J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL I – HOOFDSTUK IX.

DE LAKENKOOPERS.

Eene opdracht van een tocht, door elk op ’t hoogst gevreesd,
Hij streed altijd het liefst waar anderen sidderend streden,
’t Gevaar had voor zijn hart niet dan bekoorlijkheden,
Was bijna de eenige eer, die werkte op zijnen geest.
J. NOMSZ.

I.gif (3249 bytes)n het laatst der maand September vertrok Maximiliaan weer naar Brussel, waar een algemeene dagvaart beschreven was, om te handelen over de aangelegenheden van de landen, die aan zijn gezag onderworpen waren. De stad Utrecht trachtte ook door haar zaakgelastigden eenige voordeelige voorwaarden te verkrijgen, waarop men hoop had, dank zij het verlangen, dat de Hertog had laten blijken, om aan den Utrechtschen oorlog een einde te maken, die hem verhinderde zijn geheele macht tegen Frankrijk aan te wenden. De komst van den Hertog in zijn noordelijke landen had den Bisschop weinig voordeel aangebracht en het zenden van zijn krijgsvolk naar Holland, om gezamenlijk te handelen, had hem geen nut gedaan. Hij had weliswaar een paar burgers van Amersfoort in zijn macht gekregen, maar de Utrechtschen hadden ook tot voor de poorten van Wijk alles geroofd en plat gebrand, en, bevreesd voor een gevaarlijker aanval van zijn vijanden, had hij zijn benden teruggeroepen. Daar hij niet aan het papier wilde toevertrouwen, wat hij voorhad, en daar hij evenzeer zijn bondgenooten wantrouwde als zijn vijanden, had hij Van Schaffelaar zelf ontboden, om zijn bevelen te vernemen en over te brengen. De bisschoppelijke krijgsknechten verlieten dus, even omzichtig als zij gekomen waren, het Hollandsche grondgebeid en betrokken de winterkwartieren in Wijk bij Duurstede en omliggende plaatsen. Daar de kerkvoogd weinig kon rekenen op het vermogen en den wil van zijn vrienden om hem te helpen en geen macht had, om met eigen krachten zijn oproerige onderdanen onder zijn gezag terug te brengen, had hij zich meer dan ooit er op toegelegd, om door zijn geheime vrienden en aanhangers in de stad Utrecht zelfs het verloren gezag door list of overreding, zonder medewerking van Maximiliaan, te herkrijgen. De vrees echter voor hun leven en hun bezittingen veroorzaakte, dat zij weinig of niets voor hem bewerkten; alleen lieten zij hem weten, dat er reeds eenige behoefte in de stad begon te ontstaan en men troostte hem met de hoop, dat het gebrek aan allerhande levensmiddelen, waarvan de Bisschop den toevoer had laten verbreken, eindelijk de stad zou dwingen om zich te onderwerpen. Maar hoop, hoewel niet geheel zonder grond, was niet geschikt om den Bisschop, die er naar haakte zijn bestuur te hernemen, tevreden te stellen; hij liet dan ook niet na, opnieuw aan te dringen op meer werkzaamheid en ijver voor zijn zaak; en toen zij hem te kennen gaven, dat er niemand in de stad was, door moed en bekwaamheid in staat, van een gunstige gelegenheid te zijnen voordeele gebruik te maken, aarzelde hij niet langer om er een van zijn vertrouwdste en dapperste bevelhebbers heen te zenden. Velen echter, die hem dagelijks lastig vielen om nieuwe gunsten, waren ongeschikt en te bevreesd om dezen gevaarlijksten last op zich te nemen, en toch was het van het grootste belang, om iemand naar Utrecht te zenden, die als vertegenwoordiger van den Bisschop kon handelen en geestkracht genoeg bezat, om bij de eerste gelegenheid de beste zich aan het hoofd te stellen van degenen, die de oude orde van zaken terugwenschen.

Ten gevolge van dit alles had Van Schaffelaar reeds eenige dagen in Utrecht doorgebracht op het oogenblik dat wij er Frank aantreffen. De bevelhebber der ruiters had op zijn verzoek en op last van zijn leenheer het harnas afgelegd en den strijdhengst voor het nederig torschpaard of sommier verwisseld, en was met zijn vriend en knaap zonder moeite in de stad gekomen. Zij, die zijn zending niet kenden, hielden hen voor kooplieden in Brabantsche lakens, die, vergezeld van hun knecht, het gewaagd hadden in dezen tijd van tweedracht hierheen te komen met hun koopwaren, in de hoop goede zaken tegen den naderenden winter te doen; slechts vertrouwdste vrienden van den Bisschop waren van de toedracht der zaak beter onderricht.

Hoewel het voor Van Schaffelaar gevaarlijk was overdag uit te gaan, daar zoovelen hem vroeger in de stad gezien en met hem omgegaan hadden, en hem gemakkelijk, ondanks zijn vermomming konden herkennen, was hij toch nu en dan wel genoodzaakt zich hier- of daarheen te begeven, hetzij voor den dienst van den Bisschop of om zijn aangenomen beroep als koopman in laken, zelfs tegen zijn wil, uit te oefenen. Gelukkig, dat dit echter zelden plaats had, want het voortzetten van allerlei onderhandelingen en kuiperijen viel niet meer in zijn smaak: de Bisschop had andere lieden, die zich liever met dit soort van zaken bemoeiden; het doel van zijn zending was slechts om zich aan het hoofd te stellen van de voorstanders van David van Bourgondi en door beleid en moed de beweging te doen zegevieren, waarop men den Bisschop te zijnen voordeele had doen hopen. Van Schaffelaar was uit, en Frank bevond zich alleen thuis, want zelfs Henri, die zich met veel beleid van het overbrengen der bevelen van zijn heer kweet, was ook de stad ingezonden om een boodschap over te brengen. De nieuwbakken kooplieden hadden twee kleine vertrekken betrokken in de herberg Het land van Belofte in de Breestraat; het eene diende hun tot slaapplaats, in het andere vertrek waren de goederen geborgen, welke zij meevoerden; eenige stukken laken met een el en schaar lagen op de tafel, waaraan Frank zat. Hij zag uit verveling door de kleine glasruiten op de plaats achter het huis, waar de stal op uitkwam, en waar men juist bezig was een kar aan te spannen. Doch weldra lette hij niet meer op wat er verder op de plaats geschiedde; ook stoorde hij zich niet aan het geschreeuw der voerlieden; hij zag met een glimlach op de lakens, die voor hem lagen, en gaf zich aan zijn gedachten over, waarin hij niet behoefde te vreezen, dat men hem spoedig zou storen, want met opzet had Van Schaffelaar de prijzen der koopwaren zeer duur gesteld, en de koopers liepen dus niet druk.

Hij dacht na over wat er al in de laatste tijden gebeurd was, en hoewel voor hem geen vreugde, geen geluk meer bestond of te hopen was, trok zijn gelaat zich droevig tezamen, als hij aan het lot van zijn vriend dacht. Hij zag in zijn gedachten, hoe Hans hem de ne hand, die hij nog over had, toereikte, voordat hij hem verliet, en hoe Perrol de Schaffelaar verwoestte; hij zag den man van Martha nog altijd van zijn huisgezin verwijderd en Maria blootgesteld aan de aanslagen van het hoofd der Zwarte Bende, en hij sidderde. Toch, dacht hij, is de edele Van Schaffelaar hier; de Bisschop zendt hem hierheen en voor den dienst, welken hij doet, voor het verbranden van de Schaffelaar, voor den angst, welke zijn hart beklemt, als hij aan zijn bruid denkt, wat verlangt hij daarvoor? De vrijstelling van zijn aanstaanden schoonvader; en toch is Wouter nog gevangen. „O Ralph!” riep hij en bedekte zijn gelaat met zijn hand, „gij hebt wel gelijk: grootheid brengt geen geluk aan; een gouden keten weegt dikwerf zwaarder dan een ijzeren en de zwaarste is die, welke plichtgevoel ons oplegt. Indien het bisschoppelijk gewaad het hart van David van Bourgondi niet ongevoelig had gemaakt voor elke andere aandoening dan die der heerschzucht, hij zou uw verzoek niet geweigerd hebben, mijn vriend!”

