en uw bende in soldij heeft genomen?”

„Neen,” antwoordde Petit Salazar lachend, „maar bedenk, edele Heer, dat er vijf maanden aan de soldij ontbreken. Was alleen de laatste maand ten achter, dan zou ik blijven liggen; doch nu behoor ik mijzelf, en mijn mannen behooren mij. Vaar dus wel, en houd dezen dag van de soldij terug wat altijd de betaling gemakkelijker zal maken. Leve de buit! Salazar, val aan!” Op deze uitroep boog hij en snelde het vertrek uit.

De Stadhouder, door het vertrek van den Franschen bende-aanvoerder verbaasd, wiens bijstand hij vooral noodig had, om zich met vrucht tegen den aftocht der Schaffelaars te verzetten, verzocht bevelend en onvriendelijk, aan den burgemeester van Naarden te zwijgen, toen deze hem bad zijn besluit nog te veranderen en hij verliet gramstorig, gevolgd door den markgraaf, het vertrek. De bevreemding van de leden van den krijgsraad verminderde niet, toen deze eenige oogenblikken daarna terugkeerden en hen uit naam van Joost van Lalain verzocht, nog niet te vertrekken, zij hoorden zelfs, dat de schildwachten buiten in de gang den last ontvingen, om niemand door te laten. Het was alsof de Stadhouder vreesde, dat al de leden van den krijgsraad zouden ontsnappen. De gedachte, dat zij geen deel aan den buit zouden hebben, deed de aanvoerders der krijgslieden vloeken, terwijl zij, die over de poorters en andere, meest tegen hun zin tot den oorlog genoodzaakte huislieden het bevel voerden, de hoofden bijeenstaken, en zich onderling verbonden met algemeene stem te verzoeken, om naar hun haardsteden terug te keeren en zich op hun voorrechten te beroepen.

Een goed eind was Van Schaffelaar reeds gevorderd; terwijl hij vol verontwaardiging nadacht over de aan lafheid grenzende voorzichtigheid van den Stadhouder, welke allen schijn had van de vijandelijke partij te willen ontzien, toen hij iemand hoorde, die hem riep, en hem met losse teugel achteropreed. Tegen zijn zin hield hij stil, doch tot zijn leedwezen zag hij, dat het de ridder Petit Salazar was, en daar hij niet den schijn wilde hebben van hem te ontwijken, bleef hij staan, de greep van zijn zwaard onder het bereik van zijn hand, want hij vermoedde, dat deze vreemdeling misschien was afgezonden, om zich van hem meester te maken, en alleen kwam uit verwaandheid en snoeverij, den Gascogners zoo algemeen eigen. Het verrastte hem daarom, toen deze hem ter zijde reed en vroolijk uitriep: „Op mijn eer, Heer Van Schaffelaar, gij hieldt een goeden stap; maar Goddank, ik heb u toch ingehaald. Bij San Sol, gij hebt zeker wel eens den naam van mijn vader hooren noemen, en gij vermoedt dus misschien reeds, wat ik te zeggen heb.”

„Heeft de Stadhouder……?” vroeg Van Schaffelaar somber; doch Salazar liet hem niet uitspreken, maar vervolgde luide „Naar den duivel met dien held van het blokhuis aan de Vaart! Maar zeg eens, hebt gij vergeten, wat ik gezegd heb van het meisje, dat die satansche Perrol geroofd heeft?”

„Ha,” riep Van Schaffelaar; maar weer liet Salazar hem niet uitspreken, en zei snel, doch ernstig: „Heer, wij zijn beiden edellieden, en nooit heb ik aan uw moed getwijfeld. Ik ben een Biscayer en Fransch ridder, gij kunt dus ook niet aan mijn moed twijfelen, daarom vraag ik verschooning voor wat ik gezegd heb: het doet mij leed, wilt gij mijn vriend zijn? Ziedaar mijn hand en laat alles voorbij zijn.”

„Het zij zoo, Heer ridder,” zei Van Schaffelaar, na zich een oogenblik bedacht te hebben. „Ik ben niet haatdragend van aard; n mensch slechts haat ik; gij kent hem, het is Perrol. Ziedaar mijn hand, waarschijnlijk zie ik den dag van morgen niet, en nu heb ik geen tijd om aan dwaze tweegevechten te denken; daarom is uw edel gedrag mij welkom.”

