J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK I.

DE MAALTIJD

3. De Morgen.

„Wat woede zweept hen aan, wat haat, ter wederzijden
„..................Zie hen strijden!
„’t Is als de worst’ling van de geesten tegen een.
Mr. W. BILDERDIJK.

D.gif (3307 bytes)e herberg de Groene Ridder, waarin het hoofd der Zwarte Bende zijn tafelvrienden van den vorigen dag had verzocht bijn te komen, was op de Ganzenmarkt; zij werd door hen die van een goeden maaltijd en goeden wijn hielden, bij voorkeur bezocht en de voornaamste vreemde heeren, die in de laatste jaren de stad bezochten, hadden hier voor het grootste gedeelte hun intrek genomen; wat de herbergier Maarten Pieters, die een voornaam man in zijn buurt was, niet naliet te verhalen aan ieder die het maar wilde hooren. Het huis was vrij groot; een groote plaats, welke met een muur van de straat was afgescheiden en naar de stallen en den tuin leidde, bevond zich aan de eene zijde daarnaast.

Alles was in beweging in de Groene Ridder, zoowel in de keuken als in de stal; want reeds vroegtijdig werden de paarden der gasten, die men verwachtte, door hun stalknechts in den stal geplaatst, waarbij eenige ruiters van Perrol hun behulpzaam waren; en hoewel de genoodigden niet zeer vroeg kwamen opdagen, moest men toch, in aanmerking genomen wat den vorigen nacht had plaats gehad, over hun vlugheid verwonderd zijn. In de groote zaal, die op de eerste verdieping was, verwachtte hen Perrol, die er, volgens zijn plicht, het eerst was, en gelastte aan zijn pages en de knechts uit het huis, de gasten behoorlijk te bedienen. Door den krijg en het ruwe en ongebonden leven, dat hij van zijn jeugd af geleid had, eerder gehard, dan ongezond geworden, zou men niet gezegd hebben, dat hij zoo weinig rust genoten had. Hij was in wit laken gekleed, dat met gouden oplegsels en franjes was omzoomd, zijn gelaat was opgeruimd en verried geen zorg voor de toekomst; maar er vertoonde zich een boosaardige lach op zijn gelaat, toen hij Vidal gelastte, om, indien de heer Van Baerbergh mocht verschijnen, hem in zijn nabijheid te plaatsen. Het zwaard, dat hij in het Bisschopshof gedragen had, hing nu ook aan zijn zijde, en aan een van zijn vingers droeg hij een breeden gouden ring over zijn rooden handschoen.

Zijn gasten, die langzamerhand aankwamen, vertoonden voor het meerendeel ook weinig sporen van hun zwelgen en nachtbraken; de andere kleeding, welke zij droegen, de zorg waarmee hun haar en hun helder witte kragen waren opgemaakt, en de frissche morgenlucht hadden alle sporen van dronkenschap doen verdwijnen. Waarschijnlijk hadden de meesten zelfs wel iets gedronken of gegeten, om zich voor het ontbijt voor te bereiden, dat volgens gebruik van die tijden, ook in gekookte, ofschoon dan meest koude, vaste spijzen, wijn en bier zou bestaan.

„Mijn waarde Heeren,” zei Perrol, nadat hij de heeren Van Wachtendonck en Van Lanskroon verwelkomd had: „mij dunkt, wij moesten niet langer wachten met wat te gebruiken; wij zijn er zoo vroeg, dat zij, die lang er slapen, het ons niet kwalijk kunnen nemen; ook frischt niets den mensch meer op dan een goede teug wijn, vooral als men den vorigen avond niet al te matig geweest is.” Hij gelastte toen Vidal, te laten inschenken. Riso en de overige pages boden den heeren de gevulde bekers aan, en men wenschte elkander een goeden en aangenamen morgen; zij roemden Perrol, dat hij om hunnentwil zeker weinig gerust had, en zij alles reeds gereed hadden gevonden, terwijl Hendrik van Nijveld in het bijzonder het kleed prees, dat het bendehoofd aanhad.

„Waarlijk, Heeren,” hernam deze lachend, „ik heb dit kleed uit Frankrijk meegebracht; staat het u aan, welnu, het is tot uw dienst, om soortgelijk te laten maken, en met reden roemt gij mij, dat ik zoo vroeg hier ben geweest; want, bij mijn banier, indien het geen heilige en aangename plicht voor mij was geweest, dan zou ik nu niet in de Groene Ridder, maar nog in de veeren zijn.”

„Weet iemand ook iets van onzen vriend Van Baerbergh en de Zwarte Aleida? Misschien luistert hij nog wel naar haar sproken,” zei Van Middachten vroolijk; maar allen schudden luid lachend het hoofd, en Perrol grimlachte, den ring beziend, die aan zijn vinger stak, en lachte toen mee.

