J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL I – HOOFDSTUK IV

DE LEGERPLAATS.

Voor een der tenten, ’t rijkst van stoffen en sieraden,
Lag, door zijn langen baard en pracht van lijfsgewaden
Ontzaglijk, op een kleed, gewerkt in Khoracan,
Een krijgsman eenzaam: ’t was de tweede Soliman.
C. G. WITHUIS.
Maar „neen!” vervangt hun woest getier,
„Eerst losprijs voor ontslag?
H. TOLLENS Cz.

D.gif (3307 bytes)e strooptochten der Utrechtschen en de brandschattingen, welke zij gewoon waren te heffen, noodzaakten den Bisschop, om, zooveel zijn zwakke macht het toeliet, voor de plaatsen, die hem getrouw gebleven waren, te zorgen, door er een behoorlijke bezetting in te leggen. Behalve de bezetting, die in Rhenen en Wijk bij Duurstede lag, was hij verplicht wat volk in de omliggende plaatsen op de been te houden, ten einde zijn vijanden te beletten, tot vr de poorten der stad, die hij bewoonde, alles uit te plunderen of plat te branden. De dorpen Werkhoven en Odijk met de omliggende woningen, hoe gaarne hij die had willen bezetten, had hij aan hun noodlot moeten overlaten; doch in het dorp Koten lag Gerrit van Nijveld met een afdeeling voetknechten. Zijn linkervleugel strekte tot aan den Utrechtschen weg, terwijl de rechtervleugel de brug over den Krommen Rijn bezet hield, en over die rivier tot aan het dorp Neer-Langbroek reikte. De Zwarte Bende, en troep vreemde ruiters, die aan Perrol behoorde, en door Bisschop David in soldij was genomen, bezette den Dwarsdijk en het land tusschen den linkervleugel van Nijveld’s voetvolk en de rivier de Lek, waarbij zij zich aansloot. Amerongen, Leersum, en de streek tusschen deze plaatsen en Neer-Langbroek werden door de ruiters, onder het bevel van Jan van Schaffelaar, tegen allen overlast beveiligd. Reeds sedert geruimen tijd had de Bisschop nu en dan bericht gekregen van hen, die hem en zijn zaak waren toegedaan, dat er gestadig onderhandeld werd tusschen Gerrit van Nijveld, Perrol en Jan Montfoort; de voorzichtigheid gebood hem deze berichten niet losweg te gelooven of in den wind te slaan. Hij was, door middel van geld en het zenden van bespieders onder zijn eigen krijgsknechten, zoowel als door de berichten, welke hij van zijn geheime vrienden uit Utrecht kreeg, zooveel te weten gekomen, dat er werkelijk onderhandelingen aangeknoopt waren; maar het gelukte hem niet te ontdekken, hoe ver die gevorderd waren; hetzij de drie zooeven genoemde personen niemand hun vertrouwen geschonken hadden, of dat de lieden, die zij in hun dienst hadden, het vertrouwen waardig waren, dat men in hen stelde.

Het was gevaarlijk eenigen argwaan te laten blijken; Perrol werd, behalve door zijn belofte om den bisschop met lijf en ziel te dienen. door niets gebonden dan door de soldij, welke hij trok; het was dus te vreezen, dat, zoodra hij bemerkte, dat men hem wantrouwde, hij zich niet zou ontzien van partij te veranderen, als het belang hem zulks aanried. De bisschop wist zeer goed, dat deze man, van hij genoodzaakt was zich te bedienen, geheel meester was over de ruiters, met wie hij in het land was gekomen, en dat het hun onverschillig was, onder welke banier zij dienden. Wat het voetvolk aangaat, dat onder Van Nijveld stond, dit waren wel geen vreemdelingen, maar de gehechtheid aan hun bevelhebber, waarvan zij reeds meermalen blijk hadden gegeven, deed vreezen, dat ook zij de zijde van den Bisschop zouden verlaten, indien hun hoofd van partij veranderde; en daar Gerrit van Nijveld vermaagschapt was met de hoofden der Utrechtsche partij, kon men niet al te sterk rekenen op zijn trouw, die ook alleen gewaarborgd kon worden door zijn tot nog toe bewezen diensten.

Ten einde dus geen stad in hun macht te laten, had de Bisschop verkozen hen op de voorposten te plaatsen. Hij gaf hun als het ware een blik van vertrouwen, door hen in de gelegenheid te stellen elk oogenblik tot den vijand over te loopen; ook had hij niet nagelaten hun te doen gevoelen, dat hij hun dezen gewichtigen post had toevertrouwd, omdat hij evenzeer rekende op hun gehechtheid aan zijn persoon als op hun moed en hun waakzaamheid. Sinds twee dagen echter, hadden noch Perrol, noch Van Nijveld zich te Wijk vertoond om bij den Bisschop hun opwachting te maken; zij hadden zich vergenoegd te laten weten, dat zij zich ongesteld gevoelden, maar dat alles wel was en dat de vijand niets nieuws scheen te willen ondernemen. Volgens ingekomen geheime berichten vertoonden deze bevelhebbers zich inderdaad niet onder hun volk, maar hielden zich in hun kwartieren; men vermoedde echter, dat hun ziekte slechts een voorwendsel was om niet naar Wijk te komen. Een en ander vermeerderde de ongerustheid van bisschop David, hoewel hij hun wegblijven niet aan dezelfde reden toeschreef; hij gevoelde zeer goed, dat Van Nijveld, indien hij voornemens was hem te verlaten, zich schaamde om zich in zijn tegenwoordigheid te vertoonen, terwijl Perrol het een overtollige moeite achtte den heer te bezoeken, wien hij eerstdaags ontrouw zou worden. Deze onzekerheid deed hem besluiten hun te gelasten, een meer voorwaartsche stelling aan te nemen, wat hen van Wijk zou verwijderen; hij kon dan Koten en Dwarsdijk door andere troepen laten bezetten en deze maatregel was zeer geschikt om de veiligheid van Wijk te bevorderen en tevens een toetssteen, in hoeverre men op hun trouw staat kon maken.

De bisschop was omringd door vele heeren en vrienden, maar den eenen vertrouwde hij te weinig, de andere bezat niet genoeg moed om Perrol een onwelkome boodschap te brengen, of niet genoeg scherpzinnigheid om op te merken, hoe de geest van het krijgsvolk was; ja zelfs hadden sommigen reeds geweigerd een order over te brengen aan den gehaten vreemdeling die in het begin door den Bisschop tot hun spijt, met zooveel onderscheiding was behandeld. Niemand kwam hem dus geschikter voor, om dezen lastigen en gevaarlijken post op zich te nemen dan Van Schaffelaar, die geheel zijn vertrouwen bezat, en van wiens moed, bezadigdheid en kunde hij zeer overtuigd was. Het kostte echter eenige moeite, om dezen, die met de opdracht in het geheel niet tevreden was, hierin te doen bewilligen. De Bisschop gelastte hem in persoon, alln te gaan, Ongewapend, en aan niemand te zeggen waarheen hij zich begaf, daar hij alle opzien wilde vermijden en vreesde, dat het zenden van zijn bevelen met een gewapenden troep aanleiding tot misverstand mocht geven, indien Perrol en Van Nijveld geen kwaad in den zin hadden. Ofschoon Van Schaffelaar, om hem genoegen te doen en allen schijn van vrees voor zijn leven of vrijheid te voorkomen, hierin berustte, toch was hij niet te bewegen ongewapend te gaan. De Bisschop gaf dus eindelijk toe, en liet hem vrij om zich te kleeden en zich te wapenen naar goedvinden, en ook een knaap mee te nemen. Hij gaf Van Schaffelaar twee geschreven orders en zijn zegen, waarna deze, zooals wij weten, zich naar de Roode Draak spoedde om zich gereed te maken.

Heer Jan van Schaffelaar bevond zich dus opeens op weg naar het dorp Koten, dat omtrent een uur van Wijk verwijderd ligt. Hij bereed hetzelfde paard, waarop wij hem in Amersfoort ontmoet hebben, en droeg de wapenrusting, welke meester Wouter niet verzuimd had, volgens zijn belofte, den volgenden dag op de Schaffelaar te laten brengen. De platen, waarvan zij vervaardigd was, waren bijzonder deugdzaam en toch niet dik, een groot voordeel voor ruiter en paard, want de harnassen uit vaste stukken boden meer tegenstand aan den stoot van een speer dan het zware malin-hemd, dat wij Frank hebben zien dragen, waarvan de malin of ringen dikwijls met zulk een kracht geraakt werden, dat zij niet zelden het lichaam kwetsten, al drong de stoot niet door; zij waren dus gewoonlijk te zwaar of niet sterk genoeg. Hoewel het zeer warm was, droeg hij zijn helm op het hoofd; de neusriem was echter los en het vizier geopend. De witte veeren, die uit den kam staken, bewogen zich golvend door de beweging van het paard en nu en dan veroorzaakte de wind, dat zij zijn schouders raakten, Hij was geheel overdekt met ijzer; zelfs zijn voeten waren met ijzeren reepen gewapend; in de gapingen van het harnas, onder den arm en in de vouw, zag men het jak van gevlochten ijzerdraad, dat hij aan had; voor het overige kon men aan de achterste helft van zijn dijen, welke niet gewapend waren, ontdekken, dat hij onder het harnas een leeren kleeding droeg. Een lang breed zwaard, geschikt om met twee handen gehanteerd te worden, hing aan zijn zijde, evenals zijn dolk. Moor droeg een hoze van roode stof met gele randen, welke hem, uitgezonderd zijn oogen, zijn bek, zijn pooten en zijn staart geheel bedekte en een weinig lager dan de buik, in plooien neerhing. Voor de kop en de borst was een ijzeren plaat gegespt en zijn rug werd ook gedekt door een leeren versiersel, dat uit ineengevlochten ringen gevormd en met ijzeren plaatjes bedekt was, hetwelk bevallig op den rooden grond afstak. Van Schaffelaar droeg een half witten, half blauwen wapenrok over zijn harnas, waarop het wapen van den Bisschop was geschilderd. Over zijn schouders en op zijn rug hing zijn schild, dat zijn eigen wapen voerde; een gele balk op een rood veld, met een lelie in den rechterhoek. Onder den wapenrok uit kwam een net van kleine ijzeren ringen te voorschijn, dat alln aan meester Wouter en zijn beste gezellen menigen dag werks gekost had, en tot aan de knie reiken kon. Wat zijn knaap betreft, die op een eerbiedigen afstand achter hem reed, deze droeg alleen een borstharnas en een helm zonder vizier als wapenen van verdediging en een manteltje van half rood, half geel laken, dat aan de binnenzijde met grijze stof gevoerd was. Hij zat op een klein bruin paardje, dat vlug en sterk scheen, maar al zijn bekwaamheid in de rijkunst werd vereischt om het koppige dier te bedwingen, Moor niet te zeer op den voet te volgen.

Het omliggende land, goede kleigrond, welke overheerlijk bouwland oplevert, was hier en daar verdeeld in groote boomgaarden van appelen, peren en ander ooft. De vruchten, die zich al gezet hadden, beloofden een voordeelig jaar aan de huurders of eigenaars der boomgaarden, indien deze door het weer of den moedwil van het krijgsvolk niet in hun hoop bedrogen werden. Hoe meer Van Schaffelaar het dorp naderde, hoe dichter de woningen bij elkander stonden, die hij voorbij reed, en die meestal aan den weg of een eindje in het land lagen; eindelijk kon men bemerken, dat het voetvolk bij de bewoners der boerenwoningen en hutten was ingelegerd. Velen waren buiten de huizen bezig hun wapens schoon te maken, meestal omringd door eenige kinderen, die met aandacht naar de blinkende wapens zagen. De ongewone bedrijvigheid, die er onder het krijgsvolk scheen te heerschen, deed het voorkomen, alsof zij een bezoek van hun aanvoerders verwachtten. Behalve dat helm, schild en harnas werd gepolijst, werden de armborsten van nieuwe pezen voorzien, hellebaard, piek en zwaard geslepen, en hier en daar zag men er ook eenigen, die niet van den minsten rang onder den troep schenen te zijn, bezig zware handbussen af te trekken of schoon te maken.

De drukte, welke er onder de soldeniers heerschte, kwam Van Schaffelaar in het eerst niet vreemd voor; doch toen hij gewaar werd, dat men ook bezig was om een eind van den weg verwijderd, in leeren zakken het buskruit te doen, dat waarschijnlijk den geheelen morgen op een lap zeildoek in de zon had liggen drogen, begon hij te vermoeden, dat er wat buitengewoons gebeurde, te meer daar hij eenig boerenvolk gewaar werd, dat op last van een rotmeester een hoop pijlen tot bossen bood, en er een kar mee bevrachtte, en hij in het dorp eenige opgeladen karren en wagens zag staan. Velen der soldeniers hadden hem gegroet, toen hij voorbijreed, doch het kwam hem voor, alsof zij eenigszins bevreemd waren over zijn komst, en dat zij hierover met elkander spraken. Zonder echter naar de reden van hun bezigheid te vragen, reed hij het dorp in, doch hield op eenigen afstand van de kerk stil. Zijn blik richtte zich evenwel niet naar het gewijde gebouw, maar hij zag naar den toren van het huis Oud-Rhijnestein. Doch noch van den bouwvalligen trans, noch van de muren van het nieuwe huis, dat den heer Van Nieuwaal toekwam wapperde de vlag van den Bisschop; wel stond op den toren een stok of staak, maar het bolkijn of doek, dat het blazoen voerde, was neergehaald, Een sombere ernst vertoonde zich op het gelaat van Van Schaffelaar die zoo opeens zijn onaangenaam voorgevoel bevestigd zag; doch hij wilde zijn weg vervolgen, ten einde den last, hem door zijn meester gegeven, te volbrengen toen iemand die uit het nabijgelegen buis kwam, hem met den hoed groette en zei: „Goedendag, Heer van Schaffelaar.”

Deze beschouwde den krijgsman, die tot hem sprak en zei, zijn groet met de „Ik dank u, Volkert. Hoe zit het, nog zoo geheel op uw gemak, terwijl de knechten van uw heer zich, zoo het schijnt, tot den opmarsch gereedmaken? Het komt mij voor, dat gij, zijn luitenant, reeds van het hoofd tot de voeten gewapend en gereed moest zijn om op te zitten.”

„Nu, nu, dat heeft immers zulk een haast niet, Heer,” antwoordde de andere eenigszins verlegen. „Men moet dien luiaards wel wat te doen geven; zij zouden anders te veel aan het gemak wennen; maar waarheen is de rit zoo, indien ik het vragen mag?”

„Naar den heer Van Nijveld, daar hij niet meer in Wijk kan komen, dienen wij wel eens te komen zien, hoe hij het maakt,” zei Van Schaffelaar spottend.

„Ik geloof, dat uw reis dan dezen keer vergeefsch zal zijn,” antwoordde de luitenant, „het is hem niet mogelijk u nu te ontvangen.”

„En toch,” zei Van Schaffe]aar met nadruk, „zal ik moeten verzoeken hem te zien; ik heb een lastbrief aan uw aanvoerder, dien ik hem in persoon moet overhandigen, om het antwoord aan zijn Eerwaarde te kunnen overbrengen.”

