J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK I.

DE MAALTIJD

1. De Avond

Zij zwierven rond met kan en kroes
En hielden wakker vol,
En juilden van den woesten roes
En raasden even dol.
H.TOLLENS Cz.

H.gif (3137 bytes)et was den Bisschop zeer verdrietig, dat men te Utrecht bericht had ontvangen, dat een zijner bevelhebbers in de stad was gekomen. Hij mocht zich echter gelukkig rekenen, dat een van zijn getrouwste ruiterhoofden en dapperste leenmannen aan de handen van zijn ongehoorzame burgers was ontsnapt, hoewel hij nu, indien er al weer eenige beweging in de stad tot zijn voordeel mocht ontstaan, niet verwachten kon, dat zij een beter gevolg zou hebben dan de oploop, die reeds te voren door zijn vrienden, echter ietwat ontijdig, was bewerkt. Deze mislukte onderneming had zijn vijanden, zoowel als zijn partijgenooten voorzichtiger gemaakt, ja zelfs de inwoners van Utrecht hoe langer hoe meer van hem vervreemd door de brandstichtingen en plunderingen, welke de heer van IJsselstein, die op zijn last met het krijgsvolk tot aan de Bilt genaderd was, uit wraak over het mislukken van den aanslag, om de stad had laten ten uitvoer brengen.

Toch scheen er nieuwe hoop voor den vernederden Bisschop te flikkeren: want de Hollanders verzamelden eindelijk een leger, dat tegen Utrecht gebruikt zou worden. De Stadhouder liet bij loting veel volk van wapenen uit de Hollandsche steden en dorpen van het platteland oproepen, om onder zijn banier te dienen, wat hij echter in Zeeland tevergeefs beproefde. De watersteden en dorpen werden van deze lichting verschoond, maar belast, met hun schepen den toevoer over de Zuiderzee te beletten, en vooral den mond van de Eem met hun oorlogsvaartuigen gesloten te houden, tot groot nadeel van Utrecht en voornamelijk van Amersfoort.

De stadhouder begaf zich naar Gouda, en was nauwelijks aan het hoofd van de poorters van Rotterdam, Heusden en de omliggende plaatsen, of hij wijzigde U de regeering der steden. Reeds lang had den Hertog hem dat bevolen, en het U aantal gewapend volk, dat hij thans onder zijn bevelen had, gaf hem er nu gelegenheid toe; sindsdien wachtte hij nog slechts op het volk, dat hem nog ontbrak, en zoodra die van Delft, Dordrecht en ’s-Gravenhage zich ook bij hem gevoegd hadden, trok hij naar IJsselstein.

Van daar brak het leger op, en rukte naar Jutfaas, om het huis Vroonestein te overmeesteren, vanwaar men placht de seinen van het huis te Gheyn naar Utrecht over te brengen. Toen hem dit gelukt was, sloeg de Stadhouder het beleg voor het blokhuis aan de Vaart, en veel bussen en ander oorlogstuig werden door Maximiliaan daarheen gezonden, om het blokhuis tot de overgaaf te dwingen.

De Bisschop, die van dit alles onderricht was, werd tevens uitgenoodigd, om zich met zijn volk bij den Stadhouder te voegen; doch hoewel hij liet weten, dat hij zoo spoedig mogelijk met zijn beschikbare macht zou oprukken, toch maakte hij niet veel haast, om zijn belofte te vervullen, al was de maand October nog zeer geschikt om den krijg te voeren, en al liet het weer zich gunstig aanzien. Hij was bevreesd, dat die van Utrecht van de gelegenheid gebruik zouden maken, wanneer hij zijn steden en dorpen van hun bezetting beroofde, en had gehoopt, dat de stadhouder zijn macht tegen Utrecht gebruikt zou hebben, en niet tegen het blokhuis aan de Vaart, dat toch vanzelf in zijn handen moest vallen, zoodra Utrecht, de ziel van den opstand, bedwongen werd. Ook zou hij niet geaarzeld hebben aan de uitnoodiging van den Stadhouder te voldoen, als hij had kunnen vermoeden, dat men na het overmeesteren van het blokhuis verder iets zou ondernemen. Maar hij verwachtte dit niet, daar het Hollandsche leger, voor het meerendeel poorters der steden en ander volk, bij loting gelicht en tot den krijg gedwongen, gedurende den winter niet in het veld te houden zou zijn. Wel was het bezit van het blokhuis van veel belang, om Utrecht allen toevoer langs de Vaart af te snijden; maar het was hem bekend, dat de Hollanders sinds jaren op een gunstige gelegenheid loerden, om deze sterkte, die tegen hun wil was gebouwd, te slechten. Hiertoe had men, ruim een eeuw geleden, een van zijn voorgangers gedwongen zich plechtig te verbinden, hetgeen echter door den listigen kerkvoogd was uitgesteld, zoodat men hem er opnieuw met geweld toe had moeten dwingen, wat echter niet gebeurd was. Ook zij die de legerbenden van den Bisschop aanvoerden, gevoelden geen verlangen om zich hij een leger te voegen, waar hun nauwelijks het bevel over hun eigen benden zou overblijven, en zij de bevelen van den landvoogd en andere heeren zouden moeten nakomen.

In Utrecht zat men ondertusschen niet stil; men ontbood zooveel volk, als maar gemist kon worden, uit Amersfoort en Montfoort. Reeds had het geluid der losbarstingen van de zware bussen en bombarden, waarmee men het blokhuis beukte, de gemeente in Utrecht hevig verontrust en op het St. Jans-Kerkhof doen samenloopen; maar toen ook de ruiters van Amersfoort waren binnengerukt, en men wist dat er niet meer krijgslieden verwacht werden, begonnen de burgers te morren, dat men de sterkte, die de stad zooveel had gekost en zoo gewichtig voor haar was, zou laten veroveren, zonder een poging tot ontzet te doen. Toen men dus, op Vrijdagavond na St. Victor, van den Domtoren de noodvuren op het blokhuis zag branden, verzamelde de Burggraaf van Montfoort de regeering der stad, de voornaamste bevelhebbers der stalbroeders of rijzige ruiters, der ruiters of voetknechten, en de hoofdmannen der vierdedeelen, die aan het hoofd der gewapende poorters stonden, en de aanval op het Hollandsche leger werd besloten.

Den volgenden morgen was alles reeds vr het aanbreken van den dag in het geweer; de bekkens werden door de straten geslagen, en terwijl de klok geluid werd, verzamelden zich de burgers op hun hoefslagen, en de ruiters en de ter hulp toegesnelde mannen, uit den omtrek, op de plaatsen die hun aangewezen waren. Vandaar trok deze massa volks uit de stad; de rijzige ruiters vatten post langs de oevers van den Rijn, ongeveer waar de galg stond, en wachten er de voetknechten en burgers, die in de schuiten en schouwen traden, welke men hier bijeengebracht had, opdat de menigte volks, die te voet ging, zich niet zou verdringen, maar frisch en welgemoed op de plaats aankomen, waar men den vijand dacht te vinden.

Zoodra de Stadhouder vernomen had, dat de vijand tegen hem in aantocht was, schaarde hij zijn oorlogsvolk, en deed zijn veldslangen of lichte bussen, die op raderen lagen, naar de zijde richten, vanwaar hij den aanval verwachtte, en zond hun zijn stalbroeders tegemoet.

Nadat het volk uit de schuiten gestapt was, werd de Utrechtsche macht in drie slagorden verdeeld; de stalbroeders bliezen op bevel van Montfoort den aanval, snelden voorwaarts, en dreven de Hollanders terug. Toen liet de Stadhouder zijn bussen en veldslangen afvuren; maar zoo onhandig was men met deze vuurwapenen, dat de kogels meest alle te hoog werden geschoten. Een oogenblik dachten de Hollanders echter, dat de zege zich voor hen zou verklaren, want zij hielden een groote afdeeling krijgsvolk, die door het veld in aantocht was, voor het leger van den Bisschop, dat zich met hen wilde vereenigen. Maar toen de rijzige ruiters van deze bende hen aanvielen, en zij in hen hun vijanden herkenden, ontstond er een vreeselijke verwarring; een algemeene aanval der Utrechtschen volgde, en het Hollandsche leger, dat uit zooveel afzonderlijke hoopen volks was samengesteld, nam de vlucht, met achterlating van geschut en krijgsvoorraad. Het verlies aan dooden, gekwetsten en gevangenen was niet zoo groot, als het had kunnen wezen, indien zij niet na een dapperen weerstand het veld geruimd hadden; ook dreef een bende ruiters, die uit IJsselstein een uitval deed, de vervolgers terug; wat velen vluchtenden het leven of de vrijheid redde.

Na deze overwinning werd het blokhuis van een nieuwe bezetting voorzien en de gevangenen en krijgsvoorraad werden te scheep naar Utrecht gevoerd. De geheele krijgskas, en dus ook het geld, dat den dag te voren uit Holland was overgezonden, werd buitgemaakt, en de paviljoenen en tenten der bevelhebbers werden geplunderd en meegevoerd. De bussen, veldslangen en bombarden werden met hun toebehooren op de Neude gebracht en ten toon gesteld, en de veroverde vaandels en winipels, onder het vreugdegejuich van oud en jong, uit het keizerrijk gestolen. Zoo was aan dit leger, met zooveel moeite en kosten bijeengebracht, meer door de verdeeldheid en onwilligheid, die er heerschten, dan wel door de macht der Utrechtsche partij verstrooid, en het geld verloren, dat men in Holland met zulke strenge middelen had moeten heffen. Terwijl de Burggraaf van Montfoort met de zijnen, onder het gejuich der menigte en het luiden der klokken, zegevierend binnen Utrecht trok, kwam de Stadhouder, beschaamd over zijn nederlaag, binnen Schoonhoven, gevolgd door een vluchtenden hoop, zonder orde of krijgstucht, en waarvan slechts sommigen hun wapenen gered hadden.

908SR15.gif (1832 bytes)

Het was tegen den avond van den volgenden dag, dat de Burggraaf van Montfoort de aanzienlijkste heeren van het leger, en ook de voornaamsten uit de regeering der stad, verzocht had een maaltijd bij te wonen, dien hij ter eere van de overwinning wilde geven. Des morgens had men God in de kerken plechtig dank gezegd voor Zijn bijstand, en men was van plan, om op den dag, die aan St. Maarten gewijd was, de veroverde vaandels in processie van het Keizerrijk af te halen en in de Buurkerk boven het Onze Vrouwe koor, genaamd ter noodt Godts, op te hangen.

In de groote zaal van het Bisschopshof, bij de Domkerk, was de tafel aangerecht: vijf groote glasramen naast elkander verlichten gedurenden den dag deze zaal, welke met beschilderde ruiten prijkte, en door het licht dat in de zaal was, zag het volk, dat buiten het hof stond, de beelden, welke op de glazen waren voorgesteld. Dit was ook alles wat zij zien konden, en toch bleven zij; hoewel het buiten donker en koud was, hoorde men nu en dan hun gejuich en geschreeuw. Tegenover de ramen waren twee schoorsteenen, welker mantels zeer ver in het vertrek vooruitstaken, en door de frischheid van den Octoberavond en de grootte van de zaal moest men nu en dan geheele takkenbossen op de vuren werpen, die op de haardsteenen brandden.

Langs den geheelen wand der zaal was een bank, waarop een kussen lag, overtrokken met wit en rood laken, in afwisselende banen. Onder de lange tafel, die in het midden van de zaal stond, en vr of onder de schenktafels, lagen fraaie tapijten, te Utrecht vervaardigd. Een aantal zitbanken stonden om de tafel. De tafel was reeds gedekt met een fijn tafellaken, en voor elk der gasten stond een zilveren bord gereed, waarnaast een mes, een lepel en een vork lagen, terwijl het lemmer van het mes overdekt werd door een tweede tafelkleed of ammelaken, dat niet verder reikte dan tot aan de borden. Er lagen geen servetten of dwalen op de borden; ook stond voor niemand een beker of een schaal gereed, hetzij om de schenktafels niet van hun pracht te berooven, voordat het noodig was, hetzij dat men in die eeuw, toen het, als men vijanden had, soms gevaarlijk was uit een glas te drinken, dat men voor zich bestemd vond, dit uit voorzorg liever aan het toeval wilde overlaten. Op eenigen afstand van elkander, stonden op de tafel zilveren schalen, met kristallen bakjes, die een ster vormden, van welke zij elk een punt uitmaakten, die met zout, mosterd, Senegalsche peper, doorgesneden oranjeappelen, voor hen, die veel van zuur hielden, gestooten gember en kruiderijen gevuld waren.

De knechts van den Burggraaf, allen gelijk gekleed, droegen de spijzen op, en zetten die op de plaats, welke de hofmeester hun aanwees. Toen de tafel van al het noodige voorzien was, verlieten zij de zaal, en ook de hofmeester vertrok, nadat hij nog een laatsten blik op de tafel geworpen had, om zijn heer mee te deelen, dat alles gereed was. De zaal was door de vele lichten en de groote vuren op de haardsteenen goed verlicht. Het zilverwerk op de tafel en op de schenktafels schitterde, en de levendige kleuren, waarmede de wapenen der bisschoppen waren afgezet, deden de doodschheid van den eiken wand verdwijnen. St. Martyn zat vol luister te paard, en de heilige Willebrord en zijn drie opvolgers in het gebied over het Sticht, stonden daar plechtig, elk met zijn herdersstaf, terwijl de herder, die thans de kudde beschermen moest, ver van haar verwijderd was, en zijn weerspannige leenmannen en dienstplichtigen, in de zaal, door zijn voorgangers gebouwd, feest zouden houden... over het mislukken van een onderneming van zijn bondgenooten. Men hoorde niets in de groote zaal dan het knappen van het vuur en het geschreeuw en gejuich van het volk.

908SR15.gif (1832 bytes)

Een oogenblik, nadat de bedienden vertrokken waren, trad de Burggraaf van Montfoort de zaal binnen, en wierp een onderzoekenden blik over de tafel en langs den wand; een blije zelfvoldoening was in zijn oog te lezen, en een vroolijke, lachende trek vertoonde zich op zijn edel gelaat.

„Ik ben over u voldaan, Gijsbert, zei hij vriendelijk tot zijn hofmeester, die hem gevolgd was; „en indien onze Parijsche kok zich goed van zijn belofte kwijt, dan zal deze maaltijd den naam van Montfoort geen oneer aandoen.” De hofmeester boog, en de Burggraaf vervolgde op vroolijken toon tot hen, die de tafel zouden bedienen, en hem nu, fraai gekleed met rokken in de kleur van zijn wapen, eerbiedig voorbijtraden: „Houdt u deze avond goed, knapen en doet uw heer en zijn kleed, dat gij draagt, door onoplettendheid en dronkenschap geen oneer aan! Ik zal u gadeslaan, zoowel als meester Gijsbert, en belooning of straf gewordt u morgen reeds, zoo waar ik ridder ben! – Ga nu heen, meester en verzoek de gasten hier te komen, zeg hun, dat Jan van Montfoort hun komst verbeidt.

De hofmeester vertrok, eerbiedig groetend, en de Burggraaf zag met welgevallen om zich heen. Hij scheen vergeten te hebben, dat hij een som geld voor dit feest had moeten opnemen, en dat het misschien zijn hoofd zou kunnen kosten, als hij ten onder werd gebracht. „Ha,” zei hij halfluid, „hoe dikwijls hebben ik en mijn voorouders deze zaal betreden als genoodigden; maar nimmer gaf hier een der Montfoorten een maaltijd. En toch is heden de bloem der ridderschap en der burgers bij mij te gast.” Hij trad hierop naar de wijd geopende deur, terwijl vier pages achter hem, en ter weerszijden van iedere schenktafel vijf knechten, die de tafel bedienen moesten, eerbiedig wachtte.

Eindelijk naderde meester Gijsbert, zijn staf in de hand, en boog, toen hij zijn meester voorbijtrad, die blootshoofds en de linkerhand in de zij, in een bevallige houding, den groet beantwoordde der binnenkomende, die achter den hofmeester gingen en die de Burggraaf reeds in een ander vertrek had opgewacht, waar hun ook reeds wijn was aangeboden. De gasten, die allen prachtig gekleed waren, namen hun hoeden, mutsen of kaproenen af, toen zij den voet in de zaal zetten. De ridders gingen voorop, daarna de edellieden, voorts de bevelhebbers der soldaten en eindelijk de leden der regeering, elk naar den rang die hem toekwam.

Toen zij allen in de zaal gekomen en sommigen naar de ramen, anderen naar de vuren gegaan waren, haalde meester Gijsbrecht een papieren rol uit zijn gordel te voorschijn, begon de namen der aanwezigen op te lezen en wees met zijn staf de plaats aan, die voor hen bestemd was. Zij bleven allen achter hun zetel staan, en toen de Burggraaf, die nu ook zijn plaats had opgezocht, hierover verwonderd, hun zelf verzocht plaats te nemen, nam heer Sweer van Montfoort het woord en zei lachend: „Lieve neef, ziet gij niet, dat deze heeren geen plaats willen nemen, voordat gij gezeten zijt, die ons gisteren ter overwinning hebt geleid en ons nu het voorbeeld moet geven, op deze gerechten aan te vallen, die er zoo goed uitzien, dat de geestelijke heeren, die uit voorzichtigheid uw uitnoodiging hebben afgeslagen, te laat berouw zullen gevoelen over hun weigering.”

„Welnu, mijn heeren,” zei de Burggraaf en boog, „indien het zoo is, als mijn edele oom gezegd heeft, dan zal ik u ten strijde voeren; en ik beloof u een even gemakkelijke overwinning, als waarmee God en mijnheer St. Maarten ons gisteren hebben gezegend. Ik bid u, volgt mijn voorbeeld, omdat gij het zoo goed vindt.” Hij zette zich nu neer, terwijl zijn voorbeeld door al de heeren gevolgd werd.