„Wat beduidt die ring, dien gij zoo aandachtig beziet? Weet gij meer dan wij? Welnu, laat ons dan niet in bezorgdheid,” riep Adriaan van Naaldwijk uit.

„Wat heer Coene betreft,” antwoordde Perrol meesmuilend, „ik vertrouw, dat hij, indien hij niet meer beschonken is, wel op de been zal zijn, evenals wij; maar wat de schoone spreekster aangaat, naar wien gij onderzoek doet, zoo kan ik u zeggen, dat zij als een roos sliep, toen ik haar den afscheidskus op den mond drukte. Ik heb haar een van haar ringen ontvreemd, zooals gij ziet, Heercn. Misschien slaapt het lieve kind nog wel, en zij heeft, op mijn eer, de rust wel verdiend,” eindigde hij schaterend van het lachen.

Een algemeene uitroep van verwondering en spotternij liet zich hooren; men liet Perrol geen rust; men wilde van alles nauwkeurig op de hoogte zijn, en grif gaf hij aan hun verlangen gehoor, nadat hij eens had laten inschenken, en vertelde met een zeker soort zelfvoldoening, die van snoeverij niet vrij te pleiten was, de nederlaag van den armen Van Baerbergh, zooals hij hem noemde.

Toen de heeren Van Montfoort en Reijer Van Broechuijsen het vertrek binnentraden, was Perrol genoodzaakt zijn verhaal te staken om hen te verwelkomen en nadat zij den morgendronk hadden genomen, zei de Burggraaf opgeruimd: „Ik ben verheugd u te zien, en dank u voor uw goedkeuring over het onthaal van gisteren, en hij St. Maarten, mijne Heeren, indien de goede God ons nog eens de overwinning schenkt, waaraan ik niet twijfel, dan verwacht ik u weer aan mijn tafel. – Maar wat verhaaldt gij toch, Messire? Ik hoorde uw gasten reeds op de trap schateren van lachen. Wij komen wel wat laat, het is waar; maar vertel ons, ten gevalle van heer Rijer, die van nieuwsgierigheid brandt om het te weten.”

„Het is de moeite niet waard, Heeren,” hernam Perrol, „om u met deze vertellingen op te houden: het is een grap, die ik aan de heeren op hun verzoek vertelde, anders niet.”

„Maar die wel waard is om gekend te worden,” riep Jan van Middachten; „begrijpt eens, Heeren, de zaak is, dat wij gisteren zeer onnoozel handelden met heer Coene te verzoeken de Zwarte Aleide in onzen naam te kussen; want zij had zich wel laten overhalen om de verliefde gesprekken van Van Baerbergh te komen aanhooren. Maar ziet, zoodra zij vernam dat Messire Perrol, op wien zij verzot is, en die aan den disch haar lonken had verstaan, zich over haar zou erbarmen, liet zij den armen Van Baerbergh loopen, en Messire vond haar reeds, toen hij in zijn kwartier kwam,” eindigde hij lachend.

„Bij St. Maarten!” riep Montfoort, „dat is een ongelukkige misrekening,” en de heer Van Broechuijsen zei lachend: „En als Van Baerbergh er achter komt, Messire, dan zult gij het hard te verantwoorden hebben; want dezen nacht was hij als een weinig twistziek.”

„De Roode Hand, Heer,” zei Perrol somber, „zal in alles wel voorzien; ik bekreun mij al zeer weinig om die opgever van onnoozele raadsels.”

„Maar nu komt het fraaiste eerst aan,” riep Van Wachtendonck; „Van Baerbergh weet het al; want toen de zwartoogige Aleida niet kwam opdagen, zond hij naar het huis, waar zij haar intrek had genomen, en men deelde daar zijn knaap mee, dat de schoone spreekster reeds voor geruimen tijd naar het huis van Messire Perrol vertrokken was. Hij begaf er zich dadelijk heen om haar terug te vorderen; maar hoewel men hem inliet, was het aan doovemansdeur geklopt, dat begrijpt gij.” Vervolgens vertelde hij in het kort, wat er verder gebeurd was, en dat Perrol ook met den beker meester was gebleven. Montfoort, die aandachtig geluisterd had, scheen er juist niet veel behagen in te scheppen, dat Van Baerbergh Perrol gevolgd was; iets, dat juist de andere heeren het aardigste vonden; en toen Van Wachtendonck zweeg, vorderde men van het hoofd der Zwarte Bende, dat hij zijn verhaal zou vervolgen.