Het gelaat van den reeds bejaarden krijgsman nam een ernstige plooi aan; hij sloeg zijn armen over elkaar en zag een oogenblik stijf voor zich; toen trad hij bij het paard van Van Schaffelaar, legde zijn linkerhand op den ijzeren ketting, die tot toom diende, en zei langzaam: „Geloof mij, Heer, het doet mij leed, maar gij kunt mijnheer Van Nijveld nu niet spreken.”

„En waarom niet?” vroeg Van Schaffelaar met drift. „Waarom is Gerrit van Nijveld onzichtbaar, als mijnheer David het goedvindt hem zijn bevelen te doen kennen? Wat moet zijn Eerwaarde denken, als ik hem zijn lastbrief ongeopend teruggeef? Ga heen, Volkert, ik verzoek het u, en zeg hem, dat ik hem zien en spreken moet, want het moet duidelijk blijken, of uw bevelhebber zich aan de gehoorzaamheid onttrekt, die hij onzen wettigen heer verplicht is te bewijzen.” Maar Volkert antwoordde niet, noch maakte hij zich gereed om aan het verzoek van Van Schaffelaar te voldoen. Eindelijk zei hij: „Bij al wat heilig is, en op mijn woord, Heer, ik verzeker u, dat de heer Van Nijveld niet in staat is u te orttvangen.

„Is hij dan zoo ziek?” vroeg Van Schaffelaar, doch Volkert schudde met het hoofd. „Dus bevindt hij zich hier niet, en waar is hij dan, toch niet naar Montfoort, niet waar?” vervolgde hij en zag den onderbevelhebber vorschend aan. En toen deze stilzwijgend met het hoofd knikte, riep Van Schaffelaar:

„Dus naar Utrecht, krijgsman, dus op het punt om een overlooper te worden! Ha! ik gevoel nu, dat mijn vrees niet ongegrond was, toen ik mij van het neerhalen der banier van mijn heer niet veel goeds voorspelde. En zult gij en de soldeniers die hier liggen, allen de voetstappen van uw aanvoerder volgen?” „Helaas, Heer,” hernam Volkert aangedaan, „ik wenschte van harte, dat het anders was, maar zie, zooveel jaren heb ik onder den heer Van Nijveld gediend hij is zulk een goed en dapper heer, dat ik, ondanks mijzelf, hem volgen zal, een soldenier is meer gehecht aan zijn bevelhebber dan aan de partij, welke deze voorstaat.”

„En deze voetknechten en zij, die onder den anderen luitenant dienen?” vroeg Van Schaffelaar snel.

„Zullen allen hun aanvoerder volgen, alle redenen, om hen van dit voornemen af te brengen, zouden vruchteloos en zelfs gevaarlijk zijn. Geloof mij, Heer, ik meen te kunnen raden, wat gij voorhebt; maar even waar als het is, dat gij op dit oogenblik hier zoo zeker zijt als onder uw eigen bende, even zeker is het, dat mijn plicht mij later zou gebieden voor de belangen van mijn heer te zorgen en u gevangen te nemen. Ik bid u daarom,” vervolgde hij en liet den teugel van het paard los, „geen onberaden stap te doen, die mij en u zelf veel verdriet zou veroorzaken.”

Toen hij zag, dat Van Schaffelaar over zijn woorden nadacht, zei hij: „Indien gij het goed vindt, zal ik de bevelen aan Mijnheer Van Nijveld ter hand stellen, zoodra hij terugkomt; mogelijk kunnen zij nog, ik hoop het althans, eenigen invloed op zijn gedrag hebben, doch gij moet zelf weten, of gij denkt ze mij te kunnen achterlaten.”

„Dat zal het eenige zijn, wat mij overblijft,” zei Van Schaffelaar, en hij haalde een dichtgevouwen perkament uit zijn gordel te voorschijn. „Geef dit aan uw heer; wij willen hopen, dat het nog bijtijds komt om zijn denkwijze te veranderen en hem den naam van verrader te sparen. Vaarwel, krijgsman, God zij met u; meld u bij mij aan, indien gij nog besluiten mocht mijnheer den Bisschop getrouw te blijven!”

„Ik dank u, Heer,” antwoordde Volkert, „ik hoop, dat het geluk zulk een goed en dapper heer, als gij zijt, steeds zal volgen, en bid u mij niet te verachten; zooals ik gezegd heb, ik ben aan mijn bevelhebber verknocht; een band, die reeds sinds zooveel jaren bestaat, wordt maar zoo niet op eens losgemaakt.”

„,Ik laak u niet, Volkert,” zei Van Schaffelaar, „ofschoon uw voornemen mij leed doet. Maar nog n vraag, eer ik vertrek: is er ook iets bijzonders voorgevallen bij uw buurlieden, en denkt gij, dat ik de Zwarte Bende even marschvaardig zal vinden, als hier de voetknechten?” Bij deze woorden sloeg hij het gelaat van Volkert opmerkzaam gade.

„Moet gij dan aan Messire Perrol ook orders brengen?” vroeg deze verbaasd. „En indien dit zoo was, zou dat dan zoo vreemd zijn?” zei Van Schaffelaar glimlachend, „of denkt gij, dat die hoofdman ook niet te vinden zal zijn?”

„Ik vrees maar al te zeer, Heer,” antwoordde Volkert. „Gij kunt u misschien een vergeefsche of onaangename moeite besparen door mij den brief voor het hoofd der Zwarte Ruiters mede te geven; want binnenkort moet ik toch in zijn nabuurschap zijn.”

„Ik dank u, krijgsman,” hernam Van Schaffelaar, „maar ik durf de order niet door een ander laten bezorgen; anders maakte ik gaarne van uw aanbod gebruik; want op mijn eer, ik heb liever niets te doen met dien Messire Perrol.” „Het spijt mij,” zei Volkert, „er blijft mij dus niets over dan u te waarschuwen om voorzichtig te zijn; want gij begeeft u in het hol van den leeuw, Heer Van Schaffelaar en geen mensch zou u kunnen redden, indien hem de lust beving om u te verscheuren.”

„Zoo is het, Volkert,” antwoordde Van Schaffelaar en zette zich vast in den zadel, „ik weet naar wien ik mij begeef; maar de macht, die mijnheer Danil en andere Heiligen tegen het verscheurend gedierte beveiligde, kan ook mij behoeden, indien mijn zonden niet maken, dat de goede God mij verlaat. In allen gevalle hoop ik door Zijn bijstand eerlijk te vallen; ik groet u.” Hierop gaf hij Moor den vrijen teugel, groette Volkert met de hand, en verwijderde zich in vollen draf, gevolgd door zijn knaap, die van dit gesprek niets gehoord had, maar zich in dien tusschentijd door de bewoners van een der huizen een kleine kan bier had laten geven, die hij, zonder af te stijgen, ledigde. Wat de luitenant der Nijvelders betreft, hij groette Van Schaffelaar diep, toen deze zich verwijderde. Een sombere tint vertoonde zich op zijn gelaat, terwijl hij den ruiter naoogde, waarna hij opeens aan zijn werkloosheid een einde maakte, en zich met overhaaste stappen naar het huis Rhijnestein begaf. 

908SR15.gif (1832 bytes)

Messire Perrol lag, zooals wij weten, op de uiterste linkerzijde van het volk des Bisschops, dat in het open veld had Post gevat. Zijn ruiters hadden de wegen tusschen de Lek en den weg van Wijk op Utrecht bezet; de weinige huizen en stallen, die er in het buurtje Dwarsdijk waren, hadden hem genoodzaakt voor zijn ruiters en hun paarden van afstand tot afstand hutten te laten opslaan; waarin zij een geschikt verblijf konden vinden; want de kapel, waarin Perrol zijn ruiters en hun paarden van afstand tot afstand hutten te laten opslaan, van deze ontheiliging bevrijd gebleven. Het omliggende land, ofschoon niet zoo hoog als te Koten, was vruchtbaar zaailand, dat tarwe en veldvruchten in overvloed opleverden.

Wat Perrol betreft, die, uit Frankrijk verdreven, met zijn bende naar het Sticht gekomen was, men wist niet met zekerheid, of hij een edelman was of niet, ook scheen hij zich niet gelegen te laten liggen aan een rang, die hem al of niet toekwam; want niets zou hem gemakkelijker geweest zijn, dan den een of anderen naam aan te nemen, daar men niet eens wist, uit welk land hij geboortig was. De een hield hem voor een Pimontees, de ander voor een Spanjaard, weer een ander vermoedde, dat hij uit het zuiden van Frankrijk afkomstig was; mogelijk omdat hij zich in al die landen van tijd tot tijd had opgehouden. Wat de ruiters aangaat, die hem toebehoorden, het was een mengelmoes van alle natin, welke zich door den ijzeren wil van dezen gelukzoeker tot een lichaam hadden laten vereenigen, en zich om het voordeel, dat zijn dienst hun aanbood aan zijn gezag hadden onderworpen. Het was een hoop roovers, het uitvaagsel van verschillende legers, en toch door hem met zorg verzameld tot een bende, welke hij alleen regeeren kon, en die alleen aan hem gehoorzaamde: het waren menschen van verschillenden ouderdom, voor wie niets heilig was; liegen, bedriegen, vloeken, moorden, plunderen, vechten, God en alle Heiligen lasteren, was voor hen niets vreemds. Maar Perrol deed dit alles ook: voor hem was ook niets heilig; en wat hun somtijds nog eenige vrees kon veroorzaken, daarmee dreef hij den spot. Dit was de voornaamste reden, waarom zij hem gehoorzaamden’ en vreesden als een machtiger wezen, en het ontzag, dat zij voor hem hadden, maakte, dat de woede van hun toomelooze driften alleen gevaarlijk was voor hen, die niet tot de Zwarte Bende behoorden; want zij huiverden, als zij dachten aan de straffen, welke degenen troffen, die tegen hun wapenbroeders het zwaard trokken, of zich met hun goed verrijkten. Rees er twist door dronkenschap of andere oorzaken, dan had men slechts te zeggen, dat Perrol of zijn luitenant naderde; de zwaarden werden met sidderende hand opgestoken, en de roes verdween. Zelfs was de vrees voor dien man zoo groot, dat niemand hunner het waagde, wanneer zij in het openbaar over hem spraken, zijn bijnaam te noemen, of, zoo zij het al wisten, te zeggen, waarom hij Perrol met de Roode Hand genoemd werd.

De strenge krijgstucht, die onder de Zwarte Bende was ingevoerd, maakte dat deze knapen niet gevaarlijk waren dan voor hen, met wie hun aanvoerder in oorlog was. De wapenrustingen, zoowel van het voet- als van het paardenvolk. waaruit de bende bestond, waren van zwart ijzer. Voetbogen, pieken en handbussen waren de wapens der ruiterknechten; krijgsbogen, korte handbussen en speren, die der rijzige ruiters; de mannen, die speren droegen, hadden helmen, van vizieren voorzien, en waren geheel gewapend; geen der leden van de bende droeg echter een pluim of een vederbos. Wanneer men deze bende ruiters, welke achthonderd man sterk was, die in den oorlog oud geworden, of door Perrol zelf geoefend waren, geschaard zag staan, gezeten op hun zwarte paarden, terwijl niets deze doodsche kleur verbrak, dan kon men niet nalaten een zekere vrees te gevoelen voor den man, die over deze zwarte gedaanten het bevel voerde, en die zij op zijn oogwenken dienden.

Ook in de woningen, stallen en hutten te Dwarsdijk scheen een ongewone beweging plaats te hebben; de paarden werden geroskamd en de wapens schoongemaakt; en toch heerschte, omstreeks twee pijlschoten van de kapel, een diepe stilte, hoewel hier het paviljoen van Perrol was opgeslagen. Op een groot grasveld stond een ruime tent van grijs laken met roode randen, daarvr was een paal in den grond gestoken; waaraan de standaard van Perrol was vastgebonden. Deze bestond uit een vierkant stuk zwarte zijde met een gouden franje; een rechtstandig zwaard was er met goud en zilverdraad op geborduurd; en daaronder de spreuk van Perrol: Je le tiens haut. Vooraan in de tent stond een der wapenrustingen van het hoofd der Zwarte Ruiters; zij was geheel zwart, en een groote roode vederbos kwam uit den helmkam te voorschijn; een weinig ter zijde hingen een schild en een zwaard, een wapenbijl en een ijzeren knots of hamer. Zijn eerste knaap, Vidal genaamd, die nog jong was, en door zijn inborst een verwonderlijke uitzondering maakte op hen die Perrol omringden, was juist bezig om met een lap van zacht leer het zwaard en de letters af te vegen, welke op het schild waren opgelegd, en die, meende hij, niet genoeg schitterden.

Naast de tent lagen een aantal latten en palen van de tenten, welke men zou opzetten of reeds afgebroken had. Perrol zelf was buiten zijn paviljoen, eenige schreden van den ingang verwijderd; onder een boom, die hem tegen de stralen der zon beschutte, lag hij op een veldbed, dat hij aan den voet had laten neerzetten. Het stuk laken, dat er overheen gespreid was, zoowel als de hoes van het kussen, waarop hij met den arm rustte, was van rood scharlaken. Hij droeg een engsluitend, wit, hertslederen kleed, waaruit aan de opening voor den hals een strook linnen van het hemd te voorschijn kwam. De kousen liepen van de punt zijn voeten tot boven onder den gordel, waar zij waren vastgemaakt; het wambuis bedekte zijn bovenlijf van de handen af, en eindigde onder dein, gordel, zoodat het scheen, alsof dit lederen pak uit n stuk bestond. Hij droeg langgeneusde en zeer dunne schoenen van rood leer van Cordova, welke tot aan den enkel reikten, en op de wreef waren doorgeslagen, zoodat men de kous zien kon. Het leeren kleed, dat op de borst met kleine knoopjes van gouddraad werd gesloten, was geheel en al gestikt met figuren van gekleurde zijde, en getuigde van Perrol’s neiging tot pracht en de bedrevenheid der borduurders van Parijs. Op elke knie, bij voorbeeld, vertoonde zich het hoofd van een denkbeeldig, wezen, en de pijpen van de hozen of de mouwen van het jak waren met wijnranken en bloemen versierd. Op de borst zag men aan de eene zijde iemand, die in gevecht was met een leeuw, en aan de andere een man, die met een monster worstelde. In n woord, het geheel, ofschoon niet zonder verdiensten, wat het werk betrof, zou heden ten dage, een uitmuntend kleed zijn geweest voor den clown van een paardenspel. De gordel was van rood leer en van voren gesloten met een gouden of vergulden leeuwenkop, welke de gesp bedekte; en tusschen de tanden van het dier was een gouden ketting vastgemaakt, waaraan een lange dolk hing, die, wanneer Perrol opstond, in het midden voor zijn lijf slingerde. Zijn linkerhand was bloot; doch zijn rechter was bedekt met een handschoen van dun zwart leer, die tot halverwege den arm reikte. Zijn gespierde, buigzame en slanke gestalte vertoonde zich zoo op haar voordeeligst; zijn gelaat, dat schoon was, droeg echter de sporen van een woest en buitensporig leven, en de bruine tint, die zijn gelaat en zijn gespierden hals overdekte, getuigde dat hij vele jaren in zuidelijke landen had doorgebracht. De muts van rood laken had hij afgeworpen, en zijn gitzwart haar hing, tegen de toen gebruikelijke dracht, in dichte lokken over zijn hals en op zijn schouders. Zijn mond miste geen tand; zijn neus was flauw gebogen, en in zijn donkergrauwe oogen schitterde een vurige gloed. Hij scheen omstreeks veertig jaar oud te zijn; hoewel zijn levenswijze hem misschien een vroegen ouderdom had berokkend. Wanneer niets hem kwelde, en hij alles aanwendde om te behagen, scheen hij eenige jaren jonger; men kon dan zien, dat hij in zijn jeugd een zeer schoon man moest zijn geweest; de bevallige, edele trek, welke dan zijn gelaat bezielde, maakte hem nog gevaarlijk voor de vrouw of de maagd, die hij wenschte te bekoren, zelfs als zij hem kende. Maar wanneer de toom in hem opwelde, dan sloegen zijn ruiters, zelfs de woeste Walson, zijn luitenant, hem sidderend gade; dan was zijn gelaat afschuwelijk en vreeselijk; dan begreep men, dat alles waarheid was, wat men van hem verhaalde; dan zag men Perrol met de Roode Hand in zijn ware gedaante; dan was elk van zijn woorden een akelige godslastering, elk van zijn daden een gruwelijke misdaad.