Zoodra de gasten gezeten waren, traden de pages, knapen of dienaren der genoodigden binnen, allen in veelkleurig gewaad gekleed, voorzagen zich van dwalen of servetten, hingen die over den linkerarm, en plaatsen zich elk achter zijn meester, om hem te bedienen. Onderwijl had de hofmeester aan de tafeldienaars bevel gegeven om de bekers te vullen, die op zilveren schenkborden geplaatst, den gasten werden aangeboden. Toen zij de geheele tafel waren rond geweest, stond de Burggraaf op. Zijn edele gestalte, welke door de fraaie kleeding van goudlaken nog meer opgeluisterd werd, maakte hem waardig aan het hoofd te zijn van de sierlijk gekleede mannen, die om hem heen waren; hij hield een rijk bewerkte schaal in de hand en terwijl hij met zijn sprekend oog langs de tafel zag, zei hij met edele deftigheid:

„Mijne Heeren, ik wensch mij zelven geluk met mijn edele gasten, en met deze schaal heet ik u welkom aan dezen disch!” Hij ledigde de schaal, en al de tafelgenooten bogen, hieven hun bekers omhoog, en dronken, terwijl een zacht gemompel van goedkeuring zich hooren liet.

Terwijl de gasten met den avondmaaltijd een aanvang maakten, de deuren gesloten werden, gingen de mindere bevelhebbers van de poorters en soldaten en de overheden der gilden in andere vertrekken van het bisschopshof aanzitten. Het was een fraai gezicht, toen de maaltijd goed aan den gang was, de Burggraaf aan het boveneinde van de tafel, met zijn gasten aan zijn zijde en tot aan het andere einde daarvan te zien zitten. Al was er nog niet veel gedronken, toch heerschte er reeds een vroolijke toon, die alle stijfheid deed verdwijnen. Het gesprek dier prachtig gekleede mannen, het gestadig heen- en weergaan der pages en tafelbedienden, die met de wijnen toesnelden, welke de gasten begeerden, het gerammel der borden, bekers en schalen: dit alles verving de stilte, die hier te voren geheerscht had, en meester Gijsbert, die achter zijn heer stond, hield een waken en streng oog over hen, die onder zijn bevelen stonden. Het was een groote dag voor hem, die op de registers van zijn uitgaaf een groote plaats zou beslaan, en dien hij nimmer vergeten zou. Als de slagorde der schotels gebroken was, of de gasten de spijzen hadden doen verdwijnen, liet hij deze wanorde of leegte dadelijk herstellen en als een dapper veldheer, nieuwen voorraad aanrukken. Ook de buffetten ontgingen zijn oog niet, evenmin als de vuren en elke kaars langs den wand trok nu en dan zijn ook tot zich, om te zien, of zij, die daarmee belast waren, wel op het snuiten pasten.

Iedereen sprak met zijn naaste en overbuurlieden, en zelfs met degenen, die aan het andere einde der tafel zaten, over de overwinning van den vorigen dag, en de voordeelen die voor hen daaruit ontstaan zouden: zelfs zij, die de toekomst het donkerst inzagen, lieten niet na deel te nemen aan de vreugde van het oogenblik.

Eilieve, Heer Burggraaf!” riep Willem van Wachtendonck, die den vorigen dag vr het gevecht tot ridder geslagen was, „zeg mij eens, waar het zwijn vandaan gekomen is, waarvan ik den reusachtigen kop hier voor mij heb.”

„Vanwaar?” zei Montfoort lachend, ik weet het niet, Heer ridder. Ik ontving het ten geschenke: indien het spek van dien wildeman u aanstaat, laat u bedienen; daar aan het einde moet nog een hammetje van hem staan. Gijsbert!” riep hij en keerde zich om, maar Van Wachtendonck zei snel: „O, neen, ik dank u, gastheer. Ik heb mij reeds met dien schotel onderhouden, het was slechts een invallende gedachte; maar ik zie,” vervolgde hij lachend, „ik heb teveel gevraagd, het is een geheim.”

„Op mijn woord niet!” riep Montfoort vroolijk, „het is een wild zwijn en niets meer of minder.”

„Maar waar het geleefd heeft, mag ik niet weten,” zei de heer Van Wachtendonck, en terwijl hij een blik op den ridder Reijer van Broechuijsen wierp, die tegenover hem zat, vervolgde hij veelzeggen: „Maar ik kan het wel gissen; in het Kleefsche Wald wonen veel zulke heeren, en hertog Jan heeft goede jachtgezellen.”

„Neen, Heer Ridder,” zei Montfoort glimlachend, „de heer Reijer, die tegenover u zit, heeft te veel moeite gehad hier te komen, om zich met zulk een geschenk te belasten.”

„Ook geloof ik niet, mijne Heeren,” zei Reijer van Broechuijsen, die nu bemerkte dat men over hem sprak, „dat de wilde zwijnen in het Kleefsche Wald zoo groot en sterk zijn. Neen, Heer Van Wachtendonck, ik ben met leege handen gekomen.”

„Maar met goede tijding van den Hertog en jonkheer Engelbert, Heer Ridder, en dit was ons recht welkom,” zei de Burggraaf beleefd, en vervolgde vroolijk: „Nu, indien gij er meer van weten wil, Heer van Wachtendonck, en lust hebt, om eens op de jacht te gaan, vraag er dan uw buurman naar.”

„Ha, heeft die u het wildbraad geschonken? zei deze verwonderd, en wendde zich tot een, die in een eenvoudig, doch net, zwart kleed gehuld, naast hem zat, bezig was met een gedeelte van een hoen te eten. „Zeg mij eens, meester van Everding,” vervolgde hij, „hebt gij mij niet hooren spreken over dien wilde zwijnskop, die voor ons staat?

,Jk geloof ja, Heer Ridder,” antwoordde deze, terwijl hij een knecht gelastte hem een beker rooclen Rijnwijn te vullen, „en indien ik mij niet bedrieg, heb ik u er zelfs van zien eten.”

„Bij mijn ziel en mijn patroon, Heer Burgemeester!” zei de ridder, „hoe komt het dan, dat gij mij niet gezegd hebt, dat gij het aan den Burggraaf geschonken hebt? Ik ben er verwonderd over; waar hebt gij dat groote dier toch vandaan gehaald!”

„Ik, Heer!” riep de burgemeester verwonderd, en hij zette den beker neer, dien hij aan den mond gebracht had, „het is hedenavond voor het eerst, dat ik zijn kop zie; ik zweer u, bij St. Bernard en bij mijn ambt, dat gij u bedriegt”

„Meester van Everding weet niets van het everzwijn, Heer Burggraaf!” riep de ridder nu, die volstrekt scheen te willen weten, wat hij niet ontdekken kon; „niet waar, Burgemeester?” zei hij.

„Volstrekt niets, dan dat ik den kop zie; maar misschien weet Meester Willem Woutman er wel van,” antwoordde deze, en nam den beker op.

„O, gij hebt ook den verkeerde aangesproken, ik meende uw anderen buurman,” hernam Montfoort, die zich met Vincent van Swanenburg onderhield.

Messire Perrol,” zei nu de nieuwsgierige tot den hoofdman der Zwarte Bende, die aan zijn linkerzijde zat, „ik bemoei mij reeds een half uur om te ontdekken, waar het wilde zwijn geleefd heeft, dat thans zijn kop hier op de tafel heeft moeten leveren, en ik kan het niet te weten komen. Onze gastheer weet het niet, maar verwijst mij naar u, en mijn buurman de brave burgemeester heeft het zoo druk, dat hij mij nauwelijks te woord kan staan; indien het geen geheim is, verplicht mij dan door het mij te zeggen; ik ben een groot liefhebber van de jacht. ,.Het is in het minst geen geheim, Heer,” antwoordde Perrol vriendelijk, nadat hij beleefd gebogen had voor den ridder Sweer van Montfoort, met wien hij gesproken had, „en indien ik had kunnen raden, dat het u eenig genoegen kon veroorzaken, had ik het u wel gezegd, maar op mijn eer, ik was zoo druk in gesprek, dat ik niets van uw vragen gehoord heb. Gisteren laat in den avond ontving ik het zelf ten geschenke en zond het aan onzen gastheer, niet wetend, dat wij het hedenavond hier zouden aantreffen; het komt langs de Maas en is zeker in een der bosschen van Luik geschoten.”

„Zijt gij in de gelegenheid om de nieuwsgierigheid van onzen gast te bevredigen, Messire?” vroeg Montfoort lachend.

„Vrijwel, Heer Burggraaf,” antwoordde Perrol vroolijk, „het is een geschenk van mijn vriend Willem van Arenberg, die mij reeds lang beloofd had een stuk wildbraad te zenden.”

„Van den Graaf van der Mark?” vroeg Montfoort.

„Van denzelfden, hernam Perrol, en vervolgde lachend, terwijl hij om zich heen zag, want de meesten luisterden oplettend, toen hij den naam van zijn vriend noemde: „gij weet, men noemt hem gewoonlijk le Sanglier des Ardennes, en niet geheel ten onrechte.. Welnu, hij schreef mij, dat, daar hij mij niet kon bezoeken, hij mij zijn evenbeeld overzond; dat hij nog gezond en even sterk was als het wilde zwijn, toen het nog leefde, en hoopte, dat wij even spoedig met onzen Bisschop zouden klaar komen, als hij met dien van Luik; en zoo eindigde hij zijn brief: „gij zult spoedig vernemen dat den eerwaarden vader, Lodewijk van Bourbon, de buik is opengereten door het wilde zwijn van de Ardennen; want het heeft goede en sterke slagtanden.”

„De Ardennen zijn wat ver afgelegen,” zei de heer van Wachtendonck gemelijk, „jammer, dat wij hier nimmer het genoegen van zulk een wilde zwijnenjacht kunnen genieten.”

„Ik geloof u gaarne,” hernam Perrol, „maar een liefhebber moet zich niet door een kleinen afstand laten afschrikken; als gij eens jachtlust gevoelt, Heer Ridder, dan geef ik u een brief mee aan mijn vriend Van Arenberg, die even gedienstig voor zijn vrienden, als lastig voor zijn vijanden is.”

„Maar schreef hij u niets bijzonders van zijn bemoeing met den Bisschop, Messire?” vroeg Hendrik van Nijveld.

Hierop werd het gesprek weer algemeen en men onderhield elkander over de Luiksche zaken, in verband met den wapenstilstand, dien Maximiliaan met Frankrijk gesloten had, over de aanstaande komst van Jonkheer Engelbert, broeder van hertog Jan van Kleef, dien men verzocht had den rang van voogd van het bisdom op zich te nemen; en Hendrik van Nijveld, dien den vorigen had geweigerd had zich tot ridder te laten slaan, liet zich herhaalde malen in hevige bedreigingen en schimpredenen tegen den Bisschop David uit.

908SR15.gif (1832 bytes)

Toen het eerste gerecht was afgeloopen, werden de schotels op bevel van den hofmeester weggenomen, het bovenste tafellaken van de tafel gelicht, en het tweede of laatste gerecht opgedragen.

Terwijl deze verandering van gerechten plaats had, waren eenige lieden bezig geweest, om uit de deuren de schenktafels een menigte wapenrustingen in de zaal te dragen en op de groote bank te plaatsen, die rondom den wand liep: strijdbijlen en hamers of strijdkolven, zwaarden, degens, voet- en handbogen werden aan de spijkers opgehangen, die men reeds van te voren in het eiken beschot geslagen had, en een aantal vaandels, waaronder men de banieren van de steden Dordrecht, Delft, Rotterdam en Heusden opmerkte, werden bij de ramen in daartoe bestemde ijzeren oogen vastgemaakt. Het in de zaal brengen en neerzetten van deze wapenen, geschiedde met zooveel orde, en zoo zacht, dat slechts weinigen der gasten bemerkten, dat er iets bijzonders voorviel, en deze bewaarden nog ten gevalle van den gastheer het stilzwijgen; het gesprek aan de tafel was ook zoo levendig, en er waren zooveel knapen, pages en tafeldienaren in de zaal, dat dit niet te verwonderen was.

Toen alles gereed was, verzocht de Burggraaf den gasten, hun bekers te laten vullen, waarna hij opstond; zij, de achter de tafel stonden, traden op een wenk van meester Gijsbert naar de einden van de zaal. Montfoort boog en zei toen met vuur, terwijl hij zijn drinkschaal omhoog hief:

„Nog eens, edele Ridders, edele Heeren en welgeboren mannen, heet ik u welkom aan dezen disch en breng u dezen dronk toe ter eere van het Sticht en onze overwinning. Laat uw oog gaan langs den muur van deze zaal, die nimmer met edeler versierselen prijkte! Want hij draagt de rustingen en de wapenen van hen, die door uw moed verjaagd of verslagen zijn; en de banieren der steden, die, door den landvoogd van den Oostenrijker gedwongen, de wapenen tegen u hadden aangegrepen, wapperen, door uw dapperheid vermeesterd, boven onze hoofden. Ik drink dus ter eere van onze overwinning, en dat wij altijd mogen zegevieren!”

De gasten, de, met hun bekers in de hand, allen bijna op hetzelfde oogenblik waren opgestaan, hoorden zijn woorden met geestdrift aan. Toen hij zweeg, hieven zij de bekers boven hun hoofden, en riepen luid: „Hoezee! Leve Utrecht! Leve de overwinning! De Hoekschen boven! Leve Montfoort! Hoezee! Voor het Sticht en St. Maarten!” en ledigden de bekers tot den bodem.

Een vreugdegeschreeuw, aangeheven door het volk, dat nog buiten verzameld was, beantwoordde het gejuich der gasten, die zich omwendden, en trotsch op hun zegepraal en verhit door den reeds gedronken wijn, met oogen, die van moed en geestdrift schitterden, de wapenen en banieren beschouwden, die op den vijand veroverd waren. Terwijl zij den arm dreigend naar de zegeteekenen uitstrekten, riepen zij nog eens driemaal: „Hoezee!” Toen liet de stem van Vincent van Swanenburgh zich boven allen hooren, en riep: „Mijne Heeren, het zij mij veroorloofd een dronk in te stellen!” Hij vervolgde gebiedend: „Op, knapen en pages! Op, knechten! Vult de bekers,” en toen er aan zijn bevel voldaan was, en deze weer terugtraden, riep hij, terwijl aller oogen op hem gericht waren: „Mijne Heeren, ik drink op de gezondheid van onzen gastheer! Altijd zij zijn huis gelukkig, altijd zijn banier overwinnaar! Heer Burggraaf, zoo zij het!” en terwijl hij boog, dronk hij. „Hoezee! Montfoort! Dat hij leve!” riepen de gasten met drift en ledigden de volle bekers. Deze boog met edelen zwier, en daar zijn dankbetuiging door het gejuich van zijn gasten niet kon worden gehoord, bedankte hij hen, door met zijn hand te wenken en haar op zijn borst te leggen, terwijl hij dronk.

Nu ging men weer zitten om het tweede gerecht eer aan te doen, en de wijn werd weer met volle bekers en schalen gedronken; het gesprek en gejuich werden hoe langer hoe levendiger. Allen zwegen echter, toen Montfoort opstond en zeide:

„Mijne Heeren en dappere vrienden, ik verzoek u op te staan en uw bekers te laten vullen voor den dronk, die wij zullen doen.” De pages en knechten naderden om te schenken, en de gasten wachtten allen staande, op wat de gastheer zou zeggen.

„Mijne Heeren,” zei Montfoort plechtig, „wanneer men een rechtmatige zaak voorstaat, zooals wij, en met zwakke krachten moet kampen tegen geweld en overmacht, dan, mijne Heeren, doet het goed aan het hart van ieder braaf man, dat men bijstand en genegenheid vinden mag. Zoowel de goede Heere God en Zijn uitverkorenen, als de menschen, hebben ons niet verlaten! De hulp van God heeft ons gisteren klaarblijkelijk de overwinning doen behalen, welke de bijstand onzer vrienden ons met hun armen heeft helpen bevechten. Dezen morgen hebben wij den Hemel en mijnheer St. Maarten geknield onzen nederigen dank gebracht; thans zullen wij, met den beker in de hand, de gezondheid drinken van den geduchten heer, onzen goeden vriend en bondgenoot, zijne majesteit Lodewijk den Elfde, koning van Frankrijk. – Messire Perrol, dat hij leve!” De Burggraaf knikte met het hoofd naar Perrol, die boog, en de gasten riepen: „Dat hij leve! Leve onze bondgenoot!” dronken, en gingen weer zitten. Een hunner echter, die schuin tegenover den vreemden ruiterhoofdman zat, bracht wel den beker aan zijn lippen, maar zette hem half geledigd weer neer, hetzij de ingestelde gezondheid den heer Coene van Baerbergh niet aanstond, of dat hij reeds te veel wijn gedronken had, wat men misschien mocht veronderstellen, als men de roodheid en verhitheid van zijn gelaat in aanmerking nam, Perrol vestigde eenige oogenblikken zijn vorschenden blik op hem, maar daar de jonge edelman met zijn buurman, Steven van Zuijlen, in gesprek was, zag hij niet, dat men op zijn gedrag had gelet.

„Mijne Heeren en waarde tafelvrienden,” zei Perrol los weg, en met een aangename stem, „de edele ridder, aan wiens tafel wij gezeten zijn, heeft de oplettendheid gehad mijn edelen en geduchten meester te gedenken; mag het mij vergund zijn, hem en u voor uw welmeenende wenschen dank zeggen, te drinken op de gezondheid van de nieuwe ridders, die hier zijn aangezeten, en op alle dappere verdedigers in het algemeen van de rechtmatige voorrechten uwer landen stadgenooten? Leven de ridders en alle dapperen, mijne Heeren!”

Zijn dronk werd met gejuich ontvangen, en andermaal werden de bekers geledigd, en de vroolijkheid begon hoe langer hoe luidruchtiger te worden: ofschoon men aan Perrol nooit had geweigerd bescheid te doen, niet kon bemerken, dat hij iets gedronken had.

Nog zeer vele dronken werden er uitgebracht; bij voorbeeld: mijnheer St. Maarten, de Hoekschen, de hertog van Kleef, jonkheer Engelbert, Utrecht, Amersfoort, Montfoort, de regeering, de schutterijen, de poorters enz., zelfs kreeg de Zwarte Bende ook haar beurt, en Perrol merkte op, dat de heer Van Baerbergh ook toen een vijand van het edele druivenat scheen te zijn. Hij glimlachte, en zag met medelijden naar den jongen man, want hij begreep, dat deze vertoornd was op hem, omdat Montfoort, Perrol, in plaats van Van Baerbergh, den beslissenden aanval op den Stadhouder had laten doen. Hij was echter te listig en te geveinsd, om zich hierover openlijk beleedigd te toonen, en daar niemand anders de minachting van den halfbeschonken edelman bemerkte, zweeg hij, maar hij zwoer in zijn hart wraak te nemen over dezen hoon.