„Ik vervolg dan, mijne Heeren,” zei hij vroolijk, „omdat gij het verlangt, en omdat wij toch allen nog niet bijn zijn; anders zou het, op mijn eer, beter zijn om te gaan aanzitten; want elk oogenblik verzuim is een genot te min: het weer is schoon, en onze paarden wachten ons zeker vol ongeduld. Ik ben gebleven, toen Aleida en degene, dien ik uitgezonden had, om een geestelijke te halen, mij verlaten hadden. Waarlijk, het was geen aangename wacht bij onzen dronken vriend, te meer daar ik begreep, dat de lieve deern op mij zat te wachten; en op mijn eer, er behoorde een groote zelfbeheersching toe om te blijven en niet dadelijk in haar armen te snellen. Ten laatste, ik erken het, was ik op het punt om hem aan zijn noodlot over te laten, mij troostend met de gedachte dat dronken lieden altijd voor ongelukken bewaard worden, toen mijn page eindelijk met een monnik uit het Jeruzalemshuis de kamer binnenkwam. „Eerwaarde vader,” zei ik zoo ernstig mogelijk, „ik weet dat uw klooster nooit is achtergebleven, als er iets tot heil van een ziel, die in gevaar is, gedaan moet worden, en daarom heb ik u laten roepen; nooit was het eigenbelang uw klooster eigen, anders zou ik, om uw ijver aan te sporen, zeggen, dat voor den dienst dien gij bewijzen zult, u een ruime som ter hand zal worden gesteld. Ziehier wat van u verlangd wordt; de jongeling, die daar ligt, is plotseling ongesteld geworden, en de heelmeester, dien ik geroepen heb, heeft geen hoop op zijn behoud gegeven, en zich verwijderd om u te halen; gij ziet het, de dood zweeft reeds op zijn gelaat: zooeven hebben wij, door hem met wijn te laven voor een oogenblik zijn geestvermogens opgewekt. Hij gaf toen de begeerte te kennen, om een geestelijke te zien, en gekleed en met zijn wapens naar zijn huis te worden teruggebracht, waar hij wenschte te sterven; een verlangen, dat verraadt, hoe hij zijn hart nog niet van de aardsche nietigheden heeft losgescheurd. Daarna is hij in dezen staat van verdooving geraakt, welke, volgens den heelmeester, den dood voorafgaat; ik verzoek u dus om hem de hulp toe te dienen, die hij noodig heeft; want hij is te jong, en helaas, ik moet zeggen, het spel en de vrouwen, vechten en drinken, waren zijn lust en zijn leven.”

De oude monnik geloofde alles wat ik zei; niet voor niets had ik gesproken van de belooning, die te verdienen was, en hij toonde zich, zooals hij zei, bereid om voor zijn ziel te bidden, niet op hoop van vergelding, maar alleen tot welzijn van den zieke. „Ik zou hem wel zelf naar zijn huis brengen,” vervolgde ik, „maar mijn vrouw wacht mij in het naaste vertrek; zij weent en is bedroefd, zij heeft mijn troost noodig; mocht dus de stervende een oogenblik tot zichzelf komen, zoo zeg hem, dat hij geen oogenblik uit onze gedachten is.” Toen, mijne Heeren, begon het aardigste van de grap,” vervolgde Perrol lachend, „en ik wenschte wel, dat gij den optocht gezien hadt. Vidal ging voorop; daarop volgden twee knechts met toortsen, en voorts zes van mijn ruiters, die heer Coene van Baerbergh, over wien een mantel geworpen was, op een ladder droegen, en de trein werd besloten door den monnik met een van mijn ruiters, die zijn kennis in de geneeskunde uitkraamde. Op mijn eer, mijne Hecren, ik was blij, toen ik onzen beschonken vriend, zoo goed bezorgd, naar huis had gezonden. Gij begrijpt licht, dat ik den afloop van de zaak niet vernam voor dezen morgen, want Aleida wachtte mij en bij mijnheer Amor, ik had waarheid gesproken tegen den paap; want zij weende en was bedroefd, maar het was van liefde en vrees, dat ik niet komen zou. Die nu zegt, dat ik geen zorg draag voor hen, die mij bezoeken en zich aan mijn tafel bedrinken, al zijn zij nog zoo onvriendelijk geweest, die weet het niet; en indien onze goede Van Baerbergh niet nuchter geworden was, en den paap naar den duivel gejaagd heeft, dan leest de vrome vader nog de gebeden der stervende bij hem.” Hier hield Perrol met voldoening op, en zag om zich heen.