„Gij twijfelt dus niet aan mijn moed, Heer?” vroeg Salazar met nadruk.

„Bij mijnheer St. Maarten en mijn zwaard, neen, Heer,” antwoordde Van Schaffelaar volmondig.

„Ha, dan is het wel; en ik heb u alleen nog maar te zeggen, dat ik met u Eemnes zal aanvallen; bij onze lieve Vrouw van Serrance, dit was de voornaamste reden van mijn komst,” riep het bendehoofd lachend.

„Gij, Heer Ridder? Zullen de mannen van Salazar met de Schaffelaars oprukken?” vroeg Van Schaffelaar verwonderd doch verheugd.

Na een kort onderhoud scheidden zij van elkaar, de een noordwaarts, de ander zuidwaarts wegrijdend, terwijl de ridder nog riep: „God zij met u Heer, en als gij het vuur van mijn kolfroerschutters hoort, dan weet gij, dat het is: Salazar! Val aan!”

„En het zal voor mij het sein wezen om den aanval te laten blazen. Vaarwel, Heer ridder!” riep Van Schaffelaar en in vollen galop snelden de moedige rossen voorwaarts.

908SR15.gif (1832 bytes)

Zoodra Van Schaffelaar te Hilversum aankwam, en vr het buis van den boschwachter afsteeg, kwam Wouter, door Henri gevolgd, naar buiten, en vroeg:

„Brengt gij goede tijding, Van Schaffelaar? Tegen hoe laat is de aanval bepaald?” Maar voordat Van Schaffelaar hem antwoordde, riep deze: „Henri, loop haastig naar een van mijn trompenaars, laat hem opzitten en door het dorp het bevel voor mijn ruiters blazen om zich te wapenen; ik moet hen spreken.”

Hierop ging hij met den smid naar binnen, wierp zich op een bank neer, verborg een oogenblik zijn hoofd in zijn handen en zei toen tot den meester, die hem bedaard had gadegeslagen: „God weet hoe het komt, Wouter, maar de krijgsraad was slechts een ijdel vertoon van verlangen om den vijand afbreuk te doen; Lalain wil niet, of zijn nederlaag heugt hem nog; en daarom blijven wij werkeloos; degenen, die met mij stemden tot het nemen van een beslissende stap, waren te weinig in getal; de pluimstrijkers of bloodaards hadden de meerderheid.”

„En Maria, mijn arm kind, wat zal er van haar worden, Jan?” riep de meester treurig. „Blijft ons de hoop niet meer over om haar te redden?”

„Ja, meester!” riep Van Schaffelaar. „Toen ik zag dat ik alleen op God en mijzelf vertrouwen moest, heb ik dien edelman van Henegouwen gezegd, dat ik alleen zou gaan; dat geen Utrechtsch edelman, noch bisschoppelijk ruiterhoofd zich door een stadhouder van den Hertog wetten laat stellen, en dat mijn ruiters mij niet alleen zullen laten gaan. Hedenavond gaan wij dus; en zooveel invloed had mijn voorbeeld, dat de ridder Salazar mij achterop is komen rijden, met de belofte, om gelijk met mij te zullen aanvallen. Zoodra hij te Naarden is, rukt hij met zijn bende op Blarikum aan, en tegen den avond van daar naar den Wakkerdijk.”

„St. Eloy zij geloofd!” riep de smid verheugd: „nu vergeef ik het dien vreemden soldenier, dat hij onze stad zoo deerlijk van het vee beroofd heeft, en dat een zijner mannen mij heeft neergeslagen; want wij hebben zijn hulp wel noodig.” „O, meester,” zei Van Schaffelaar, „ik kon op het gelaat van velen zien, dat zij gaarne met mij zouden gegaan zijn; maar de vrees deed hen zwijgen. Indien men hen niet terughoudt, dan zullen wij, vrdat wij Hilversum verlaten, wel eenigen hunner hier zien komen, om met ons het gevaar te deden, en dan zult gij aan hun hoofd naar Eemnes kunnen oprukken om Maria te redden, en de staketsels onder den voet te hakken.”