„Maar waarom, Messire, hebt gij op onze gezondheid gedronken?” vroeg de heer Van Swanenburgh, die ook den vorigeri dag tot ridder geslagen was, „daar gij geweigerd hebt, om zelf ridder te worden?”

„Evengoed Heer, hadt gij deze vraag aan Mijnheer van Nijveld kunnen doen,” zei Perrol lachend.

„O, wat mij betreft,” riep Hendrik van Nijveld met vuur, „ik heb een duren eed gezworen geen ridder te worden, voordat ik den gehaten bastaard gedood, of voor altijd verdreven heb van zijn bisschopsstoel; maar gij hebt dat niet gezworen.

„Op mijn eer, Heer,” antwoordde Perrol vroolijk, „ik heb zooveel haat niet tegen den geestelijken heer, onder wien ik genoodzaakt ben geweest eenigen tijd te dienen, en die mij waarlijk hooger achtte, dan hen, die hem trouw waren! Ik zou dus om dien Bisschop de eer niet van de hand gewezen hebben om door den edelen Burggraaf tot ridder te worden geslagen.”

„En wat bewoog u dan, Messire, om ons verzoek af te slaan?” vroeg Montfoort, die zich in het gesprek mengde.

„Op mijn eer en bij mijn banier, edele gastheer,” antwoordde Perrol, „ik u kunnen zeggen, dat ik er nooit eenig belang in gesteld heb, om deze waardigheid te verkrijgen, maar ik had zeker niet kunnen nalaten om van deze gelegenheid gebruik te maken; doch de edele vorst, dien ik dien, heeft mij toegezegd, dat hij mij bij de eerste gelegenheid met de ridderlijke waardigheid zou vereeren, en het is om hem niet voor het hoofd te stooten, dat ik gisteren heb moeten weigeren om door uw hand tot ridder geslagen te worden.”

Terwijl dit gesprek werd voortgezet, tikte Coene van Baerbergh vrij onzacht met zijn mes op den rand van zijn bord, en verzocht iedereen om zijn beker te laten vullen, en daar hij dronk ter eere van de edele vrouwen en jonkvrouwen van het Sticht en alle lieve vrouwen en meisjes, was het niet te verwonderen, dat men hem met een vroolijk gejuich bescheid deed.

„Meester Baernt van Everding!” riep nu Gerard van Zoudenbach tot zijn ambtgenoot, die schuin tegenover hem zat, „eilive, heb de goedheid Messire Perrol te verzoeken u dien schotel met roffioelen eens aan te geven.

„Met genoegen,” antwoordde de burgemeester; doch voordat hij het verzoek aan Perrol deed, vatte deze den bedoelden schotel reeds aan, en zeide: „O Ridder Van Wachtendonck, geef deze lekkernij eens aan uw buurman, dan kan hij den braven meetser Zoudenbach bedienen; ik moet u zeggen, dat het gerecht zijn smaak eer aandoet.”

„Dan zullen deze kruidkoeken u zeker niet bevallen, Messire,” hernam Zoudenbach vroolijk, „mag ik de eer hebben u dezen schotel als plaatsvervanger te doen toekomen?” Toen de schotel vr Perrol was neergezet, en hij de koekjes geproefd had, riep hij: „Op mijn eer, Burgemeester, dat is lekkere waar, het is een knappe kok, de ze gebakken heeft, of ik weet er niets van.

„Het is geen kok, Messire,” zei Baert van Everding, „het zijn de nonnen van Oostbroek, die deze beide gerechten vervaardigd hebben; daar ginds vr meester Groeneveld staan er nog meer, als zij u bevallen, de nonnen zijn er voor beroemd.”

,.Bij alles wat lekker is,” riep Perrol lachend, „ik had het moeten proeven, dat hemelsche maagden alleen zulk lekker gebak konden bereiden. Bij mijn ziel, mijne Heeren, indien ik in staat was om genoeg Latijn te prevelen, zou ik de pij aandoen, om biechtvader van zulk een lekker klooster te worden. De vingers die zulke lekkernijen gekneed en gekruid hebben, moeten schoon zijn; helaas, waarom zijn de lieve nonnen niet hier, ik zou haar dankbaar de handen kussen.” „Gij schijnt geen vijand van vrome zusters te zijn,” riep Vincent van Swanenburgh vroolijk; „zeg eens, Messire, gij hebt zeker in Frankrijk of elders wel eens een vrouwenabdij of nonnenklooster berend, of een onschuldige non door liefdesverklaringen het hemelsche voor het aardsche doen vergeten.”

„Bij mijnheer St. George, dat is wel eens gebeurd, Heer Ridder,” antwoordde Perrol lachend, „maar op mijn eer, zij verdienen zelden, dat men eenige moeite om haar doet; er zijn meer oude dan jonge bloemen in een kloostertuin; geloof mij vrij en het heeft heel wat moeite in, die lieve zusjes te zien en te spreken. Indien de god der liefde met u is, en u er een doet ontdekken, die de moeite en uw liefde beloont, dan loopt gij nog gevaar, om, als het ontdekt wordt, de geheele geschoren wereld op uw hals te krijgen. Want de nonnen en abdissen zijn jaloersch, mijn Heeren! En, bij vrouw Venus, men kan toch niet op een geheel klooster verlieven; ternauwernood kan een vetgemeste paap, die niets anders te doen heeft, het er uithouden.”

„Gij wilt ons doen gelooven, Messire,” zei Coene van Baerbergh spottend, „dat er geen lieve nonnetjes zijn, maar bij St. Agnes, dan moesten wij het niet beter weten! Mogelijk is het u nimmer gelukt haar oog tot u te trekken.”

„Ha! Ha!” lachte Perrol en zag met medelijden naar den jongeling, „gij hoort het, mijne Heeren! De Heer van Baerbergh beschouwt mij als te ellendig om het hart van een kloosterduifje te verschalken; op mijn eer, hij denkt, dat wij beginnen te leven evenals hij.”

„Welnu,” riep Hendrik van Nijveld, „vertel dan eens wat, Messire Perrol, en wij zullen gelooven, dat gij een schrik van vrouwenkloosters en abdijen geweest zijt, en op uw gezondheid drinken.”

„Vertellen, ha, dat is niets,” zei van Baerbergh, en ledigde zijn beker; „Messire Perrol komt van verre landen: wie zal het onderzoeken?” en hij vervolgde lachend, terwijl hij den beker in de hoogte hield: „Schenk, wij moeten drinken op de gezondheid van het hoofd der Zwarte Bende!”

„Stil, Heer Coene,” zei Steven van Zuijlen, die naast hem zat, „maak geen twist; wij zijn immers bij elkander om vroolijk te zijn.”

Juist toen Reijer van Broechuijzen, zoodra zijn buurman van Baerbergh zich stilhield, een verzoek aan Perrol wilde doen, stond de Burggraaf op, en zei: „Edele Heeren en waarde vrienden, de eer, welke gij mij aangedaan hebt door dezen maaltijd met uw bijzijn te vereeren, zal door mij nooit vergeten worden; moge de vriendschapsband, welke dezen avond als het ware nog nauwer is toegehaaald, ons nog sterker en onoverwinnelijker maken. Veroorloofden de plichten, welke velen uwer te vervullen hebben, hun langer aan dezen disch te vertoeven, op mijn eer, hun gezelschap zou mij veel waard zijn, om hen te laten gaan, maar het welzijn van de stad en de brave burgerij verbiedt mij de daad van maatschappelijk geweld. Ontvangt dan nogmaals mijn dankbetuiging, en drinken wij nog eens, edele Ridders, edele Heeren en welgeboren mannen, op de door ons bevochten zege.” Toen hief hij den beker op en riep: „Zege! Zege! Weg met den Bisschop en zijn aanhang! Utrecht boven!”

Driewerf werd deze kreet door de gasten aangeheven, waarna zij opstonden.

„Wat u betreft, die niet genoodzaakt zijt u te verwijderen, mijne Heeren,” riep Montfoort, „ik bid u, vertoeft nog een oogenblik, indien u het onthaal, dat gij ontvangen hebt, ten minste niet heeft afgeschrikt.”

De meeste regeeringspersonen, zoowel als de overste hoplieden der schutterij namen van Montfoort en de overige gasten afscheid, en verwijderden zich. Sommige edellieden, waaronder heer Gerrit van Nijveld, die den geheelen avond het woord niet tot Perrol gericht had, voornamelijk de bejaardsten, volgden hun voorbeeld, en toen zij vertrokken waren, noodigde Montfoort de gasten, die hem niet verlaten hadden, weer uit om plaats te nemen. Van de tafel was in dien tusschentijd het tweede gerecht, zoowel als het tafellaken afgenomen, en zij die vertrokken waren, hadden, evenals zij die bleven, hun handen gewasschen in de bekkens, die men hun had aangeboden en afgedroogd aan de dwalen of servetten. „Ik dank u, mijn vrienden, dat gij mij niet verlaten hebt,” zei Montfoort vroolijk; „laat u naar welgevallen schenken, nagel- en peperwijnen, hippokras of gewarmde wijnen; drinkt hetgeen u aanstaat; ik hoop maar, dat meester Gijsbert, zoo laat op den avond zijn behaalde goedkeuring niet verliezen zal. Ziet, daar komen al reeds de kaarten; die geld te veel heeft, kan nu wat verzeilen, of met een ander spel verspelen; men heeft gezorgd voor teerlingen, en met het verkeerdbord en een vroolijk onderhoud hoop ik, dat gij u niet zult beklagen, dat gij gebleven zijt.” „Leve onze gastheer!” riepen zij allen, toen de quaerten, de taerningen en hetquaeckbord op de tafel werden gezet, en de meesten gespten dadelijk de beurzen los, die aan hun gordels hingen, of vroegen hun geld aan hun pages of knapen. „Leve de vreugd,” zei Reijer van Broechuijsen, terwijl hij een der leeren zakjes opende, waarin de dobbelsteenen waren, en deze in den beker deed. „Heer Van Wachtendonck, ik wil mijn geluk eens tegen u beproeven, ik heb nog wat goede munt meegebracht, al heb ik geen wilde zwijnen meegenomen.”

„Het is goed, ik wil het wagen; maar voor den duivel,” zei deze lachend, „die meester Van Everding zag mij aan, alsof een burgemeester geen wild zwijn ten geschenke kon geven.

„En toch zal hij er wel een in zijn wapen hebben, ha! ha!” hernam de andere. „Maar waarom spelen wij?”

Gedurende eenige oogenblikken hoorde men niets dan het geluid der dobbelsteenen en den klank van het geld of het gesprek der spelers.

„Heidaar, Messire! Messire Perrol!” riep Coene van Baerbergh nu luid, en men kon aan zijn stem hooren, dat hij reeds niet weinig gedronken had, „waar blijft de geschiedenis van de schoone non van...... van...... Nu, verhaal eens, als ge durft!”

„Durft!” riep Perrol lachend, en Hendrik van Nijveld zei luid: „Ja, komaan, Messire, laat u niet langer bidden; wij zijn geheel gehoor, en onze beste vriend Van Baerbergh kan anders niet rusten.”

„Waarom niet liever eens met de steenen geworpen,” merkte Perrol op, „ik ben bestemd om te drinken en te spelen; maar dat is ook al.”

„Nu, wilt gij ons niets van uw kloosterliefjes verhalen?” zei Willem van Wachtendonck glimlachend, „welnu, Messire, draag dan iets anders voor, al was het ook maar een liefdesgevalletje met een heidensch meisje.”

„Leven de heidensche deerns met hun zwarte oogen! Zoo leelijk als zij in hun ouderdom zijn, zoo lief zijn zij in hun jeugd. O ja, Messire! Voldoe aan het verzoek van den ridder,” riep Jan van Middachten en dronk.

„En wat zijn dat voor lieve kinderen, die den heer van Middachten zoo vuur doen vatten?” vroeg Perrol vroolijk.

„Hij spreekt van heidens, gij kent dit gespuis immers wel, Messire?” zei Montfoort lachend, terwijl hij aan heer Reijer, die nu met hem speelde, twee goudstukken betaalde, „hij bedoelt de Bohmiens, begrijpt gij het nu?”

„O, ja, Heer Burggraaf,” antwoordde Perrol; hij scheen zich een oogenblik in zijn gedachten te verdiepen, en draaide den beker, dien hij in de hand hield, rond. Toen riep Coene van Baerbergh: „zal het nog noodig zijn, om u den naam van dat volk in meer talen te zeggen? Want gij......”

„Neen, Heer!” riep Perrol driftig en viel hem in de rede, „ik dank onzen edelen gastheer voor zijn inlichtingen, en heb die van u niet noodig.” Hij wierp een vertoornden blik op den edelman; daarna gaf hij zijn beker aan Vidal, die achter hem stond en zei stroef: „Vidal, vul hem met hippokras.” Toen deze, die geheel in rood laken gekleed was, zich gehaast had aan zijn bevel te voldoen, keerde hij zich tot de gasten en zei vroolijk: „Op uw gezondheid, mijn vrienden, ledig ik dezen beker, en zal u trachten genoegen te geven; maar ik bid u, onthoudt toch wel, dat gij mij dwingt om iets te verhalen dat u misschien in slaap zal doen vallen; beproeft dus uw geluk tegen elkander, terwijl ik spreek, indien uw oogen dan toevallen, draag ik er niet alleen de schuld van.”

Hierop dronk hij; sommigen volgden zijn raad op, en hij begon, met zijn arm op de tafel geleund:

„Het volk, dat gij dan hier heidens noemt, is waarlijk niet oneigenaardig, want het zijn verdoemde heidenen, die even weinig eerbied hebben voor mijnheer St. George en de heilige jonkvrouw Maria, als voor eens anders eigendom, heet in Itali Zingari; gij ziet, dat wij er van onderricht zijn,” zei hij lachend, wierp een blik op heer Coene, en vervolgde: „Indien ik al onder de meisjes van de onderscheiden heiden-benden, die ik in Frankrijk, Spanje of Itali gezien heb, er eenige heb aangetroffen, welke mij door haar vurige kussen en omhelzingen eenige geldstukken gekost hebben, toch kan ik verklaren, Heeren, dat er maar n geweest is, die ik bemind heb. O, indien gij haar gezien hadt, gelijk ik haar het eerst zag, gij zoudt haar, evenals ik toen deed, geheel uw hart geschonken hebben. Zij was niet groot, maar gezet; iets, wat mij hier in uw vrouwen en meisjes ook bevalt, maar haar gestalte was zoo welgemaakt, haar bewegingen waren zoo vrij, zoo los en ongedwongen, dat alleen de Oostersche schoonen haar konden evenaren. De heer van Middachten sprak van zwarte oogen, o, schooner zijn er zeker niet, dan de natuur haar geschonken had. Maar waartoe zou ik u meer verhalen? Gij zoudt mij niet gelooven, alleen wil ik u zeggen, dat zij niet zoo blank was als sommige vrouwen in deze landen. Zij was bruiner, maar even zacht, ja, nog zachter vel, vergeef het mij, mijne Heeren; ik kan niet tegen mijn hart spreken, zij was schooner; haar bezit beloofde meer genot dan van uw vrouwen. Een rijke, adellijke vrouw had het meisje in haar jeugd tot zich genomen en laten onderwijzen en doopen, maar haar toch de kleederdracht laten behouden, waarin de heldensche meisjes verschijnen, als zij bij de grooten des lands hun dansen uitvoeren. De eerste maal, dat ik Ganita zag, was op een morgen, toen zij haar meesteres naar de kerk vergezelde. O haar houding, haar gang waren zoo bevallig, haar hoofd en haar boezem zoo schoon en edel, en tevens zoo wellustig, dat mijn jeugdig hart op eens overmeesterd werd. Ik zwoer niet te rusten, voordat zij de mijne was, en vervolgde haar sedert dat oogenblik; maar helaas, zij lette niet op mijn gebaren en oogenspraak, waarmee ik haar mijn liefde trachtte bekend te maken. Meermalen trachtte ik in het vervolg haar op straat of in de kerk aan te spreken, doch vergeefs; wilde ik niet alles wagen, dan moest ik geduld hebben; Ganita was doof voor mijn liefdesbetuigingen; zij scheen van steen. Eindelijk was ik op het punt om alles op het spel te zetten, toen ik vernam, dat de edelman, in wiens huis zij opgevoed was, een groot feest zou geven, waarop de gasten gemaskerd zouden komen, en waartoe de uitnoodigingen waren rondgezonden. Doch eer ik vervolg, mijne Heeren, moet ik u nog zeggen, dat ik tot nog toe slechts verkleed gewaagd had in de stad te komen, waar zij woonde. Vier uren verder en over de grenzen van het kleine gebied, lag mijn ruiterbende, en de twee staten waren elkander vijandig, maar ik verachtte het gevaar; haar te zien en te spreken was het verlangen van mijn hart. Met eenige van mijn ruiters langs zijwegen genaderd, gelukte het mij een der genoodigden en zijn geleide te overvallen; ik ging in zijn plaats, vertoonde de uitnoodiging en zette mijn voet in de feestzaal, terwijl hij, dien men verwachtte, gevangen werd gehouden. Te midden van het gewoel der gemaskerden, van al die pracht van kostbaarheden en zijde, schitterde door het licht van ontelbare waskaarsen, zag ik alleen haar, die ik beminde. Was het een toeval of de wil van haar meesteres? Ik wist het niet: zij alleen droeg geen masker. O, haar gelaat was zeker te schoon om het te verbergen. Te midden dus van de bevallige vrouwen, die mij aanspraken, mij aanraakten met hun schoone armen, welke veelal onbedekt waren, die tegen mij aangedrongen werden, zij die veelal ternauwernood een fijn en doorschijnend kleed droegen, om haar edele leest te laten bewonderen, te midden, mijne Heeren, van deze van vermaak dartelende menigte, zag ik alleen n vrouw; het was Ganita! Helaas, vergeefs trachtte ik haar te naderen; eerbiedig stond zij achter den zetel van haar meesteres; maar zij die mij omringden, lieten mij geen rust; want het onzalige kleed, dat de edelman, wiens plaats ik had ingenomen, gekozen had, was dat van een toovernaar. Vergeefs trachtte ik mij met mijn tooverstaf ruimte te maken, iedereen viel mij met vragen lastig en luid beklaagden zich de schoone nieuwsgierigen over mijn domheid of onbeleefdheid, want ik kon en durfde niet antwoorden, en toch zou ik den meesten vrouwen gaarne met een kus den mond gesloten hebben.”