„De scherts is bitter genoeg, Messire,” zei Montfoort, de eenige die niet schaterde van lachen; „maar ik had nog erger gevreesd. Doch zeg mij eens, werden de lieden van Van Baerbergh niet gewaar, dat hij slechts door den wijn bevangen was?”

„Neen, Heer,” hernam Perrol lachend, „de monnik was zoo begerig om het geld te verdienen, en de zielmissen, die in het vervolg misschien noodig zouden kunnen zijn, overtuigden hem zoo gemakkelijk, dat Van Bacrbergh op sterven lag, dat hij het misschien te goeder trouw zou hebben bezworen. De knechts twijfelden niet aan wat hij zei; alleen zijn knaap opperde tegen den gewaanden geneesheer de bedenking, of misschien alleen de dronkenschap zijn meester in dezen toestand gebracht had; maar deze deed hem spoedig van gedachten veranderen.”

„En de monnik zelf zal wel verhinderd hebben, dat eenige middelen aan den armen zondaar werden toegediend,” zei Hendrik van Nijveld spottend, „het was zijn belang niet.

„Maar het schijnt,” zei Perrol verwonderd, „dat de heer Van Montfoort dit spel niet goedkeurt, en toch doet het Van Baerbergh immers geen leed”

„Er zijn zaken, die voor een man van eer erger zijn dan de dood,” antwoordde de Burggraaf; „niets grieft meer, dan dat men iemand belachelijk maakt: ik wenschte wel, Messire, dat gij ons niets te verhalen hadt gehad.”

Perrol beet zich op de lippen, zweeg een oogenblik en zei onverschillig: „Gij hebt gelijk, edele Heer. Maar wat zal ik zeggen? Uw wijn was zoo krachtig, dat ook ik wel een weinig toegevendheid mag vorderen, die dezen nacht alles heb gedaan, om de eensgezindheid te herstellen; doch in elk geval weet de heer Van Baerbergh, waar hij mij vinden kan; en zoo hem een ongeluk overkomt, kan men door den monnik uit het Jeruzalemshuis verwachten, dat hij in staat van genade zal zijn!”

„Recht zoo, Messire,” lachte Vincent van Swanenburgh, die pas later was binnengekomen; „maar indien gij uw tijd evengoed besteed hebt als de broeder van St. Hieronymus, dan kunnen wij vaststellen, dat gij en de Zwarte Aleida in staat van doodzonde zijt, of gij moest reeds zoo vroeg gebiecht hebben.”

„Dat is mijn gewoonte niet, Heer,” hernam Perrol vroolijk; „ik wacht meestal, totdat er wat veel op den kerfstok staat; mijn beurs bevindt er zich goed bij, en mijn ziel is er niet minder om. – Maar zou het geen tijd worden, om eens te zien of de kok van de Groene Ridder zich ten aanzien van mijn gasten waardig van zijn taak gekweten heeft? Wij kunnen immers aan den disch evengoed vroolijk zijn als hier,” eindigde hij tegen de heeren, die om hem heen stonden, en nog lachten over wat hij hun verhaald had.

Juist toen men aan zijn verlangen zou voldoen, hoorde men iemand op de trap aankomen, en Van Middachten riep luid: „Gij komt te laat, luiaard! Het ontbijt is afgeloopen,” en iedereen zag naar de deur, wie zoo laat nog kwam opdagen; maar een plotselinge stilte verving het vroolijk gelach; want heer Coene van Baerbergh verscheen eensklaps voor hun oog. Hij was geheel in zwart laken gekleed; noch het wambuis, noch de hoze waren afgezet met goud of zilver, maar met zwarte zijde; hij droeg noch halsketen, noch eenig ander versiersel. Aan zijn linkerzijde hing een zwaard met ijzeren gevest en aan de rechter een eenvoudige dolk: zijn houding verried noch drift, noch beschroomdheid. Hij bleef een oogenblik in de deur staan; en wierp een bedaarden blik op de gasten; zelfs toen zijn oog dat van Perrol, die grimlachte, ontmoette, bleef zijn gelaat kalm en ernstig.

Perrol, die niet tevreden was met deze onaangename stilte, riep vroolijk: „Kom, Mijnheer Van Montfoort, neem plaats! – Mijne Heeren, als het u belieft; ziedaar den heer Van Baerbergh ook reeds, die ons met Zijn tegenwoordigheid vereert.”