Hier zweeg hij, en zijn gelaat werd minder treurig; hij dacht aan Maria, en verbeeldde zich nog haar voor zich te zien, toen zij hem de roos overgaf, en hij zuchtte. „O, zij bemint hem zoo vurig,” vervolgde hij, „met hoeveel liefde ving zij elk woord op, dat op haar bruidegom betrekking had. Hoe overstelpte zij mij met vragen over alles wat hem betrof. O, welk een geluk moet het zijn, het hart van zulk een reine maagd zoo voor altijd met de onverbreekbaarste banden aan zich verbonden te zien. Wat moet hij gelukkig zijn, als zij hem tegemoet snelt en in haar armen drukt. O, dan zal haar moeder haar niet behoeven te herinneren hem haar wang aan te bieden, haar schoone lippen zullen zelf hem den welkomkus geven. En mij?” vervolgde hij somber, „wat hij in haar hart gewonnen heeft, heb ik verloren: zij kwam mij niet meer zoo tegemoet als anders. Maar dat behoort zoo, dat moet zoo zijn; ik ben haar niets, ik mag niets voor haar zijn. O Ralph, waarom heb ik Maria weergezien? Zij heeft mij vergeten en toch hebben mijn lippen haar aangeraakt; zij brandden mij als vuur. Vergeef mij, Van Schaffelaar!” riep hij en stond wild op, „vergeef mij, vriend, vergeet wat ik gezegd heb; ik wil haar niet meer liefhebben; de goede God zal medelijden met mij hebben en mij tot zich roepen. Misschien zullen haar oogen tranen storten, als ik er niet meer zal zijn, en misschien ook niet; maar de wanhoop zal mijn hart niet verscheuren, wanneer ik haar gelukkig in uw armen zie. Alles kan ik u overlaten, mijn weldoener en toch vroolijk zijn, en het leven beminnen; maar haar! Haar bezit kan ik u wel niet benijden, al veroorzaakt het mij den dood. En toch,” zei hij, bedaarder, „al vrees ik haar te ontmoeten, toch wenschte ik haar nog eens te zien, vr ik dit leven vaarwel zeg, nmaal nog en dan niet meer.”

Hij staarde somber voor zich uit en leunde met zijn hand op de tafel; maar hij werd in zijn gepeins gestoord door het geluid, dat de deur van het vertrek maakte, toen men haar opende. De knecht uit Het land van Belofte stak zijn hoofd in de kamer en zei: „Koopman, daar is een vrouw of een meisje, ik weet het niet, die u verlangt te spreken.”

„Mij?” riep Frank verwonderd, en hij dacht: „zou het Maria zijn?”

„Ja, u,” antwoordde de knecht meesmuilend, „want zij vroeg naar den jongsten koopman.

„Laat haar spoedig hier komen, vriend,” zei Frank snel en ongeduldig. De knecht, die een paar treden achteruit gegaan was, riep nu vroolijk: „Gij zult zeker goede zaken met haar doen, koopman. Want zij heeft geen geduld gehad op mij te wachten; de deern is vol kooplust.” Werkelijk zag Frank nu ook een vrouw, die de trap opkwam, over het portaal en langs den knecht in de kamer trad, toen stil stond en zich naar de deur omkeerde, waarschijnlijk om te zien of de knecht zich verwijderd had. Maar tegelijkertijd dat Frank, die de vrouw tegemoet gesneld was en nu stil stond, eenigszins gemelijk riep: „Doe de deur dicht, jongen en vertrek,” stak de vrouw zelf de hand naar de klink uit om haar achter zich dicht te trekken. De knecht was haar echter voor en voldeed lachend aan het tweevoudig verlangen: aan het bevel van Frank en aan den wil van de koopster.

Een oogenblik stond de jonkman in twijfel, wat hij zeggen zou. Was het Maria, die hij hier voor zich zag, of een vreemde? O, hoe graag zou hij die zware kaper weggerukt hebben, die het belette, om de vrouw in het gezicht te zien, welke, in een zwart regenkleed van saai gehuld, zonder iets te zeggen, nog altijd, was zij aan het einde der kamer vertoefde. Maar gevoelde, dat hij een bespottelijk figuur maakte, door haar met drift tegemoet te snellen, toen zij de kamer binnenkwam, en daar halverwege bleef staan; hij zei dus beleefd: „Het spijt mij, dat die lompe knecht u zoo onbeleefd heeft behandeld, vrouw! Gij hebt naar mij gevraagd: wij hebben fijne waar en de prijzen zijn zoo billijk mogelijk. Ziedaar een stuk blauw, waarvan reeds vele vrouwen en jonkvrouwen genomen hebben of verkiest gij rood? Gij hebt nog nooit scharlaken gezien, dat zoo kleur houdt als dit,” en hij wees naar de tafel.

Hoewel Frank nu zeer goed inzag, dat het Maria niet kon zijn, die daar stokstijf voor hem stond, omdat het lieve meisje zoo lang niet was, en zich zeker dadelijk aan hem bekend gemaakt zou hebben, bleef hem altijd toch nog eenige twijfel over; hij geloofde zoo grif wat zijn hart verlangde en wilde de vrouw, die stom scheen te zijn, verzoeken te zeggen, wat zij begeerde, toen zij op eens het kleed, dat haar gestalte verborg, van zich afwierp, en de kaper van het hoofd trok.

„Zijt gij het, Jonkvrouw?” riep Frank luid, terwijl hij verwonderd een paar schreden achteruit deed. „Gelijk gij ziet, Frank,” antwoordde Ada, en een droeve lach vertoonde zich op haar ernstig en doosbleek gelaat.

„Waarom komt gij hier, waarde Jonkvrouw?” riep Frank en trad op haar toe, terwijl hij zijn teleurstelling zocht te verbergen; „wie heeft u gezegd, dat ik hier was?”

„Mijn komst doet u dus geen genoegen, Frank,” zei Ada langzaam, en het hoofd schuddend. „Helaas, ik zie het al, en gij verwachttet mij niet.”

„En waarom niet Ada!” vroeg Frank vriendelijk; „maar zet u neer, Jonkvrouw! O, ik bid het u en zeg mij, hoe gij u thans bevindt, zijt gij gezond, Ada?” vroeg hij met deelneming en hij bood haar een stoel aan. Helaas, hij behoefde slechts een enkelen blik op het arme meisje te werpen, om te zien dat zij ongelukkiger was dan ooit.

„Gezond, Frank,” antwoordde zij, toen zij zat en haar strakke blik rustte op den ruiter die vr haar stond: „gezond, neen! Maar ik ben wel: zoo wel als ik verlangen kan, om te sterven.”

„Te sterven!” riep Frank en vatte haar hand vol medelijden; ook zij, zij wilde sterven; ook haar was het leven tot een last, en de overeenstemming van gedachten was een nieuwe band, die hen onderling verbond. „Ik wenschte alles te geven, om met u in dit oogenblik te sterven, beste Ada,” zei hij gevoelvol en kuste haar hand.

Op dit oogenblik werd de deur geopend, doch even spoedig weer dicht gedaan; de jonkvrouw bemerkte dit niet, maar Frank luisterde. Hij hoorde nu, dat iemand zich in het slaapvertrek begaf en de lade van een kast opende; hij begreep, dat het Van Schaffelaar was, die uit beleefdheid of voorzichtigheid zich verwijderd had, toen hij hem met een vrouw alleen vond. Het speet hem echter, daar hij niet ongaarne gezien zou hebben dat zijn vriend zichzelf eens had kunnen overtuigen, dat hij haar niet behandelde als een minnares.

Ongeloovig schudde zij het hoofd, streek met haar fijne en blanke vingers het fraaie zwarte haar glad, dat gedeeltelijk haar voorhoofd verborg en zei met nadruk: „Met mij sterven, Frank, maar met mij leven niet! Nietwaar?” eindigde zij spottend.

„Ada!” dit was alles, wat Frank antwoordde; want hij wist immers, dat het ongelukkige meisje gelijk had. „Maar voor wie zaagt gij mij wel aan, wie verwachtet gij?” vroeg zij opeens, zonder te bemerken, dat hij niet volmondig geantwoord had.

„Voor wie?” hernam Frank aarzelend, „voor iemand. die ons wilde begunstigen en eenige ellen laken koopen. Maar hoe wist gij, dat ik hier was, Ada?” vroeg hij. „En is men dan verwonderd, als er iemand komt om te koopen, als men voor koopman wil doorgaan?” zei zij met verheffing van stem; „neen, Frank, ik weet dat gij iemand anders verwachttet; zeg, is het niet zoo?”

„Iemand anders, Ada? Gij bedriegt u; maar ik vraag het u zelf, wie kon ik verwachten? Niemand kent mij onder deze kleeding,” en hij wees op zijn wijde broek en zijn wambuis van grof bruin laken.

„En denkt gij dan,” zei zij lachend, maar zonder dat haar gelaat daardoor een vroolijke plooi aannam, „dat ik niet weten zou, dat gij op de dochter van dien Amersfoortschen smid wachttet?”

Frank stond als door den donder getroffen, hij hoorde, dat Van Schaffelaar zich nog naast hen bevond; alleen een dun beschot scheidde de vertrekken. O, hoe blij was hij nu, dat zijn vriend niet was binnengekomen. Ada zag hem vorschend aan, en lachte; maar zoo, dat het hem door merg en been ging en zei nogmaals: „De dochter van den smid, niet waar?” Zij sprak zoo luid, dat Frank sidderend uitriep: „Om Gods wil, Ada, spreek zacht! Maar gij bedriegt u, waarom zou ik juist haar verwachten? Gij bregrijpt dit immers zelf wel; ik ken haar, dat is ook alles; haar bezoek zou mij geen geluk of vreugde aanbrengen.”

„Het is altijd gelukkig en genoegelijk het voorwerp van zijn liefde te zien,” zei Ada ijskoud. „Maar hoe heet uw minnares ook? Hoe heet zij, die u bekoord heeft? Zij is schoon; niet waar? O, veel schooner dan ik; maar uw liefde maakt haar zoo bevallig. O, ik voel het, uw onverschilligheid maakt mij leelijk, en knaagt mij aan het leven.”