Voorts deelde Van Schaffelaar hem nog het een en ander mede, en was verwonderd, toen hij naar Frank vroeg, te hooren, dat deze reeds vr eenigen tijd met Kars, den zoon van den boschbewaarder was weggereden, inzake eenige nadere berichten inzake de ontvoering van Maria te gaan inwinnen.

„Hij kan niet vermoeden, dat de krijgsraad zoo ellendig is afgeloopen,” zei Van Schaffelaar; „ik verwacht hem dus spoedig terug, ten minste vr den avond; maar, vervolgde hij, zich bezinnend, „indien ik den Stadhouder wl verstaan heb, dan is Ralph, de schaapherder, gevangen, en misschien zal Frank opnieuw zijn leven wagen voor niets; ongelukkig…”

Op dit oogenblik kwam Henri binnen, en Zei: „Heer, de ruiters wachten uw bevelen.” Toen noodigde Van Schaffelaar den smid uit, hem te volgen, en begaf zich naar buiten. Op de Kleine Drift stonden de Schaffelaars; de trommen werden geroerd, en de trompetten gestoken, zoodra hij naderde; doch zij lieten hun verwondering niet bemerken, toen zij hun aanvoerder zonder harnas en te voet zagen aankomen.

Met welgevallen zag Van Schaffelaar naar zijn ruiters; hij wenkte met de hand, en de trommen hij het voetvolk, en de trompetten bij het paardenvolk zwegen. Hierop zei hij luid en verstaanbaar:

„Mannen, wat ik te zeggen heb, betreft den dienst van mijnheer den Bisschop niet, maar mijzelf; verlaat dus uw gelederen, en gaat om mij heen staan; zoo dikwijls zijt gij tot mij gekomen om mij iets te vragen; nu kom ik met een verzoek tot u.”

Vreemd zagen de ruiters op; maar zij voldeden aan zijn verlangen, terwijl zij uitriepen: „Leve Van Schaffelaar!” De rijzige ruiters stonden achter de ruiterknechten, en in het midden van deze gewapende macht bevond zich Van Schaffelaar, die op een grooten keisteen ging staan; naast hem, maar op den grond, stond Wouter.

„Mannen,” zei Van Schaffelaar, „een zwaar leed drukt mij; maar nu ik u zoo sterk en zoo vol moed om mij heen zie, wordt mijn hart gerust, en het durft weder hopen.” Weer liet zich een luid gejuich hooren; maar hij wenkte niet de hand en de diepste stilte heerschte weer rondom hem. „Zij, die door haar deugd en goedheid het hart van uw aanvoerder gewonnen had, mijn bruid, de dochter van dezen braven man, mijn aanstaande echte vrouw, die reeds voor het bendehoofd der Zwarte Ruiters het ouderlijk huis had moeten ontvluchten, en een schuilplaats gevonden had in het vrouwenklooster te Soest, dat door mijnheer David bijzonder beschermd wordt, zij is hedennacht door Perrol, mijn bijzonderen vijand, met geweld uit het heilige huis gesleept en naar Eemnes vervoerd.” „De dood voor Perrol!” riepen de Schaffelaars; maar Van Schaffelaar verzocht hen nog eens te zwijgen, en hij vervolgde: „De inneming van Eemnes, zoo noodig voor Holland zelf, voor het leger en voor de zaak van zijn Eerwaarde, is in den krijgsraad voorgesteld, maar afgestemd, en de hoop om mijn bruid te redden, vernietigd. Toen, mannen, heb ik aan den Stadhouder gezegd, dat ik alleen zou gaan; maar tevens, dat gij mij zoudt volgen, en dat wij het dorp zouden nemen of er voor dood blijven.”

„Leven de Schaffelaars! Weg met de Zwarte Bende!” schreeuwden de ruiters en sloegen dreigend op hun wapens.

„Mannen!” riep Van Schaffelaar, „geheel vrijwillig moet gij mij volgen naar de plaats, waar wij misschien allen zullen omkomen; het is geen bevel; gij zijt niet gehouden mij te volgen; zelfs heeft de Stadhouder gedreigd u te verhinderen met mij te gaan, en gij zult mogelijk eerst zijn benden moeten doorbreken, vrdat de weg naar Eemnes ons geopend wordt.”