Nu trad Van Baerbergh de zaal binnen en naderde zonder iets te zeggen of zijn hoed af te nemen, ja, zelfs zonder dat hij Perrol scheen te hebben verstaan. Zijn gang was vol waardigheid, zijn bleek gelaat ernstig en koud, als dat van een beeld. Hij scheen vervuld met een vast voornemen, dat hij ontworpen had en wilde uitvoeren; hij was niet meer de twistzoekende, vroolijke en lichtzinnige jongeling, die in alles aan zijn driften den vrijen teugel had gelaten; het was een man, die een beleediging met bloed wilde afwasschen. De bespottelijke vertooning, die Perrol met hem had aangericht, had hem in weinige uren eenige jaren ouder gemaakt, en het laatste spoor van zijn beschonkenheid verdreven. Een diepe en indrukwekkende stilte heerschte in de zaal, terwijl Van Baerbergh met afgemeten stappen door de gasten trad, die door zijn doen verstomd, zwijgend ter zijde weken. Toen hij in den kring was, welken zij om den verteller gevormd hadden, trad hij langs den Burggraaf, bleef voor zijn vijand staan, en zijn koele blik rustte op hem.

„Aanvoerder der Zwarte Bende,” zei hij plechtig; maar Perrol, die, met de hand in de zijde, hem rustig had afgewacht, viel hem in de rede, en zei op denzelfden toon: „Coene van Baerbergh, wij hebben u reeds lang gewacht,” en hoewel zijn gelaat ernstig bleef, zweefde er echter een hoonende grimlach op zijn lippen. „Aanvoerder der Zwarte Bende!” vervolgde Van Baerbergh met verheffing van stem, die koud als ijs was, „wisch dit uit met de Roode Hand!” en op hetzelfde oogenblik gaf hij hem een hevigen slag in het gezicht.

Te laat tilde Perrol de hand op om den slag op te vangen; want hij had niet willen terugtreden, of zijn armen van houding veranderen, toen Van Baerbergh voor hem trad. Het bloed sprong hem uit neus en mond; maar noch zijn oog, noch zijn hoofd hadden zich bewogen.

„Ha!” brulde hij, zoodra hij de hand op zijn gelaat voelde, „de Roode Hand zal u nederstooten, lafaard!” Tegelijkertijd sloeg hij zijn linkerhand bliksemsnel, alsof het de klauw van een wild dier was, in de borst van Van Baerbergh, en eer deze was teruggtreden, wrong hij met zooveel kracht den kraag en het bovenste gedeelte van zijn wambuis inn, dat de hand, welke deze aan zijn zwaard geslagen had, machteloos langs zijn lijf neerviel. Dit alles geschiedde zoo spoedig en onverwacht, de handeling van Perrol was zoo snel, dat de Burggraaf, die het naaste bij stond, en reeds voor den afloop van de zaak bevreesd geweest was, doch gelukkig zelden zijn tegenwoordigheid van geest verloor, nauwelijks tijd had om zich tusschen de twee vijanden te werpen, voordat de dolk, dien Perrol hoog opgeheven had, naar den borst van heer Coene neerdaalde.

„Om Godswil, Messire, geen bloed!” riep hij luid, en dekte Van Baerbergh met zijn eigen lichaam.

Verwoed vestigde Perrol zijn oog, dat vreeselijk rolde, op hem, die zijn prooi aan zijn wapen onttrok; zijn vingers klemden zich krampachtig om het gevest van het opheven moordtuig; de borst van den burggraaf stond bloot voor den stoot, en hij schreeuwde woest en dreigend: „Montfoort......!”

Deze alleen hoorde onbevreesd dit enkele woord, dat de omstanders deed huiveren, en alle tegenwoordigheid van geest verliezen deed; zooveel wraakzucht en toom lagen er in de stem, en hij zei kalm: „Men doodt iemand in dit land; maar vermoordt hem niet.”

„Zoo zal het dan zijn, Heer Burggraaf,” hernam Perrol, en liet den opgeheven arm zakken, „maar terstond dan. Ha!” riep hij, terwijl hij Van Baerbergh losliet: „de Roode Hand zal dit bloed met bloed afwasschen,” en lachte woest.

Vidal naderde met een servet en een bekken met water, en Perrol waschte zijn gelaat en zijn handen. Zij, die toegeschoten waren om Perrol’s arm te grijpen en Montfoort te beveiligen, kwamen juist van pas, om Van Baerbergh op te vangen, die achterover viel, toen zijn vijand, wiens hand hem bijna worgde, hem losliet. Het gelaat van den jongen man was blauw en paars; maar hij opende weldra de oogen weer, toen men zijn wambuis losknoopte, en hem koud water in het gezicht wierp.

Perrol, die op zijn tanden geknarst had, terwijl hij zijn gelaat en kleed reinigde, zag met boosaardig genoegen, hoe een enkele druk van zijn hand Van Baerbergh had getroffen; maar deze richtte zich spoedig op, en zei tot den Burggraaf, die, met de armen over elkander geslagen, in zijn gedachten verdiept daar stond „Heer Van Montfoort, ik bemerk nu, wat ik aan u verplicht ben; maar ik bid u, verzet u niet tegen hetgeen gebeuren moet: de Zwarte Bende moet heden haar hoofd of ik mijn leven verliezen; dat moet zoo zijn.”