„Ada, beste Jonkvrouw,” zei Frank zacht doch met drift, „om den wil van onze vriendschap en bij het kruis van onzen Heer Jezus, ik bid u, zwijg! Of wilt gij mij diep verachterlijk en rampzalig maken? De man, die alles voor mij is, die mij als zijn broeder behandelt, is haar bruidegom; hij is dapper en braaf; hij is een edelman; hij bemint haar; zij bemint hem alleen, ik zweer het u, bij alles wat heilig is! O, zwijg, bid ik u,” riep hij en greep haar hand, toen hij zag, dat zij hem in de rede wilde vallen, „die weldoener van mij is Van Schaffelaar; gij kent hem. Hij is hier naast ons in het vertrek; hij hoort alles wat hier gesproken wordt. Zwijg; of wilt gij, dat hij hier komt, om mij in uw bijzijn in het aangezicht te slaan en dood aan uw voeten te werpen! O neen, Ada, dat kunt gij niet willen, en ik zweer u, bij het bloed van onzen Heer en bij de Heilige Moeder Gods, dat zij niemand dan hem bemint.” Het zweet droppelde van zijn gelaat, dat even wit was als de kleine kraag, dien hij om den hals droeg en zijn oogen stonden strak en dof van vertwijfeling, maar het scheen, dat zij doof was voor zijn rede, want zij riep:

„Maar zeg mij haar naam, ik ben dien vergeten, hoe heet zij ook, Frank! Hoe heet uw liefje, Heer ruiter?” Zij lachte en trok haar hand terug. De ontsteltenis van den jongeling was niet te beschrijven; plotseling trad hij vr haar; in zijn oogen schitterde een vurige gloed, en hij riep zacht, doch somber en veelzeggend: „Zwijg, Jonkvrouw! Wat heeft dat meisje u gedaan om haar eer te rooven? Zwijg, raad ik u, want indien haar bruidegom hoort, wat gij zegt, dan zal hij zijn woede niet bedwingen. Zwijg dus, of ik zal genoodzaakt zijn u te doen zwijgen.” Maar ook deze woorden verspilde hij; vergeefs deed hij zijn hart geweld aan om Ada te dwingen het geheim van zijn hart te verzwijgen en toch legde zij de hand, die zij, zich bezinnend, aan haar hoofd gebracht had, op zijn schouder en zag hem verwonderd aan. Die uitdrukking van zijn gelaat bevreemdde haar, ofschoon zij den zin van zijn woorden niet vatte en zij zei: „Gij behoeft haar naam niet meer te verzwijgen, Frank, ik heb hem gevonden; Maria heet zij; maar gij bedroogt Ada dus niet alleen; ook uw vriend wordt door u misleid.”

„Ada,” zei Frank smeekend en drukte haar hand, „hoe komt gij aan deze gedachten? Zeg niets meer, want hij zal alles hooren,” en hij wees met den vinger naar den muur. „Hij weet wel, dat hij alleen door haar bemind wordt; maar ik zou zijn geluk niet gaarne, al ware het maar voor n oogenblik, zien bewolken om mij nentwil, en wel door uw toedoen, mijn Ada!”

„Ik ben niet bevreesd, dat hij het hoort,” antwoordde zij fier en stond op, „gij zult het zien, ik durf het hemzelf wel vragen want hij heeft er ook belang bij.” „En wat wilt gij hem vragen?” vroeg Frank en trad haar in den weg. „Wat ik vragen wil,” antwoordde zij nadenkend en stond voor hem als een schoon, marmeren beeld, waarvan de kleeren den edelen vorm niet verbergen kunnen „ik wil vragen of gij Maria bemint, en of die deerne u liefheeft; want door hr, is het, Frank,” zei zij, droevig het hoofd schuddend, ,dat gij slechts mijn broeder wilt zijn. Voor haar hebt gij mijn genegenheid verworpen en zij heeft niets om u te schenken dan haar hart, dat met haar hand aan haar bruidegom behoort.” „Gij waant dan, dat het om haar is, dat ik mij de eer ontzegd heb om uw hand te verzoeken?” hernam Frank.

„En waarom anders?” vroeg zij; „toch niet omdat men zegt, dat ik niet wel bij het hoofd ben?” en zij verwachtte met ongeduld zijn antwoord.

„Zet u dan weer neer, Ada, en ik zal het u zeggen,” antwoordde Frank treurig, maar zij schudde het hoofd; en toen hij zag, dat zij niet wilde gaan zitten, vervolgde hij: „Ik kan nooit uw echtgenoot worden, Ada! Gij weet immers, dat ik iemand zonder ouders en zonder naam ben; een arme herder vond mij aan de zijde van hen, die mij waarschijnlijk het leven gegeven hadden, zij waren van het hunne beroofd door de krijgsbenden, die mijn ouderlijk huis plunderden; ik weende, stak de handen naar hem uit en hij nam zich mijner aan. Alles ben ik aan Ralph, den schaapherder verplicht; mijn ouders waren zeker arme daglooners en ik was een herdersjongen, tot ik den man ontmoette, die mij tot zich nam en kleeden liet, en gij, Ada, zijt immers een jonkvrouw: adelijk bloed vloeit door uw aderen; ik kan nooit uw echtgenoot worden.”

„Gij hebt mij dit reeds gezegd,” hernam zij snel, „en ik geloofde u toen niet, maar nu niet meer, waarom gaat gij vr mij staan? Treed ter zijde, ik wil het hem vragen!”

„O, doe dat niet, Ada!” riep Frank, die haar met zijn armen omvatte en haar smeekend aanzag, „indien het geen bedrog was, toen gij mij zeidet, dat gij mij zoo innig genegen waart, zoo blijf.” Maar met een kracht, die hij haar niet zou hebben toegeschreven, rukte zij zich uit zijn sidderende armen los. „Blijf, Ada!” vervolgde hij nu zacht, doch vastberaden, „indien gij nog n stap doet, dan sterf ik.” Hij haalde de hand uit zijn wambuis, dat een eind was toegeknoopt, en een breede, lange opsteker blonk in zijn rechterhand.

De jonkvrouw trad ontsteld terug en staarde verwilderd naar het glinsterende lemmer. Frank scheurde zijn wambuis open; toen kraakte de deur van het slaapvertrek; Van Schaffelaar scheen het te verlaten en een oogenblik op het portaal stil te staan. De wanhopige jongeling draaide het hoofd iets om, en wierp een onrustigen blik op de deur, en Ada maakte van deze gelegenheid gebruik, om zich onverhoeds op zijn rechterarm te werpen en met haar beide handen de gewapende vuist te vatten. „O!” riep Frank wanhopig, en zocht zijn hand te bevrijden, maar hij kon het niet zonder gevaar te loopen de jonkvrouw te kwetsen, die hem zacht en angstig toefluisterde: „Ik geloof zelf niets van wat ik gezegd heb, Frank! Laat dat moordtuig los; ik zal hem niets vragen, maar zeggen, dat ik geschertst heb.” Smeekend hield zij haar zwart oog op hem gericht. De kamerdeur werd niet geopend, maar men hoorde iemand de trap afgaan, en Frank riep, zijn oog ten hemel slaand: „Ik dank u, Heilige Maagd! Ik dank u, God!” Hij liet zich gewillig het wapen uit de hand nemen en terwijl zij het neerlegde, leunde hij op den stoel en veegde met zijn mouw het angstzweet van het gelaat.

„Vergeeft gij het mij, Frank?” zei Ada, terwijl zij hem angstig naderde; „gij houdt dus veel van haar, o, wat is zij gelukkig!” en zij zuchtte.

„Iedereen heeft haar lief, Ada,” antwoordde Frank gevoelvol, „het is een goed en deugdzaam meisje en de bruid van mijn vriend; waarom zou ik alleen haar niet liefhebben? O, gij hebt mij veel smart veroorzaakt; maar ik denk er niet meer aan, ik zal u ook altijd genegen zijn en liefhebben tot den dood toe; ik ben alles reeds vergeten.” Hij vatte toen haar hand en drukte die in de zijne.

„Ada zal altijd uw zuster zijn, nietwaar, Frank?” zei de jonkvrouw vriendelijk; „en Maria, wat zal die voor u zijn, Frank?” vroeg zij droevig.

„Zij zal de vrouw zijn van mijn vriend en weldoener, Ada,” antwoordde Frank plechtig, „en niets meer; of denkt gij niet, dat zijn huisvrouw heilig voor mij zal zijn, dat ik haar zelfs niet door een enkele schuldige gedachte zou willen beleedigen? Zoo gij wilt, zal ik u zweren, dat zij nimmer de mijne zal worden; want zij is immers zijn bruid,” eindigde hij en zag met een droeven lach naar de jonkvrouw.

„Zweer niet, mijn broeder,” zei Ada, „ik moet u gelooven, een eed zou mij toch geen overtuiging schenken; het is waar, zij zal hem trouwen. Zij is zeker schoon, die Maria, dat ieder haar liefheeft, en ” Hier hield zij eensklaps op en staarde wild om zich heen, bewoog onrustig haar armen, en haar mond vertrok zich krampachtig. Eindelijk vestigde zij haar oog strak op het gelaat van Frank, die met vrees en medelijden het schoone, hem zoo genegen meisje aanzag, dat vr hem stond, en door een hem nog onbekende oorzaak tot vertwijfeling scheen te worden gedreven.