„Gij maakt niet veel haast, Messire,” zei van Baerbergh, en glimlachte spottend, „en dat voor een ruiter: dat is een lange liefdeshistorie. – Heer van Lanskroon, het is uw beurt om te werpen.

„Vervolg, Messire,” zei Hendrik van Nijveld snel, „gij zult er ons mee verplichten.”

„Vidal!” riep Perrol, zoodra van Baerbergh sprak: en toen deze zijn beker gevuld had, dronk hij en vervolgde: „Met vermaak, mijne Heeren, een verwaande zot zou in mijn plaats dadelijk Ganita opgezocht hebben; niets was gemakkelijker dan dit; maar hoe kan men zonder opzien te verwekken, een dienstmaagd in groot gezelschap aanspreken, als men door een aantal vrouwen vervolgd wordt? Hoe zou het mogelijk geweest zijn haar mijn liefde bekend te maken onder het oog van haar meesteres? Maar tot mijn geluk vereerde de vorst den gastheer met een bezoek en mijn aanbidsters of liever kwelduivels lieten mij alleen. Het gedrang in de zaal vermeerderde, en ik bevond mij aan haar zijde. Ik behoef u niet te verhalen, wat ik haar zei: ik beminde haar met drift; ik behoefde de woorden niet te zoeken of liefde te veinzen. Zij sidderde, zoodra zij mijn stem hoorde en verbleekte. O, toen was ik zoo gelukkig en ik begon te hopen; ik vatte haar hand, alsof ik haar toekomstig lot wilde voorzeggen, en terwijl ik ze zacht drukte, bekende ik haar onstuimig, doch teeder, mijn liefde. Haar hand beefde en terwijl zij zich vooroverboog, draaide zij mijn hand om en zag er in. – „Wat! Zag zij er in? Was zij zoo gelukkig? vroeg Heer Coene lachend. Perrol wenkte zijn knaap om hem te schenken.

„Zwijg toch, Heer van Baerbergh!” riep Willem van Wachtendonck gemelijk. „Voor wien?” vroeg de edelman luid, en met Perrol met zijn oog, dat door den wijn en de kwaadheid vuurstralen schoot; maar juist toen het hoofd der Zwarte Bende zijn stilzwijgen wilde verbreken, en de mond zou hebben gesproken, die door woede krampachtig tezamen werd getrokken, zei de Burggraaf, die opzag, vriendelijk: „Voor wien, Heer Baerbergh? Maar ik denk immers voor het geheele gezelschap; Messire Perrol spreekt toch op ons verzoek. – Mag ik u verzoeken voort te gaan, waarde gast,” eindigde hij beleefd tot dezen.

Perrol boog en vervolgde: „Zij zag door een kennis, welke alle vrouwen van haar stam aangeboren is, aan de lijnen, die in mijn hand waren, wie vr haar stond. Zij weerhield met moeite een gil van angst en verwondering, en zei met een doffe stem, terwijl zij mij verschrikt aanstaarde: „Gij zijt Perrol! Gij!” Ik ben Perrol, Ganita, hernam ik terstond; o, waarom kan ik ook niet in uw hand lezen, of gij mij bemint. Toen toonde zij zich bezorgd voor mijn leven, en zij beefde als een riet. O, ik las in haar hart, dat zij mij beminde, en lachte om haar vrees. Maar zij deed mij iemand opmerken, die in een prachtige, oud-Romeinsche dracht gekleed was, en ik weet niet welken Romeinschen held voorstelde; de onbekende sloeg ons gade en zijn hand rustte op zijn zwaard. Ik vroeg, waarom zij voor hem bevreesd was, en zij antwoordde mij, dat het de zoon van haar meesteres was. „Hij haat u,” vervolgde zij, „en ofschoon hij niet kan vermoeden, dat gij hier zijt, is hij toch in staat u te beleedigen en uw masker af te rukken; want ook hij bemint mij.” „En gij, Ganita?” vroeg ik toen. Zij schudde het hoofd en zei: „Hem, neen, ik bemin hem niet; maar vertrek, vlied, voordat het te laat is! Hij is moedig en woest, als hij nadert, zijt gij verloren!” Wat zal ik u meer zeggen, mijne Heeren. Ik wilde mij niet verwijderen, tenzij zij mij een onderhoud in den tuin wilde beloven, zoo zich daartoe gedurende den nacht de gelegenheid aanbood. Zij weigerde; maar toen mijn medeminnaar naderde, beloofde zij het mij; aan hem had ik dit geluk te danken, en ik verdween onder de menigte.

„Twee uren daarna zag ik, hoe zij zich van haar meesteres verwijderde, die naast den vorst door de verlichte lanen van den tuin wandelde. De vervloekte Romein ging met zijn vader achter den vorst; op het oogenblik, dat hij op een vraag van dezen antwoordde, verdween Ganita in een der zijlanen. Ik volgde en haalde haar spoedig in; ver verwijderd van het gewoel der gasten, hoorden wij slechts nu en dan flauw het geluid der muziek in de danszaal. Mijn arm om haar heengeslagen, verzekerde ik haar mijn vurige liefde, en trachtte haar over te halen mij te volgen. Het kostte mij oneindig veel moeite haar te overreden om mijn verzoek niet reeds dadelijk te weigeren; de eerbied en genegenheide die zij voor haar meesteres koesterde, noopten haar te blijven, en de liefde, om te gaan. Een gedurige onrust bezielde haar; zij beefde, en mijn kussen waren zelfs niet in staat haar vrees te verdrijven.

„Opeens rukte zij zich plotseling uit mijn armen, greep mij bij de hand en riep: ,.Vlucht! Vlucht, of gij zijt verloren,” en trok mij met zich voort. Zonder te weten waarom wij ons zoo snel verwijderen moesten, voldeed ik aan haar verlangen. Een eind verder stond zij stil, luisterde en zei, naar haar adem hijgende: „Ik geloof, dat ik mij gelukkig bedrogen heb; hij was het niet.” Maar toen ik haar vragen wilde, wien zij bedoelde, en haar met mijn arm wilde ondersteunen, nam zij de vlucht, en riep met een stem, die vol liefde en bezorgdheid was: „ Begeef u naar de zaal, Perrol, en volg mij niet.” De duisternis, die onder het geboomte heerschte, verhinderde mij haar te volgen. Weldra hoorde ik het geluid van haar vlugge schreden niet meer; maar wel dat van iemand, die behoedzaam scheen te naderen van de zijde, van waar wij gekomen waren. Daar ik niet begeerig was om kennis te maken met dengene, die naderde, haastte ik mij deze plaats te verlaten; maar de persoon, wiens voetstappen ik gehoord had, scheen beter met dit bosch bekend te zijn dan ik, en hij versnelde zijn schreden. Ik volgde zijn voorbeeld, en eindelijk, ofschoon hij mij misschien toch zou hebben ingehaald, stuitte ik op een muur, en wist niet meer waarheen mijn schreden te richten; want de grond onder het hier meer open opgaand geboomte was met dicht struikgewas begroeid, waardoor ik met mijn toovernaarskleed niet kon heendringen. Het voorbijsnellen van een kleinen dolk, die gelukkig alleen mijn zwarten tabberd scheurde, stoorde mij in mijn beschouwing van het oord, waar ik mij bevond, en ik zag den Romein met het ontbloote, kleine, breede zwaard in de hand mij naderen. Vruchteloos had hij zijn dolk op mij afgeworpen, en hij naderde mij dus omzichtig. Ik wist geen ander middel om een gevecht te voorkomen, dan door hem toe te roepen: „Wie gij ook zijn moogt, verwijder u, of vrees de kracht van den grooten toovenaar!”, doch hij antwoordde niet, maar naderde. Toen zei ik: „Heer, ik ben ongewapend, bepaal dag en uur, en gij zult mij op de plaats aantreffen, die gij zult aanwijzen.” Maar hij naderde al meer en meer, en lachte valsch. Ik wist, dat zelfs een edelman in Itali niet gewoon is een ongewapende te verschoonen; mij bleef nu niets anders over, dan de hand onder mijn toovenaarskleed te brengen, en ik trok mijn degen, dien ik zoo verstandig geweest was mee te nemen. Het was thans mijn beurt om te naderen; de Romein begon nu in te zien, dat zijn harnas van goud een slechte verdediging zou zijn tegen mijn langen kling; maar het was te laat! Het was een raar gevecht, mijne Heeren, in den nacht tusschen toovenaar en een Romeinschen held, die op leven en dood streden; het was vreemd, omdat het strakke gelaat der maskers niet strookte met de driften, die de dragers bezielden: n onzer viel; maar bij mijnheer St. George, het was de toovenaar niet!”

Een zegevierende glimlach vertoonde zich op het gelaat van Perrol, en hij vervolgde: „Voordat Ganita genoodzaakt was in de zaal terug te keeren, vond ik gelukkig gelegenheid haar te naderen, en berichtte haar, dat de dwaze jongeling haar niet meer met zijn aanzoeken lastig zou vallen. O, indien ik het schoone heidensche meisje niet ondersteund had, zou zij gevallen zijn; zij bad mij te vluchten, voordat het gebeurde ruchtbaar werd. Ik kon geen weerstand bieden aan haar tranen en betuigingen van liefde; ik verliet haar, verliefder dan ooit en gelukkig met de bewustheid, dat ik bemind werd. Zonder verhindering geraakte ik buiten het landhuis, spoedde mij naar mijn ruiters, die mij op een bepaalde plaats wachtten, en stelde den echten toovenaar weer op vrije voeten.”

Hier zweeg Perrol, en liet zich door Vidal inschenken.

„Het was wat veel gewaagd, Messire, voor een paar schoone oogen,” zei Hendrik van Nijveld; „maar zeg eens, hadt gij veel werk, om u van dien lastigen Romein te ontslaan?”

Perrol dronk juist, en Coene van Baerbergh riep luid: „Ho, ho, dat kostte niet veel moeite; gij hoort immers, dat Messire, den toovenaar, een langen degen had; indien ik de zoon van het huis geweest was, zou ik al mijn knechts en pages op dien zwarte-kunstenaar hebben afgezonden, om hem met stokken en zweepen die verliefde grappen uit het hoofd te kloppen!”

„Dat zou goed geweest zijn, indien een kinkel zich onder de gasten gemengd had, zei de heer Jan Van Middachten; „maar in dit geval niet.”

„Tot het middel van den heer Van Baerbergh behoorde niet veel moed,” zei Perrol lachend, „maar op mijn eer, het is goed bedacht voor een edelman. Gelukkig had de Italiaan nog zooveel moed, om zelf en alleen mij te willen vermoorden, anders zou ik het genoegen niet hebben hier met u aan te zitten. En bij mijnheer St. George, ik vind geen zwarigheid te verklaren, dat ik mij dikwijls van een langen degen bediend heb, maar dien nooit heb noodig gehad om mijn leven te verdedigen.”

Van Baerbergh wilde antwoorden, maar Jan van Lanskroon klopte vrij onzacht met den beker, waarin de dobbelsteenen waren, op de tafel en riep: „Komaan, Heer Coene, het is uw beurt; indien gij daar gaat woordentwisten, kunnen wij niet spelen, en gij hebt het gewonnen. Met weerzin scheen deze tot het spel terug te keeren en het stilzwijgen te bewaren, en Jan van Middachten verzocht Perrol zijn verhaal te vervolgen.

„Na dien tijd, mijne Heeren,” zei deze, „liet ik niet na Ganita bij herhaling te laten berichten, dat ik zonder haar niet leven kon; en dat, indien zij geen gehoor wilde geven aan het verlangen van mijn hart, ze mij spoedig vr zich zou zien, ten einde, met gevaar van mijn leven, aan haar voeten te smeeken om mij gelukkig te maken en te volgen. Lang bleef zij doof voor alles; maar eindelijk overwon de liefde, die zij voor mij voelde, en op een nacht, dien ik nooit vergeten zal, verliet zij het landhuis, dat haar meesteres toen bewoonde. Ik wachtte haar daarbuiten; den anderen morgen waren wij beveiligd tegen alle vervolging; want ik was in mijn legerplaats, en de liefde van Ganita beloonde mij voor alles, wat ik gedaan had om haar te verkrijgen. Van dat oogenblik af leerde ik haar van dag tot dag hooger schatten; die dagen, mijne Heeren, behooren tot de gelukkigste van mijn leven. Mijn ruiters zelfs, die meest ruwe krijgslieden waren, vereerden haar en hadden haar lief; zoo goed was zij. Hadden zij door eenig verzuim of eenige misdaad straf verdiend, dan smeekte Ganita mij om genade, en menigmaal redde zij een hunner het leven; maar gij hadt ook eens moeten zien, hoe de moeder van de Zwarte Bende, zoo noemden zij haar, geacht werd. Gewoonlijk volgde zij ons in een wagen, welke door witte paarden getrokken werd, en aan elk verzoek van haar werd even spoedig door de ruiters voldaan als aan mijn bevelen; maar ik was niet naijverig op mijn gezag; want ik beminde Ganita, en zij was zoo goed. Ziedaar, mijne Heeren, hoe ik verliefd werd op een heidinnetje, en ik acht mij gelukkig, dat geen uwer door mijn verhaal in slaap is gevallen.”

„Het geluk loopt mij nu tegen, Heer van Lanskroon,” zei Coene van Baerbergh, en vervolgde: „En is die Ganita, schoon en goed zonder voorbeeld, nog bij u, Messire? Ik heb dien wagen met witte paarden nooit bij uw Zwarte Bende gezien.

Perrol antwoordde niet, maar zag, half in gedachten verdiept en half luisterend naar het gesprek der gasten over de tafel. Nu zei Jan van Montfoort, terwijl hij den beker met de dobbelsteenen aan den heer Vincent van Swanenburgh overgaf, en voordat Van Baerbergh zijn vraag herhaalde: „Gij hebt ons zeer verplicht, Messire. Hetgeen gij zooeven hebt verhaald is zeker reeds jaren geleden, niet waar? Maar zeg eens, of gij het geluk hadt Ganita lang bij u te houden.”

„O ja, Heer Burggraaf,” hernam Perrol, en zijn somber gelaat nam een vroolijke plooi aan, „sedert dien tijd is er reeds zooveel gebeurd; ik voerde haar met mij naar Frankrijk, waar zij kort daarna overleed, en nooit heb ik een vrouw kunnen vinden, die mij zoo beminde als zij.”

De gasten dankten Perrol, omdat hij wel aan hun verlangen had willen voldoen, en Coene van Baerbergh zei: „Daar de geschiedenis aan deze heeren bevallen is, wil ik het tegendeel niet zeggen; maar gij zult mij toegeven, dat het geen groote kunst is om het hart van een gemeene heidin te veroveren. Hier heb ik een talisman, Messire, tegen welken Ganita niet bestand zou geweest zijn,” en hij nam een stuk goudgeld tusschen duim en vinger, en hield het bij de vlam van een kaars.”

„Veel beter dan uw verstand tegen dezen talisman, Heer Van Baerbergh,” zei Perrol, en hield lachend zijn beker in de hoogte.

„Gij zoudt u bedriegen, Messire,” antwoordde van Baerbergh driftig. „Op mijn eer! Wij zijn hier in het Noorden gewoon wijn en geen water te drinken; ik daag u uit om tegen mij te drinken.”

„Neem dat niet aan, Messire,” riep Hendrik van Nijveld vroolijk, „want onze vriend, heer Coene, is nog zoo goed, alsof hij niets gedronken had; zijn tong slaat alleen maar dubbel, omdat hij te driftig spreekt. Maar waar blijtt onze geestelijke zuster nu? Zullen wij daarvan niets hooren? Dan is het de schuld van Mijnheer, dien voorstander der heidinnetjes.”

„Ik bid u om verschooning,” zei Perrol, „maar ik geloof dat wij beter zouden doen om het er bij te laten; het is niet aangenaam iets te vertellen, dat niet algemeen bevalt.”

„En waarom zou het niet bevallen?” riep Van Baerbergh. „Indien de non maar van een adellijke geboorte is; want anders legt gij er niet veel eer mee in.

Doch Perrol stoorde zich niet aan dit gezegde, en noodigde Hendrik van Nijveld uit om met hem te spelen; maar Rijer van Broechuijsen verzocht den heer Van Wachtendonck een oogenblikje geduld te hebben, en terwijl hij den beker neerzette, overreede hij Perrol ten minste met korte woorden iets van de non te verhalen, waarover hij gesproken had, en deze onderwierp zich ongaarne aan het verlangen van zijn vrienden.

„Welnu,” zei Perrol, „gij verlangt het, en ik zal trachten u genoegen te geven, u het klooster te noemen, waar ik Giulia voor het eerst zag, is onnoodig; genoeg zij het te zeggen, dat de nonnen allen den naam van jonkvrouw droegen, en uit de eerste geslachten des lands afkomstig waren. Een edelman, met wien ik in kennis geraakt was, onderhield een minnarij met een der gekloosterde jonkvrouwen; hij verzocht mij hem op zekeren nacht te vergezellen, en ik durfde zijn dringend verzoek niet afslaan; bij die nachtelijke samenkomst zag ik Giulia, werd op haar verliefd, en verzocht mijn vriend om hem altijd te vergezellen; doch met moeite liet zij zich door haar vriendin overhalen mij te woord te staan. Ik schetste haar met zooveel vuur het geluk, dat haar buiten het klooster wachtte, dat zij in het einde aan mijn smeekbeden gehoor gaf, en mij toestond haar te schaken. Mijn vriend, die zich vergenoegde met zijn minnares nu en dan te zien, was mij behulpzaam, en alles liep gelukkig af. In den eersten tijd had ik reden om tevreden te zijn; zij beminde mij, en zij was zeer schoon; een edele gestalte en regelmatige trekken gaven aan al haar bewegingen een zekere waardigheid, en zij was zoo blank als sneeuw. Maar mijn geluk duurde niet lang; vergeefs bezocht ik met haar dan deze, dan gene plaats, en stelde haar vveral in de gelegenheid om te schitteren. Haar praalzucht en hoovaardij kende geen palen; de kostbaarste kleeren en kleinoodin gaf ik haar, en nooit was zij tevreden, maar verweet mij bij dit alles nog bij herhaling, dat ik haar haar gelofte had doen breken. Slechts nu en dan kwam de liefde weer boven: dan gaf ik gehoor aan haar verzoek, om haar naar een of ander feest of plechtigheid te geleiden; maar zoodra haar verlangen om te schitteren voldaan was, wierp zij haar prachtige kleeren van zich af, en trok het kleed eener boetvaardige aan, en, in plaats van mij te liefkoozen en te kussen, jammerde en klaagde zij. Dan weer ontwaakte haar trots, waarvoor ik ternauwernood beveiligd was. Giulia was de schrik van mijn ruiters en van de vrouwen, die haar dienden: o, welk onderscheid met Ganita! Reeds meermalen hadden die dwaze vlagen van berouw mij verdroten, zoowel als het gezag, dat zij over mijn volk wilde uitoefenen, toen ik genoodzaakt was, haar verzoek om haar naar een zeker feest te geleiden af te slaan. Sedertdien waren al mijn pogingen om haar liefde te behouden of te herwinnen vruchteloos; maar ik aarzelde om naar te verlaten, omdat ik dacht, dat ik haar nog beminde, en niet wist wat van haar worden moest. Doch zij noodzaakte mij op zekeren dag haar te zeggen, dat zij mijn legerplaats verlaten moest; want zij vorderde van mij, dat ik den besten ruiter van mijn bende zou laten ophangen, omdat hij haar oneerbiedig geantwoord had; en daar ik weigerde aan haar verlangen te voldoen, en haar voor oogen hield, dat zij mij reeds meermalen had gedwongen, zulke kleine misgrijpen zwaar te straffen, toonde zij zich zoo trotsch en verbolgen, dat alle hoop om mij met haar te verzoenen, naar ik begreep, onmogelijk werd.”