Zeer zelden echter liet Perrol zich geheel en al door zijn driften vervoeren; gewoon anderen te regeeren, had hij er zich van jongs af op toegelegd zichzelf te beheerschen. Nu lag hij in een gemakkelijke houding uitgestrekt; zijn hoofd rustte op zijn linkerhand en de rechter drukte hij op de veer, welke zijn hand aan het hecht sloeg, want dit wapen, dat juist in evenwicht hing, had anders gemakkelijk uit de scheede kunnen vallen. Hij richtte zijn gelaat een weinig ter zijde, en riep met een zachte en aangename stem: „Riso, geef mij wijn.” Dadelijk stond een zijner pages op, die achter hem onder den boom op een kleine bank zat, en trad naar zijn meester, nadat hij in de tent een zilveren beker gevuld had. Het was een kind van elf of twaalf jaren, dat in lichtblauw laken gekleed was. en aan zijn gordel een scheede droeg met een mes, dat hem soms bij zijn werk te pas kwam. De page bood hem den beker aan op een schenkbord van hetzelfde metaal. Perrol rekte zich uit; want de warmte maakte hem loom, eindelijk wentelde hij zich om, en vatte den beker aan; doch alsof deze voor zijn hand te zwaar was, trok hij zijn arm terug. Het scheen alsof iets, dat hij in de verte ontwaarde, hem den wijn deed vergeten, dien hij gevraagd had; hij hield de hand boven de half geopende oogen, en vroeg slaperig: „Riso, kunt gij zien, wien Walson daar bij zich heeft?”

De page wierp een blik naar den weg, die naar het buurtje liep, en zag den luitenant met een ruiter tusschen het geboomte waarin het kapelletje verscholen lag.

„Het is Sir Walson met een ruiter, dien ik niet ken,” zei hij, waarna hij ook de hand boven de heklerblauwe oogen hield en vervolgde: „Messire, hij draagt de kleuren van den Bisschop, en zij zijn met hun beiden; want ik zie zijn page achter hem.”

„Het is goed, Riso,” zei Perrol geeuwend, „breng den wijn weg, ik zal nu niet drinken.” De knaap verwijderde zich, en zijn meester, zonder zich verder te bekommeren om het bezoek, dat hem wachtte, zong binnenmonds, met een stem, welke men schoon kon noemen, het refrein van een Provensaalsche ballade, en nam toen zijn vorige, liggende houding weer aan.

Kort daarna kwam Walson het veld op, waar het paviljoen stond. Hij was even groot als Perrol, maar gezetter en niet zoo slank; en zoo zijn gestalte niets schoons, niets edels had, wel scheen hij hem in sterkte te evenaren. Zijn gelaat was somber en onaangenaam, en had niets van dat krijgshaftige, dat anders den krijgsman onderscheidt. Hij stond echter bekend als stout en moedig, waarom Perrol hem meer als zijn vriend, dan als zijn onderhoorige behandelde; mogelijk, dat zijn haar, dat een hoogblonde naar het roode overhellende tint had, zijn uiterlijk zoo vreemd en onaangenaam maakte. Zijn kleeding was van bruin leer, doch zonder borduursel; hij droeg een leeren muts, een breed kort zwaard en een opsteker.

Het was Van Schaffelaar, dien hij met zijn knaap naar het bendehoofd geleidde. Hij trad nu eenige schreden voorwaarts, en daar hij dacht, dat Perrol was ingeslapen, riep hij luid: „Messire Perrol, zie hier iemand, die u verlangt te spreken, het is de heer Van Schaffelaar!”

Perrol keerde zich snel naar hem toe, en zich oprichtend, zoodat hij op zijn veldbed zat, zei hij vroolijk: „Het is mij goed, Walson. Hij is mij welkom. Kom nader, Van Schaffelaar, en neem het een ruiter niet kwalijk, dat hij niet opstaat om u te ontvangen: de warmte maakt mij loom. Wees zoo goed af te stijgen.” Van Schaffelaar reed eenige stappen voorwaarts, groette Perrol met de hand, en zei koel: „Ik denk niet lang te blijven, Messire; het zal dus de moeite niet waard zijn om den zadel te verlaten.”

,„Geef wijn Riso,” riep Perrol, waarna hij glimlachend vervolgde: „Ik heb dezen morgen ten gevalle van u en den jongeling, die onder u dient, en die uw vriend is, is het niet zoo, iemand doorgelaten; gij hebt hem mogelijk reeds gezien niet die jonkvrouw, die niet onaardig zou zijn, indien zij niet mal was. Vindt gij niet, dat zij er uitziet als een non, die tien jaren in het klooster heeft geleefd, zonder eenmaal bij den paap te biechten? Ha, hal” eindigde hij lachend.

„lk heb dien heer reeds gezien,” antwoordde Van Schaffelaar, „ofschoon gij hem, wat ons betreft, wel hadt kunnen doen terugkeeren.”

„Gij drinkt niet?” zei Perrol, toen hij zag, dat Van Schaffelaar weigerde den beker aan te nemen, dien de page hem aanbood. „Kom hier, Riso. Op uw gezondheid, Heer ruiter.” Met deze woorden ledigde hij een der bekers, en vervolgde: „Komt gij mij bezoeken om mij te bedanken voor den groet, dien ik met dien ouden Utrechtsman heb meegegeven? Dat had immers zulk een haast niet.”

„Neen, Messire. Ik kom....,” antwoordde Van Schaffelaar; doch eer hij verder kon spreken, viel Perrol hem in de rede:

„O, zoo! Nu begrijp ik het, de Bisschop is zeker ongerust over mijn gezondheid, en zooals gij ziet, ik houd nog mijn gemak. Ik ben u zeer verplicht voor de moeite, die gij neemt.”

Van Schaffelaar’s gelaat, dat tot nog toe niets verraden had van wat er in hem omging, liet nu blijken, dat hij gemelijk was, dat men hem in de rede viel, waarom hij zijn stem verhief en antwoordde: „Ik kom niet, Messire, om u te groeten voor mijzelf, veel minder om onderzoek te doen naar uw gezondheid: mijnheer David zou u dan zeker zijn eigen geneesheer gezonden hebben; maar ik kom om u de bevelen van zijn Eerwaarde over te brengen.”

„Bevelen....! Gij?” riep Perrol, terwijl hij zijn linkerbeen van het veldbed afzette. Een sombere tint overtoog zijn gelaat; in zijn oogen schitterde een vurige gloed, toen hij die op Van Schaffelaar gevestigd hield, die geheel bedaard doch met een vaste en sterke stem vervolgde:

„Ja, bevelen van den heer, die wij beiden dienen, Messire.”

„Ha, ik kan u wel verstaan, Heer, ofschoon het hier in het open veld niet gemakkelijk te redewisselen is op zulk een afstand,” antwoordde Perrol, en zijn gelaat was weer onbewolkt; „vergeef mij mijn verwondering; maar de genade van heer David is zoo groot. Juist u te zenden... Welnu, ik ben geheel gehoor; wat heeft mijn heer en meester te bevelen?” En hij strekte zich weer op het veldbed uit, terwijl hij achteloos met zijn kaproen naar een vlinder sloeg, diep om hem heen fladderde.

„Zijn Eerwaarde heeft u zijn wil schriftelijk doen kennen,” antwoordde Van Schaffelaar. „Zit af, Henri, en geef dezen brief aan den heer bevelhebber.” En hij gaf den brief over aan zijn knaap, die afgestegen was, zijn paardje bij den teugel leidde, en op Perrol toetrad.

„Riso, neem den brief aan,” riep deze, en vervolgde glimlachend: „Waarlijk, Heer Van Schaffelaar, gij zit daar, bij mijn eer, zoo hoog verheven op uw hengst, dat het voor u moeilijk is iemand een bevel te overhandigen, die zoo laag geplaatst is als ik.” Toen Riso hem het perkament overgegeven had, bezag hij het, van alle zijden, evenals het zegel, dat er aanhing, en vroeg: „Hoe bevindt zich de eerwaarde heer? Ik hoop, wel! Wees zoo goed hem te zeggen, dat ik zijn bevelen met aandacht in overweging zal nemen.” Met deze woorden wierp hij den brief naast zich neer.

De spottende toon, waarop hij dit zeide, en de minachting, waarmee hij de order neerlegde, maakten dat Van Schaffelaar zijn verontwaardiging nauwelijks bedwingen kon; maar hij had zich vast voorgenomen zijn bedaardheid niet te verliezen, en zei met nadruk: „Ik moet u uitnoodigen, Messire, om dadelijk kennis te nemen van het geschrift; mijnheer David heeft mij gelast uw antwoord mee te brengen; ik kan dus zonder dat niet terugkeeren.”

„Is het u dan bekend, wat de bisschop verlangd?” vroeg Perrol geeuwende en zich uitrekkende.

„Neen!” antwoordde Van Schaffelaar kortaf.

„Dat spijt mij,” zei Perrol grimlachende, „maar ik heb nu niemand bij de hand, die lezen kan, en gij zult genoodzaakt zijn om zonder antwoord de terugreis aan te nemen.”

„Ik kan lezen, Messire,” hernam Van Schaffelaar, „geef mij den brief, en ik zal u zeggen wat hij behelst.”

„Ik kan niet,” zei Perrol glimlachend, „ik ben niet gewoon de orders, welke ik ontvang, door elkeen te laten hooren.”

„Verwijder u, Henri,” zei Van Schaffelaar. „Zend uw page weg, Messire, en ik zal den brief voorlezen, indien gij het wilt.”

„Maar ik wil het niet,” antwoordde Perrol op ernstigen toon, „de order is alleen voor mij; indien zijn Eerwaarde u met zijn vertrouwen vereerde, had hij de moeite niet behoeven te nemen om ze te laten schrijven, en hij zou mij met recht ten kwade kunnen duiden, indien ik u er inzage van liet nemen. Riso, geef wijn,” riep hij vroolijk.

„En als ik u gelast, in naam van mijn genadigen heer van Utrecht, uw heer en meester, om dadelijk de bevelen te lezen en uit te voeren?” vroeg Van Schaffelaar met waardigheid.

„Dan antwoord ik, en zweer u, op mijn eer, en bij alle heiligen, zoo u dat genoegen verschaft, dat ik nu geen gelegenheid heb om de bevelen te lezen,” antwoordde Perrol glimlachend en vervolgde, voordat hij dronk: „Op uw gezondheid ledig ik dezen beker, gevuld niet den heerlijken wijn van het eiland Cyprus en ook op de gezondheid en getrouwheid van het meisje, dat gij bemint, Heer krijgsmakker. Ja, laten wij van dien geestelijken heer en zijn orders zwijgen; ik houd van die papen niet,” riep hij vroolijk „Waarom zouden twee mannen, als wij, er ons hoofd over breken? Laten wij over onze eigen zaken spreken. Het is een vroolijke knaap, die wapensmid; hij maakt voor den duivel, alles zoo goed als ik het ergens gevonden heb, en dat is de reden, dat ik onderscheiden stukken voor mij en mijn volk bij hem heb laten maken, vooral omdat hij de vader van uw liefste is. Zij ziet er goed uit, op mijn eer, want ik heb haar gezien op den dag, toen gij ook juist in Amersfoort waart, en waarlijk, indien gij mij niet vr geweest waart, ik geloof waarachtig dat ik op haar verliefd zou zijn geworden Maar vreest gij niet, dat zij u zal vergeten, Heer ruiter, nu gij zoo van haar verwijderd zijt? Vooral als er eens een knapper en jonger aanbidder in de nabuurschap was; want wij zijn niet jong meer, Heer Van Schaffelaar! Hij houdt nog van gekscheren, die meester uit de Vergulde Helm. Verbeelt u, dat hij mij wijs wilde maken, dat gij zijn dochter zoudt huwen; een aardige schoonvader voor iemand van onzen rang, ha, ha. Ik wacht hem zelfs dezen dag nog om mij wat te brengen, dat ik bij hem besteld heb. Hebt gij iets te zeggen aan uw Maria? Zoo heet ze immers?”

„Niets, Messire,” antwoordde Van Schaffelaar koel; maar zijn gelaat was bleek van verontwaardiging.

„Wat zijt gij in het Noorden koud en ongevoelig! Het is alsof het bloed in uw aderen verstijfd is; gij hebt uw uitverkoren schoone in weken niet gezien, en weet niet, wat gij haar wilt doen weten! Het verwondert mij niet, dat de vrouwen hier den vreemden mannen genegen zijn,” zeide Perrol lachend, en zag eerst Van Schaffelaar, en daarna Walson aan, die in zijn nabijheid, met zijn handen op den rug, bedaard stond te kijken. Ofschoon op een eerbiedigen afstand stonden eenige rijzige ruiters, die nieuwsgierig waren, wat de ruiter, die van Wijk gekomen was, te zeggen had, en hoe Perrol hem zou ontvangen; hun aantal, dat in den beginne zeer gering was geweest, groeide van tijd tot tijd aan. „Aangeboden diensten zijn niet aangenaam,” zei Van Schaffelaar ijskoud, „vooral als men den man niet genoeg kent, die zijn dienst aanbiedt, en men niet weet, of het spotternij of ernst is. Maar ge hebt gelijk Messire, wij zijn koud en onverschillig in deze landen; heb ik er u geen bewijs van gegeven, door u aan te hooren, zonder u in de rede te vallen?” eindigde hij schamper lachend; en de gesloten vuist, die op zijn dijstuk rustte, deed de ijzeren plaat geluid geven: want de verontwaardiging deed hem beven.

„Het is waar, ik heb uw geduld bewonderd,” hernam Perrol met gemaakte bedaardheid. „Riso, wijn! Het spreken maakt den tong droog. Op uw gezondheid en uw geduld, Heer Van Schaffelaar, maar sta mij toe te zeggen, dat het on beleefd zou zijn mij in de rede te vallen,” zei hij op spottenden toon.