„Rust een weinig uit, Ada,” zei hij deelnemend en sloeg den arm om haar middel, om haar te noodzaken te gaan zitten; maar zij maakte zijn hand los en riep: „O, ik ongelukkige, wat heb ik gedaan? Gij zult sterven en het is mijn schuld; ik ben onwijs, en ik heb den dood verdiend; – maar wat moet ik zeggen? – waarom ben ik gekomen? Zij zweeg.

„Stel u gerust, Ada,” zei Frank, „ik denk niet meer aan wat gij gezegd hebt.” „O, dat ben ik ook reeds vergeten; wat gaat mij die deerne aan!” riep de jonkvrouw driftig, „heb haar lief en trouw haar; maar red uw leven! Ha, nu weet ik het mijn gedachten worden helder. Vlucht, Frank, vlucht of gij zijt verloren; men weet, dat gij in de stad zijt met Van Schaffelaar, en men zoekt u al!” „Mij! Ons!” riep Frank, „dat kan niet zoo zijn; men zal ons hier niet ontdekken.” „En ik dan,” vervolgde zij, „heb ik u niet gevonden, en denkt gij, dat die Walson u ook niet vinden zal!”

„Hij zelf” hernam Ada schielijk, „hij maakt mij het hof; maar liever dan dien ellendeling mijn hand te reiken, zou ik hem dezen dolk in het hart stooten. O, ik vrees hem niet en ik haat hem even sterk, als ik u liefheb, Frank! Maar vlucht nu, eer het te laat is; want dan zou ik schuldig zijn aan uw dood! Vergeef het mij! Ik sprak van die Maria, en uw leven was in gevaar, maar gij weet, ik ben zinneloos. O, vergeef het mij.”

„Maar is het waar, wat gij zegt? Bedriegt gij u niet, Ada?” vroeg Frank ongeloovig.

„Neen, zoo waar als ik hier voor u sta, het is zoo!” antwoordde zij, de handen wringend en zuchtte: „O, mijn God, hij gelooft mij niet en maakt zich ongelukkig. „Wacht eens,” zei zij plotseling, „daar schiet mij iets te binnen; o, mijn geheugen is zoo slecht, Frank en het geldt toch uw leven. Luister! Walson heeft zijn intrek bij den heer Loef genomen; maar wat hij in de stad doet, weet ik niet. Gisteren reeds was er een ruiter der Zwarte Bende bij hem geweest, die van Amersfoort kwam; ik hoorde zijn stem in mijn bidvertrek. Hij verhaalde, dat Perrol verliefd scheen te zijn op de bruid van Van Schaffelaar, en Walson zei lachend, dat hij den armen bruidegom beklaagde, omdat iedereen op zijn bruid verliefde, en dat hij een paard tegen een ezel verwedden wilde, dat gij ook een goed oog op haar had.”

„Hij zei dat! De ellendeling!” riep Frank somber.

„Zeker, ik hoorde het,” vervolgde Ada snel; „toen berichtte Walson den heer Loef ook, dat Perrol hem liet weten, dat Van Schaffelaar in Utrecht was en dat hij dit te weten was gekomen. Verder vernam ik toen niets, want de ruiter vertrok. Dezen morgen zag ik hem, die een gelaat heeft, waarop de valschheid en moordzucht te lezen staan, weer hij den waardigen luitenant komen en ik spoedde mij naar mijn vertrekken. Hij was bezig te vertellen, dat hij uw schuilplaats reeds ontdekt had en dat Van Schaffelaar als koopman in deze herberg zijn intrek had genomen. Hem was ook ter oore gekomen, dat misschien hedenmiddag eenige vrienden van den Bisschop zich hier zouden vereenigen.”

„Dat is zoo,” zei Frank snel.

„Dus was men het niet eens, of men dezen morgen Van Schaffelaar alleen zou oplichten, of tot den middag wachten om, zooals de ruiter zeide, in het Land van Belofte te vallen, evenals de verdoemde Joden, om alles dood te slaan, wat zij zouden vinden. Ik durfde toch niet blijven luisteren, maar snelde heen om u te redden; want ik dacht wel dat gij hem zoudt vergezellen. O, die ruiter heeft mij veel leed gedaan! Want ik had volstrekt niet gedachte aan dat meisje en zij stonden naar uw leven; het was een dubbele doodsteek voor mij. Mijn kamermeisje spoorde de herberg voor mij op, en ik ging heen. Maar vlucht nu, Frank, anders komt uw bloed over mij; ik vermoord u door mijn onverstand en door mijn vergeten, maar uw zuster Ada is niet wijs,” eindigde zij, treurig het hoofd schuddend.

„O zij is het wel,” zei Frank gevoelvol, „en zij is zoo goed. Och, waarom hebt gij mij dit niet gezegd, toen mijn vriend er nog was? Maar mogelijk vind ik hem nog; indien hij zich naar het minnebroeders-klooster begeven heeft, is hij gered.” „Haast u toch Frank!” riep Ada angstig, „of zij komen; ik bid u, maak spoed! Wilt gij dan volstrekt, dat ik eeuwig rouw zal moeten gevoelen, dat ik u zoo laat gewaarschuwd heb?”

„Neen, Ada,” zei Frank, „ik ben spoedig gereed en ga met u mee, dat zal het beste zijn; wacht mij slechts een oogenblik.”

Hij verliet het vertrek, en keerde spoedig terug, na het gereede geld en de papieren van Van Schaffelaar bij zich gestoken te hebben; hij zetten den breedgeranden hoed op, stak zijn opsteker weer bij zich en hing Ada haar regenkleed weer om. Vrdat hij haar de kaper opzette, sloeg hij zijn arm om haar heen en zei aangedaan: „Lieve Ada en trouwe zuster, gij hebt mij het leven gered; ik dank u.”

„Gij zijt dus niet meer verstoord op mij?” hernam zij, en een lichte blos kleurde haar blank gelaat.

„Neen, Ada,” antwoordde hij vriendelijk en kustte haar; toen zette hij haar de kaper op en zei: „Ik neem deze stukken laken onder mijn arm en volg u, alsof ik ze thuis breng; maar verlaat mij, bid ik u, aan de eerste dwarsstraat de beste; dan verberg ik mijn koopwaar en tracht mijn vriend te redden.”

„Dat is goed, Frank maar spoedig!” riep Ada ongerust, en verliet reeds het vertrek.

In het voorhuis gekomen, zei Frank tot den knecht, die de jonkvrouw in het gezicht trachtte te zien: „Ik volg deze vrouw, die dit stuk gekocht heeft; maar zeg aan Heintje, als hij eerder thuis mocht komen dan ik, dat hij terstond een onzer paarden neemt en dit stuk laken naar Wijk in de Roode Draak brengt.” „Naar Wijk, koopman” vroeg de knecht verwonderd, terwijl hij een der twee stukken laken aannam, die Frank onder den arm had.

„Ja, naar Wijk,” hernam Frank bedaard, „vindt gij dat zoo vreemd? De waard is een hupsche vent, die al meer bij ons gekocht heeft, en al wonen de koopers ver, of in ’s vijands land, zoo moet men ze toch bedienen; maar de jongen moet dadelijk vertrekken. Tot straks.”

Hij volgde nu Ada, die hem buiten de deur wachtte; het was het eenige middel, om den armen knaap te redden, die reeds lang thuis had moeten zijn, en zeker door de stad slenterde; want noch Frank, noch de knaap konden lezen of schrijven, hij kon hem dus geen schriftelijke waarschuwing doen toekomen om zich te verwijderen.

908SR15.gif (1832 bytes)

Een geruimen tijd reeds was Frank met de jonkvrouw vertrokken, toen Henri terugkwam. De knecht, die hem zeker de boodschap wel overgebracht zou hebben, was toevallig niet in het voorhuis, toen hij thuis kwam; zonder van iets te weten de kamer binnenkwam, waar hij tot zijn verwondering noch Frank, noch zijn heer vond; ook in het daarnaast gelegen slaapvertrek waren zij niet, en toch lagen de goederen open en bloot. Hij bedacht zich eenige oogenblikken, legde de stukken laken terecht, die op de tafel lagen, en stond gereed eens te gaan hooren, of men ook een boodschap voor hem had achtergelaten, toen eenig rumoer, dat hij beneden in het huis vernam, hem voorzichtigheidshalve zijn voornemen een weinig deed uitstellen. Hij hoorde, zoo kwam het hem voor, dat er krijgslieden in de herberg waren gekomen, en het was zaak voor hem, om die heeren een beetje uit den weg te gaan. Juist was hij bezig met het losgewonden gedeelte van een stuk fraai sanguin laken om zijn been te trekken, ten einde te zien, hoe hem zulk een hoze zou staan, en hij zag met welgevallen op de fraaie, roode kleur van het laken, toen hij in zijn bezigheid gestoord werd; want iemand beklom de trap, en trad de kamer binnen.