„Dienzelfden nacht, mijne Heeren, werd ik gewekt door een geluid, dat ik in mijn paviljoen meende te hooren, en ik zag Giulia, die mijn legerstede naderde; ik dacht, dat zij berouw voelde, en wachtte af, wat zij zeggen zou; doch spoedig werd ik beter onderricht, en keerde ternauwernood den dolkstoot af, dien zij mij met vasten hand toebracht; je zelfs kostte het mij moeite haar dat moordtuig te ontnemen. Met een lichte wond in de zijde aan dit gevaar ontsnapt, besloot ik mij tegen nieuwe aanvallen te beveiligen; en daar haar die vlaag van boetvaardigheid nu bijna niet verliet, begreep ik niet beter overeenkomstig haar verlangen te kunnen onderhandelen, dan haar in de gelegenheid te stellen om boete te doen voor haar zonde; ik liet haar naar een klooster brengen, en heb sindsdien niet meer van haar gehoord.”

Zoo al de beide avonturen, die Perrol verteld had, niet overeenkwamen met de strenge wetten der zedelijkheid, toch had hij, vreemd genoeg voor iemand als hij, vermeden om hetgeen tusschen hem en de non en Ganita was voorgevallen, met al te natuurlijke en sterke trekken te beschrijven; ook scheen, hetgeen hij verteld had, de lachspieren van zijn tafelgenooten niet in beweging te brengen. Maar toen hij zweeg, en de gasten onder het drinken der geestrijke dranken, zich schenen te beijveren, om elkander de loef af te steken in het voordragen van vertellingen en voorvallen, welke meestal uitmuntten door een onkiesche en ruwe beschrijving, waaruit alle zedelijkheid verbannen scheen, had het juichen en lachen geen einde. Ook in deze soort van verhalen, toonde zich de aanvoerder van de Zwarte Bende, die zijn vroolijkheid scheen herkregen, volleerd, en vergeefs zocht de heer Van Baerbergh met hem te wedijveren. Geen der aanwezigen achtte het beneden zich, op zijn beurt het woord te voeren, en zelfs Montfoort liet zich niet lang nooden, maar verhaalde iets, dat beter in den mond van een gemeenen stalbroeder, dan in den zijne zou gevoegd hebben.

„En hoe hebt gij het te Amersfoort, Perrol?” riep Van Middachten, toen er een oogenblik stilte was; „verdoemd, is het waar, dat gij in de Vergulde Helm te huis ligt?”

„Zoo is het, in de Langestraat bij meester Wouter; een goed huis, ik verzeker het u,” hernam Perrol lachend.

„Gij zijt een gelukkige duivel, Messire,” zei Van Wachtendonck; „maar hoe zit het, maakt gij het hof aan zijn schoone dochter? O, wat een lief kind is liet, niet waar?”

„Niet onaardig, gij hebt gelijk,” vervolgde Perrol, „zij is wel waard, dat men eenige zorgen aanwendt om haar hart te winnen.”

„Ho,ho, Messire veroveraar!” riep Van Baerbergh, „gij komt hier te laat; Jan van Schaffelaar zal het meisje trouwen; zij houdt u voor den gek.”

.,Verplicht voor deze inlichting, hoogwijze Heer,” hernam Perrol spottend; „Perrol vrijt wel, maar trouwt niet; wat gaat het mij aan, wie haar naar het altaar geleidt, als zij mij gelukkig gemaakt heeft.”

„Zij bemint u dan?” vroeg Van Middachten verwonderd, en Van Baerbergh riep: „Geloof het niet, mijne Heeren! Nooit leende Maria van den smid het oor aan de vrijage van den aanvoerder der Zwarte Bende; ik wil er een weddenschap op aangaan.”

„Met u?” zei Perrol somber, .,indien wij wedden, Heer Van Baerbergh, zal het om een andere zaak zijn.”

„En om welke dan?” riep deze toornig; maar Van Middachten zei luid tot Perrol: „Welnu, Messire, wed dan met mij, indien het waar is, dat gij zoo gelukkig zijt om eenige hoop te vroeden.”

„Met genoegen,” hernam Perrol driftig. „Maar waarom wedden wij, en welk bewijs vordert gij, om u te overtuigen, dat Maria de mijne is?”

„Vr St. Thomas zult gij haar hier in de stad brengen,” riep Van Middachten „wij zullen u met haar aan uw zijde door de stad zien wandelen, en gij en al deze heeren zullen mij de eer aandoen, om met uw Maria bij mij ter maaltijd te komen; en ik stel het paard, dat ik gisteren bereed, tegen dat, waarop gij gezeten waart.”

Een oogenblik bedacht Perrol zich en zag somber voor zich. „Het zij zoo, Heer Van Middachten; maar het doet mij leed, dat gij uw schoonen strijdhengst in gevaar stelt: gij zult mijn Hector niet winnen.”

„Ik heb geen vrees,” hernam deze lachend; maar de Burggraaf zei: „Het is alles goed, mijne Heeren, en ik ben benieuwd, wie het winnen zal; maar ik zou ongaarne zien, dat den meester uit de Vergulde Helm reden tot ongenoegen werd gegeven; hij is een voornaam man in zijn gild, en zijn dochter een braaf meisje. Het zou mij zelfs leed doen, als het geluk van den heer Van Schaffelaar verstoord werd: deze is een edelman, ofschoon hij niet aan onze zijde is; gij weet het, mijne Heeren! Zou het niet beter zijn de weddenschap te verbreken?” Perrol toonde zich, na eenige aarzeling, gereed aan dit verlangen te voldoen; maar Van Middachten minder; en toen Van Baerbergh spottend opmerkte, dat Perrol zich wijselijk terugtrok, omdat Van Schaffelaar zeker geen genoegen zou scheppen in deze weddenschap, verzocht deze den heer Van Montfoort om de zaak op haar beloop te laten, met de belofte dat de meester geen reden zou hebben over hem te klagen; en de Burggraaf was genoodzaakt aan het verlangen van de door den wijn verhitte gasten toe te geven.

Met vernieuwde drift ving nu het spel weer aan, en men hoorde niets dan het werpen van de steenen, het verzetten der schijven en het gelach en gevloek der spelenden. Doch op eenmaal stond Van Baerbergh op, en riep, juist toen de groote deur van de zaal, die geopend was, weer dicht werd gedaan: „Edele gastheer, ik vraag verschooning; maar ik meen daar te hooren, dat in de andere vertrekken het speeltuig klinkt; ik ben er een liefhebber van. Hoe komt het, dat, daar alles door u is aangewend om ons vermaak aan te doen, alleen de lieve muziek vergeten is?”

Montfoort lachte; want het had heer Coene moeite gekost om recht te blijven staan en verstaanbaar te spreken, en hij zei vroolijk: „Ik bid u om vergeving voor dit verzuim, maar juist omdat ik wist, dat gij, mijn waarde gast, een groot kenner en liefhebber van het snarenspel en den zang zijt, heb ik mijn gasten er niet op durven onthalen; want er zijn op dit oogenblik geen kunstenaars in hun vak in de stad; zij, die in de kamers van dit hof spelen, zijn niet waardig hier te verschijnen. – Is het niet zoo, meester Gijsbert?” vroeg de Burggraaf, en wendde zich tot zijn hofmeester, die achter hem stond.

„Het is zoo, edele Heer,” antwoordde Gijsbert buigend, „alleen Aleide zou misschien de eer waardig geweest zijn, om hier te verschijnen; maar zij zingt niet, en is alleen gewoon te spreken.”

„Aleide, lieve Aleide!” riep Van Baerbergh, „waar is zij, meester Gijsbert? Ha, ik hoor haar liever spreken dan die rederijkers, die den naam van sprooksprekers niet meer verdienen.”

„Waarschijnlijk nog in een der vertrekken, waar de overige gasten van den edelen Burggraaf onthaald worden,” antwoordde deze; en toen Montfoort zag, dat men algemeen verlangde de schoone spreekster te zien, gelastte hij meester Gijsbert haar binnen te leiden.

Het geduld van de gasten werd niet op lange proef gesteld; want spoedig keerde de hofmeester terug, gevolgd door het meisje, dat hij was gaan halen, en dat, zonder eenigen schroom te laten blijken, vriendelijk lachend boog, toen haar bewonderaars haar met gejuich begroetten, en allen met Coene van Baerbergh op de gezondheid dronken van de schoone spreekster, de Zwarte Aleida.

Zij was niet groot van gestalte; maar haar leest was fraai, en de schoone vorm van haar hals en haar armen, gevoegd bij de losheid van haar bewegingen, deed haar nog bekoorlijker voorkomen, dan zij inderdaad was. Het licht der kaarsen deed ook geen kwaad aan haar schoonheid, want de kleur van haar huid was een tikje bruin; deze tint gaf nog meer vuur aan de warme, sprekende oogen en deed de witte tanden van de spreekster meer uitkomen. Het haar was met veel kunst boven het hoofd samengevlochten en met bloemen doorstrengeld; een groen zijden kleed van eigenaardigen vorm liet haar hals en haar armen onbedekt, en reikte slechts een eind weg over de knie, zoodat van de schoone vorm van haar enkels en voeten te zien kwam; voorts droeg zij, in plaats van schoenen, een soort van voetzolen van leer, die met banden om het been waren vastgemaakt. De gordel, dien zij droeg, scheen van geslagen goud; haar armen prijkten met kostbare ringen, en het groene kleed was met gouden sterren bezaaid. Zij had den langen, doorschijnenden sluier, die boven op haar hoofd was vastgemaakt en tot den grond reikte, achterwaarts geworpen, toen zij binnentrad. In n woord, de heer Van Baerbergh en de overige gasten hadden niet ten onrechte verlangd haar te zien; want voor een spreekster, die van de eene stad naar de andere voor haar beroep moest trekken, en dan hier, dan daar, op de feesten, die de edelen of voorname burgers gaven, ontboden werd, was zij schoon te noemen. Toen zij de tafel was genaderd, en bevallig lonkend, de groeten van sommige gasten beantwoord had, hield zij haar rebeeke in de linkerhand, en zei, voor den gastheer buigend: „De edele Burggraaf verwaardigt zich mij te ontbieden, wat verlangt hij van mij?”

„Mijn edele gasten waren verlangend u te zien,” antwoordde Montfoort lachend, „en waarlijk, Aleida, gij ziet er zoo bevallig uit, dat ik niet twijfel, of zij zullen gaarne iets van de kunst hooren, waarin gij het zoover gebracht hebt; spreek dus eenige uwer fraaiste sproken, en maak het niet te kort; want wij zien gaarne een hupsche deern.”

Aleida boog nogmaals, toen hij zweeg, en maakte zich gereed, terwijl zij haar speeltuig stemde; maar Van Baerbergh, die aan de overzijde van de tafel zat, en haar dus niet goed kon zien, verzocht den heer Van Montfoort, of hij haar naar zijn welgevallen mocht plaatsen. Deze gaf hem lachend zijn toestemming en Van Baerbergh riep: „Ho, meester Gijsbert, wees zoo goed, aan het einde van de tafel door de knapen het een of ander te laten zetten, waarop het lieve kind zich plaatsen kan, want zij is te schoon, om zoo laag bij den grond te staan. Zoo waar ik leef, Messire Perrol is oorzaak, dat ik haar bijna niet zien kan.”

„Het verwondert mij,” zei deze spottend, „wijl gij zoo op haar gesteld zijt, dat gij haar niet een plaats aan uw zijde inruimt; het zou niet onaardig zijn een ribaude naast een edelman te zien zitten.”

„En waarom niet, Messire?” hemam Van Baerbergh driftig, „daar wij, die bijna allen edellieden zijn, wel met het hoofd der Zwarte Bende aanzitten?”

„Om met hem aan te zitten, Heer,” antwoordde Perrol somber, „daartoe behoort nooit veel moed, maar wel om hem in het strijdperk op te zoeken; waartoe dus zooveel redenen, daar n woord genoeg is, en de beleefdheid voor onzen gastheer u gebiedt te zwijgen.”

„Zwijgen!” riep Van Baerbergh, „ik ken geen vrees, zelfs niet voor een langen degen,” en hij lachte luid. Doch Montfoort en eenige andere verzochten stilte; ieder zweeg en zag met opmerkzaamheid naar de Zwarte Aleide, die nu op een verhevenheid, uit vier zitbanken samengesteld, aan het einde van de tafel stond. Met een bevalligen lach op het gelaat zag zij over de tafel, hield haar rebeeke in de linkerhand, en raakte met den strijkstok, dien zij in de rechter hield, de snaren aan. De sproken, welke zij sprak, muntten meer uit door vroolijkheid en lichtzinnigheid, om geen erger woord te gebruiken, dan door zedelijkheid, kieschheid of goeden smaak; de voordracht was juist in den geest der vertellingen, en evenmin als zij verzuimde, om die zinsneden, welke het meest met de goede zeden in strijd waren, met des te meer nadruk uit te spelen, evenmin verzuimden de gasten om die gedeelten van haar sproken het meest toe te juichen. Elken keer als zij ophield, juichte men haar toe, en Van Baerbergh in het bijzonder gaf zijn opgetogenheid te kennen; sedert zij de snaren had aangeroerd, scheen hij Perrol en zelfs den wijn vergeten te hebben en hield zijn blik onafgewend op Aleida gevestigd. Perrol daarentegen gaf alleen zijn goedkeuring te kennen, als het gejuich van zijn tafelvrienden hem deed opmerken, dat zij zweeg. Noch de schoonheid van het meisje, noch de bevalligheid, waarmee zij sprak, noch de tonen van haar rebeeke, schenen hem bezig te houden, en nu en dan wierp hij een blik op den vroolijken Van Baerbergh, en dan vertoonde zich een kwaadaardige grimlach op zijn gelaat. Toen nu de laatste vertelling was afgeloopen, vroeg zij beleefd vriendelijk: „Is het uw wil, dat ik vervolg, edele Ridder, of dat ik mij verwijder? Gij hebt slechts te bevelen, en uw goedkeuring zal mij nieuwe krachten geven, om naar uw welgevallen te spreken.”

„Neen, Aleida,” antwoordde Montfoort, vriendelijk met het hoofd knikkend, „ons verlangen zou wel zijn u langer te hooren; uw sproken bevielen ons, maar mijn gasten en ik willen niet te veel van u vergen. Meester Gijsberts zal u morgen boven hetgeen gij reeds verdiend hebt, in naam, twee dukaten en een kleed van wit laken van Diest en nog een van sanguin laken geven, en zoo gij wilt, neem ik u in dienst van mijn huis.”

Aleida boog tot dank en wilde zich nu, na de gasten gegroet te hebben verwijderen; maar daar riep de heer Van Baerbergh: „Neen, dat kan zoo niet, Largesse, Heeren! Largesse voor Aleida!” En Van Middachten die naast hem zat, ja, de meesten der gasten en zelfs Perrol scheeuwden: „ Largesse! Largesse voor de Zwarte Aleida!”

Een glans van vergenoegen vertoonde zich op haar gelaat, en zij boog nogmaals; want behalve de eer, die men haar aandeed, streelde haar de hoop een ruime som geld in te zamelen. Zij hing dus den sluier over haar linkerarm, en ging naar den heer Jan van Nijveld, die aan de rechterhand van den Burggraaf zat, en deze legde een paar geldstukken in den zak, die door haar sluier gevormd werd. Elk wisselde met haar een paar woorden, terwijl hij haar naar zijn verkiezing begiftigde, en zij liet niet na om onbedeesd en vroolijk te antwoorden. Zoo kwam zij ook bij Perrol, en hij zei lachend, terwijl hij een goudstuk in haar sluier legde: „Indien het nog zoo is, als gij in uw laatste vertellingen gezegd hebt, zullen de geestelijke heeren wel spijt gevoelen dat gij evenals de vedelaars uw brood verdient bij edellieden; want gij zoudt in staat zijn om met uw zwarte oogen het hart van een bisschop vuur te doen vatten.”

Zij lachte vriendelijk, knikte, dankzeggend met het hoofd en hernam schalksch: „O neen, die oogen hebben zooveel kracht niet; en als wij al zouden beproeven het hart van een voornaam heer te winnen, dan kunt gij verzekerd zijn, Heer, dat hij geen mijter en staf, maar helm en zwaard zou voeren.

Perrol, die tot haar gesproken had, omdat ieder haar iets gezegd had, sloeg niet veel acht op haar antwoord, noch op den blik, dien zij op hem richtte, en zag onverschillig over de tafel. De schoone spreekster vertoefde echter nog; de spijt, dat Perrol zich van haar afgekeerd had, was op haar gelaat te lezen, en zij roerde met haar vingers de snaren van haar rebeeke aan, wat het hoofd der Zwarte Bende deed omzien; verwonderd, dat zij nog achter hem stond, dacht hij, dat zij niet tevreden was met hetgeen hij haar gegeven had, nam nog een stuk geld, en wilde het in haar sluier werpen. Met een zekere fierheid en gekwetste eigenliefde wees zij echter zijn hand terug, schudde met haar hoofd, als wilde zij zeggen: ik vroeg u om geen geld, en vervolgde haar weg langs de tafel. Opmerkzaam zag Perrol haar na, en legde glimlachend het stuk weer voor zich neer.