„Heeren,” zei Montfoort, en hij drukte Van Baerbergh de hand en zag Perrol aan, „gisteren was ik uw gastheer; aan mijn tafel rees tusschen u een twist, waarover ik dus recht heb mijn oordeel te vellen; bewaart, bid ik u, den vrede, totdat ik met deze heeren dag en uur bepaald heb om deze ongelukkige zaak ten einde te brengen; want hoe gaarne ik dezen morgen u zou hebben voorgesteld u te verzoenen, ik besef zelf, dat dit nu onmogelijk is geworden.”

„Wanneer men mijn eer aanrandt,” zei Perrol somber, „dan ken ik mij alleen het recht toe om te beoordeelen, hoe en waar ik dien boon wil uitwisschen. Men straft hier, naar ik hoor, een onverwachte aanranding niet met een goeden dolkstoot; maar ik wil, al zou het ook landsgebruik zijn, geen oogenblik langer met dit schandmerk op het gezicht loopen. Neen! Voor den duivel! Ik wil het niet; en indien hij geen tiendubbele lafaard is, dan zal hij zich niet terugtrekken. Ik vorder het gevecht terstond!” en hij wees nu op Van Baerbergh.

„Heer van Montfoort!” riep deze, „doe geen vruchtelooze moeite; ook ik vorder het gevecht op staanden voet. – Zijt gij gereed, Perrol?” eindigde hij koel.

„Altijd,” hernam deze snel; „mijne Heeren, onderzoekt onze wapens, als gij zoo goed wilt zijn, dan kunnen wij de zaak spoedig afdoen,” en hij wierp zijn zwaard en zijn dolk op den grond; Van Baerbergh trok ook zijn wapens uit de scheede en legde die er naast.

Terwijl men bezig was, om de lengte, breedte en zwaarte der wapens te onderzoeken, was het Perrol gelukt om het bloed, dat hem uit neus en mond vloeide, te stelpen. Toen deze mensch zijn eerste drift beheerscht had, kostte het hem, die wist te veinzen en zijn wraak op te schorten, als hij het raadzaam voor zijn doel beschouwde, weinig moeite om de vreeselijke uitdrukking van woede en wraakzucht te doen verdwijnen, die zijn gelaat zoo akelig en verschrikkelijk gemaakt had. Toen dus heer Reijer van Broechuijsen zei: „Het oordeel dezer heeren is eenparig, dat de wapens vrij gelijk zijn; alleen is het zwaard van Messire Perrol een weinig korter; zij verzoeken hem dus een ander te nemen, toen grimlachte het bendehoofd.

„Ik dank u, Heeren, voor uw bericht,” hernam Perrol beleefd, nam zijn wapenen terug en stak ze op; „maar ik had, God zij dank, nooit minder behoefte aan een langen degen dan nu: want met mijn dolk alleen wil ik desnoods die borst doorpriemen, welke mijnheer de Burggraaf zoo even voor mij beveiligd heeft; als men een schrede voorwaarts doet, scheelt een handbreedte op het lemmer niet veel. Per moio, mijn hand zal zijn hart wel bereiken,” eindigde hij en lachte hoonend.

„Laster niet, Perrol,” zei Van Baerbergh met waardigheid, „wisch eerst het spoor van mijn hand uit, laffe spotter en beschimp mij dan! Laat ons naar buiten gaan!”

„Dezen nacht, vrome jonkman!” riep Perrol gemelijk, „rustte mijn hand op uw hart; gij moet het gevoeld hebben, maar edelmoediger dan gij, heb ik u niet geslagen: dat gij nog hier komt, hebt gij aan mij te danken.”

„Te danken,” hernam Van Baerbergh grimlachend, „moet ik u nog danken, na al hetgeen gij deedt? Neen, ik dank er u niet voor, dat gij mij niet vermoord hebt; het was misschien voor mij te wenschen geweest, indien mij niet de middelen overbleven, om mij te wreken over de schande, die gij op mij gebracht hebt. Ja, ik voelde misschien uw hand dezen nacht; maar toen stond ik niet overeind, zooals gij, toen mijn hand zooeven, in het bijzijn van deze heeren, uw aangezicht trof.”

Per moio, het is waar,” riep Perrol lachend, „gij voeldet mijn hand niet, want gij waart beschonken; gij zoudt het zelfs niet gewaar geworden zijn, al had de goddelijke Aleida uw mond met haar lippen aangeraakt,” en hij zag met welgevallen op den ring, dien hij droeg.