„Op een anderen tijd zou ik u geen gelegenheid verschaft hebben, om over mijn lankmoedigheid verwonderd of verheugd te zijn, maar u, bij God, het zwijgen opgelegd hebben,” riep Van Schaffelaar met drift.

„En hoe zou dit geschiedt zijn?” zei Perrol, die zich oprichtte, en den beker, dien hij nog in de hand hield, op het gras nederwierp. „Gij hadt hier, zoo het mij voorkomt, ruimte genoeg om die oplegging te doen, en ik had juist lust om mij er mee te vermaken. Bezin u eens wel, Heer Van Schaffelaar, zou het nu geen tijd zijn om uw ongeduld bot te vieren?” vroeg hij spottend, en hij hield zijn oogen tergend op zijn tegenstander gevestigd.

Een oogenblik stond Van Schaffelaar in beraad wat te doen; onwillekeurig greep hij naar zijn handschoen, om die Perrol voor de voeten te werpen, en hem op een kamp op leven en dood uit te dagen; doch wat hij aan Maria, en daarna, nog maar voor enkele uren, plechtig aan den Bisschop beloofd had, hield h terug, en hij zei langzaam en droevig: „Zijn Eerwaarde heeft mij verboden twist te zoeken of dezen dag het zwaard te voeren, anders dan tot lijfsweer.”

„En zult gij dit gebod naar de letter opvolgen?” vroeg Perrol snel.

„Ik hoop ja, zoo God mij niet verlaat,” antwoordde Van Schaffelaar bedaard.

„Het is goed voor u, dat ik heden te vadsig ben, om anders dan met den beker en met het woord te strijden; was dit niet zoo, dan zou ik eens zien, of ik u het gebod ook kon doen overtreden,” zei Perrol meesmuilend.

„Het zou tevergeefs zijn,” antwoordde Van Schaffelaar bedaard.

„En indien ik u beleedigde en beschimpte, indien ik u mijn handschoen toewierp, of u voor een lafaard schold, wat zoudt gij dan doen, gehoorzame ruiter?” zei Perrol lachend.

„Nog eens, zeg ik u,” hernam Van Schaffelaar, even bedaard, „dat ik God zou bidden mij de kracht te geven, om aan hetgeen ik beloofd had, te voldoen.”

„En indien mijn hand u een klap op de wang gaf, die, ofschoon gedeeltelijk achter uw helm verscholen, thans van vrees of kwaadheid bleek is?” vervolgde Perrol met drift, en het deed hem genoegen zich met den braven krijgsman te kunnen vermaken, die alleen zijn bedaardheid niet verloor, omdat hij den tergenden vijand verachtte.

„Niemand heeft mij ooit zelfs niet met den vinger aangeraakt, Messire!” antwoordde Van Schaffelaar, „en ik raad u, u geheel te wapenen, voordat gij het beproefd; want God zij mij genadig; indien gij mij aanraakt, zoo zal ik u den tijd niet geven om uw harnas aan te doen.”

„Is dit zoo de gewoonte hier in het land?” zei Perrol; „het is voorwaar gemakkelijk; in Frankrijk, en overal waar ik geweest ben, geeft men iemand den tijd om zich te wapenen.”

„Er is een zeker soort menschen, die men doodslaat, waar men hen aantreft, evenals een dollen hond, zonder te waarschuwen of te bedenken; ik onderstel, dat het overal wel zoo zijn zal,” hernam Van Schaffelaar; „maar ook hier is een ongewapend man meestal heilig, Messire. Gij zijt er immers van overtuigd; want ik heb mijn ros slechts aan te sporen en het vertrapt u met zijn hoeven.” „Riso, vul den beker,” riep Perrol. „Drinkt gij niet, Walson? Ik wil dezen beker ledigen op de gezondheid van den vromen ridder, die een open brief van lafaard schijnt te hebben. Voor den duivel! Nooit hoorde ik iets dergelijks; hoe zal men voortaan een dapper man van een bloodaard kunnen onderscheiden, indien zulke orders worden aangenomen, en zulke brieven geldig zijn? Op uw gezondheid, Heer Van Schaffelaar. Maar waarvoor dient dat harnas, en al die wapenen? Zijn Eerwaarde heeft u immers toegestaan u als een lafaard te gedragen; waartoe dus die onnoodige vermomming? Ha, ha! Of was het slechts om meer klem aan uw verzoek te geven en om ons bang te maken?” En Perrol hief den beker hoog op, waarna hij dronk.

.,Mensch!” riep Van Schaffelaar en sloeg de hand aan zijn zwaard, „sta op en wapen u, want dat gaat te ver; dit gras moet uw of mijn bloed drinken, indien gij niet zelf de verachtelijkste spotter en lafaard zijt, die er leeft. Kom voorwaarts, en laat uw hengst herwaarts brengen, of ik zal afstappen en u bewijzen, dat een edelman hier in het land den dolksteek geven of ontvangen kan, zonder zijn oogen te verblikken.”

„Ha,” riep Perrol, „ik wensch u gelijk, mijn Edelman! Dat is mannelijke taal; maar wij beven nog niet, en wij zijn karig met ons bloed; wij zijn niet jong genoeg meer, om er roekeloos me te zijn. Walson,” vervolgde hij lachende, „onze dronk is ongepast geweest, hij is een dapper man.

„De dronk smaakte te goed om niet van pas te zijn gebracht,” zei deze lachend, en zette zijn beker op het schenkbord, dat Riso hem voorhield. „Zoo het mij voorkomt, Messire, is het maar een loos alarm, en die dappere heer zou zoo niet spreken, indien hij niet een weinig vertrouwde op uw onverschilligheid of luiheid, als ik het zoo noemen mag, maar voor iemand uit dit land houdt hij zich goed.” Hierbij zag hij om zich heen, en de ruiters der Zwarte Bende, die zachtjes aan meer genaderd waren, gaven door een zacht gemompel te kennen, dat zij zich bijzonder vermaakten met hetgeen er voorviel. Vidal stond onbeweeglijk voor den ingang van het paviljoen; indien men in zijn hart had kunnen lezen, zou men bemerkt hebben, dat hij met belangstelling hoorde en zag wat er gebeurde. Hij was de eenige, die zich niet verheugde over de beleediging die Van Schaffelaar werd aangedaan.

Wat den knaap van dezen laaste betreft, hij was bij zijn paard blijven staan, nadat hij den brief aan Riso had overgegeven, en bevond zich een beetje zijlings achter zijn heer. Hij gaf noch door teekenen noch door woorden te kennen, wat er in hem omging, maar bewaarde een gepast en deftig stilzwijgen; hoe meer echter de ruiters naderden, hoe meer hij een zekere ongerustheid liet blijken, die zijn meester niet gewaar werd. Toen ook Walson zich in het gesprek mengde, besteeg hij zijn paardje, dat springend en steigerend met moeite aan den teugel gehoorzaamde, geheel anders dan Moor, die, even bedaard als zijn berijder, onbeweeglijk bleef staan, doch nu en dan den kop trotsch oprichtte en door zijn neusgaten snoof. „En wat bekreun ik mij om u!” riep Van Schaffelaar met vuur, en zijn oog op Walson vestigende: „spreek met mijn knaap, indien hij u te woord wil staan, maar zwijg, als ik met uw meester spreek. Nog eens Perrol, sta op, en val mij aan als een man, die wapens draagt, of ik werp dat woord van lafaard op u terug.” Toen hij zag, dat Perrol zich niet bewoog, vervolgde hij: „Gij zijt zelf een lafaard, aanvoerder van de Zwarte Bende.”

„Ha!” zei Perrol en zijn blik werd duister; zijn hand omvatte de greep van zijn dolk; doch hij wierp snel het wapen van zich af, en zich op zijn veldbed weer geheel uitstrekkende, vervolgde hij vroolijk: „Gij zegt veel, Heer Van Schaffelaar, en verstaat geen jokkernij; maar het is goed, dat ik bekend ben met de order, welke gij gekregen en gewillig op u genomen hebt. Ik houd veel van gekscheren; gij houdt u goed, en ik heb te veel eerbied voor den wil van den Eerwaarden vader, mijn meester, om u tegen uw eigen wil en den zijnen in gevaar te stellen uw harnas te bederven.”

„Gij verwijst mij naar uw knaap, ofschoon ik beter edelman ben dan gij,” riep Walson kwaadaardig lachend; „maar zie, daar gaat hij heen, voordat ik hem aanspreek.”

„Hij is verstandiger dan zijn heer,” lachte Perrol, „misschien heeft hij ook bevel gekregen om niemand leed te doen.”

Van Schaffelaar zag om, en inderdaad zijn knaap had hem verlaten; hij zag hem met lossen teugel de vlucht nemen, en hoorde, dat de ruiters hem allerlei smaadwoorden naschreeuwden. Hoewel hij te veel menschenkennis bezat, om veel op den knaap te rekenen, of zich te laten misleiden door de snoevende bewoordingen die hij gewoon was te bezigen, zoo voelde hij zich toch diep teleurgesteld, toen Henri hem verliet.

Een blik rondom zich werpend, en die bruine en gebaarde tronin om zich heen zien, die meestal het woeste gelaat van roovers en stroopers meer nabij kwamen, dan dat van gewone krijgslieden, kon hij zich de vlucht van den armen knaap zeer goed begrijpen, en hij vergaf het hem.

Maar nu voelde hij zich ook alleen; en toch vertoonde zich een droevige glimlach op zijn gelaat, wanneer hij bedacht, dat hij toch weinig bijstand had kunnen verwachten van den kleinen mismaakten knaap, en hij dacht aan Frank en zijn Schaffelaars, aan Maria, zijn bruid, die nu misschien met haar moeder over hem zat te praten, of zich met haar vogels of met den kleinen Snip vermaakte. „Uw dwerg heeft het hazenpad gekozen, Heer overbrenger van bevelen. Wilt gij hem niet volgen? Gij ziet hem, naar het mij voorkomt, met belustheid na,” zei Perrol geeuwend. „Laat het om mijnentwille niet. Ik ken immers uw orders, voor u bestaat er geen vluchten.”

Nu wenkte hij Van Schaffelaar met de hand toe, en wees hem naar het buurtje en naar Henri, die het geboomte reeds bereikt had.

„Ik zie naar het banier van mijnheer David, en ik zie haar niet,” antwoordde Van Schaffelaar langzaam. „Het woord lafaard schijnt u wel te bevallen, Messire. Maar zeg mij eens, een overlooper is dat ook geen lafaard? Is een verrader niet een dubbele en meineedige lafaard, staat die laatste naam u aan? Welnu, dien geef ik u; hij komt u van rechtswege toe. Nog eens, waar is de banier?”

„De banier? Heer Van Schaffelaar,” antwoordde Perrol glimlachend, „ziet gij haar daar niet voor mijn paviljoen, is zij niet goed geplaatst! – Ik kan haar hier niet goed zien, Walson, hoe is het er mee?”

„Zij wappert goed, Messire,” hernam deze, „indien de heer ruiter maar zien wil. zal hij bemerken, dat zij naar de zijde van Wijk waait, misschien om den Bisschop te begroeten.”

„Maar dat is de banier niet van mijn en uw meester,” zei Van Schaffelaar.

„Het is waar,” hernam Perrol, „het is de mijne, staat zij u niet aan? Hebt gij er iets op aan te merken? Er zijn geen schoone kleuren in, maar al wat krijgshaftig is, moet deftig zijn; en dan is mijn banier altijd dezelfde, hetzij bij nacht of bij dag, altijd zwart. Ziet gij het ontbloote zwaard niet, altijd gereed om te treffen? Kunt gij de spreuk lezen, en begrijp gij die?” zei hij lachend, en zag Van Schaffelaar scherp aan.

„De beteekenis is duidelijk, dunkt mij,” zei Walson, „maar ik kan u de spreuk vertolken, het kan tot waarschuwing dienen,” en hij wenkte den page om hem een beker in te schenken.

„Verplicht. Heer Walson het zou te veel gevergd zijn,” antwoordde Van Schaffelaar grimlachend waarna hij zich in den zadel verzette en luid, doch schamper vervolgde. „Op het zwarte ziet men niet gemakkelijk een vlek, gij hebt wl gedaan de zwarte kleur tot uw banier te nemen; de spreuk is goed ten minste zoo goed als een andere en de beteekenis van het rechtstandige bloote, puntige zwaard niet onduidelijk; maar gij zult mij moeten toestemmen Messire Perrol, dat het nog toepasselijker en beter zou zijn, als het zwaard door een hand werd vastgehouden, bij voorbeeld door een roode hand!” Hij richtte bij deze woorden zijn krijgshaftig oog op het gelaat van Perrol, ten einde niets te verliezen van den indruk, welken hij vermoedde, dat deze laatste woorden op hem zouden maken.

Per moio! verdoemenis over u!” schreeuwde Perrol, en sprong wild op en van het veldbed af. Zijn van woede bevende hand vatte de greep van zijn wapen, deed het in de scheede trillen; hij schudde met het hoofd om zijn haarlokken achterwaarts te werpen, die voor zijn gelaat hingen; zijn knevel en baard stonden op; zijn bleeke lippen openden zich krampachtig, en lieten zijn tanden bloot, die zich op elkander klemden: zijn geheele gelaat had een doodelijke kleur aangenomen, maar zijn oogen schoten vuurvlammen; hij was verschrikkelijk leelijk. Hij boog zich voorover en bukte, en iedereen dacht, dat hij in zijn moordlust op Van Schaffelaar zou aanspringen.

Deze vergenoegde zich echter met de hand aan zijn zwaard te slaan; en wachtte rustig af wat er zou gebeuren; hij was niet wraakzuchtig, en toch deed het hem genoegen iets te hebben gevonden, dat Perrol trof en leed deed.

Dit alles duurde echter slechts een enkel oogenblik; Perrol stiet zijn dolk weer geheel terug, en richtte zich op; hij streek de haren van zijn voorhoofd weg, en zijn gelaat veranderde als door een tooverslag. Zijn fonkelend oog was nog altijd dreigend; doch de trekken van zijn wezen waren niet meer akelig om te aanschouwen, maar edel en fier; zijn mond behield slechts een schamperen trek. Hij legde zijn linkerhand op zijn heup, zette den rechtervoet voorwaarts, vertoonde zich in al zijn lengte; het was nu een edel ridder, fier en dreigend, maar niet meer de op zijn prooi loerende booswicht.

„Vidal!” riep Perrol met een krachtige stem.

Deze naderde terstond. „Mijn wapens,” vervolgde hij, „en laat mijn Hector zadelen.” De schildknaap boog en verwijderde zich.