Toen zij aan die zijde van de tafel haar inzameling had verricht, keerde zij terug en achter den Burggraaf omgaand, bezocht zij nu ook de heeren, die aan zijn linkerhand zaten. Perrol zag, hoe Van Baerbergh, die met ongeduld het oogenblik had afgewacht, dat zij bij hem kwam, ook eenig geld aan haar gaf, hoe hij hierna haar hand greep, die beschouwde en toen zij tevergeefs moeite deed, om ze weer vrij te krijgen, haar met zijn andere hand onder de kin streelde, haar tot zich trok, en haar iets in het oor fluisterde. Zij schudde met het hoofd, alsof hij iets zei wat haar niet beviel; maar toen hij nog eens gesproken had, antwoordde zij hem, vriendelijk lachend; hij hield haar hand los, en zij verwijderde zich van hem. Toen zij bij den laatsten gast geweest was, boog zij nogmaals diep voor het gezelschap, en verliet, de hand op haar hart leggend, met vlugge schreden de zaal. Terwijl zij zich met Van Baerbergh onder hield, wenkte Perrol zijn knaap om bij hem te komen, en sprak met hem, waarna Vidal bijna gelijktijdig met de Zwarte Aleida door de groote deur van het vertrek trad. Perrol scheen in gedachten verdiept, en lette weinig op het spel van zijn tafelvrienden, dat dadelijk na het eindigen van de sproken weer begonnen was; maar toen Vidal was teruggekeerd en met hem gesproken had, scheen hij zijn gewone vroolijkheid te hebben herwonnen.

Zij, die met het vullen der geledigde bekers belast waren, hadden nooit meer werk gehad dan nu. Er was meer gedruisch in de zaal dan toen al de gasten vereenigd waren; want men speelde grof; de een juichte en dronk als hij won, de ander vloekte als hij verloor, dronk nog eens en daagde den winner wederom uit om met hem te spelen. De Burggraaf, ofschoon ook vroolijk gestemd, en het nooit afsloeg om eenige goudstukken te wagen, wierp somtijds wel een bezorgden blik over de tafel, waarop goud- en zilvergeld zoo roekeloos gewaagd werd, en hij vermoedde, dat zelfs spoedig ketens, ringen, wapens of andere kostbare kleinoodin zouden worden verspeeld.

„Heidaar, Messire, heidaar!” riep Van Baerbergh tegen Perrol, die glimlachend alles gadesloeg en niet meespeelde; want de heer Van Broechuijsen, met wien hij had gedobbeld, had voor een oogenblik de tafel verlaten. „Zijt gij bang om uw spaarpenningen te verspelen, en is er niets meer in de krijgkas der Zwarte Bende?”

„Meer dan gij er tegen zoudt kunnen leggen, Heer,” antwoordde hij lachend; maar zijn lach was van een anderen aard dan die van den onvoorzichtigen jongen edelman; al de mannen, die aan de tafel zaten, schertsten en waren vroolijk; maar geheel anders dan het hoofd der Zwarte Bende.

„O!” riep Van Baerbergh, en wilde vervolgen; doch eer hij verder sprak – want het kostte hem een weinig moeite duidelijk te spreken – zei Perrol: „Maar dat daar gelaten, gij hebt mij daar straks uitgedaagd om tegen u te drinken; welnu, ik neem het aan! Hier zijn de steenen, dr is mijn spaarpenning, beproef tevens uw geluk; mijnheer Van Broechuijsen zal u wel zijn plaats inruimen.

Coene van Baerbergh, die tot nog toe gelukkig gespeeld had, wierp een begeerig oog op het geld, dat Perrol voor zich had liggen; doch hij aarzelde om de uitnoodiging aan te nemen. Zijn hart riep hem aan: speel niet met het hoofd der Zwarte Bende; maar zijn hoofd, door den wijn verhit, zei: drink en speel met het hoofd der Zwarte Bende; gij zult gelukkig zijn, en met de steenen en den beker zult gij uw meerderheid over hem bewijzen.

Nu riep Perrol heer Reijer, die terugkeerde, toe: „Eilieve, Heer, wees getuige, dat heer Coene niet tegen mij heeft durven drinken of spelen; hij, die mij tot het eerste uitdaagde en met mij spotte, omdat ik niet speelde, terwijl gij weg waart.” De heer Van Broechuijsen bood Van Baerbergh zijn plaats aan, en zei: „Mijnheer Baerbergh, zet u hier neer, en laat u niet zeggen, dat gij den handschoen niet hebt durven oprapen, dien gij zelf Messire Perrol op tafel hebt doen werpen.”

„O, indien het een handschoen was geweest,” zei Van Baerbergh driftig, „dan zou ik hem reeds opgenomen hebben; maar het geldt slechts het spel en den wijn,” en hij stond op.

„Ook daarin, ook in die twee zaken, moet de man zich nooit laten overwinnen,” riep Perrol lachend. „en de heer Van Baerbergh zal met zooveel te meer roem mij den handschoen toewerpen, als dit geld het zijne is, en ik hem met den beker geen bescheid meer doen kan: het eene sluit het andere niet uit. Maar zoo hij het niet durft wagen, is het mij wel.” Nu zette hij met zijn hand de geldstukken op stapels, en zag Van Baerbergh met een spottenden lach aan.

„Wagen!” riep deze, terwijl hij tegenover Perrol op den zetel ging zitten: „alles, alles durf ik met u wagen, Messire!” en schudde de steenen in den beker.

„Knaap, schenk uw meester! – Hier Vidal!” riep Perrol nu gebiedend. Toen het geestrijk vocht in de bekers bruiste, vervolgde hij, zijn beker hoog opheffend:

„Heer Van Baerbergh, leve de hippokras, de dobbelsteenen en de schoone oogen van de Zwarte Aleida!” De meesten der gasten waren zelf te druk bezig met ontvangen, betalen en het werpen met de dobbelsteenen, om op te merken, hoe driftig deze twee heeren speelden en dronken; alleen zij, die in de nabijheid zaten, verzuimden dikwijls te werpen, om een oog te laten gaan over den loop van het spel.

In het eerst scheen het geluk Van Baerbergh te begunstigen, en juichend zag hij het geld, dat voor hem lag, steeds vermeerderen, en zijn stem was het gewoonlijk, die den knapen beval te schenken, of van Perrol vorderde, dat hij hem bescheid zou doen. De opgeruimdheid verliet echter het bendehoofd niet; hij liet niet blijken, dat zijn verlies hem leed deed of ontmoedigde; een opmerkzamer beschouwer dan een der gasten zou alleen verwonderd geweest zijn over den spottenden lach, die op zijn gelaat te lezen stond; enkel Vidal misschien vermoedde, wat het gevolg van deze vroolijke dobbelpartij zou zijn.

Eenigen tijd daarna was het geluk gekeerd; nog dronken zij wel den hippokras met volle bekers; nog was Perrol wel opgeruimd, en rolden de steenen over de tafel; maar Van Baerbergh lachte niet meer; hetzij de fortuin hem den rug had toegekeerd, of dat Perrol behendiger was in het spel: slechts weinig geld lag nog voor heer Coene op de tafel en vloekend ging het spel om zijn laatste geldstukken aan. Staroogend zag hij op de Zwarte oogen der steenen, en hij riep, met zijn vuist of de tafel slaarmd: „Dat satan u en mij verworge! Gij hebt gewonnen.”

„Niets is wisselvalliger dan het spel, Heer Van Baerbergh,” zei Perrol glimlachend, en streek het geld naar zich toe, „maar ik moet erkennen, dat gij ongelukkig gespeeld hebt.”

„Lach niet, Messire,” hernam Van Baerbergh driftig, „lach niet; de kans kan keeren; wij hebben nog niet gedaan.” Hij stond nu op, en vroeg aan hen die gewonnen hadden en met hem bevriend waren, eenig geld ter leen. „Indien gij ook dit nog in uw zwarte krijgskas sleept,” riep hij, toen hij terugkwam, en het geld op de tafel wierp, „dan mag ik lijden, dat gij en er mee verzinkt, als gij met uw geld en uw bende uit dit land naar Frankrijk terugkeert.”

„Met behulp van een goed vaartuig, hoop ik gelukkig uit dit waterland te komen,” hernam Perrol schertsend; „maar wanhoop niet, drink met mij, als is het dan ook maar op de gezondheid van Aleida, en werp het eerst. Wat wilt gij zetten?”

Van Baerbergh liet zich niet lang nooden; maar altijd wierp hij minder oogen, en ook het geleende geld lag weldra voor Perrol; toen keerde deze, die den beker in de hand hield, dien om, en zei lachend: „Het toeval, Heer Coene, heeft mij begunstigd, het is zoo; maar gij zult mij moeten toestemmen, dat ik u in het spel overwonnen heb.”

„Overwonnen!” schreeuwde deze, „neen, Messire, niet voor ik geen rusting of paard, geen wapens, kleinoodin of land meer heb, wil ik zulks toestemmen. Wat zet gij tegen deze keten?” eindigde hij, wild lachend, en wond een fraaie gouden keten los, die verscheiden malen om zijn hals geslagen en op zijn borst hing.

„Ik speel niet om paarden, wapenen of kostbaarheden; ik heb er meer dan mij lief is, en uw land is mij niets waard,” hernam Perrol bedaard.

„Welnu, Messire van de Zwarte Bende, dan zullen wij om het woord spelen, en ik verpand mij woord van eer voor hetgeen ik verlies,” riep Van Baerbergh. „Uw woord zou niet veel zwaarte aan mijn krijgskas toebrengen, zooals gij dit geld zelf genoemd hebt,” zei Perrol vroolijk, „ik speel om geld, en om niets anders.”

„Gij zult spelen, Messire!” stoof Van Baerbergh op, „of durft gij mijn woord in twijfel trekken, zeg?”

„Ik trek uw woord niet in twijfel, Heer, maar uw leven,” hernam Perrol koel, „uw woord is goed genoeg; maar wie betaalt mij, als gij doodt zijt?”

„Dood!” riep Van Baerbergh vreemd opziend, „voor den duivel, Messire, spot niet! Ik ben immers jonger dan gij, en morgen vr den avond zal ik betalen, indien ik verlies; werp en zoek geen uitwegen, ik zet......”

„Neen,” zei Perrol met nadruk, „ik werp niet, en met reden; dezen avond wilde gij tegen mij wedden, dat Maria, de dochter van den smid uit de Vergulde Helm, mij niet bemint; welnu, ik Perrol, ik wed nu, dat gij morgen niet meer leven zult, als de avond valt.”

„Ha, ik begrijp u!” riep Van Baerbergh, en klopte op het gevest van zijn degen, „uw zwaard is lang, niet waar, maar ik wed dat gij liegt; ik houd de weddenschap!”

„Bepaal zelf hetgeen uw leven waard is,” vervolgde Perrol grimlachend, „en ik zal er evenveel tegen zetten; maar gij hebt geen geld, en hij roerde met de hand door zijn muntstukken.

„Bekreunt u daarover niet,” schreeuwde Van Baerbergh, en gedwongen vrookijk vervolgde hij: „indien gij evenveel zet als ik, hebt gij er schade bij; uw leven is zooveel niet waard als het mijne,” en nogmaals stond hij op, en een oogenblik daarna legde hij eenige rozenobels, die hij weer geleend had, op de tafel. Perrol er evenveel bij, en zei grimlachend: „Ik wil mijzelf niet te laag schatten, Heer, want ik heb zooveel gewonnen, dat het mij op eenige goudstukken niet aankomt; en daar ik geen voordeel met de weddenschap beoog, die ik zeker ben te zullen winnen, ben ik voornemens, om het geld geheel aan het meisje te geven, dat dezen nacht zulke fraaie sproken gesproken heeft, en dat gij, geloof ik, wel lijden moogt.”

Het scheen dat Van Baerbergh dezen inval goedvond; want hij riep: „Het is goed, en ik zal ook zoo doen, Messire. Zij zal van u erven.” Toen liet hij meester Gijsbert roepen, en overhandigde hem de geheele som om die den volgenden dag aan de Zwarte Aleida te geven.

De oude man, die vermoedde, dat alleen de wijn den oorzaak was van deze zonderlinge weddenschap, zag vragend in het rond, wat hij doen moest; maar toen niemand der gasten, die er van gehoord hadden, een woord zei, vroeg hij: „Maar, Heeren! Indien gij morgenavond nu beiden eens gezond en levend zijt, zooals ik hoop dat het wezen zal, wat dan?”

„Ja. wat dan?” riepen eenige heeren lachend. „Dan verdient geen van ons beiden iets terug te hebben, en gij kunt het haar toch geven, Gijsbert, zei Perrol.

„Maar dat zal niet plaats hebben,” zei Van Baerbergh, terwijl hij op de tafel sloeg, „of deze arm moest verlamd zijn.”

Perrol zei niets, maar grimlachte en de aandacht werd nu afgeleid, doordien men den Burggraaf kwam verzoeken, om door zijn tegenwoordigheid een twist tot bedaren te brengen, die in een der naburige kamers onder de daar vereenigde onderbevelhebbers der krijgslieden ontstaan was. Hij verzocht voor een oogennblik verschooning en verwijderde zich met spoed.

Perrol, die zeer goed gezien had, dat de heer Van Montfoort geroepen was, gelastte heimelijk Vidal om de zaal te verlaten. „Spoedig, Vidal,” zei hij, „ga eens zien, of die verdoemde Engelschman tot reden gebracht of wel geholpen moet worden; want indien hij eveneens gewonnen heeft, zal men ook hem niet vriendelijk aanzien; doch hij zal het zich weinig aantrekken.”

Van Baerbergh had niet gesproken, sedert hij het woord tot meester Gijsbert gericht had. Vergeefs vroeg Perrol, terwijl hij zijn schat in een leeren beurs deed: „Kom aan, Heer Coene, wij moeten nu nog zien, wie meester met den beker blijft; drinkt en gij zult niet meer aan uw verlies denken.” Maar hij antwoordde niet, en bleef stil zitten; zijn hoofd hield hij met beide handen vast, en zijn ellebogen rustten op de tafel; zoo vroolijk als hij bij het begin van den maaltijd geweest was, zoo neerslachtig was hij nu.

„Ho, ho, Heer Van Middachten,” zei Perrol na eenige oogenblikken, „moeten de paarden er al aan? Denk toch om de weddenschap, die wij tezamen hebben; want ik breng de dochter van den smid zeker hier.”

„Heb maar geen vrees, Messire,” antwoordde deze eentgszins gemelijk; want omdat hij verloor, stond hem het gezegde van Perrol niet aan; „ik ben niet gewoon een paard op twee kansen te zetten, en heer Hendrik van Naaldwijk zou, Goddank, mij ook wel op mijn woord vertrouwen.”

„En waarom niet,” hernam deze, „wie wantrouwt ooit een edelman? ik ten minste niet. Heidaar, Heer Van Baerbergh!” riep hij luid, en stond op, „wilt gij uw geluk nog eens beproeven? Ik speel toch niet meer; hier is geld tot uw dienst; beproef uw geluk nog eens.

Maar Van Baerbergh antwoordde niet, en bleef in dezelfde houding zitten; en zij die te voren gelachen hadden, toen hij verloor, dachten nu anders; het hoofd der Zwarte Bende was voor hen een vreemdeling, en het deed hun leed, dat hij gewonnen had. Zij, die gewonnen hadden, schroomden echter, om met hem, die zoo gelukkig was, te spelen, en zij, die verloren hadden, zagen met begeerigheid naar het geld, dat hij in zijn beurs had.

Vidal kwam nu terug, en berichtte zijn heer, dat Walson niet in dien twist gewikkeld en nog niet dronken was, en deze beide zaken schenen Perrol te bevallen. Eenige gasten stonden nu op, om zich een weinig te vertreden, met het voornemen om te vertrekken, zoodra de Burggraaf terug zou zijn: anderen plaatsten zich bij een der vuren, en schenen met luid gejuich een voorstel aan te hooren, dat hun door Jan van Middachten gedaan werd. „Wij zijn dus overeengekomen,” riep hij met verheffing van stem, „om, zoodra het ijs sterk genoeg is, den stouten tocht te wagen. Gij zweert, Heeren, om met mij de ijzeren spil, die reeds zoolang tot schande dezer stad in Den Haag op het Hof gelegen heeft, te halen, en hier op St. Jans Kerkhof te brengen; gij zweert zulks bij mijnheer St. Maarten.”

Toen riepen zij, die om hem stonden: „Ja, ja! Wij zweren het!” En de Heer Van Wachtendonck zei luid en vroolijk: „Komaan, Heer Coene! Sta ook eens op; het is waarlijk of gij slaapt; gaat gij niet met ons?”

„Neen, ik zit niet te slapen, en bekreun mij niet om de doode spil,” antwoordde deze, richtte zich op, en wischte zijn gelaat met zijn doek af. Vervolgens lachte hij, dat het door de zaal klonk en vervolgde: „Weet gij, mijne Heeren, waarmede ik bezig was? Want spelen kan ik niet; die Messire van de Zwarte Bende heeft mij uitgeplunderd.”

„Maar gij kunt drinken, en dat kost geen geld,” viel Perrol hem spottend in de rede; doch Van Baerbergh vervolgde zonder te antwoorden: „Nu mijne Heeren, wil ik niet meer spelen kan, zoo dacht ik, moest ik eens een raadsel opgeven. „Laat hooren, Van Baerbergh! – Komaan, dat is goed!” riepen sommigen. „Stilte, Heeren!” schreeuwde van Middachten, en sloeg met zijn vuist op de tafel, „een raadsel van den Heer Coen van Baerbergh! Maar wat wint hij, die het raadt?”

„Deze keten,” zei de ander, en liet haar zien; „maar hij, die het raadt, moet mij morgen vergezellen op een wandeling, die ik voornemens ben met zeker iemand te doen,” en hij zag veelbeteekenend naar Perrol.

„Is het anders niet?” lachte Van Middachten, „dat gaat, niet waar, Heeren? Kom, laat hooren uw raadsel.”

Iedereen luisterde aandachtig, wat van Baerbergh zou antwoorden. „Maar ik moet u zeggen, dat n uwer niet mag meeraden,” riep hij.