„Mijne heeren,” zei Van Baerbergh bedaard, „heb ik gisteren met reden gezegd, dat deze vreemdeling zeer gewillig een beleediging verduurt? Gij ziet het! Opnieuw zal ik hem met mijn hand moeten aansporen; want hij heeft weinig lust om te vechten; het snoeven is gemakkelijker.” Hij zag met verachting naar Perrol en deed een schrede voorwaarts.

„Ik wacht u,” hernam deze spottend en wilde vervolgen, maar de Burggraaf brak zijn stilzwijgen af, en zei ernstig: „De heer Van Baerbergh heeft gelijk; het past brave lieden, die een degen dragen niet om te schelden of te schimpen; doe wat gij van zins zijt, terstond of niet.”

„Terstond, Heer Van Montfoort!” riep Perrol, „reeds lang ben ik gereed; maar sta mij toe nog eenmaal te drinken. – Heidaar, Vidal, laat eens schenken, en vergeet den heer Van Baerbergh niet.”

Toen nam hij een schaal wijn en dronk, na zich te hebben gebogen; de meesten, evenals Van Baerbergh, dronken niet. Met veel ongedwongenheid, alsof hij zich slechts verwijderde, om een wandeling in den hof te doen, gelastte Perrol aan de knechts alles gereed te maken, voordat hij met zijn gasten terugkeerde; en toen hij de zaal verliet, riep hij onverschillig: „Gij kunt een bord en een stoel wegnemen; wij zullen daardoor ruimer zitten.”

De deuren van de plaats waren dichtgedaan, zoodat men van de straat af niet zien kon, wat er gebeurde en weldra waren al de heeren vereenigd. Van Baerbergh ging, nadat hij een blik op de zon geslagen had, naar het midden der plaats, en groette zijn vrienden en wapenbroeders, door het afnemen van den hoed. Perrol, die, terwijl zij de trap afgingen Vincent van Swanenburgh had uitgenoodigd, om hun paarden tegen elkander te laten loopen, zei haastig:

„Het blijft dan zoo, Heer, zoo aanstonds spreek ik u nader; verschoon mij nu, want de heer Van Baerbergh wacht mij reeds ;” en ook hij begaf zich naar het midden der plaats; ook hij groette, toen hij zich tegenover heer Coene plaatste. Er heerschte een diepe stilte, terwijl de wapens werden ontbloot. Eindelijk zei Van Baerbergh bedaard: „Aanvoerder der Zwarte Bende, uw zwaard is korter dan het mijne; begeert gij een ander?” – „Neen,” hernam Perrol onverschillig: „het lemmer is kort, maar deugdzaam, gelijk gij zien zult; doch daar het oogenblik, waarnaar gij zoo dwaas verlangd hebt, nu dr is, vraag ik, of gij nog iets te doen of te belasten hebt, en ik zal er u den tijd toe geven.

„Niets!” zei Van Baerbergh somber.

„Zelfs niet aan de Zwarte Aleida?” vroeg Perrol grimlachend. Toen riep Van Baerbergh driftig, en stampte met den voet: „Neen, duivel, ik denk niet meer aan haar, maar alleen hoe ik u zal neerstooten.

„Ik zie, dat de vermaningen van den monnik dus niet vergeefsch geweest zijn, en uw vleeschelijke driften hebben uitgebluscht,” zei Perrol spottend, „maar ik ben gereed, en deze heeren wachten mij.”

Nauwelijks had hij dit laatste woord geuit, of Van Baerbergh naderde hem, de zwaarden ontmoetten elkander. Aller oogen waren op de beide strijdenden gevestigd. Zoowel de gasten van Perrol als de stalknechts en bedienden uit de herberg waren ten gunste van Van Baerbergh gestemd: vooreerst omdat hij hun landgenoot was, en voornamelijk ook omdat zij met afschuw de spotternij van Perrol hadden aangehoord. iedereen hoopte, dat de jongeling mocht zegevieren, behalve de mannen der Zwarte Bende, die bedaard het gevecht gadesloegen; maar zij, die bekend waren met de behandeling der wapenen, vreesden voor hem; zij bemerkten, dat het aan het bendehoofd gelukt was, zijn tegenpartij door zijn tergen de bedaardheid te doen verliezen, terwijl uit al zijn doen bleek, dat hij geheel meester van zich zelven was.