„Is de koopman er niet, jongen?” vroeg de binnentredende, en zag het vertrek rond. De knaap legde het stuk laken op de tafel en zei:

„Neen, mijn meester. Maar zij zullen wel spoedig terugkomen; zet u neer, indien gij wachten wilt,” en hij wees op den stoel, en zag met bevreemding naar den man, die zich zonder te aarzelen op zijn gemak neerzette. Er was iets in de stem van den onbekende, dat den soldaat verried, en toch had zijn leelijk gelaat niets krijgshaftigs, maar iets priesterachtigs, terwijl zijn kleeding die van een gegoed burger was.

„Bij St. Franciscus, mijn patroon,” zei deze lachend, „ik had niet gedacht uw meester niet thuis, en zijn jongen onledig te vinden met zich een bloedkleurige hoze uit te zoeken, alsof hij de wapenen droeg, of een krijgsman diende.”

„Ha,” antwoordde Henri, schijnbaar opgeruimd; want de wijze, waarop de man hem aanzag, beviel hem niet; „op die kleur, mijn meester, valt een bloedvlek niet in het oog; wilt gij dat ik er u een wambuis of een hoze af snijdt?” „En voor wien houdt gij mij, jongen?” vroeg de vreemdeling snel, en in zijn oogen schitterde een valsche gloed.

„Voor wien, mijn meester?” herhaalde de knaap, die zag, dat deze niet tevreden was met wat hij gezegd had, „dan moest ik u niet kennen; gij zijt immers heelmeester, en op uw uithangbord is de goede Samaritaan geschilderd.”

„Ha, dat wist ik niet,” hernam de andere grimlachend, „en daar gij mij kent, ben ik bereid, om u voor niets wat bloed af te tappen, als het noodig is.

„Zeer verplicht, mijn meester,” antwoordde Henri huiverend; doch hij herstelde zich, en vroeg nu aan den man, dien hij niet voor den meester uit „De goede Samaritaan” herkende, waar die hem wilde bedriegen: „welke kleur van laken begeert gij? De kooplieden komen nog niet, maar ik kan u wel helpen, en gij behoeft dan niet te wachten.”

„O, ik heb den tijd,” hernam hij, maar zeg mij eens, waar zijn uw meesters zoo heengegaan?”

„Dat weet ik niet,” antwoordde Henri; „zij zijn in de stad voor hun zaken; maar waar, dat weet ik niet, al sloegt gij mij dood...”

„Zoo,” zei de man grimlachend en stond op; „dat is dom genoeg gezegd; maar misschien kon het er wel op loopen, jongen. Dat is te zeggen, een geoefend meester, zooals ik, zou u juist niet doodslaan, als hij iets weten wilde: de dooden spreken niet meer; maar hij zou wel een ander werktuig in zijn koker hebben om u den tongriem los te snijden.” Terwijl hij nu eenige treden naar de deur deed, en de handen wreef, alsof hij het wat koud vond en zich zocht te verwarmen, trad Henri eens naar het raam, om te zien, of er ook iemand op de plaats was, om hem te berichten, waar Van Schaffelaar en Frank waren; want hij durfde den vreemdeling niet alleen bij de koopgoederen laten. Hij zag den knecht, die over de plaats ging, en wilde, toen deze juist opzag, het venster openen; maar deze bracht den vinger voor den mond, wees naar het benedengedeelte van het huis, nam een houding aan, alsof hij hem scheen te beklagen, en haalde de schouders op.

Dit alles deed hem vreezen, dat er een onheil geschied was, of hem boven het hoofd hing, en hij besloot het te wagen, den vreemdeling alleen te laten, en den knecht te ondervragen; maar toen hij zich omkeerde, zag hij den man, dien hij een oogwenk te voren op het portaal had hooren hoesten, vlak achter zich; hij stond op zijn teenen, om, over hem heen, op de plaats te Kunnen zien. De knaap schrok doch zei, toen deze spottend vroeg:

„Waarnaar zaagt gij toch, jongen?”

„Naar den stal, mijn meester! Wacht mij een oogenblik; ik kom terstond terug.” Hij wilde hem voorbijgaan; doch deze vatte hem bij den schouder en vervoIgde valsch lachend: „Ho, ho, klein gedrocht, dat heeft geen haast; maar zeg mij liever waar Van Schaffelaar is, of ik zal mijn laatpriem voor den dag moeten halen.”

De verschrikte knaap zag dadelijk in, welk gevaar hem, zijn heer en Frank boven het hoofd hing; hij twijfelde niet langer, of het huis was bezet; hij hoorde reeds de trappen kraken onder het gewicht van eenige lieden, die naar boven kwamen; hun sporen en wapenrustingen klonken.

„Zult gij antwoorden!” riep nu de man, die hem vasthield, en hem heen en weer schudde, maar hem plotseling losliet, toen hij den kleinen knaap zijn hand onder zijn wambuisje zag steken, en deze hem met wantrouwen en kwaadheid aanzag.

Zes ruiters van de Zwarte Bende traden nu in het vertrek, en Froccard – want deze was het, die zich met Henri in de kamer bevond – riep dadelijk: „Grijpt aan dat duivelskind, en onderzoekt hem; want hij heeft wapens bij zich,” en wees op den knaap.

Geen middel van uitkomst bleef er voor den armen Henri over; aan vlucht of weerstand was niet te denken, en hij stelde zich niet te weer, toen de ruiters hem aangrepen, maar hij riep: „Gij hebt den verkeerden voor, mijn meester. Ik ben de arme knecht van twee brave kooplieden, en heb niets misdaan; mijn meesters zullen zich bij den schout beklagen, indien gij mij niet loslaat.

Maar de ruiters lachten om zijn woorden, haalden een mes, dat in een scheede stak, onder zijn kleeren uit en hielden hem vast.

„Waar is heer Van Schaffelaar? Waar de jonge ruiter?” vroeg Froccard barsch. „Ik ken die lieden niet,” antwoordde Henri luid, „over wien spreekt gij? Ik ben hier vreemd.”

„Zult gij antwoorden!” vervolgde Froccard dreigend.

„Gij vraagt iets, dat ik niet weet; laat mij los, bid ik u, gij doet mij zeer!” zei hij tot de ruiters.

Maar deze sloegen op zijn verzoek geen acht, en Froccard grauwde hem toe: „Lieg niet langer, ellendeling! Of denkt gij, dat ik het gedrocht niet meer ken, dat met Van Schaffelaar in de legerplaats van Messire Perrol geweest is? Dat waart gijzelf; alle uitvluchten helpen hier niets; gij wijst ons Van Schaffelaar en zijn makker, of ik laat u dood pijnigen.”

„Breng mij voor den schout; gij hebt den verkeerde voor,” riep Henri angstig. „Wacht tot mijn meesters thuis komen; zij zullen u zeggen, wie ik ben.”

„Satansche leugenaar!” brulde Froccard, „ik moest dan niet weten, dat die kooplieden juist de knapen zijn, die ik zoek. Komaan, jongens, legt die lakens van de tafel, maar voorzichtig; want zij zijn een goede belooning voor de moeite, de wij hebben, en bindt dat kereltje op de tafel vast, zoodat hij zich niet kan bewegen.”

„Te hulp hospes! Moord! Sta bij!” gilde de ongelukkige Henri, terwijl de ruiters hem lachend op de tafel uitstrekten, en zijn handen en voeten met touwen vastbonden; zijn schreeuwen en zijn weerstand hielpen hem echter niets; niemand kwam hem te hulp.

„Hij zag mij voor heelmeester aan,” zei Froccard meesmuilend, terwijl hij het mes, dat bij den knaap gevonden was, op zijn hand aanzette, „hij dacht zeker niet, dat hij zoo spoedig onder mijn behandeling zou komen.”

„Zag Hij u aan voor een meester,”zei een der ruiters vroolijk, „het verwondert mij, dat hij u niet voor den beul aanzag, Froccard!”

„En u voor een gehangene; want opgeknoopt wordt ge zeker in uw leven,” hernam deze gemelijk.

„Misschien,” antwoordde de ruiter, „maar maakt mij niet ongerust; ik ben er mee tevreden: liever opgehangen dan geschoren, Froccard.”

„Zult gij eindelijk antwoorden, verstokte dwerg!” riep Froccard kwaadaardig tegen Henri, die stil op de tafel lag, en wiens lippen zich bevend bewogen.

„Hij bidt, Froccard,” zei de ruiter spottend, „neem den jongen ten minste eerst de biecht af, en geef hem de absolutie.”

„Ja, met dit mes,” vervolgde Froccard; hij stroopte de mouw van het wambuis op, en zette het mes op den ontblooten arm.

„Och, o, Heere Jezus! Maria!” gilde de knaap.

„Spreek, jongen,” riep de ruiter, wien het misschien leed deed, dat hij den jongen zag martelen door denzelfden man, die den knaap losgelaten had, toen deze niet gebonden was.

„Dat zijn mijn zaken,” riep Froccard, die genoegen scheen te vinden in het uitoefenen van zijn beulswerk. „Wij weten genoeg van de heelkunde knaap, om u niet ongelukkig te maken,” vervolgde hij spottend, en zag den ongelukkige aan, die gilde en schreeuwde; „wees gerust, ik zal u kerven als een visch, maar alleen het vleesch aanraken.”