„En wie is dat?” vroeg men.

„Messire Perrol is buiten partij,” gaf Van Baerbergh ten antwoord, terwijl hij zijn hand recht uitstrekte en met den vinger op Perrol wees.

„En waarom?” vroeg deze somber en streek zijn knevel; „waarom Heer?”

„Omdat gij het weet, daarom alleen, maar gij zijt er immers niet op gesteld geweest om de keten met de steenen te winnen; of begint ge er nu zin in te krijgen?” zei Van Baerbergh schamper.

„Kom, maak voort, Van Baerbergh!” riep Van Middachten.

,.Gij zijt immers aan Messire Per rol geen rekenschap verschuldigd,” zei Vincent van Swanenburg luid en zij lachten allen.

„Neen waarachtig niet! Neen duizendmaal neen! Zoo klein zijn wij nog niet,” hernam heer Coene met een wilden lach: „Maar hoort, mijne heeren, en luistert goed, want gij kunt deze keten winnen, en morgen getuigen zijn van een aardige ontmoeting: ik geef u allen te raden, waarom Messire Perrol hier tegcnwoordig den bijnaam heeft......

,.Heer Van Baerbergh ” riep Perrol dreigend, en bracht de hand aan zijn dolk, maar de meesten riepen: „Stilte! Ga voort, Van Baerbergh!” Deze schreeuwde luid en lachte: „Maak u niet moeilijk, Messire, het is maar een raadsel; niets is immers onschuldiger dan een raadsel, Heeren! – De vraag is: waarom heet hij Perrol met de Roode Hand?”

„De Roode hand!” herhaalden de meesten, en toen heerschte er een oogenblik stilte. Perrol, die niets geuit had dan een zachten kreet van woede, wierp een snellen en bloedgierigen blik over de mannen, die om hem stonden en zaten; de gloed, de in hun oogen en op hun wangen te lezen stond, deed hem genoeg zien, dat de meesten alle zelfbeheersching verloren hadden. Zijn gelaat, dat te voren zoo dreigend geweest was, klaarde op; hij gevoelde, dat hij zijn eigen driften beheerschen moest om te zekerder te zegepralen, en lachte. Van Baerbergh zag met zelfvoldoening in het rond, en riep: „Komaan, mijne Heeren, laat hooren, wie zal de keten winnen? En nog eens herhaalden de gasten: „De Roode Hand!” Maar nu zagen zij elkander lachend aan; zelfs degenen, die vroeger deze bespotting van den vreemden ruiterhoofdman afgekeurd zouden hebben, lachten mee; zij sloten zich als het ware allen bij hun landgenoot aan, en ondersteunden hem in zijn wraakoefening op den vreemdeling.

Weldra heerschte de grootste luidruchtigheid in de zaal; terwijl Perrol langzaam zijn beker uitdronk, riep de een: „Zij is rood uit den aard,” de ander: „Ik geloof, dat er niets van aan is,” een derde: „Zit er bloed aan, Van Baerbergh, dat er niet af wil?” en sommigen riepen: „Maar weet gij het zelf wel, Heer Coene?” en lachten en dronken.

„Messire Perrol zal wel zoo goed zijn, om te zeggen, wie het geraden heeft,” riep Van Baerbergh spottend, „anders, Heeren, moet gij wachten tot morgen; dan zal ik het zelf weten.”

„Welnu, Messire, zult gij die goedheid hebben? Anders doen wij moeite voor niets,” zei van Middachten.

„Ja, Heer, hernam Perrol, die opstond en op zijn ernstig gelaat noch vrees, noch drift deed blijken.

„Ik heb hooren zeggen,” zei hij nu met een spotlach, „dat er bloed aan mijn hand zou zitten; kinderpraat! Is hier iemand, die nog nooit bloed vergoten heeft, en dus voor niets een degen draagt, dan zeg ik hem, dat hij beter deed met vrouwen te spreken, dan over zaken, waarvan hij niets weet. Maar ik geloof, dat niet n uwer nog zoo na aan den kinderschoen grenst; gij weet dus allen, dat het bloed geen vlekken nalaat. Gij hebt gisteren kunnen zien, dat mijn handen het zwaard kunnen voeren en dat zij even krachtig zijn als uw handen: het is bespottelijk te zeggen, dat ik maar n hand zou hebben, of misschien wel geen. Ik heb mannen gekend, die gaarne hun ziel aan mijnheer satan zouden verpand hebben, om n hand, die zij verloren hadden, terug te hebben; maar ik heb nooit een hand gezien, die door den duivel gemaakt was. Wat het gevoelen betreft, dat mijn handen zouden zijn als die van een geraamte, het is even belachelijk als alles, wat ik gehoord heb; neen, ik heb een gelofte gedaan, om altijd handschoenen te dragen, en ik draag gewoonlijk rood leeren, zooals gij ziet. Ziedaar, mijne Heeren, het groote raadsel van mijnheer Van Baerbergh opgelost, en deed wijs mij er buiten te houden, anders zou hij zijn keten kwijt geweest zijn.” „Gelooft niet, wat hij zegt,” riep deze, „een roode handschoen is geen Roode Hand.”

„Het geloof kan ik u niet geven, Heeren,” vervolgde Perrol, want zij lachten wel, doch zeiden niets. „Maar ziedaar mijn handen, onderzoekt zelf of zij anders zijn dan de uwe.”

Eenigen raakten zijn handen aan, en zeiden niets, toen stond Van Baerbergh plotseling op, en zei: „Eilieve, wees zoo goed, en laat mij ook uw rechterhand eens voelen.”

„Daar is zij,” antwoordde Perrol, „oordeel zelf, of in een wanschapen hand zooveel kracht zou zitten,” en hij stak hem zijn hand toe. Van Baerbergh vatte haar aan, en lachend sloot Perrol de zijne, maar spoedig schreeuwde Van Baerbergh, terwijl hij zijn linkerhand aan zijn dolk bracht: „Los voor den duivel!” en Perrol liet zijn hand vrij en ging weer zitten.

„Nu zullen wij niet wachten, Perrol,” vervolgde hij, bleek van kwaadheid, „tot gij zelf goedvindt om ons het raadsel op te lossen. Staat bij, Heeren! Helpt mij, en wij zullen de Roode hand zien,” en vrdat Perrol zag, wat hij voornemens was, viel hij over de tafel, vatte hem bij den arm en trachtte er den rooden handschoen af te trekken. Perrol gaf een schreeuw van woede, die door het gejuich der meer dan half beschonken mannen nauwelijks gehoord werd. Wel riepen sommigen: „Laat af! Laat af! Geen geweld!”

Indien zij, die Perrol nu als het ware op het lijf vielen, hem niet den linkerarm hadden vastgehouden, zou hij waarschijnlijk zijn dolk getrokken en dien Van Baerbergh in de borst gestooten hebben, maar nu riep hij woest: „Terug, verdoemden! Los, Per moio!” En terwijl hij opstond, rukte hij, voordat Van Baerbergh den handschoen had kunnen uittrekken, (want hij had zijn vuist gesloten en de armband hield hem vast), zijn arm en zijn hand met reuzenkracht los, zoodat Van Baerbergh bijna geheel op de tafel lag. Toen zijn rechterhand vrij was, wierp hij ook degenen ter zijde, die hem wilden vasthouden, en zij traden snel terug; want hij had nu zijn dolk in de hand.

„Ha! hal mijne Heeren!” riep hij woest lachend, „gij wilt Perrol behandelen als een ellendigen schobbejak; maar dat zal niet gaan. Per moio! Indien gij in uw dronkenschap niet weet te leven, zal ik het u leeren, ik Perrol! Nadert mij niet meer, of, bij mijn banier, ik stoot u neer!”

„Of gij wordt neergestooten,” schreeuwde Van Baerbergh, die weer op de been was geraakt, en zich naar de andere zijde van de tafel spoedde.

Een zacht gemompel liet zich hooren; het werd hoe langer hoe sterker, en eindelijk riep Jan van Lanskroon: „Ik geloof, dat hij ons dreigt; zullen wij dat verdragen, Heeren?”

„Hij heeft gelijk,” riep daarentegen Hendrik van Nijveld; „is ieder niet vrij om te dragen, wat hij wil? Maak geen twist, Heeren!”

„En wie maakt twist? Wij niet,” zei Van Baerbergh; „laat hem zijn hand laten zien; meer vorderen wij niet.”

„De hand, de hand, laat uw hand zien, Messire! Vertoon de Roode Hand,” schreeuwden nu de meesten lachend, en wilde Perrol weer naderen. Zij dreigden met hun armen, drukten hun hoeden of kappen op het hoofd, en schenen zich allen ten koste van de vreemdeling te willen vermaken.

„Nadert niet!” dreigde Perrol, die zijn dolk in de scheede terugstiet, en de hand aan zijn degen sloeg.

„Volgt mij, vrienden!” schreeuwde Van Baerbergh, zijn degen trekkende, maar Adriaan van Naaldwijk en Reijer van Broechuijsen hielden hem tegen. „Wij willen de hand zien,” riepen de meesten, eenigen lachend, anderen met kwaadheid, naar gelang de wijn en andere dranken op hen werkten.

Perrol zag, dat hem niets anders overbleef dan zich te verwijderen, of den hoop af te wachten, die hem weldra gewapend op het lijf zou vallen; want het voorbeeld van Van Baerbergh was door anderen gevolgd, en lemmers van degens, daggen en opstekers flikkerden bij het licht der kaarsen. De hofmeester van Montfoort, die eerbiedig, doch vruchteloos de gasten verzocht had de rust niet te storen, verwijderde zich. De pages, knapen en knechts stonden op een afstand, en zagen met lachende blikken aan, wat hun beschonken meesters zouden beginnen; alleen Vidal hield zich bedaard achter zijn meester, die vr een der nissen stond, welke vr elk der ramen was, en waarin de page Riso zich angstig verborgen had. Alleen van voren kon men Perrol naderen; want met opzet was hij hier gaan staan en toen hij den aanval voorzag, riep hij woest lachend, terwijl hij zijn degen trok, en de roode pluim van zijn hoed, dien hij had opgezet, zich heen en weer bewoog: „Ha, ik gevoel het, ik ben een vreemdeling, en daarom beleedigt gij mij. Per moio, ik zag vele dronken lieden, edele en dappere Heeren! Maar nooit zag ik er, die, zoo sterk in getal, n man durfden aanvallen. Treedt n voor n voorwaarts en indien ik u niet allen hier op de steenen, stervend of dood naast en over elkander neerleg, dan heet ik geen Perrol, en hangt mij dan als een lagen dief bij de beenen aan de galg. Maar, voor den duivel, komt gezamenlijk, als gij niet anders durft, en gij zult wat aardigs zien. Vooruit, mijne dappere, dronken Heeren, en gij zult zien, hoe Perrol met den degen omgaat.”

Van Baerbergh deed vruchtelooze moeite, om zich te bevrijden van degenen, die hem vasthielden, en schreeuwde: „Ik het eerst, Heeren! Hij behoort mij toe; wie Perrol nadert heeft met mij te doen; mij alleen behoort zijn leven.” De vermaning van de oudste gasten was niet geheel zonder invloed geweest; zij ve-maanden tot rust, en begrepen, dat de gekkernij al te ver gedreven was, maar de jongeren, die meer gedronken hadden, begrepen het anders, en lachend riepen zij: „Vertoon uw hand Perrol en snoef maar niet; de Roode Hand willen wij zien en meer niet.” Doch zij stelden geen belang genoeg in de zaak, waarmee zij zich vermaakten, om Perrol aan te vallen, dien zij opnieuw als een vroolijken tafelgenoot hadden leeren kennen, hoewel de meesten niet terugbleven uit vrees voor hun leven.

Een verachtelijke glimlach vertoonde zich op het gelaat van Perrol, toen zijn uitdaging zonder gevolg bleef; hij stak zijn degen op en zei: „Gij vindt het dus raadzaam, dappere Heeren, om het bij een vertooning te laten? Het is mij wel; maar steekt nu, bid ik u, die degens en dolken op, want op mijn eer, het is bespottelijk met een kling te dreigen, zonder haar met bloed te verven,” en hij lachte luid. De meesten lachten ook, en de wapenen verdwenen; maar Van Baerbergh riep: „Tot morgen dan, Messire, en zorg dan, dat uw degen lang is.” Hij schaterde van den lach; maar zijn vrienden stoorden hem; want nogmaals riepen zij vroolijk, en naderden Perrol: „Uw hand, Messire, het is ons laatste woord: laat uw hand zien!”

Het was nu voor Perrol weer een gevaarlijker oogenblik dan toen het staal ontbloot was, dat zelfs deze beschonken mannen meer omzichtig en minder ondernemend had doen zijn. Tevergeefs trachtten Hendrik van Nijveld en een paar anderen hun deze ongepaste nieuwsgierigheid uit het hoofd te praten; zij drongen al zwaaiende en lachend vooruit.

Perrol, toen naar Van Baerbergh ziend, lachte valsch en zei bedaard: „Vermoeit u niet, mijne Heeren, om aan deze jongelieden andere gedachten in te prenten; ’t is even als die ezeldrijver, welke zich verbeeldde, dat hij een paap was en die een meditatie hield voor zijn ezels, doch zonder vrucht; want zij verlieten de schuur, en liepen den weg op om distels en doornen te vreten.” Hij lachte en vervolgde met een krachtige stem: „Welnu, nieuwsgierige Heeren, ik zal u gelegenheid geven om mijn hand te zien; benoemt n uwer en laat hem naderen, en ik zal hem mijn hand geven om af te houwen; maar zoolang ik leef, of er macht over heb, ziet gij haar niet, dit zweer ik bij mijn banier! – Vidal!” gebood hij, „breng dit bankje hier, en geef twee bijlen.”

„Aangenomen!” riepen de edellieden, die verwonderd bleven staan; „maar wie zal haar afhakken?”

„Ik,” zei Van Baerbergh en wuifde met zijn muts, „ik, aan mij die eer!”

Vidal aarzelde; maar een dreigende wenk van zijn meester gebood hem te gehoorzamen. Nu zette hij een der bankjes neer, waarop Aleida gestaan had, en ging langs den muur, om onder de wapenen twee bijlen uit te zoeken, waarbij hij tot Riso, die naast hem ging en hem met een kaars bijlichtte, zei: „Om Gods wil, Riso, zoek Walson op; zeg hem wat Messire gelast, en laat hem den Burggraaf waarschuwen.”

De page vertrok terstond, en vond den luitenant lustig aan het drinken, terwijl in een ander vertrek de eensgezindsheid nog niet hersteld scheen. Hij lachte, toen de ontstelde Riso hem verslag deed van wat er voorviel, en zei: „Messire Perrol zou niet tevreden zijn, als ik de oorzaak was, dat men hem in zijn vermaak stoorde; ik zal zelf eens zien, wat er gebeurt; maar spoed u naar Quintijn, en zeg hem, dat hij terstond met eenige ruiters hierheen komt, want Messire Perrol kan dikwerf wonderlijke invallen hebben. Vertrek!” Hij stond op en verzocht den mannen, met wie hij dronk en speelde, eenige oogenblikken geduld te oefenen.

„Kom, Vidal!” riep Perrol, en Van Baerbergh, die ongeduldig met den voet stampte en met de armen heen en weer zwaaide, schreeuwde: „Haast u, n bijl is genoeg, knaap; voor mij de bijl!”

„Twee bijlen, voor den duivel! zeg ik,” vervolgde Perrol; en Vidal, die zoo langzaam mogelijk te werk ging, moest eindelijk toch wel gehoorzamen. „Weest zoo goed om bij te lichten, Heeren,” zei Perrol koel, „anders slaat hij mij nog den geheelen arm af, en gij hebt alleen de hand gevraagd, want uw voorvechter ziet niet heel scherp.”

„Scherp genoeg, als de draad van de bijl maar goed is,” zei Van Baerbergh. Hij bekeek vervolgens het staal van de zware wapenbijl, en Vidal legde de tweede bijl, op een wenk van Perrol, naast dezen op den grond.

Het hoofd der Zwarte Bende knielde op de linkerknie; hij had zijn mouw opgestroopt, en zijn rechterhand met den rooden handschoen lag op het bankje, dat een weinig naast hem stond. Hij was ernstig, doch lette met aandacht op Van Baerbergh, die voor hem stond in een kring van toeschouwers, die door de kandelaars, welke zij in de hand hielden, zich zelven en den cirkel, welken zij vormden, goed verlichtten. Zij lachten niet meer, maar zagen aandachtig toe, en men hoorde alleen eenig geritsel, als zij elkander aanraakten; want hoewel hun verstand meer en meer begon te herleven, hadden zij moeite om rechtop en stil te staan, en begrepen de meesten niet, wat er eigenlijk gebeurde; er heerschte een diepe stilte.

„Die mijn hand wil zien, hakke haar af; zij is gereed,” zei Perrol somber.

„Maar gij zult haar terugtrekken,” riep Van Baerbergh, die zijn bijl opgeheven had, doch haar nu weer liet zakken. Ofschoon hij zelf gevoelde, dat hij te veel gedronken had, zou hij wel met Perrol hebben willen vechten; maar hij aarzelde om de hand, welke hem werd aangeboden, van den arm te scheiden; het was, alsof een geheime macht haar beschermde.

„Neen,” hernam Perrol glimlachend; „maar uw vrees is een lafaard waardig.” Nu nam hij de keten, die om zijn hals hing, stak die door het handvat, dat boven in de bank was doorgeslagen, en bevestigde zoo zijn arm, terwijl hij zei: „Ziedaar, sla toe, of werpt de bijl weg, mijn hand zit nu vast.”

Weer hief heer Coene de bijl op, maar liet haar opnieuw zakken, en riep nogmaals: „Maar wat moet die bijl dr? Leg haar ter zijde, wat hebt gij in den zin?” „Gij dacht dus, evenals een slachter, een dood stuk vleesch, dat niet betwist wordt, af te kappen, dappere Heer, en gij treedt terug?” zei Perrol spottend. „Maar waarover verwondert gij u? Of dacht gij, dat de eene hand de andere niet beschermen zou, zoowel als de eene de andere wasschen moet? Treedt nader dan, of laat een ander uw wapen nemen. Hij lachte verachtelijk, en hield de strijdbijl, die met het blad op den grond rubtte, in zijn linkervuist geklemd. „Sla toe! Ziet gij niet, dat deze heeren nieuwsgierig zijn en met ongeduld de lichten vasthouden?” riep hij luid en lachte hoonend.