„En nu, Heer Van Schaffelaar,” zei hij met drift, en strekte zijn hand met den zwarten handschoen naar dezen uit, „nu zult gij kunnen zeggen, dat gij Perrol gezien hebt, voor den duivel! Maar wie zal het hooren? Of denkt gij, dat uw ellendige romp nog leven zal, als hij van dit veld wordt afgeworpen? Ik alleen zal hooren, wat gij prevelt als mijn lemmer u terneerstoot. Het zal mogelijk een schietgebed zijn, niet waar? Bid maar, Per moio! want uw laatste uur genaakt gij, lafaards, hebt zelden den moed om het zwaard te trekken, alvorens eenige schietgebeden gedaan te hebben. Bid! Gij zijt immers vazal van een bisschop of wilt gij biechten bij den paap, die bij mijn bende is, en mij tevens als beul dient? Ha, ha! Met behulp van God en den geheelen stoet van heiligen, zult gij mogelijk nog den moed hebben mij af te wachten, zonder den dwerg volgen, die u voorgegaan is. Voor den Satan, gij zult zien, dat mijn spreuk goed en waar is,” en hij zag met ongeduld naar de zijde van zijn paviljoen,

„Laster niet, maar maak spoed,” zei Van Schaffelaar bedaard, „dezen ochtend Perrol, heb ik voor mij gebeden, nu zal ik bidden voor u.”

„Vervloekte papenvriend,” riep Perrol, „indien gij voor mij wilt bidden, zoo smeek mijnheer satan, dat hij u den hals omdraait; de aanvoerder der Zwarte Bende haudt niet van monniken en dat soort volk. Vidal, haast u!”

„Hier ben ik,” zei deze en kwam naar hem toe, den helm in de hand, terwijl eenige pages de andere wapenstukken aandroegen.

Van Schaffelaar, die de hand aan zijn helm sloeg om te onderzoeken of het vizier gemakkelijk gesloten kon worden, zag dan nu eindelijk het zoolang gevreesde oogenblik gekomen, dat hij zich met Perrol zou meten; hij dacht aan zijn bruid, aan het geluk dat hem in haar armen wachtte, en zijn gelaat werd somber; zijn hart werd droevig aangedaan.

„Gij schijnt niet opgeruimd,” zei Perrol glimlachend, terwijl Vidal hem de scheen- en dijstukken vastgespte. Maar Van Schaffelaar antwoordde niet. „Denkt gij misschien aan Maria?” vroeg Perrol, „ik heb den naam onthouden; een ander zal haar beminnen, en gij zult haar niet bezitten.” Van Schaffelaar huiverde. „Maar wat na uw dood geschiedt, zal u niet deren,” eindigde Perrol lachend.

„Zijt gij gereed?” riep Van Schaffelaar.

„Terstond; – een oogenblik geduld, laten wij nog een weinig tezamen praten, het voor het laatst. Vidal, het rechterkniestuk drukt mij, en doet mij zeer, dat kan zoo niet,” zei hij langzaam. Hij was zijn drift geheel meester geworden, nog gevoelde hij wel lust, om Van Schaffelaar te bestrijden; maar evenals een kat met een muis, zoo wilde hij zich te voren nog vermaken met den man, dien hij wilde vernietigen. Hij voelde wat Van Schaffelaar het meest griefde, en hij vervolgde: „Ja denk aan haar, niets is natuurlijker, wanneer men verliefd is; Maria is schoon en beminnelijk, op mijn woord van eer. Zij is een lieve maagd. Hebt gij iets, dat gij haar gaarne deedt toekomen? Daar staat Sir Walson, die u dezen dienst niet zal weigeren. Op mij zoudt gij misschien minnenijdig zijn; maar hij is niet zeer gezien bij de vrouwen; en toch als gij hier sterft, wat kan het u dan schelen, al zag Maria mij ook met goede oogen aan? Ik wil zelf uw jongsten groet aan haar overbrengen.”

Van Schaffelaar zweeg; maar een enkele kreet verried toch, dat Perrol’s woorden hem tot in het hart doordrongen. Zonder het te weten, raakte hij Moor met een zijner sporen; het dier steigerde en stampte op den grond met zijn hoeven. Op dit oogenblik ontstond er eenig gerucht onder de Zwarte Ruiters. Perrol en Walson zagen verwonderd naar de zijde van Dwarsdijk, doch Van Schaffelaar bemerkte niet, dat er iets bijzonders plaats had; het beslissend oogenblik, dat naderde, hield zijn gedachten bezig. Mogelijk bad hij voor de ziel van zijn vijand, zooals hij beloofd had; doch Plotseling bemerkte hij dat iemand zich op eenigen afstand naast hem plaatste; het was zijn knaap. Het paardje was sterk bezweet, en ook het gelaat van Henri verried, dat hij een groot eind had afgelegd; hij veegde zich het zweet van het voorhoofd en schikte zijn manteltje in orde. Van Schaffelaar knikte hem vriendelijk toe, doch zei niets; de terugkomst van den knaap deed hem genoegen, en toch wenschte hij, dat de arme jongen zich op een andere plaats bevonden had.

„Hebben de ruiters u niet willen doorlaten en hebben zij u eens wakker afgerost, klein gedrocht?” riep Walson tegen Henri, terwijl de strijdhengst van Perrol bij het bit werd voortgeleid.

„Indien gij iets weten wilt, akelige roodkop,” schreeuwde Henri driftig, „zoo vraag het aan uw knaap, indien gij nog iemand hebt kunnen vinden, die zulk een verloopen Engelschman, als gij, dienen wil; gij zijt mijn heer niet!”

„Wees voorzichtig, Walson,” zei Perrol lachend, „dat mannetje is klein, maat lichtgeraakt, zoo aanstonds werpt hij u zijn handschoen toe.”

„O!” riep Walson vroolijk, „ik zal wel wachten hem te beleedigen, wie zou met zulk een afschuwelijken dwerg willen vechten?”

„En wie zou met u te doen willen hebben?” schreeuwde Henri, die zich in den zadel oprichtte, „de beul en anders niemand, dronken Engelschman!”

„Welnu,” zei Walson binnensmonds, terwijl hij een wraakgierigen blik op den knaap wierp, en een paar stappen voorwaarts deed; doch Perrol riep snel „Ho! Met uw verlof, Sir. Die arme knaap is immers beneden u, en wie zal gaan rondzeggen, hoe het met zijn meester afgeloopen is, als gij hem neerhouwt.”

„Ik had geen voornemen hem met het zwaard in aanraking te brengen,” hernam Walson gemelijk, terwijl hij terugtrad, „ik wilde het monster slechts met mij handen worgen, of hem nog gedrochtelijker maken.”

Bij deze woorden lachte hij en bezag zijn groote, breede handen.

„Gij zijt zelf een gedrochtelijke reus!” riep Henri kwaadaardig, „ik wil op schouders klimmen, opdat de dwerg u met zijn dolk de hersenpan stuk stoot, want de Heer zal mij bijstaan, en ik zal op uw romp treden en u den kop afslaan, evenals mijnheer David den leelijken reus deed.”

Van Schaffelaar gaf zijn knaap door een teeken te kennen, dat hij zwijgen moest, en Perrol zei: „Gij doet wel om hem het spreken te verbieden; hij is k een snoever.”

„Zooals er velen zijn,” antwoordde deze, „maar hij is toch langs het hazenpad teruggekeerd.”

„Het is waar,” hernam Perrol, waarna hij uitriep: „Riso, nog een beker wijn, ik heb dorst. Wilt gij iets drinken, Heer Van Schaffelaar, voordat wij beginnen?”

„Alles behoorde reeds gedaan te zijn, Messire,” zei deze koel; „ik voor mij ben niet gewoon te drinken, voordat het gevecht begint; wij zoeken in dit land nimmer den moed in den beker of in de overmacht. Zijt gij gereed?”

Henri, die Van Schaffelaar onopgemerkt genaderd was, riep nu zoo zacht dat deze alleen het hooren kon: „Wees in Gods naam bedaard, Heer, en terg hem niet: maar zoek tijd te winnen.”

„Zoo denk ik er ook over, en bij de ziel van den satan en op mijn eer, zweer ik u, dat ik niet gewoon ben te drinken, voordat ik het zwaard trek.” En Perrol ledigde zijn beker, en gaf hem aan Riso terug. Hij lachte, stiet Vidal, die hem het borstharnas wilde aandoen, van zich af, en wierp zich weer half geewend op zijn veldbed neer.

„Bij alle heiligen in het paradijs! Daar zouden wij vergeten, dat u het vechten verboden is,” riep hij luid; „zijn Eerwaarde zou mij als ontrouw en meineedig beschouwen en vervloeken, als ik het verlof niet eerbiedigde, dat hij u heeft verleend.”

„Gij trekt u dan terug?” riep Van Schaffelaar, wierp een blik vol verachting op hem, en sloeg met zijn vuist op zijn dijstukken. „Op een lafhartige wijze weigert gij den tweestrijd, na al wat gij gezegd hebt?”

„Voor heden moet ik weigeren,” antwoordde Perrol, op een vroolijken toon. „Mijnheer de Bisschop zal mijn gehoorzaamheid op prijs weten te stellen; gij hebt order en verlof om u laf te gedragen; dat verlof zal voor ons beiden geldig zijn.”

„Op een anderen keer,” riep Van Schaffelaar, „zal ik misschien andere bevelen hebben uit te voeren, Messire! Ik vertrek en vraag u nogmaals, welk antwoord ik den Bisschop brengen zal?”

„Welk antwoord?” zei Perrol, zich uitstrekkend, „maar gaat gij ons nu reeds verlaten? Stijg af, en laat ons tezamen overleggen, wat wij aan zijn Eerwaarde zullen zeggen.”

„Breng uw antwoord zelf naar Wijk, want ik vertrek,” antwoordde Van Schaffelaar, en hij haalde den teugel aan.

„Nog niet, Heer Edelman!” riep Perrol, „ik laat u nog niet gaan; een oogenblik geduld.” Toen hij zag, dat Van Schaffelaar zijn paard deed omkeeren en zich niet aan hem stoorde, vervolgde hij: „Ik wil niet, dat gij nu reeds vertrekt!” en hij riep met een sterke stem: „Laat niets door, ruiters! Sluit u; de eerste, die terugtreedt, Is des doods!”

„En dacht gij dan te kunnen heengaan zonder mijn toestemming?” vroeg Perrol, schamper lachend. „Zie om u heen, Heer afgezant; gij zijt wel bewaard.” Van Schaffelaar had zijn paard laten stilstaan, toen Perrol aan zijn volk gelastte om hem niet door te laten. Hij wierp een vluchtigen blik op de Zwarte Ruiters, op Walson en op het bendehoofd en zei koel: „Ik heb uw toestemming niet noodig, laat uw ruiters uiteengaan, of ik zal mij den doortocht weten te verschaffen.”

„Gij zijt hier in mijn legerplaats,” antwoordde Perrol trotsch. „Ik alleen heb hier te bevelen, indien gij vertrekken wilt, kunt gij het verzoeken.”

„Ik wil niets verzoeken van een vreemden huurling, die in soldij van mijn meester staat; in zijn naam beveel ik u, aan die mannen te gelasten mij door te laten,” riep Van Schaffelaar met waardigheid.

„En wat spreekt gij van vreemden huurling,” antwoordde Perrol geraakt, „uw meester, die zelf een vreemdeling en een bastaard is, moet mijn diensten koopen; maar gij zijt vazal van een vreemdeling en de Utrechtsche edelman is goed genoeg om aan een huurling orders te brengen, en zijn antwoord bescheiden af te wachten; goed genoeg, zeg ik, maar ook niet te goed, voor den duivel!” Toen hij Walson aanzag en lachend het oog langs den kring van zijn ruiters liet gaan, ondersteunden zij zijn woorden door een ruw gelach, dat weldra nog luider werd; want een hunner was Henri van achteren genaderd met het voornemen, om hem bij zijn mantel te vatten en van het paard te trekken. De knaap, die steeds het oog hield op Walson, zag hem niet; maar het paardje dat nu en dan den kop omkeerde sloeg juist achteruit, toen de ruiter zijn hand uitstrekte. Indien niet gelukkig de ijzers tegen zijn borstharnas waren gekomen, zou hij er mogelijk het leven bij ingeschoten hebben, maar hij gevoelde toch geen lust om ten tweede poging te doen, want toen Henri, die door het slaan van zijn paard bijna uit het zadel was geworpen het weer tot bedaren had gebracht, zag hij, dat de spotboef uit de bende, die had gedacht hem te pakken, op handen en voeten achteruit kroop, om buiten het bereik van het paardje te komen, daarna met moeite opstond en zich bij zijn gezellen voegde. „Indien er adelijk bloed door uw aderen vloeide,” zei Van Schaffelaar, „dan zoudt gij anders handelen, want uw gedrag is een edelman en ridder onwaardig.”

„En ziet gij mij dan aan voor een dorper?” vroeg de ander vroolijk; „ik ben Perrol, aanvoerder der Zwarte Bende, ziedaar mijn titel, ziedaar mijn blazoen,”- hij wees op de banier, – „of denkt gij, dat het mij moeite zou hebben gekost een naam en een wapen te verkrijgen, indien ik het gewild had? Ha! Draag ik geen gouden sporen? Hebben niet de grootste heeren zich gaarne mijn vrienden genoemd? Heeft mijnheer David zelf mij niet meer eer aangedaan dan aan u en zijn edelen? En het schoone geslacht vooral; hebben niet de voornaamste vrouwen mij met hun liefde vereerd, en mij er de zoetste bewijzen van gegeven? Maar waarin bestaat dan toch uw adeldom, Edelman? Welke groote dienst heeft uw vader gedaan om van knecht te worden verheven? Waar liggen uw landgoederen? Vertel iets van uw kasteel,” zei hij lachend, „verhaal ons hoeveel grachten, hoeveel torens dat slot beschermen; zeg mij de hoogte en dikte der muren, en hoeveel mannen van wapenen de bezetting uitmaken.”

„Gij liegt,” riep Van Schaffelaar, „niemand heeft mijn vader anders dan edelman gekend, en de eerste der Van Schaffelaars, die ruim drie eeuwen geleden zich op het slagveld den rang van edelman waardig maakte, diens vrome naam en bezittingen zijn mijn eigendom; ik ben zijn eenige afstammeling. Maar nimmer hebben de Van Schaffelaars zich toegelegd om groote goederen bemachtigen of af te bedelen; zij hadden geen onneembare roofnesten noodig om den buit te verzekeren; de macht van hun leenheer beveiligde hen, en het huis van mijn voorouders was altijd sterk genoeg om stroopende benden te weerstaan.”

„Ik heb grooten lust om dat verblijf van uw geslacht eens te zien; indien ik ooit in de nabuurschap kom, zal ik er aan denken,” zei Perrol met nadruk „Maar daar staat ook een edelman, laatste, ik wil zeggen eenige afstammeling der vrome Van Schaffelaars!” en hij lachte boosaardig. „Sir Walson is ook van adel, hij zou u ook nog kunnen verhalen, hoe oud, hoe machtig zijn geslacht is, en geweest is, en u misschien eenige steenbrokken toonen, waar de voorvaderlijke burcht gestaan heeft, indien gij den edelen Brit naar zijn vaderland wildet vergezellen; en, – die edelman is mijn luitenant.”

„Wie een onrechte zaak voorstaat, verbeurt zijn adeldom,” zei Van Schaffelaar fier; „een waardig edelman kan onmogelijk de Zwarte Bende dienen. Nog eens, ik wil vertrekken, en St. Maarten! voor uw rekening komt hetgeen er gebe zal, Messire!”