Vergeefs gilde en schreeuwde de knaap: tevergeefs riep hij alle heiligen, die hij kende, om hulp aan; Froccard ging voort met hem de scherpte van het mes te doen gevoelen, en terwijl deze hem spottend zijn goedkeuring over de scherpte van zijn mes te kennen gaf, stonden de ruiters ongevoelig om de tafel, of zagen de lakens na; drie hunner verdoofden bijna het gegil van den knaap, zoo luid lachten zij om de gezichten, die hij trok. Eindelijk, toen Froccard weer gereed stond, om hem weer een nieuwe wond toe te brengen, riep Henri snel: „Houd op, Heer! Ik zal alles zeggen, maar neem het mes weg.”

„Welnu,” grauwde deze hem toe.

„Ik ben in dienst van Van Schaffelaar,” zei Henri langzaam.

„Dat is niets nieuws,” zei Froccard, die met het mes speelde, „maar waar zijn zij op dit oogenblik?”

„Beiden uit voor zaken, denk ik; maar waar zij zijn, weet ik niet,” zei de knaap hijgend.

„Dan zal ik het door de kracht van het mes moeten weten,” riep Froccard. „De jonge ruiter is uitgegaan met een vrouw, zooals de knecht zegt, en Van Schaftelaar is thuis gekomen en weer uitgegaan, terwijl gij uit waart.”

„Maar Van Schaffelaar is nog hier in huis,” riep de knaap opeens, toen hij het mes weer zag naderen.

„Die nog hier?” zei Froccard verheugd.

„En laat gij mij vrij gaan, als ik zeg, waar hij is?” vroeg Henri.

„Ja,” zei Froccard glimlachend, „ik beloof het u op mijn woord van eer.”

„Op zijn woord van eer, jongen,” herhaalde een der ruiters lachend.

„Maak die touwen dan los,” verzocht de knaap.

„Ho, ho, dat heeft zoo’n haast niet, gij ligt daar goed; de heer gevangen, de knaap vrij, en eerder niet,” zei Froccard, „maar waar is hij?”

De knaap zuchtte, en zei heelemaal wanhopig: „Ik kwam juist thuis, heer ruiter, toen gij hier bij mij kwaamt; maar als Van Schaffelaar thuis is geweest, terwijl ik uit was, dan is hij nu... op de vliering,” eindigde hij snel, na zich een oogenblik bedacht te hebben.

„Gij liegt, dwerg,” zei Froccard somber, en zag den knaap vorschend aan.

„Neen, Heer,” hernam deze, „het zou mij immers niet helpen. Hij begeeft zich elken middag naar de vliering, en doet er om dezen tijd een slaapje; geloof mij, overtuig er u van en laat een uwer mij bewaken,” en de arme knaap wierp een smeekenden blik op den ruiter, die hem reeds den raad had gegeven om te spreken; hij was de eenige, die misschien nog eenig medelijden met den knaap gevoelde.

„Blijf gij hier, Tuimelaar,” zei Froccard, „en wij zullen eens zien, of hij de waarheid zegt, en zoo niet, dan mag hij wenschen, dat de satan hem den hals omdraait, voordat ik terugkom.”

„Ik verkies niet te blijven, Froccard,” antwoordde deze gemelijk; maar toen hij zag, dat Henri hem droevig en smeekend aanzag, en hem iets scheen te willen zeggen, vervolgde hij onverschillig: „Maar ja, het is ook beter; ik let op den knaap en gij neemt den bevelhebber gevangen.”

„Heeft hij wapens bij zich, jongen?” vroeg Froccard, toen hij gereed was om te gaan, en zoodra Henri antwoordde: „O ja, Heer, hij slaapt juist boven, omdat hij daar zijn wapens verborgen heeft,” zei de gewezen monnik: „Dan zal ik wel bij den jongen blijven, Tuimelaar. Ik ben ongewapend, ga gij maar naar boven.”

„Ha, zoodra gij van wapens hoort, trekt gij den geschoren kop terug,” lachte deze, „neen, dappere vriend, ik blijf hier.”

Froccard scheen besluiteloos, en Henri, wiens hoop om gered te worden verijdeld werd, als Froccard met of in de plaats van den ruiter beneden bleef, riep nu: „Heer, indien gij mij een belooning belooft, dan zal ik maken, dat gij hem gevangen kunt nemen zonder gevaar, en zijn wapens wegnemen, terwijl hij slaapt.”

„Om te ontsnappen,” zei Froccard grimmig, en zag hem vorschend aan.

„Neen, om mijn leven te redden,” riep Henri wanhopig, „gij zult onder aan de trap staan, terwijl ik hem zachtjes nader; maar ik moet een goede belooning hebben, als het lukt.”

Froccard scheen te aarzelen, en daar de anderen, uitgezonderd de Tuimelaar, zijn gezag niet schenen te betwisten, en deze, zich onverschillig toonde, zei hij:

„Goed, knaap. Maar bij het minste vertrouwen, dat ik opvat, zijt gij des doods, en hij maakte de touwen los. „Het is niets, jongen,” vervolgde hij lachend, toen hij den armen knaap bezig zag, een doek, dien hij om den hals droeg, om zijn arm te winden, welke geheel bebloed was.

En voorzorg gebruikte men nog, voordat men naar boven ging; terwijl namelijk de Tuimelaar de slaapkamer nog eens doorzocht, knoopte Froccard eenige einden touw aan elkander, die men reeds gebruikt had, en waarmede de stukken in pakken gebonden geweest waren. Hij knoopte het eene einde om den hals van den armen knaap, die als een riet beefde, toen zijn beul hem den strop omdeed. Helaas, de flauwe straal van hoop, die zijn hart verheugd had, verdween eensklaps weer. Nu klom men behoedzaam de trap op naar den zolder; aan de steile vlieringtrap gekomen, hield Froccard stil, en zei nogmaals tot Henri „Gij ziet, ik heb het eene einde van het touw vast; bij het minste gerucht, dat ik verneem, of de geringste poging, die gij aanwendt om te ontsnappen, trek ik u naar mij toe, jongen. Denk om het mes,” eindigde hij kwaadaardig lachend, en zag met begeerige blikken naar boven.

„Zal ik u de wapens brengen, of zal ik u roepen, zoodra ik ze heb, Heer?” vroeg Henri; „en als hij eens wakker is, wat dan?” Hij zag hem vragend aan, en leunde tegen de trap.

„Gij brengt ons de wapens hier,” hernam Froccard snel, „en keert terstond terug, als gij ziet, dat hij niet slaapt.”

„Houdt u dan in Gods naam stil,” bad de knaap; „want als hij bemerkt, dat ik hem verraad, dan vermoordt hij mij, en gij haalt mijn lijk naar u toe,” en nu beklom hij behoedzaam de ladder. Zoodra hij zijn hoofd door het gat van het luik stak, dat openstond, keek hij aandachtig naar n kant, en daarna naar de ruiters, bracht den voorsten vinger aan de lippen, klom vervolgens hooger, en stapte voorzichtig op de vliering.

Froccard, een waardig dienaar van zijn meester, liet het touw schieten, naarmate de knaap zich verwijderde; de voorzorg welke hij genomen had, stelde hem gerust, dat de knaap hem niet kon ontsnappen. Het verwonderde den schurk niet, dat de jongen uit vrees voor zijn leven en de pijnigingen en in de hoop op een belooning zijn meester verraden en overleveren wilde; het verwonderde hem niet van den door de natuur zoo stiefmoederlijk bedeelden jongen; het stemde met zijn laag en hebzuchtig gemoed en zijn laffen aard overeen, en hij verheugde zich reeds met de droefheid van den knaap, als hij te laat gewaar zou worden, dat hij voor niets het leven van zijn heer had opgeofferd. Hij lachte boosaardig, terwijl hij den langen strop, die hij met aandacht scheen gade te slaan, door zijn hand liet glijden. Wat Henri betreft, daar hij niet wist, dat Frank, en dus mogelijk ook Van Schaffelaar, reeds gewaarschuwd was, kon hij ook wel bijna nagaan, waar zijn meester zich bevond. Toen hij op tafel uitgestrekt lag, en zijn eigen mes zijn arm openreet, had hij een oogenblik in beraad gestaan, om de plaats te noemen; maar een beter en edeler gevoel had zich weldra van zijn hart meester gemaakt; hij had, om zich, al ware het dan ook maar voor een oogenblik, de helsche pijnen te besparen gezegd, dat zijn meester zich in huis bevond. Een flauwe hoop op het medelijden van den eenen ruiter bleef hem nog bij; in zijn angst begreep hij niet, dat deze alleen bij hem had willen blijven, in het vermoeden, dat de knaap hem iets in het geheim wilde zeggen, of eenig geld aanwijzen; want de vrees voor het bendehoofd zou den Tuimelaar zelfs niet tot het besluit hebben gebracht den ellendigen jongen van zijn lijden te verlossen, door hem den genadestoot te geven. Froccard, met wien hij van Amersfoort gekomen was, had zijn leven in handen; de verloopen monnik was de speurhond, het hoofd, dat denkt en bevelen geeft; de Tuimelaar was de arm, die moest uitvoeren, en Perrol zou niet verzuimd hebben, hem voor het ontslaan van den knaap te doen ophangen. Toen besloot Henri, daar de vrees voor Froccard hem dit in den mond gaf, aan te bieden, zijn heer te ontwapenen, en zijn hoop om aan hun handen te ontkomen werd weer levendig, toen deze er genoegen mee nam. Helaas, hij had niet gedacht aan het koord, dat men hem om den hals zou knoopen; hij moest nu echter, en ging. Terwijl zij de trap opklommen, bad hij om redding. „O,” dacht hij, „indien mijn goede heer of Frank hier was, dan zouden zij mij, ongelukkige, verlossen, of de woede van dien afzichtelijken beul op zich laden, die mij levend in stukken wil snijden.” Hij zag een tijdlang over de vliering, om zijn moed en zijn krachten te verzamelen, en hij zou niet zoo gebeefd hebben, als hij het schavot had moeten bestijgen. Hij klom toen z zachtjes de vliering op, dat de ruiters, die onder aan de trap stonden, zelfs het neerzetten van zijn voeten niet hooren konden, waarop de Tuimelaar lachend zei: „Die verdoemde knaap kruipt als een kat.” Maar Froccard riep hem gebiedend toe: „Zwijg!” luisterde aandachtig en lette op het touw, dat hoe langer hoe meer uitgevierd moest worden.