„Leve Van Schaffelaar! St. Maarten en Van Schaffelaar! Valt aan!” riepen de ruiters. „Weg met den Stadhouder! De dood voor de Zwarte Bende!” schreeuwden zij, en die het dichtstbij stonden, gaven hem en Wouter de hand, en beloofden het uiterste te zullen doen.

Nog eens sprak Van Schaffelaar, voordat zij weer in de gelederen terugtraden, en bewogen dankte hij hen voor hun toezegging en gehechtheid aan zijn persoon. In alle richtingen trad hij door den hoop, die hem omringde, en gaf den onderbevelhebbers de hand, terwijl hij hun tevens meedeelde, dat de ridder van Salazar beloofd had hem bij te staan.

Toen zij weer geschaard stonden, riep Van Schaffelaar zijn onderbevelhebbers bij zich, en gaf hun zijn bevelen. Op den Naarder en Laarder weg, zoowel als op de talrijke paden, benoorden Hilversum, werden nu, ver van het dorp verwijderd, voorposten uitgezet en de rijzige ruiters ontvingen bevel zich gereed te houden om dadelijk te kunnen opzitten.

Reeds eenigen tijd was Van Schaffelaar met den meester naar het huis van den boschbewaarder teruggekeerd, en terwijl Wouter, die eindelijk bemerkt had, dat hij zich door iets te eten, diende te versterken, zich innerlijk wapende, werd Van Schaffelaar door Henri uiterlijk gewapend, dat is, zijn harnas werd hem aangedaan, en intusschen verklaarde hij aan den meester, waarom hij zijn boog- en roerschutters te voet naar de zijde van Eemnes gezonden had, om, zoodra hij kennis kreeg, dat er door den stadhouder volk op hem werd afgezonden, Hilversum te ontruimen, en langs den Lieberger weg het voetvolk te volgen.

Een bevelhebber van de stadhouderlijke lijfwacht, welke nu door den ruiter werd binnengeleid, die met hem van de voorposten op den Lagen Laarderweg naar het dorp was gereden, deed Van Schaffelaar zijn rede staken. Hij was echter niet weinig verheugd, toen deze hem uit naam van Joost van Lalain kwam zeggen, dat hij eindelijk, om aan het verlangen van zijn eigen hart en dat van zijn bevelhebbers en de aanvoerders der poorters genoegen te doen, had besloten, dezen nacht Eemnes met vereende macht aan te vallen.

Van Schaffelaar zei niet, dat hij vermoedde, dat de vrees van de Schaffelaars en de mannen van Salazar te zien zegevieren, den stadhouder van gedachte had doen veranderen; maar dankte den brenger voor de blijde boodschap, welke, na hem nog vele mededeelingen gedaan te hebben, vertrok.

„Gode zij dank!” riep Van Schaffelaar, „wij kunnen thans gerust den nacht zien naderen; hoewel ik nu niets voor mijn bruid doen kan, voordat ik mijn plicht als edelman en aanvoerder vervuld heb. O, hoe verlang ik naar het oogenblik, om Perrol te ontmoeten en Maria aan mijn hart te drukken!”

„Ik geloof het wel, want het gaat mij evenzoo,” antwoordde de meester. ,.Maar Jan, volg mijn raad, zet u hier neer, en eet en drink, terwijl ik eens ga zien of gij op uw wagens geen bijl hebt, die mij aanstaat; en als die burgemeester en zijn mannen van Naarden zoo vol vuur zijn, als gij gezegd hebt, dan zullen wij spoedig die versperringen voor de Schaffelaars wegruimen, en dan zal het zijn:

„Sla dood, Van Schaffelaar!” – of ik wil geen Wouter heeten.”

Toen de meester vertrokken was, zette Van Schaffelaar zich neer, maar niet om spijs en drank te nuttigen; hij berekende de uren, die er nog verloopen moesten, voordat hij het bevel tot den aanval zou kunnen geven, en dacht aan zijn bruid.

908SR15.gif (1832 bytes)

FrankInhoudopgave OltmansEemnes

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)