„Zoo driftig niet, Heer,” antwoordde Perrol. „ik wil u eerst nog wat verhalen, dat niet ondienstig zal zijn om aan te hooren. – Riso! schenk in, een vollen beker. – Ik was nog jong, het is jaren geleden; Walson was nog niet bij mij ik geloof, dat hij nog in zijn vaderland diende, dat hij zoo verstandig geweest is, om te verlaten, een land vol mist en nevel; en Frankrijk is zoo schoon! En zie Heer Van Schaffelaar, ik werd verliefd op de dochter van een edelman, en had niets dan mijn zwaard, mijn jeugd en mijn ruiters, want reeds toen was ik het hoofd der Zwarte Bende. O, dat die tijden konden terugkeeren! Toen was ik jong en sterk, de aarde was voor mijn een hemel; ik was in Provence en de vrouwen – Riso! schenk in! Ik drink op de gezondheid van de Provenaalsche meisjes, dat zij leven! – Heb geduld, Heer Edelman! Ik heb zeer spoedig gedaan; ik vervolg. Ik begaf mij naar dien edelman en vroeg om de hand van zijn dochter. Hij vroeg wie ik was; ik noemde mij, en hij meesmuilde zoo waar als gij geheel in mijn macht zijt!” riep Perrol met drift, „hij zag mij lachend aan, hij bracht mij aan het geopende glasraam, toonde mij de omliggende landstreek, en zei: „Zoo ver uw oog strekt, knaap,” (let wel, hij noemde mij knaap, maar hij was reeds een grijskop) „zoo ver uw oog kan zien, behoort het land aan mij. Ziet gij hier onder u dit sterke kasteel met zijn torens en muren, met zijn ophaalbruggen en valdeuren, met zijn grachten en sluippoorten? Welnu, nacht en dag worden de muren bewaakt door mijn mannen van wapenen, er zijn er tweehonderd hier en ik heb nog vier burchten, even sterk als deze, welke ik evengoed kan bezetten, en als ik mijn heervaart uitschrijf, dan vereenig ik veertien edellieden onder mijn banier en hun vazallen volgen haar.

„Toen toonde hij mij zijn wapen, dat met schitterende kleuren op een bord boven den schoorsteen was afgemaald, gaf er mij een hoogdravende beschrijving van en wees mij de afbeeldingen van eenigen zijner voorvaders, die boven hun wapenrustingen hingen. Ik geloof, dat hij, ik weet niet welken ouden Griek als zijn stamheer opgaf; hij stelde mij voor aan zijn vrouw, die van even hooge geboorte was als hij; zij verwaardigde mij niet eens met een enkelen groet. Hij wees mij zijn zoon die schoon, jong en sterk was, en zei tot mij, „dat deze dapper en braaf, en de hoop van zijn geslacht was, en dat zijn dochter schoon, rijk en welopgevoed, aanspraak kon maken, om met een vorst in den echt te treden.” Toen hij dit alles gezegd en aangetoond had, wierp hij een blik op zijn vrouw en zijn zoon, en vroeg mij lachend, wat ik kon aanwijzen, om tegen dit alles op te wegen? Zijn vrouw zag mij trotsch aan; de jonge edelman raakte aan het gevest van zijn degen, en wat denkt gij dat ik antwoordde, Heer Van Schaffelaar? Wat zoudt gij gezegd hebben? – Riso! vul den beker! – Welnu, ik zal het u zeggen:

„Ik zei hem dank voor hetgeen hij mij getoond en gezegd had, ik haalde mijn zwaard twee handbreed uit de scheede, en zei lachend:

„Ziedaar het antwoord, Heer, op uw vraag. Al wat gij mij hebt aangewezen, kasteelen en krijgsvolk, edellieden, vazallen en een fraai wapen, dat alles zal ik mij met mijn zwaard weten te verschaffen; mijn adeldom staat op dit lemmer geschreven; en als ik uw dochter tot mijn vrouw neem, zullen ook tevens haar voorouders de mijne worden. Wat uw zoon betreft, ik bied hem het onderbevelbebberschap in mijn bende aan; want zij is groot genoeg om twee hoofden noodig te hebben.”

„Maar hij was niet tevreden met mijn antwoord, noemde mij een onbeschaamden en gemeenen knaap, en dreigde mij met gevangenschap, indien ik ooit weer mijn voet in een zijner sloten of op zijn grondgebied durfde zetten. Ik bad hem, let wel, Heer ruiter, ik bad hem om mij zijn dochter te laten zien, ten einde mij op haar genegenheid te beroepen, want ik had haar duivels lief. Maar hij zei mij, dat zij mij verachtte, dat zij nimmer mijn vrouw zou worden, gelastte mij op staanden voet zijn burcht te verlaten en riep zijn knechten, maar ik ging heen en zij durfden mij niet aanraken. Wat zegt gij van dit alles?”

„Dat die edelman edel en verstandig handelde, en u genadiger antwoord gaf, dan menigeen zou hebben gedaan,” antwoordde Van Schaffelaar ongeduldig. „Gij denkt zoo,” hernam Perrol, „ik dacht zoo niet; maar sta mij toe nog eens te laten schenken. – Riso! – ik vervolg, ha, nu moeten wij zien, wat verder gebeurde.

„Wij springen twee jaren verder; twee jaren, het is niet lang. – Op zekeren nacht werd de burcht, welke ik zoo sterk gezien had, overvallen; dezelfde mannen, die vroeger de muren en torens bewaakten, werden over de kling gejaagd. „Twee dagen later rookten de puinhoopen van den vernielden burcht nog. Gij zult nooit de boorden van de Durance bezoeken; een of andere herder zou u daar wellicht nog eenige bijzonderheden, die nu te lang zijn, nopens dien bouwval verhalen. Dat voorvaderlijke kasteel was vernietigd, met de afbeeldsels van zijn voorouders, hun wapenrustingen en zijn tweehonderd gewapenden, maar hij was nog groot en machtig. Zijn zoon, die zooveel beloofde, zoo schoon, zoo dapper was, ging op zekeren morgen op de jacht, door n knaap vergezeld; hij ontmoette in een hollen weg iemand, die geheel alleen was, deze was ook jong; welnu, die twee jongelieden grepen het zwaard, zoodra zij elkander zagen, zij zeiden niets, maar vielen op elkander aan.

„O! men is zoo driftig als men jong is, Heer Van Schaffelaar, vooral in het Zuiden. Welnu, tegen den middag zat de edelman met zijn vrouw en zijn dochter, die ik bemind had, bij het lijk van den jongen edelman; zij hadden geen zoon, zij had geen broeder meer; hij, die de roem van hun geslacht was, op wien al hun hoop rustte, was door zijn knaap teruggebracht, reeds koud en verstijfd en het hoofd tot aan den mond gekloofd. Een maand later was de edelman weduwnaar; zij was trotsch en onverschillig, de hoogadelijke vrouw, maar zij was toch moeder. Gij huivert, Heer Van Schaffelaar! Ha! het zwaarste is voorbij, luister. De oude edelman was nu de eenige, maar ook de laatste van zijn stam, doch hij was nog altijd machtig; nog had hij vier sterke kasteelen, nog waren veertien edellieden zijn leenmannen. Maar zie, de goede koning Lodewijk, die nog regeert – want dit alles gebeurde in Frankrijk – ontving een ongeteekenden brief, waarin men hem berichtte, dat onze edelman met diens neef van Bretagne briefwisseling hield. Men zegt, dat hij wantrouwig is, maar, op mijn eer, ik zweer van neen, want hij geloofde, ha! ha! wat men hem berichtte, zonder de zaak te onderzoeken; en toch zweer ik u bij mijnheer satan en zijn benden, dat de beschuldiging valsch was. En om iedereen af te schrikken om edelman te willen worden, of iets te doen voor een titel, dien vorsten naar willekeur geven of afnemen, werd zijn wapen verbroken, zijn goederen werden aan de kroon vervallen verklaard en de edellieden, die hem leenplichtig waren, van alle gehoorzaamheid ontheven. Men ontnam hem eer, naam, wapen en goederen; maar men liet hem in het leven; hij was oud en het leven was veeleer een lijden dan een genot voor hem. Zult gij nu nog zeggen, Heer Van Schaffelaar, dat die trotsche grijskop een verstandig antwoord gaf?” Van Schaffelaar zweeg. „Riso!” riep Perrol, „schenk in, mijn page! – maar in n ding had de edelman toch gelijk gehad, in n zaak had hij waarheid gesproken,” riep Perrol lachend, en hief den beker op, „namelijk, dat zijn dochter nimmer mijn vrouw zou worden, want ik nam haar tot mijn bijzit, en eer nog de twee jaren vervlogen waren, liet ik haar uit mijn legerplaats jagen met al de lichte deernen, die mijn ruiters bedierven.” Na deze woorden ledigde hij den beker, gaf dien aan zijn page, en eindigde zonder dat zich eenige aandoening op zijn gelaat liet blijken: „Ik zal niet meer drinken, Riso,” verwijder u met den wijn. Maar zijt gij stom geworden, Heer Van Schaffelaar, wat zegt gij? Beklaagt gij u nu nog, dat gij u den tijd gegund hebt om naar mij te luisteren?” „Indien ik van een ander vernam, dat gij dat alles gedaan hadt,” antwoordde deze bedaard, „dan zou ik mogelijk nog woorden kunnen vinden, om u mijn afschuw te kennen te geven, maar nu gij het zelf zegt, nu gij u daarop beroemt, nu schiet mij niet anders over dan te zwijgen; doch nu ken ik u en uw manier van handelen.”

„Mij beroemen op een zaak van zoo weinig belang,” zei Perrol verwonderd, en vervolgde spottend: „Ha! Heer Van Schaffelaar, gij doet mij onrecht; het is de goede koning Lodewijk, wien de eer toekomt; voor het overige, wat is het? Een kasteel, dat in den nacht beladderd wordt, eenige krijgslieden, die men in den slaap afmaakt, een maagd minder en een knaap, bijna zonder baard, die zich bij den eersten houw het hoofd laat kloven. O, ik zou u andere gebeurtenissen kunnen verhalen, maar gij zegt, dat gij mij nu kent; juist daarom, Heer ruiter, heb ik mij de moeite gegeven, zooveel woorden te verspillen. Alles, wat ik gedaan heb in mijn leven, ben ik gewoon om overal luid te zeggen, want dit betaamt den man van moed, en ik hoop, dat gij dit ook kunt doen, Heer Van Schaffelaar! Maar ik wil u ook nog zeggen, waarom dit alles z geschied is en niet anders. Sedert lang wist ik, dat men zich op een lafaard moet wreken, door hem een langzamen, smartelijken dood te doen ondergaan,” zei hij en grimlachte vreeselijk; maar de oude edelman was nog bezield met een jeugdigen moed: doch het was mij ook bekend, dat men zich op een dapper man nog beter wreken kan dan op een ellendeling, met smarten die erger zijn dan de pijnlijkste dood, namelijk door hem te treffen in hetgeen hem dierbaar is.

„Ha! riep Van Schaffelaar, „dat is verschrikkelijk” en hij huiverde; een koude rilling liep hem van het hoofd tot de voeten.

„Verschrikkelijk?” vroeg Perrol ijskoud, en zijn bliksemende oogen richtten zich strak op Van Schaffelaar „gij vindt dit verschrikkelijk, en het redt u nu het leven! Of dacht gij straffeloos hier te kunnen komen, mij in mijn rust te storen, om bevelen over te nemen van een paap; mij te beleedigen, straffeloos te beschimpen, na hetgeen tusschen ons is voorgevallen? Denkt gij dat ik niet weet, wie den Bisschop ontraden heeft mij in zijn dienst te nemen, en hetgeen gij toen hebt gezegd? Vergeet gij, dat gij een mijner ruiters hebt vermoord en dat ik, Perrol, mij met u heb moeten verzoenen. Per moio, dacht gij,” vervolgde hij met verheffing van stem, „mijn legerplaats levend te verlaten, na hetgeen gij gezegd hebt, indien het niet z zijn moest en niet anders?”

„Gij denkt dan, dat alles voor uw machtspreuken moet zwichten, verachtelijke en koelbloedige moordenaar! Dat alles voor u heeft en moet onderdoen?” riep Van Schaffelaar luid en strekte de hand dreigend naar hem uit.

„En wie zal voor u de partij opnemen? Is het de Bisschop, wien zwaard en herdersstaf ontvallen zijn?” vroeg Perrol lachend.

„Neen!” antwoordde Van Schaffelaar met waardigheid, „het is een Wezen, tegen hetwelk gij niets zijt; God zal mij bijstaan, gij kunt Hem beleedigen, maar Hem verraden, zooals mijnheer David, dat kunt gij niet.”

„Ha!” riep Perrol, „indien gij met zulke machtige beschermheeren voor den dag komt, dan zal ik mijnheer satan te hulp moeten roepen,” en hij vervolgde schamper lachend: „Maar goede Heer, vele lieden hebben zich tegen mij verzet, zeggend, dat de almachtige God met hen streed, en toch heb ik hen allen in het stof geworpen, en zie, deze hand,” hij strekte zijn hand met den zwarten handschoen naar Van Schaffelaar uit, „deze hand heeft hun voor eeuwig het zwijgen opgelegd.”

„Dan is het daarom, dat de Heer haar geteekend heeft!” riep Van Schaffelaar koel, „maar ik vertrek, Messire, voordat uw roode hand ook mij het zwijg oplegt.”

„O wee, Heer, wat hebt gij gezegd!” gilde Henri.

„Verdoemd, nog eens!” schreeuwde Perrol, terwijl hij opsprong: „sluit aan, kerels, wijkt niet, of voor den duivel, ik zal u vinden! Grijpt dien ellendeling, maar doodt hem niet. Ha, armzalige spotter, ik zal u laten slaan als een gemeen lijfeigene, en u teekenen, dat ieder u dadelijk zal kunnen herkennen!” Hij hield zijn armen over elkander geslagen; zijn borst bewoog zich onstuimig; hij bevochtigde met zijn tong zijn lippen, die bleek van woede zagen, diepe rimpels waren in het gefronste voorhoofd, en zijn oogen schoten bliksemstralen op zijn vijand.

„Ruimte voor Van Schaffelaar en St. Maarten!” riep Van Schaffelaar door het vizier van zijn helm, dat hij snel gesloten had; hij trok zijn groot zwaard, en zag naar welke zijde hij zich den doortocht banen wilde. Wat Walson betreft, deze stond niet ver van Perrol; een kwaadaardige lach vertoonde zich op zijn hatelijk gelaat, en indien Perrol niet gelast had Van Schaffelaar levend te grijpen, dan zou hij zich zeker dadelijk op hem geworpen hebben. Er was nu geen bloed te vergieten, en hij bemoeide er zich dus niet mee, ofschoon hij er zich mee vermaakte; maar omdat hij alleen het oog naar Van Schaffelaar richtte, zag niet, hoe de door hem zoo verachte knaap, die even spoedig als zijn heer het zwaard getrokken had, en zich achter dezen hield, zooals het een dapper knaap betaamde, nu en dan een wraakgierigen blik op hem wierp; hij wist niet dat de dwerg slechts op een gunstig oogenblik wachtte, om op hem in te rijden en hem het zwaard in de borst te stooten.