Henri behoefde niet naar zijn heer te zoeken, daar hij wel wist, dat die zich niet hier bevond, en toch ging hij een eind voort. Nu vatte hij het touw aan; hij haalde het naar zich toe en ging verder voort, en zelfs terug, doch zeer behoedzaam, want zijn leven hing er aan, als de grond kraakte en men bemerkte, dat hij terugkeerde. Eindelijk palmde hij het koord niet meer in, maar zette er onder het voortgaan zijn voet op, opdat zij niet terug zou schieten. Zijn vervolgers dachten, dat hij Van Schaffelaar genaderd was, maar de knaap was daarentegen dicht bij het luik, dat hem redden moest en kroop langs de pannen voort. Toen hij het vlieringgat bereikte en reeds den helmkam van een der ruiters zien kon, verzamelde hij al zijn tegenwoordigheid van geest, richtte zich een weinig in de hoogte, en maakte schielijk den haak los, die het luik aan een der dunne sparren bevestigde. Het viel met een harden slag neer; gelijk tijdig stieten de ruiters hevige vloeken uit en vlogen de trap op. Doch nu greep Henri, die het luik dicht trapte, ijlings een stuk hout, dat op den grond lag, zette het op het luik en tegen een dakspar aan, en hoewel het luik op de trap kraakte door de kracht waarmee een der ruiters trachtte het met zijn schouder open te dringen, hield het stuk hout het toch tegen.

„Trekt, voor den satan, mannen!” brulde Froccard, en de knaap zag nu het touw, dat tusschen het luik geklemd was, hoe langer hoe meer verdwijnen, want zelfs de knoopen werden met geweld door de sleuf getrokken; maar even spoedig had Henri het om een ander stuk hout geslagen, zoodat liet niet verder kon worden doorgehaald. Nu sleepte hij nog een oude kist, die bij de hand stond, op het luik, plaatste haar tegen het dak en wilde den strop van zijn hals afdoen; doch Froccard had er wijselijk geen strik van gemaakt, maar hem ontelbare malen geknoopt en doorgestoken. Een mes had de arme knaap niet, die stampvoette van woede en angst; want nog was hij gevangen en de Tuimelaar riep: „Klim af, laat mij er bij, of liever, laat ons het verdoemde luik niet de trap stuk rammeien.” Men gehoorzaamde, haakte de trap uit en beukte er mede op het wrakke luik. Maar nu greep Henri een der plaatsen, waar de touwen waren aaneengehecht en de knoopen zoo vast niet zaten, en terwijl de kist kraakte onder het stooten met de trap, bevrijdde hij zich, wond het einde van het touw op en verborg het onder zijn wambuis, zoodat alleen de strop om zijn hals nog zichtbaar was.

Een kreet van vreugde ontsnapte aan het beangste hart van den trouwen Henri; want nu was hij ten minste voor hun wreedheid beveiligd, daar hij liever op de straat zich te pletter wilde springen, dan zich weer gevangen laten nemen, of zijn heer verraden. Maar zoover was het nog niet gekomen en de hoop herleefde in zijn hart.

De slimme knaap trad nu met zware schreden naar het dakvenster aan de linkerzijde van het huis en wierp het open; maar zonder een blik te werpen op de daken, waarop hij zich kon redden, trad hij zacht terug naar de tegenovergestelde zijde der vliering, opende ook daar het luik van het dakvenster, en klom er uit. Nu zette hij de haakjes, die er aan waren, recht overeind tegen het luik en wierp het dicht; en toen hij het weer naar zich toe wilde halen, ontdekte hij, dat de haakjes dicht waren gevallen en zijn list gelukt was. Maar nu moest hij verder; want al had hij hoop, dat men hem aan de andere zijde zou zoeken, toch was hij nog niet buiten hun bereik; meer dan n huis moest zich tusschen hem en zijn vervolgers bevinden, wilde hij zich met vrucht achter een schoorsteen verbergen en dan hing zijn leven of zijn vrijheid er nog slechts van af, of iemand hem in huis zou willen laten en toestaan te vluchten, of hem in handen van het gerecht overleveren; maar dit was altijd nog beter dan in de handen te vallen van die Zwarte Ruiters en van den moordenaar, die hem gepijnigd had.

Eerst liet hij zich in de goot van het belendende huis, dat lager was, neer. Vervolgens bereikte hij met onbeschrijfelijk veel moeite, – want zijn arm veroorzaakte hem verschrikkelijke pijnen, – den top van het eerste dak, en liet zich toen aan de andere zijde zachtjes daarlangs in de goot glijden. Hij rustte een oogenblik uit, en zag met zorg naar het dak, dat hij nu beklimmen moest; want het was met stroo gedekt en scheen tot een bouwvallig huis te behooren; het was zeker een der weinige die, ondanks de herhaalde keuren, nog niet met hard dak gedekt waren; maar daar viel hem op eens het dakvenster in het oog, dat open stond. Zonder zich te beraden, stak de knaap zijn hoofd er in, en daar hij niemand gewaar werd, stapte hij naar binnen, sloot het luik achter zich dicht, zette zich nu neer om te rusten en dankte God; want hij beschouwde zich nu als gered, en voedde met recht de hoop zich hier te kunnen verbergen. Zijn arm, die hoe langer hoe pijnlijker en stijver werd, benam hem ook de gelegenheid, om zijn reis verder over de daken voort te zetten; hij deed den doek terecht en zijn mouw er over.

Thans viel het hem in, dat Van Schaffelaar spoedig thuis kon komen; misschien zou hij hem nog kunnen redden, indien hij op straat was. Nu hij zichzelf in veiligheid waande, verontrustte hem het lot van zijn heer, en de moedige knaap besloot een poging te wagen, om te ontsnappen of de bewoners van het huis door smeeken en beloften over te halen, hem te laten gaan. Behoedzaam daalde hij nu naar den zolder af; maar halverwege bleef hij op de trap staan; want hij zag iemand uit het venster aan de straatzijde naar buiten liggen, en eerst toen Henri bemerkte, dat een knecht – want dit scheen hij te zijn – slechts lette op hetgeen er buiten voorviel, waagde hij het, den voet op den zolder te zetten.

Een menigte kleedingstukken, die aan den muur hingen en allerlei rommel, die hij om zich heen zag, deden hem bemerken, dat hij in het huis van een verkooper van oude kleeren was, wiens winkel hij zich herinnerde in de straat gezien te hebben. Hij besloot van deze gelegenheid gebruik te maken, om zich van een kleeding te voorzien, die zijn gestalte kon verbergen; maar den strop wilde hij niet gaarne gezien hebben. Daarom nam hij een kleinen, ouden, grauwen mantel van den muur, sloeg dien om, en riep toen luid: „Heidaar, vriend, help mij eerst, dan kunt gij zooveel kijken als gij wilt.”

De jongen, die uit het raam lag, keerde zich terstond om, in de meening, dat het zijn meester was, die hem betrapte, want het geraas op de straat verhinderde hem de stem te onderscheiden; maar toen hij iemand zag, dien hij niet kende, vroeg hij, nader tredend: „Wat is er van uw dienst? Ik hoorde u niet, maar zag daar naar buiten voor de herberg, waar men bezig is eenige stadsverraders gevangen te nemen.

„Ha,” hernam Henri stoutweg, „laat gij mij daarom staan? Uw meester zendt mij naar boven, opdat gij mij een mantel naar mijn zin zoudt geven, en ik heb dezen al uitgezocht.”

„Zoo, zei de jongen meesmuilend, „dat is de beste niet.” „Dat zou uw meester niet zeggen, hernam Henri: „maar hij is mij goed genoeg; zeg mij den prijs, Jood?” want hij had bemerkt, dat de knecht tot het geslacht van Isral behoorde. De knecht, die den gewezen staljongen uit den Achterkamp, vooral om zijn bleek en pijnlijk gelaat, met bevreemding aanzag, haastte zich echter, getroffen door den gebiedenden toon van den kleinen kooper, die voor hem stond, buigend te antwoorden:

„Nu, mijn meester! Gij zult mij twee Davidsharpen geven, het is voor niets: ik zie nu eerst, dat het een beste mantel is, het is grauw van Iperen,” en hij deed, alsof hij met welgevallen op den mantel zag.