„Welnu dan,” schreeuwde Van Baerbergh, „ik zal de Roode Hand afslaan. Ziet toe, vrienden en oordeelt, of ik goed gehouwen heb; bij mijn patroon! Let op daar gaat ze. Het vreeselijke wapen werd opgeheven; het licht weerkaatste tegen het gepolijste staal. Niemand uitte een enkel woord; maar de kandelaars beefden in de handen der omstanders, die met stomme verbazing hun oog f op de hand, die roerloos ten offer lag, f op de glinsterende heerbijl gericht hielden. Bleek van schrik stond Vidal achter zijn meester, die zwijgend den slag verbeidde. Walson was onbemerkt een eindje ter zijde van hem gaan staan; doch zijn gelaat vertoond noch bezorgdheid, noch drift, wel nieuwsgierigheid. Hij meesmuilde en streek met de hand zijn knevel glad. Met onzekere en langzame schreden naderde Van Baerbergh; hij voelde zelf, dat het hem moeite kostte om recht te gaan, maar elke stap bracht hem nader bij de Roode Hand, waarop zijn vlamschietend oog gevestigd was, en de bijl, welke hij met beide handen hoog boven zijn hoofd had opgeheven, bewoog of trilde niet.

Maar op het oogenblik, dat hij, met meer overhaasting dan vroeger den linkervoet vooruit bracht, en het wapen zich nog hooger en meer achterwaarts verhief, terwijl Perrol opnieuw de hand sloeg aan de bijl, welke naast hem lag, en elkeen vermoedde de Roode Hand te zien afbouwen, of Van Baerbergh te zien vallen, trad de ridder Van Montfoort vr den onvoorzichtigen edelman, en riep:

„In Gods naam, mijne Heeren! Houdt op, wat gebeurt hier?”

908SR15.gif (1832 bytes)

Terwijl Montfoort in een der kamers van het bisschopshof zijn welsprekendheid aanwendde, om zijn gasten, waaronder hevige twist was ontstaan, omdat n hunner valsch speelde, tot bedaren te brengen, was zijn hofmeester hem komen meedeelen, dat zijn tegenwoordigheid ook in de groote zaal dringend vereischt werd. Hij had echter weinig acht geslagen op wat de oude Gijsbert gezegd had; het verwonderde hem wel niet, dat er eenige oneenigheid tusschen zijn gasten was ontstaan, maar hij dacht nog tijdig genoeg te komen, om de vriendschap, door het instellen van een dronk te herstellen. Hij zelf was ook zoo bevreesd niet als de oude man voor een ontblooten degen of een uitdaging van half beschonken lieden, en vertrouwde, dat de oudste heeren verstandig en machtig genoeg zouden wezen, om te zorgen, dat de afdoening van alle tweespalt tot den volgenden middag werd uitgesteld, wanneer de partijen, niet meer door den wijn opgewonden, gemakkelijk te verzoenen zouden zijn. Een oogenblik nadat de hofmeester zich zwijgend en het hoofd schuddend verwijderd had, schoot hem echter te binnen, dat er een vreemde eend in de bijt was, en hij herinnerde zich het twistzieke gedrag van Van Baerbergh. Zoo spoedig mogelijk haastte hij zich nu om terug te keeren; want hij wilde Messire Perrol, wiens bijstand voor de zaak, welke hij voorstond, zoo noodig was, niet gaarne blootstellen aan eenige onaangenaamheid, en vreesde tevens, dat deze, met zijn algemeen bekende woestheid van aard, zich niet ontzien zou terstond elke beleediging bloedig te wreken, en de eensgezindheid tusschen edelen en het krijgsvolk, dat in soldij stond, zoo noodig voor den oorlog tegen den Bisschop en den stadhouder van Maximiliaan van Oostenrijk. De knapen, pages en zij die aan tafel bediend hadden, stonden op een afstand te kijken, hoe de twist zou afloopen, toen de Burggraaf binnentrad; zij weken eerbiedig terzijde, toen hij zich met haastige schreden naar zijn gasten spoedde, die bij een der vensters naast de tafel vereenigd waren. Er heerschte een diepe stilte, en dit stelde hem in het eerste oogenblik gerust; hij had gedacht een hevigen woordenstrijd, met vloeken en bedreigingen doorspekt; maar opeens zag hij de glinsterende bijl, die hoog boven aller hoofden uitstak en sidderde. Geen der toeschouwers van die dollemanspel, dat voor beiden noodlottig kon worden, bemerkte, dat hun gastheer naderde; zelfs werd Willem van Wachtendonck, noch de heer Van Middachten, die een der lichten in de hand hield, hem gewaar, hoewel hij juist achter hen stond; want hij was gereed om tusschen hen door te dringen, en Van Baerbergh in zijn voornemen te verhinderen. Maar ook op hem had dit vreemde tooneel een betooverenden invloed; hij bleef roerloos en met ingehouden adem staan; de ijzingwekkende, spottende grimlach, die op het, voor het overige ernstige gelaat van het hoofd der Zwarte Bende zichtbaar was, boeide hem; zijn oog las met schrik en verwondering den dorst naar bloed en wraak, die in het strakke oog van Perrol te lezen stond. Hij alln, met Vidal en Walson, begrepen wat er voorviel, ofschoon zij ieder met zijn eigen gevoel getuigen waren van wat er gebeurde; hij zag nu Perrol met de Roode Hand, zooals men hem had uitgeduid: wonderlijk en vreemd in zijn wraakneming, maar altijd verschrikkelijk. Doch toen Van Baerbergh de hand, welke als dood, gereed lag om den slag te ontvangen, nabij was en zijn arm zich rekte, toen overwon de Burggraaf de soort stomme verbazing, die hem overmeesterd had; hij schoof de beide heeren, achter wie hij stond, ter zijde, en plaatste zich tusschen Perrol en Van Baerbergh of liever tusschen de Roode Hand en het scherp der bijl.

„Bij al wat heilig is, wat gebeurt hier, Heeren?” vroeg Montfoort nogmaals, toen niemand hem antwoordde en hij verwonderd rondzag; maar zijn vragen was vruchteloos, en hij vervolgde: „Ik dacht, op mijn eer, dat mijn oude Gijsbert droomde, toen hij mij kwam roepen, en ik haastte mij niet, want ik was bezig met eenige ruwe krijgshieden tot bedaren te brengen. Doch hoe kon ik vermoeden, dat mijn edele gasten het ongestoord genoegen van onze samenkomst zouden storen? De jeugd is brooddronken, ik weet het; maar gij, mijne Heeren, die in jaren gevorderd zijt, hoe kunt gij het zoo ver laten komen?” zei hij verwijtend. „Werp weg dat wapen, Heer Van Baerbergh! Het past noch in uw handen, noch in deze zaal, werp het weg; ik bid het u. Mijnheer St. Maarten zij geloofd, dat ik nog bijtijds gekomen ben.” Hij schudde het hoofd, toen Van Baerbergh gemelijk de bijl op den grond wierp en zich omkeerde.

„Zeg liever, Heer Burggraaf,” zei Perrol lachend, „dat gij te vroeg of te laat zijt gekomen; te laat om mij voor een beleediging te bewaren, en te vroeg om mij den tijd te laten om er mij over te wreken.”

„Zelfs om mijnentwil alleen hadt gij, ik durf het zeggen, de eensgezindheid moeten bewaren; gij waart dit aan mij verplicht; want gij zijt immers mijn gasten, Heeren! Maar ik dank God, dat ik nog tijdig genoeg gekomen ben, om het bloedstorten te verhoeden,” vervolgde Montfoort, min of meer geraakt.

„Indien ik dan ook niet beter dan die heeren onderricht geweest was omtrent de verplichtingen van een gast. Per moio, gij zoudt hier de zaak geheel anders gevonden hebben,” zei Perrol en lachte verachtelijk; „en voor den duivel, gij behoeft het hun niet te danken, Heer, dat gij mij of eenige hunner hier niet dood of stervend vindt liggen!”

„Maar wat is er dan gebeurd, Messire?” riep Montfoort. „Antwoord mij, daar gij de eenige schijnt te zijn, die het spraakvermogen niet verloren hebt.”

„Wat er gebeurd is?” hernam Perrol somber, „uw gasten zijn nieuwsgierig; zij willen mijn hand zien, en om hun ter wille te zijn, zooals een goed dischgenoot voegt, heb ik hun, zooals gij ziet, mijn hand ten beste gegeven; jammer maar, dat gij hun voorvechter verhinderd hebt aan hun dronkenmansnieuwsgierigheid voldoening te verschaffen.”

„En gij hebt zoo onvoorzichtig kunnen zijn, Messire, om uw hand aan dit vreeselijke spel te wagen?” vroeg Montfoort en schudde verwonderd het hoofd. „En waarom niet?” zei Perrol met een boosaardigen lach, en hij liet het staal van de bijl, die naast hem lag, op de marmeren steenen klinken, „ik waagde mijn rechterhand, maar de linker is krachtig genoeg, om haar te beschermen; of denkt gij, Heer, dat dit goede staal niet gemakkelijk in die borst zou gedrongen zijn, welke noch door harnas, noch door halsberg gedekt wordt?”

Montfoort zag nu voor het eerst, dat er een wapen naast Perrol lag, en terwijl deze opstond en zijn hand losmaakte, zei hij ernstig: „Gij hebt gelijk, Messire, ik zie het nu eerst; ik had ook moeten weten, dat gij uw voorzorgen genomen zoudt hebben. – En gij, Heer Van Baerbergh,” vervolgde hij tot dezen, „het verwondert mij, dat gij u geraakt toont, omdat ik u verhinderd heb een ongeluk te begaan; ik wist dat gij driftig en onvoorzichtig, maar niet dat gij zoo onhoffelijk waart om een mijner gasten te beleedigen, want dat is minachting van mijn persoon.

„Hebt gij dan niet gezien, heer Van Montfoort,” antwoordde Van Baetbergh gemelijk, „dat ik gespeeld heb met het hoofd der Zwarte Bende, en dat hij mij niets gelaten heeft……”

„Zeer zeker,” viel de Burggraaf hem in de rede, „maar past het een edelman om twist te zoeken tegen hem, dien fortuin begunstigd heeft? Dat is goed voor rabauwen en schobbejakken; een boer zelfs, Heer, zou het zich tot schande rekenen,” eindigde hij schamper.

Het scheen dat de bestraffing van Montfoort meer dan alles, wat te voren plaats gehad had, in staat geweest was om het verstand van Van Baerbergh geheel te doen opklaren; want hij naderde den Burggraaf en zei fier, terwijl hij zijn kap afnam: „Bij mijnheer St. Maarten, Heer Burggraaf, gij gebruikt woorden, waarvoor ik met mijn zwaard voldoening zou eischen, indien ik niet te veel achting voor u had; ik beklaag mij niet, dat ik heb verloren, maar dat hij mijn woord niet vertrouwd heeft, dat vreemde bendehoofd, hij die met ons geld betaald wordt. Hij is noch ridder, noch edelman; waarom zou ik hem dus ontzien; of heeft hij Van Schaffelaar bij Dwarsdijk niet laaghartig behandeld, wat de broeder van den heer Van Nijveld zou kunnen getuigen, indien hij nog hier was? Gij moet zeker van gedachten zijn, dat hij beter de behandeling der wapenen verstaat dan ik, anders zoudt gij hem gisteren immers het bevel over het volk niet gegeven hebben, waarom ik u verzocht had; wat vreesdet gij dus voor den vreemdeling, die beter een beleediging kan verduren dan n onzer? Ik verzeker het u,” zei hij lachend. „Voor het overige beroep ik mij op de getuigenis van deze heeren, die nu wel zwijgen, maar evenals ik begeerig waren, om het raadsel opgelost te zien; wij willen de Roode Hand zien, meer niet; indien u zulks beleedigd heeft, Heer Burggraaf, dan vraag ik u voor deze nieuwsgierigheid verschooning.” Hierna trok hij met zijn hand de mouwen van zijn zijden wambuis, welke opgeschort waren, naar beneden.

„Genoeg,” zei Montfoort haastig, die zeer goed besefte, hoe heilloos alle tweedracht en van hoeveel belang het was, om den zending van den Franschen koning te ontzien; wat geschied is, neemt geen keer, laten wij daarom liever zwijgen.” Nu keerde hij zich tot Perrol, die zijn hoofd ontblootte, toen hij hem aansprak, en vervolgde: „Alleen de wijn, Messire, draagt de schuld van wat gebeurd is; want ik ben overtuigd, dat al deze heeren nu met leedwezen inzien, dat zij u door hun ongepaste nieuwsgierigheid beleedigd hebben; ik vraag u om, mij ten gevalle, ook de goede vriendschap met deze heeren niet te verbreeken.”

Perrol boog, terwijl hij om zich heen zag, en toen geen hunner sprak, wilde hij antwoorden, maar Van Baerbergh riep: „Ik geloof niet, dat er ooit vriendschap tusschen mij en het hoofd der Zwarte Bende bestaan heeft, en daar deze heeren genegen schijnen om zich over hun gedrag te verontschuldigen, verklaar ik, dat ik alles verwerp, wat naar verzoening of verontschuldiging zweemt.”

Montfoort wilde antwoorden, maar Perrol zei haastig, terwijl hij hem met de hand verzocht te zwijgen: „Wat mij betreft, wat onze edele gastheer gezegd heeft, is meer dan ik verlangen kon, en wat deze heeren gedaan of gezegd hebben, heb ik reeds vergeten; zelfs vraag ik verschooning aan den Burggraaf, dat een dwaze gelofte mij verhinderd heeft, om mijn hand te laten zien, waardoor ik oorzaak van hun nieuwsgierigheid ben geweest. – En wat u betreft, Heer Van Baerbergh, ik zweer, bij mijn banier, dat uw woorden mij zeer welkom waren; ik verlang naar geen vriendschap met den vriend van den papenknecht, ik neem de vijandschap aan, vooral daar zij nog slechts weinige uren meer duren kan,” eindigde hij somber lachend.

Montfoort verzocht zijn gasten nu dringend weer plaats te nemen, en gebood Gijsbert om de bekers, die zoolang stil gestaan hadden, te vullen. Hierop zei hij vroolijk: „Goddank, mijn gasten, de goede verstandhouding is weer hersteld; drinkt daarom met mij op de eensgezindheid en de vriendschap; dat zij altijd onder ons mogen heerschen!” Allen deden hem bescheid, uitgezonderd Van Baerbergh, die, toen men hem uitnoodigde om mee te drinken, ten antwoord gaf: „Morgenavond zal ik met u drinken, want dan zal iemand minder onder ons zijn; ik ga nu vertrekken.”

Terwijl zijn knaap hem zijn mantel over den schouder hing, en hij afscheid nam, zei Perrol lachend tot zijn buurman: „Voorwaar, Heer Nijveld, het is niet de schuld van heer Coene, dat ik den beker nog in de rechterhand kan houden om te drinken,” en daarna vervolgde hij luid: „Ik was voornemens u allen uit te noodigen om morgen gezamenlijk een rit te doen, en mij de eer te bewijzen om in de herberg de Groene Ridder, welke gij allen beter zult kennen dan ik, een ontbijt te willen aannemen, en terwijl de vriendschap vaster dan ooit tusschen ons geklonken is, noodig ik mijn edelen gastheer en u allen uit om mijn aanbieding niet te versmaden.”

Allen namen den voorslag met vreugde aan. Van Baerbergh, die juist zou vertrekken, zei niets, maar zijn knaap trad naar Perrol, en zei tot hem: „Heer, mijn meester, de edele heer Van Baerbergh zal u morgen ten negen ure, vergezeld van een getuige, wachten buiten de Katharijnepoort, vr het St. Job’s Gasthuis.

„Zeg hem,” zei Perrol, die glimlachend geluisterd had, „dat ik de eer zal hebben hem te wachten, indien ik er eerder mocht zijn, maar een afspraak met deze heeren zal mij verhinderen zoo vroeg op die plaats te wezen. Om half n uur zal ik komen, en hem vr dien tijd in de groene Ridder te zien, zou mij zeer veel eer zijn.” De knaap boog en vertrok.

„Wat heeft de heer Coene toch in den zin, dat hij nu reeds vertrekt?” zei Willem van Wachtendonck; en toen Perrol hem iets zachts had toegeroepen, vroegen zij, die het verst zaten, wat hij gezegd had, en er ontstond een algemeen gelach. Nog vrdat Van Baerberg de zaal had verlaten, schreeuwden sommigen: „Slaap wel, Heer Van Baerbergh,” en Hendrik van Nijveld riep: „Kus de Zwarte Aleida eens voor ons,” zelfs bleef het bij deze woorden niet; Van Baerbergh, die zijn naam hoorde noemen, bleef staan en antwoordde: „Te veel beleefdheid, heeren! En hoewel ik anders niet gewoon ben om iets voor een ander te verrichten, zal ik uw last behoorlijk ten uitvoer brengen.” Hij lachte; maar toen hij zag en hoorde, dat Perrol ook lachte, en zeer vroolijk scheen, riep hij driftig:

„Wat u betreft, Messire, draag zorg om niet te vroeg te lachen, en wat ik aan deze heeren gezegd heb, is niet op u toepasselijk.”

„Ik denk er eveneens over,” hernam deze spottend, „en belast u niet om iets voor mij te doen; ik ben gewoon mijn eigen zaken te verrichten, hoewel ik mij desnoods wel met de uitvoering van het verzoek dezer heeren zou willen belasten.”

Van Baerbergh zei nog iets tot antwoord, dat niet goed verstaan kon worden, en verliet, gevolgd door zijn knecht, de zaal. Sommigen maakten zich ook gereed om te vertrekken, maar Perrol vroeg aan Vidal om zijn geldbeurs, en zei vroolijk: „Ik heb reeds veel gewonnen, Heeren, maar wil nog meer winnen, of alles verliezen, en bied aan, om tegen u te spelen, zoolang er nog wat in deze beurs is. – Hier is de mijn,” riep hij, en stortte het geld over de tafel uit. „Wie speelt er naar de mijn?” en Vincent van Swanenburgh, die reeds zijn mantel om had, wierp dien weer af, en keerde naar de tafel terug, terwijl onder een luid geschreeuw van: „de mijn! de mijn!” het spel weer begon.

908SR15.gif (1832 bytes)

De lakenkopersInhoudopgave OltmansDe maaltijd (de nacht)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)