„Voorwaarts, kerels! Voor den duivel! Grijpt hem!” schreeuwde Perrol ongeduldig, en stampte met den voet, „en ik zal u geld en wijn laten geven.” Vidal stond naast hem en had, zonder dat hem dit gelast was, den helm van zijn meester opgenomen, welken hij hield in de linker- en een zware strijdbijl in de rechterhand. Perrol was bedaard, maar lachte niet; de jonge page, die achter ban stond en het schild vasthield, beefde.

Dit alles geschiedde als in een oogenblik; de ruiters hadden zich meester genaakt van de palen en latten der reeds afgebroken tenten en gingen er Van Schaffelaar al juichend en scheldend mee te lijf. Meer en meer verengde zich de kring, waarbinnen zich Van Schaffelaar bevond, die maar al te goed wist, hoe gemakkelijk men hem met deze palen, die veelal vorksgewijs waren, van het paard kon lichten. Zijn oogen dus sluitend voor hetgeen hem zou overkomen, als hem dit ongeluk te beurt viel, riep hij nog eens: „Ruimte voor Van Schaffelaar en St. Maarten!” hetgeen de Zwarte Ruiters beantwoordden met: „Leve Perrol! Leve de Zwarte Bende!” Hij vatte zijn zwaard met beide handen, en was gereed Moor de sporen in de zijde te drukken, toen Henri hem op zijde reed, en met de linkerhand den ketting sterk aanhaalde, waarmede Moor bestuurd werd. Van Schaffelaar dacht in het eerst, dat het een zijner bespringers was, die hem in zijn vaart wilde stuiten, en greep de hand, welke zich van den teugel meester maakte; maar voordat hij zag, dat het zijn knaap was, of hem vragen kon, wat hem zoo stout maakte, drong een licht gewapend ruiter door de mannen van de Zwarte Bende heen, en zijn paard raakte bijna dat van Van Schaffelaar, voordat deze hem gewaar werd. Het was een man in de kracht van zijn jaren, niet groot, doch gezet van gestalte; zijn roode wangen en zijn vroolijk open gelaat verrieden, dat hij een vriend van een goed voorziene tafel en het edele druivennat was, en Henri, die, zoodra hij hem in den kring en bij zijn meester zag, den teugel losliet, riep verheugd: „God zij gedankt, ziedaar den braven Heer Van Nijveld; wij zijn gered Heer!”

„Bij alle Heiligen! riep de ruiter, verwonderd in het rond ziend, „wat gebeurt hier? Allen tegen n! En dat met wapens die geen wapens zijn, welke aan een krijgsrnan passen.” De ruiters zetten, hoewel ze niet terugtraden, de houten latten, die zij in de hand hielden, bij den voet neer, en wachtten nadere bevelen. De belofte van geld en wijn, hun door Perrol gedaan, had op hen de verwachte uitwerking gehad; zij haakten naar het oogenblik, waarin zij Van Schaffelaar, die hun aanvoerder beleedigd had, van zijn wapenrusting zouden kunnen berooven, en hem met hun stijgbeugelriemen geeselen; want daarmee had Perrol hem immers gedreigd.

„Verroer u niet, Heer! Ik zal u bijstaan,” zei Van Nijveld zacht tot Van Schaffelaar, toen hij langs hem heen stapte; want deze, hoewel hij zijn zwaard had laten zakken, wist niet of hij moest wachten of van deze gelegenheid gebruik maken, om zich met geweld te verwijderen. Deze weinige woorden maakten echter een einde aan zijn besluiteloosheid; hij bleef.

Het zal misschien, daar Perrol zich in den kring bevond, of liever met Vidal en Walson een gedeelte daarvan uitmaakte, sommigen verwonderen, dat Van Schaffelaar niet de voorkeur had gegeven langs deze zijde door te breken. Perrol en Walson waren toch bijna niet of slecht gewapend; zij zouden zeker Moor in vaar niet hebben kunnen stuiten, en het fiere dier had zeer gemakkelijk over het veld kunnen heenspringen; doch wanneer men in het oog houdt, dat Van Schaffelaar Perrol verafschuwde, en dat deze de eenige mensch was, dien hij onverzoenlijk haatte, maar ook tevens de eenige, dien hij huiverde te bestrijden, wiens aanraking hij zelfs verfoeide, dan zal deze verwondering ras verdwijnen. Bovendien stond Perrol daar, ongewapend, zonder helm, zelfs blootshoofds; en dit alleen maakte, dat Van Schaffelaar hem ontzien wilde: dit beveiligde hem meer dan de beste wapenrusting.

Perrol zette een ontevreden gelaat, toen Van Nijveld voor hem stilhield, hem de hand reikte en zei: „Ik groet u, Messire! Maar wat gebeurt hier toch? Ik hoop, immers, dat gij onzen wapenbroeder niet wilt beleedigen.” Toen hij de doodsbleeke kleur van Perrol’s gelaat bemerkte, riep hij snel: „In Gods naam, spreek, gij wilt hem immers het leven niet benemen?”

„Het leven,” zei Perrol, „denkt gij dan, dat gij hem nog levend vinden zoudt, indien zijn dood mijn welbehagen geweest was? Gij komt zeer laat om hem tot voorspraak te dienen, Heer Van Nijveld, maar geloof mij, de knaap die u te hulp heeft geroepen, zou een vergeefschen rit gedaan hebben, zoowel als gij zelf, indien ik hem had willen straffen zooals hij verdiend heeft.”

„Het is waar,” hernam Van Nijveld, „die kleine jongen heeft mij gebeden hierheen te komen; ook breng ik u tijding uit Utrecht; mijn komst heeft dus een dubbele reden. Ik begrijp het, gij zijt te edel om iemand te dooden, maar wat beduiden dan die lafhartige beleedigingen, welke uw ruiters zich in uw bijzijn verstouten dien edelman aan te doen?”

„Ha!” zei Perrol en zette zich neer, „die brave jongens vermaken zich een weinig met dien dapperen heer. Zit af, en zet u naast mij neer, gij zult u recht vermaken. Wilt gij wijn hebben? Gij zult eens zien, hoe ik weet om te springen met iemand, die mij zotternijen komt zeggen, en mij vertelt, dat hij beloofd heeft zich als een lafaard te gedragen.” Hij lachte en schoof ter zijde.

Met korte, doch dringende woorden bracht Heer Gerrit van Nijveld hem onder het oog, dat Van Schaffelaar gekomen was in vertrouwen op hun beleefdheid en hun eergevoel, en dat het hem leed zou doen, indien iemand, die zoo algemeen bemind en geerd werd, op een onwaardige wijze werd behandeld! Hij weigerde af te stijgen, voordat Perrol Van Schaffelaar had laten gaan. „Binnenkort, Messire,” eindigde hij zacht, „zult gij hem mogelijk wel eens in het veld ontmoeten; indien hij nu iets gezegd heeft, dat u mishaagt, zoo kunt gij er dan, of zelfs vroeger, op een ridderlijke wijze voldoening voor krijgen, want Van Schaffelaar zal u zijn handschoen laten, als gij het verkiest; wat kunt gij meer verlangen?”

„Wat bemoeit gij u met mijn zaken, Heer!” zei Perrol gemelijk, „ik wenschte, dat gij te Koten gebleven waart, in plaats van mijn ruiters in hun vroolijkheid te storen.”

„En zoo waar ik Van Nijveld heet,” zei deze vastberaden, „zoo zeg ik u, Messire, dat ik niet kan toestaan, dat uw ruiters hem tot speelbal van hun losbandigheid maken. Wat u betreft, gij kunt immers nog dadelijk voldoening van hem krijgen; ik ben er immers bij, om te kunnen zeggen, dat alles naar de wetten der eer is geschied.”

„Ik wil, dat hij blijft leven, en dat hij door mijn ruiters wordt afgerost, Heer Van Nijveld” zei Perrol kortaf.

„Is dit uw laatste woord,” vroeg deze bedaard, terwijl hij in het rond zag, en is er geen middel om u van uw voornemen te doen afzien, Messire?”

Perrol strekte zich op het veldbed uit en zei geeuwend: „Voorwaar Heer, gij valt mij lastig; den droomer heb ik reeds zoolang voor mijn gezicht, dat ik er van walg; ik wenschte zelfs wel, dat hij en zijn verdraaide knaap al naar den duivel waren. Welnu, indien gij voor zijn losgeld honderd Beiersche guldens wilt geven aan mijn ruiters, en mij bidden hem te laten vertrekken, dan kunt gij hem in veiligheid brengen.”

„Zij zullen het geld hebben,” riep Van Nijveld verheugd, „en ik verzoek u hem te laten gaan. Zijt gij nu tevreden, Messire?”

„Let wel, beste Heer,” zei Perrol lachend en Walson’s gelaat vertrok zich ook tot een stroeven glimlach, „ik heb gezegd bidden, en niet verzoeken; indien gij niet kunt besluiten iets te doen, dat door de meeste edellieden zoo ongaarne gedaan wordt, dan blijft hij mijn man.

Het goedhartige gelaat van Van Nijveld verried, dat hij verontwaardigd was over dezen eisch van Perrol; hij zweeg een oogenblik, zag naar Van Schaffelaar, en wierp, een doordringenden blik naar en over de ruiters aan zijn linkerzijde, toen zei hij bedaard: „Gerrit van Nijveld bidt den aanvoerder der Zwarte Bende, Heer Jan van Schaffelaar vrij en frank te laten gaan, en zal honderd Beiersche guldens als losgeld betalen.”

„Ik ben voldaan,” zei Perrol koel; „maar laat hem terstond vertrekken; en gij zult wel doen, Heer Van Nijveld, u nimmer weer te plaatsen tusschen mij en degene, die mijn toorn heeft gaande gemaakt.”

„Ik dank u, Heer!” hernam Van Schaffelaar aangedaan, terwijl hij zijn zwaard opstak, „kan ik aan mijnheer David zeggen, dat de brave edelman, die mij gered heeft, – want dit hebt gij inderdaad, Heer, – nog altijd even trouw als dapper en menschlievend is?”

„Ik ben met Montfoort en mijn broeder verzoend,” zei Van Nijveld, „maar ik kan is niet zeggen, wat gij aan zijn Eerwaarde zeggen moet; verhaal hem hetgeen gij gehoord en gezien hebt, dan zal hij er genoeg van weten; maar vertrek nu, en zeg niets aan Perrol; het heeft mij veel gekost, om hem te bewegen u te laten gaan.”

„Vaarwel, Heer,” antwoordde Van Schaffelaar, terwijl hij hem de hand drukte, „voor eeuwig hebt gij mij aan u verplicht, en nog altijd hoop ik, dat gij mijn meester trouw zult blijven; God zegene u!” en hij verwijderde zich.

De Heer Van Nijveld antwoordde niets, maar boog diep.

Nog altijd stonden de ruiters in gesloten gelederen en toen Van Schaffelaar stapvoets langs Vidal reed, om de plaats te verlaten, waar hem zooveel leed getroffen had, raakte de borst van zijn paard bijna de ruiters, die niet gezind schenen bom door te laten, maar onbeweeglijk en somber bleven staan. Perrol riep nu gebiedend: ,Laat dien edelman doorgaan!” en de Zwarte Ruiters openden den kring; Van Schaffelaar die zijn helm geopend had, toen Van Nijveld hem aansprak, wierp in het voorbijgaan een blik op Perrol. Deze lachte hoonend en groette hem met de zwart gehandschoende hand; maar Van Schaffelaar’s gelaat bleef bedaard, of zoo het al iets uitdrukte, dan was het diepe verachting voor het hoofd der Zwarte Bende. Wat Henri betreft, die achter zijn meester reed, deze zag Walson dreigend aan, wat dezen laatsten en Perrol in een luid gelach deed uitbarsten; zelfs toen hij buiten den kring der ruiters was, keerde hij zich half om in den zadel, draaide het hoofd om, en wierp nog een wraakzuchtigen blik op den Engelschen edelman. Zoodra Van Schaffelaar het kampweiland verlaten had, waarop het paviljoen was opgeslagen en hij den weg bereikt had, verwijderde hij zich met zijn knaap in vollen draf.

Van Nijveld steeg af, gaf zijn paard aan den page over, die den helm had neergelegd en naderde Perrol. „Vidal!” zei deze, „neem honderd Betersche guldens, en geef ze aan Froccard, om ze onder zijn makkers, die hier zijn, gelijk te verdeelen, en zeg hem, dat zij bij een andere gelegenheid den wijn hebben zullen, ofschoon zij eigenlijk niets hebben verdiend.” Vidal boog en ging heen. „Ik zal bij gelegenheid dat geld wel eens van u krijgen,” zei hij tot Van Nijveld, „mogelijk zendt hij het u wel spoedig; zulk soort van lieden zijn gewoonlijk stipt in het betalen.

„Ik heb hem van het losgeld niets gezegd,” antwoordde deze, „al hadt gij nog eens zooveel gevraagd, Messire, ik zou het gegeven hebben. Zie, het heeft mij genoegen gedaan dezen getrouwen leenman van den Bisschop, dien wij beiden verlaten, een dienst te kunnen bewijzen.”

„O, het geld is ook niets,” zei Perrol lachend, „voor tienmaal zooveel zou ik hem niet losgelaten hebben; maar ik dacht niet, dat een edelman zooals gij, zoover zou gaan om mij te bidden.”

„Messire,” zei Walson met nadruk, terwijl hij op Perrol toetrad, „indien gij de moeite wilt nemen op te staan, dan zult gij zien, dat wij ons haasten moeten, indien wij niet te laat komen; want onze buren zijn marschvaardig.”

„Wat is het?” vroeg Perrol, en stond op; hij zag naar de zijde die Walson hem aanwees, en zei toen haastig, terwijl hij Van Nijveld vorschend aanzag:

„Weet gij mij te zeggen, Heer Van Nijveld, wat dat beduiden moet! Waarom rukt dat volk dr buiten de plaats, waar het zoolang gelegerd is geweest? Is hier de weg naar Utrecht? Want voor den satan, ik geloof dat het uw vuurroeren zijn, die daar achter dien boomgaard staan.”

Van Nijveld scheen niet zeer in zijn schik, toen Walson aan Perrol berichtte, wat hij ontdekt had; hij verloor echter zijn tegenwoordigheid van geest niet, toen Perrol hem zoo onheusch aansprak, maar antwoordde vroolijk lachend: „Ha, ha, Messire, gij hebt een zeer goed gezicht, het is mijn luitenant met mijn kloveniers. Begrijpt gij nu, waarom een Utrechtsch edelman u gebeden heeft Schaffelaar te laten gaan? Het was omdat mijn trouwe, oude Volkert daar reeds post had gevat, gereed om mij bij te springen, als het onverhoopt noodig was: het is geen schande te bidden, als men sterk is.”

„Sterk!” riep Perrol driftig, „ha, indien ik geweten had, dat gij daarom zoo laat kwaamt; maar ik houd niet van die kerels, en ik weet niet of ik hen nog niet dadelijk door mijn ruiters zal laten terugdrijven.”

„Dat zou al te moeilijk gaan,” hertiam Van Nijveld lachend, terwijl hij zich in den zadel wierp en zich verwijderde; „laat uw ruiters hun gemak houden, en ik zal den ouden Volkert zeggen, dat hij den terugtocht laat slaan.”