„Dat is te veel, Jood,” hernam Henri barsch, en daar hij in de laatste dagen vrij wat kennis van de lakensoorten verkregen had, vervolgde hij: „Gij liegt, kinderdief! Dat is geen Ipersch grauw, gij zoekt mij te villen; maar ik zal er u n geven, want hij vreesde den achterdocht van den Jood gaande te maken, en zijn leven en dat van zijn heer in gevaar te brengen, door hem zijn vollen eisch te geven.

„Dat is, zoo waar als God leeft, te weinig, mijn meester,” zei de jongen, „de meester zou hem er niet voor laten.”

„Weet gij wat, Jood,”zei Henri terstond, „ik zal er dien hoed bij nemen en geven hetgeen gij mij afperst; maar met voorbehoud, dat ik morgen den mantel en den hoed zal kunnen verruilen; anders kunt gij dit vod houden.”

„Nu, omdat gij het zijt, zal de meester het wel doen; maar het is te weinig, zoo waar ik leef,” en de jongen boog, maar lachte bij zichzelf, om de domheid van den christen jonkman, dien hij verachtte, omdat deze zich liet bedriegen. „Zal ik hier of aan den koopman betalen?” vroeg Henri schielijk, want hij wenschte zich te verwijderen.

„Aan den koopman, mijn meester, als het u belieft,” zei de Jood; en zonder hem te antwoorden, ging Henri de trap af, en trad door de gang in den winkel; de knecht plaatste zich uit voorzichtigheid boven aan de trap om te kunnen hooren, of de vreemdeling inderdaad betaalde.

De koopman, die achter een toonbank zat en bezig was met iets te scheuren, had in plaats van naar den oploop te kijken, de deur dichtgegrendeld, uit vrees voor een ongeluk, zooals hij naderhand zeide, en zag zeer verwonderd op, toen Henri naar hem toekwam, want hij herkende dadelijk den mantel en den hoed, maar den drager niet. „Ik heb dezen hoed en mantel van uw knecht gekocht voor twee Davidsharpen, koopman!” zei Henri kortaf, en legde twee goudstukken neer; „maar het is te veel; en ik heb er ook bij bedongen, dat ik morgen den mantel tegen een anderen zal kunnen verruilen.”

„Te veel?” zei de Jood, schijnbaar verwonderd, hoewel hij innerlijk verheugd was, „te veel voor dien mantel en dien goeden hoed? Die luiaard en deugniet van een knecht zal mij nog ongelukkig maken; ik neem er geen genoegen mee; gij moet er ten minste nog zulk een stuk bij geven.” Hij nam hierop de stukken op, woog ze op zijn hand en mompelde: „Te licht, te licht,” en vestigde zijn grauwe, scherpe oogen op den knaap.

„Vervloekte Jood!” riep Henri driftig en wierp den hoed neer, „geef hier mijn geld en neem uw prullen terug, oude bedrieger!”

„Gij hebt reeds gekocht,” zei de Jood, en trad terug, „doch er moet nog geld. bij. Maar zeg eens, mijn meester, hoe komt gij boven? Ik heb u niet zien voorbij. gaan, en ik ben hier niet vandaan geweest.” Oplettend beschouwde hij den knaap, die zijn mantel om zich toehaalde, en hij trachtte te bespreuren, of deze er ook iets onder verborg, dat hij gestolen had.

„Gij waart hier niet, en men had mij gezegd, dat de meeste kleeren boven waren; ook zag ik den knecht uit het venster liggen. Maar geef mij mijn geld! Mijn meester wacht mij in het Zwarte Varken,” riep Henri ongeduldig.

„Ha,” zei de Jood, die nog twijfelde, „maar de deur was dicht.”

„Toen nog niet!” grauwde Henri driftig, „mijn geld terug, of ik klaag u aan.” „God beware ons,” zuchtte de Jood, „wat zijt gij driftig, mijn meester! Geduld, anders kan men geen zaken doen.” Hij kwam nu achter de toonbank vandaan, ging naar de gang en riep: „Ben! dagdief! waar zijt ge?

„Hier meester,” antwoordde de knecht. Toen vervolgde de Jood: „Is het waar, guit, dat gij dien mooien mantel en dien nieuwen hoed verkocht hebt voor twee Davidsharpen? ’t Is om mij geheel arm te maken.”

„De heer wilde niet meer geven, meester!” riep de knecht.

„Och, het ongeluk is dan maar al te waar,” mompelde de Jood; „maar ik zal van zijn loon afhouden.”

Henri had, toen de koopman zich verwijderde, een breed mes in de hand genomen, dat met andere goeden en rommeling op de toonbank lag. De Jood bleef plotseling staan; zijn heele houding verried vrees en de beweging van zijn baard bewees, dat hij klappertandde van angst; zijn oogen zagen vreesachtig langs den krommen neus en zijn bruine huid werd bleeker dan anders.

„Wat moet dat mes, mijn meester! Onze koop is immers gesloten?” vroeg hij stotterend.

„Hoeveel er voor?” vroeg Henri, om hem tevreden te stellen, en uit verlangen om het te bezitten.

„Twee zilveren realen,” zei de Jood. „En,” was het antwoord.

„Dat kan niet! Er is een scheede bij, en het is een best mes,” hernam de koopman, die weer alleen bezield was door verkoop- en geldzucht.

„Neen, Jood,” riep Henri, en wierp het mes weg, „maak de deur maar open; want gij zijt slimmer dan een truant of netteboef, en morgen kom ik zeker terug om een anderen mantel uit te zoeken, want dan heb ik den tijd.”

„Nu, neem het maar,” zuchtte de Jood, stak het mes in de scheede, en gaf het hem over: „ik heb al schade genoeg, ik zal er dat nog maar bij verliezen,” en hij herhaalde binnensmonds de scheldnamen, die men hem had gegeven.

„Dat weet ik beter, Jood!” grauwde Henri hem toe, wierp het zilverstuk op de toonbank en nam het mes onder zijn mantel. De Jood opende hem de deur, bromde hem nog veel voor over zijn goeden koop en riep hem zijn zegen na, toen Henri de deur uitging. De koopman sloot die nu weer, en haastte zich zijn knecht Ben te bestraffen, dat hij niet meer gevraagd had aan den verwaanden en dommen knaap. Henri wierp slechts een zijdelingschen blik naar den kant van het Land van Belofte, waar een menigte menschen voor het huis saamgedromd stond; hij zag zelfs den helm van een der ruiters, die in de deur stond, boven de hoofden uit, en dit stelde hem gerust, daar hij wel wist dat Frank en Van Schaffelaar te voorzichtig zouden zijn, om zich in de herberg te begeven, voordat zij wisten, of het al of niet geraden zou zijn.

Met overhaaste stappen spoedde Henri zich voort, echter zoo snel niet als hij wel gewenscht had; want de voorzichtigheid verbood hem dat, en zijn arm veroorzaakte hem veel pijn. Aan den put gekomen, die in de straat op den Viersprong stond, sloeg hij linksaf een zijstraat in, richtte zijn schreden naar de Neude en spoedde zich naar het minnebroedersklooster. Hij ging echter de gewone ingangspoort voorbij, hield stil voor een deurtje, dat in een eng slop was, en klopte herhaalde malen met den zwaren ijzeren klopper. Het duurde een geruime tijd, eer hij in het huis eenig gerucht vernam, en het duikje in de deur geopend werd.

„Wat begeert gij van ons klooster?” vroeg iemand, die door het traliewerk naar buiten zag.

„Zoo spoedig mogelijk te worden binnengelaten en den heer prior te spreken, mijn vader,” antwoordde Henri, en leunde met de hand tegen den muur om uit te rusten

„Licht uw hoed op, en open uw mantel, knaap,” gebood hem de broeder, toen deze aan dit bevel voldaan had, werden de grendels weggeschoven en de deur werd geopend. De portier sloot de deur met zorg weer dicht, en noodigde hem uit, de gang door te gaan, die uitliep in een ruim en fraai vertrek, dat op den tuin uitzag; de geestelijke sloot de deur van de kamer en vroeg hem, wat hij begeerde.

„Den heer prior te spreken, mijn vader, over een zaak van groot gewicht,” antwoordde de knaap, die den hoed in de hand hield, maar diep boog, toen de minnebroeder vriendelijk zei: „Dat ben ik zelf, mijn zoon, maar ik kan reede raden, wat u hierheen voert: gij zoekt uw meester, niet waar?”

„Ja, eerwaarde vader, zoo is het,” hernam Henri. „Maar zeg mij, bid ik u, is hij in veiligheid?” vroeg hij angstig.

„De Heer is met hen, die Zijn dienstknechten trouw zijn; uw heer en zijn vriend zijn buiten het bereik van hun vervolgers,” antwoordde de monnik plechtig.

Nu moest Henri zijn wedervaren verhalen; de prior zelf verbond zijn arm, prees zijn trouw en verzekerde hem, dat hij in het klooster niets meer te vreezen had.

908SR15.gif (1832 bytes)

De inlegeringInhoudopgave OltmansDe maaltijd (de avond)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)