Terwijl Van Nijveld naar zijn soldaten reed, onderhield Perrol zich met Walson, waarna deze zich verwijderde. Aan Vidal, die hem berichtte, dat hij het geld had gegeven, zei hij, na hem eenige bevelen gegeven te hebben: „Zeg aan mijn ruiters, dat zij zich op staanden voet van hier verwijderden, en aan Froccard, dat ik hem zal laten opknoopen, indien ik bemerk, dat hij het geld niet gelijk verdeeld heeft.”

Het geluid van de trom gaf te kennen, dat het voetvolk zich verwijderde, en Van Nijveld kwam terug, stapte af, zette zich naast Perrol neer, liet zich door Riso een beker wijn geven, en, zonder te spreken over wat te voren had plaats gehad, verhaalde hij hem wat hij te zeggen had. De beide mannen, die zoozeer in karakter verschilden, onderhielden zich zonder de minste oneenigheid over de zaken, die hun beiden aangingen.

Zoodra de heer Van Nijveld vertrokken was, trad Perrol, na een oogenblik in gedachten gestaan te hebben, zijn paviljoen binnen, ten einde zich te verkleeden; hij gaf, toen hij het verliet, aan Vidal bevel, het terstond te laten afbreken en samen te vouwen, besteeg daarop een fraai grijs paard, dat in de vlakte van Arabi geboren was, en verwijderde zich zoo snel als de wind, om zijn ruiterbende van den rechter- tot den linkervleugel in oogenschouw te nemen, en daardoor hun marschvaardigheid te bespoedigen.

908SR15.gif (1832 bytes)

Tot groote verwondering der burgers van Wijk, en tot groote verontrusting van hen, die door de te houden paardenmarkt er heen gelokt waren, werden de poorten nog vr den avond gesloten, en werd door de geheele stad met tromslag uitgeroepen, dat iedereen zich tot nader order in zijn huis moest houden, daar de genadigde heer van Utrecht, heer David van Bourgondi, gelast had een ieder in de gevangenis te laten brengen, die het waagde zich op straat te vertoonen. Vele gissingen werden er gemaakt, maar niemand wist met zekerheid te zeggen, waar dit plotselinge bevel vandaan kwam. Het uitrukken van de voetknechten van Evert van Wilpen, die geruimen tijd werkloos in de stad gelegen hadden, en kleine troepen paarden- en voetvolk van de lijfwacht van dun Bisschop, die de stad doorkruisten om de gegeven bevelen te doen gehoorzamen, deden met recht vreezen, dat er iets gebeurd was, dat den Bisschop verontrustte. De waard uit de Roode Draak scheen beter onderricht dan een dergenen, die f uit eigen verkiezing f door het plotselinge bevel van den Bisschop, zijn gasten geworden waren. Hij verhaalde hun in het geheim, dat de knaap van heer Jan van Schaffelaar die de kamer bewoonde, welke de vreemde heer met zijn dochter genoodzaakt was geweest te betrekken, hem vertrouwelijk gezegd had, dat de burggraaf van Montfoort verkleed in de stad was, en dat hij voornemens was al de paarden weg te voeren, die op de markt zouden worden gebracht, ten einde zijn rijzige ruiters van paarden te voorzien, waar aan zij gebrek hadden.

Toen de avond viel, stond Jan van Schaffelaars met een groot gedeelte van zijn rijzige ruiters buiten de stad, gereed om op te rukken, indien het noodig mocht zijn. Het meerendeel der voetknechten van Van Wilpen, dat ook aan deze zijde was, stond aan zijn rechterkant, en bezette de brug over den Krommen Rijn. Het overige gedeelte van het voetvolk en van de Schaffelaars, die door Frank werden aangevoerd, was van Over-Langbroek tot aan den Wijkerweg opgerukt, zoodat deze twee door den Krommen Rijn vaneen gescheiden krijgsbenden elkander konden ondersteunen; de bezettingen uit Leersum en Amerongen werden verwacht, zoo spoedig het volk, dat in Rhenen lag, deze twee plaatsen zou hebben bezet.

Zwijgend stond Van Schaffelaar vr zijn ruiters, aan wie hij de diepste stilte aanbevolen had; hij droeg nog dezelfde wapenrusting, die hij des morgens had aangehad, en het brood en de haver, die Moor door de zorg van Henri in ruime mate genoten had, maakten, dat zijn meester hem met recht kon beschouwen als een versch paard, dat zoo van den stal komt. Zijn oog was somber; men kon zien, dat hij nog niets vergeten had van wat er gebeurd was; van tijd tot tijd echter zag hij voor zich uit en luisterde aandachtig. Tweemaal waren hem lieden genaderd, die boerenkleeren droegen, van de zijde van Utrecht kwamen en bij hem bekend waren als verspieders van den Bisschop; ontevreden had hij telkens aan een zijner ruiters gelast hen naar het slot bij den bisschop te brengen. Eindelijk reed zijn knaap hem op zij, bracht vol vreugde het bericht, dat de vicaris van den Bisschop zeer spoedig bij hem zou zijn, en verzocht hem de eer te mogen hebben bij hem te blijven, indien hij over zijn gedrag tevreden geweest was.

„Ik heb u immers reeds gezegd, Henri,” zei Van Schaffelaar vriendelijk, „dat gij een dappere knaap zijt, en waarom zou ik u dan niet toestaan bij mij te blijven?”

„Maar gij hebt er over gesproken om mij naar Frank te zenden,” zei Henri langzaam.

„Het is ook zoo, ik wilde het gaarne, maar gij hebt wel verdiend, dat ik u heden iets toegeef. Doch zeg mij, Henri, waarom zijt gij liever hier? Indien wij, wat God geve, vooruit gaan, zal immers Frank niet achterblijven,” zei Van Schaffelaar.

„Het is zoo, Heer,” antwoordde de knaap, „maar de zwarte vlag wappert deze zijde van den Rijn, en die groote, roode Brit zal zien, dat ik om zijn groote handen niet geef, en dat het kleine zwaard van meester Wouter ook scherp is.”

„Gij zult mij op den voet volgen, Henri,” zei Van Schaffelaar, terwijl hij hem een wenk gaf om te vertrekken, en toen deze zich vroolijk verwijderd had, zei Van Schaffelaar halfluid: „En wat zou de Bisschop zeggen, indien hij evenals ik in het hart van dezen nietigen knaap lezen kon? Zoo klein, zoo gering als is, gevoelt hij geen grooter genoegen dan zich te wreken, omdat men bespot heeft, en mij…… – Stil, Moor, stil, mijn fiere hengst, mijn spoor raakte u zonder mijn wil – en mij wordt het geduldig opnemen van de grootste beleedigingen opgelegd. Gij hadt gelijk, Perrol! Ik ben geduldig, want ik draag nog hetzelfde zwaard, dat ik niet verbroken heb, toen mijnheer David mij verhinderd heeft om met mijn Schaffelaars uw banier te gaan neerwerpen. „Je le tiens haut,” mompelde hij binnensmonds, „en gij dan Schaffelaar! Is uw leus juist omgekeerd, trouwe leenman van St. Maarten?”

„Goede tijding, Heer Van Schaffelaar!” zei nu een oud man, die op een goed gevoederden ezel zat en geheel in het zwart gekleed was: het was meester Dirck Utenweert, de vicaris, die, vergezeld van Evert van Wilpen, en gevolgd door twee lijfwachten van den Bisschop, hem op zij reed.

„Goddank, Heer Vicaris!” riep Van Schaffelaar, „zijn Eerwaarde heeft dan eindelijk een goed besluit genomen? Het zal mij dus eindelijk vergund zijn, zijn en mijn eer te wreken en het verraad te straffen?”

„Ta, ta!” zei meester Utenweert, „ik weet niet, wat mijnheer David u nog zal toestaan; maar wel wat hij mij gelast heeft u te zeggen: nog altijd had hij gehoopt, dat de goede God en mijnheer St. Maarten hun booze harten zou hebben vermurwd; daarom heeft hij nog eens met een zijner vertrouwdste verspieders een brief aan Van Nijveld en Perrol geschreven met de schoonste aanbiedingen.”

„Nog eens? Na al hetgeen ik hem heb gezegd,” riep Van Schaffelaar driftig. „Bij God! Heer Vicaris, is mijnheer David dan zoo zwak? En gelooft hij niet, dat een nuttelooze vernedering evengoed het priesterlijk gewaad bevlekt als de wapenen van een krijgsman?”

„H,” antwoordde deze glimlachend, „onze vader weet dit alles zeer goed, evengoed als gij, die zijn gehoorzame zoon zijt, maar, lieve Heer, zij die roemen op hun sterkte, zijn allen zwak, en zij, die hun zwakte erkennen, worden gesterkt van boven!”

„Zeer goed, Heer Utenweert,” zei Evert van Wilpen snel, „maar denkt gij dan zelf, dat mijnheer de Bisschop op den duur mannen van eer in zijn dienst zal houden, indien de banier van St. Maarten straffeloos kan worden gehoond?” „O wee, Heeren,” zei de oude man, „welk een drift! Vergeet gij dan al de beleedigingen, die onze kerkvoogd heeft moeten doorstaan en nog ondergaat? Hoe kan de smaad, die u is aangedaan, daarbij in aanmerking komen? Zijn eerwaarde is immers de herder en vader van zijn bisdom; hij ziet de misdaden en de diensten zijner kinderen, en zucht of juicht er om, maar hij zal ook, gelijk een vader, weten eere te geven, wien eere toekomt, en zijn hand zal, hoewel schoorvoetend en met tranen in de oogen, hen kastijden, die het verdiend hebben.”

„Dat heeft mijnheer David mij al gezegd,” zei Van Schaffelaar kortaf; „wij zullen ons dus alles moeten laten welgevallen, zoolang de Bisschop in verdrukking leeft?”

„Zoo is het, mijn zoon!” antwoordde de vicaris, „alles voor de eere Gods en de heilige Kerk; maar ik moet u zeggen, dat er geen antwoord van de Zwarte Bende of van Van Nijveld gekomen is.”

,.Dus komt gij ons gelasten, om die overloopers te verdrijven!” riep Van Schaffelaar met drift.

„Waarom dit niet reeds dadelijk gezegd?” zei Van Wilpen.

„Omdat ik geen last heb om het te zeggen,” antwoordde de vicaris bedaard; „maar mijnheer David weet stellig, dat zij in aftocht zijn, en zoodra het hem bekend is, dat zij de dorpen, die zij bezet hielden, verlaten hebben, laat hij u door mij gelasten, om die plaatsen dadelijk in bezit te nemen en voorts goede wacht te houden; een lantaarn, die aan den toren van Wijk zal uitgehangen worden, zal u het teeken tot oprukken geven.

„Zie, daar vertoont zich het licht reeds,” riep Evert van Wilpen.

„En aan gene zijde der rivier, hoe moet het daar?” vroeg Van Schaffelaar.”

„Daar heb ik de bevelen reeds gebracht, die zetten zich nu ook in beweging, maar nog iets: indien de plaatsen onverhoopt nog niet ontruimd, of weer bezet zijn, dan is het de wil van zijn Eerwaarde, dat er geen vijandelijkheden geschieden,” zeide de vicaris.

„Ik vrees er voor,” hernam Van Schaffelaar droevig; „helaas, Meester Vicaris, ik had verwacht, dat gij andere bevelen zoudt hebben gebracht, maar de wil van mijn Meester zal worden uitgevoerd.”

„Het is dikwijls meer eer en altijd voordeeliger voor de ziel, zichzelf te overwinnen, dan den dappersten vijand, Mijnheer!” zei meester Utenweert en keerde zijn muildier stadwaarts. „De avondlucht is koud; de Heer geleide uw schreden! Ik zal voor u bidden, terwijl gij voor ons waakt, en mijnheer de Bisschop berichten, dat, hetgeen hij heeft moeten bevelen, zal opgevolgd worden.”

De krijgslieden groetten den met zijn bedekking terugkeerenden vicaris, en zagen elkander een oogenblik sprakeloos aan, waarna zij elkander in het kort hun gevoelens openbaarden. Daarna keerde Van Wilpen naar zijn volk terug, en weinige oogenblikken daarna verlieten de ruiters de plek, waar zij zoo lang hadden gestaan; maar hun aanvoerder had hun geen enkel woord toegesproken, hij had hun niet gezegd, wat men van hun dapperheid verlangde; zoo waren zij nog nooit met hem in den strijd gegaan, en even droevig en in zichzelf gekeerd als Van Schaffelaar was, was ook zijn bende, die hem stapvoets volgde. Wat Frank aangaat, ook hij had met leedwezen de bevelen vernomen, die de voorzichtigheid van den Bisschop gevorderd had; hij troostte zich echter met de gedachte, dat, hoewel Van Schaffelaar niet in de gelegenheid zou zijn, om zich tegenover Perrol te vertoonen, zooals het paste, zijn vriend nu ook niet gewroken zou worden, zonder dat hij er deel aan kon nemen. Zoodra het licht van den toren ook hier het teeken tot oprukken gegeven had, stelden zich de ruiterknechten van Van Schaffelaar in beweging, en trokken op het dorp aan. Frank, die gedurende de ziekte van den luitenant van zijn vriend, diens plaats vervulde, reed aan het hoofd der rijzige ruiters vr het voetvolk. Den weg langs de rivier volgend, hoorde hij nu en dan flauw het met stille trom voortrukkende voetvolk van Van Wilpen, aan de andere zijde van het water; doch toen hij bijna op de hoogte van Koten kwam, ontmoette hij iemand, die midden op den weg stond, en hem als het ware den doortocht verhinderde; en eer hij zag, wie het was, of zich van hem kon meester maken, riep Ralph, de schaapherder: „Terug! Terug Heer ruiter! Koten en de brug zijn reeds door Montfoort bezet; terug! Zie naar uw linkerzijde; de Zwarte Bende is afgetrokken en heeft den rooden haan in Dwarsdijk gestoken.”

Frank zag nu ook werkelijk de vlammen, die zich begonnen te vertoonen; hij reed naast Ralph, sprak een oogenblik met hem, drukte hem de hand, en nadat hij alleen een eind was voortgereden, overtuigde hem de pijl van een voetboog, die op hem werd afgeschoten, en gelukkig langs zijn borstharnas af gleed, zonder het te doorboren, dat de oude schaapherder de waarheid had gezegd, Ralph was echter reeds verdwenen, toen hij bij zijn volk terugkwam, en hun vol spijt gelastte om terug te keeren.

De volgende morgen vond Van Schaffelaar, in een ruimen mantel gewikkeld, onder een boom liggen, op dezelfde plaats waar de vicaris hem den vorigen avond gesproken had; zijn knaap zat niet ver van hem, en bromde gemelijk: „Mijnheer David zal wel tevreden zijn, dat alles zoo gemakkelijk is afgeloopen, en mijn heer, die Perrol zoo gaarne uitgeleide zou hebben gedaan, zooals ik zijn duivelschen luitenant, had zich waarlijk de moeite kunnen besparen om gisteren die vergeefsche boodschap naar den verrader te doen.

908SR15.gif (1832 bytes)

De Roode DraakInhoudopgave OltmansDe hinderlaag

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)