Het gelaat van den onvoorzichtige, die zich moedwillig had blootgesteld aan de woede van den vreemden ruiteraanvoerder, door hem den voet dwars te zetten en hem te beleedigen, was nu niet meer geheel bleek; neen, de strijdlust die hem bezielde en zijn oog deed schitteren, had ook weer een lichtroode kleur over zijn wangen verspreid, wat aan zijn jeugdig, vroom gelaat een edele uitdrukking gaf. Wat Perrol betreft, op zijn aangezicht, dat uit den aard bruin en verbrand was, lag geen blos, maar vertoonde zich slechts een spottende lach, toen het gevecht een oogenblik geduurd had. De zwaarden, die licht en klein konden genoemd worden, in vergelijking met die, welke men gewoonlijk gebruikte als men te paard zat, waren even geschikt om te steken als te bouwen; en hoewel de schermkunst in dien tijd nog geen vorderingen gemaakt had, gaf de gewoonte om het zwaard te voeren toch altijd veel voordeel aan iemand, die van jongs af van het zwaard geleefd had. Daarom lachte Perrol, en zijn opgeruimdheid keerde terug, toen hij de sterkte van zijn vijand meende te hebben doorgrond.

Nu eens bedreigde het staal van Van Baerbergh zijn borst, dan weer beschreef het dreigende kringen boven zijn hoofd, of men dacht den buik van den ruiteraanvoerder te zien openrijten, maar altijd ontmoette het voortdringende wapen dat van zijn tegenpartij, en elke bouw en slag werd met den dolk of het zwaard zelf opgevangen of afgekeerd; want naar het gebruik van die tijden, hield elk den dolk tot afwering van het vijandelijk staal in de linkervuist.

De aanvoerder der Zwarte Bende week gedurig achterwaarts, en vergenoegde zich de slagen af te keeren, die men hem wilde toebrengen. Van Baerbergh streed aanvallend, hij was verwonderd en woedend, dat zijn vijand zich steeds aan elken stoot wist te onttrekken, en riep, juist toen Perrol door een weinig ter zijde te springen, weer aan zijn zwaard ontsnapte: „Sta, ellendeling! Of wilt gij nog langer terugwijken?”

„Neen, dwaas!” hernam Perrol valsch lachend; „’t is genoeg, en het zal nu uw beurt zijn; waarom hebt gij zulk een haast? Per moio! Het ontbijt wacht u toch niet, en uw ros zal uw spoor nimmer meer voelen; kon ik minder doen, uw kunde in het aanvallen voor het laatst nog eens aan deze heeren te doen bewonderen?”

„Vang dit op, lage spotter!” schreeuwde Van Baerbergh, en zijn zwaard daalde met de snelheid des bliksems neer; maar Perrol lachte hoonend, terwijl de vonken uit het lemmer van zijn wapen sprongen, en riep: „Gevangen, dappere Heer! Maar nu terug, Per moio! ’t Is nu mijn beurt!”

Vruchteloos zag Van Baerbergh nu naar een gelegenheid uit, om zijn vijand een stoot toe te brengen; zwaard en dolk waren bijna niet toereikend, om het dreigende wapen van Perrol af te wenden, dat hem dan hier, dan daar dreigde te treffen; zijn oog had moeite, om het vreeselijke staal, dat vast in de roode vuist geklemd zat, te volgen.

Weldra stond Van Baerbergh weer op dezelfde plaats, waar hij vr het gevecht gestaan had, en hijgde naar zijn adem; maar het bendehoofd was bedaard. Nu trad de Burggraaf vooruit, en zei: „Ik bid, Heeren, neem een oogenblik rust; Messire Perrol, vervolg niet dadelijk uw voordeel.”

„Zeer goed, Heer van Montfoort,” antwoordde deze koel, terwijl hij hem met zijn zwaard groette, waarna hij de punt tusschen de steenen stak, waarmee de plaats bestraat was; „ik gun dezen heer gaarne een rust, die ik zelf niet noodig heb.” De Burggraaf, die hen genaderd was, vatte Van Baerbergh bij den arm, om hem over te halen ook zijn zwaard te laten zakken; maar alle moeite was vergeefsch; want de driftige jongeling riep: „Ik wil niet rusten, vrdat ik de Roode Hand heb afgehouwen, zooals ik beloofd heb. – Verdedig u, Perrol! En stoor mij niet meer, Heer! Ik bid u.”

Montfoort trad, zijn schouders ophalend, terug, en het gevecht begon weer.

„Riso!” riep Perrol nu luid tegen zijn page, dien hij op de plaats gewaar werd, loop snel naar mijn huis, en laat terstond een ander kleed hier brengen; want dit zal spoedig, tot mijn spijt, voor altijd bedorven zijn, en ik kan zoo niet met deze heeren uitrijden. – Niet goed geraakt, Heer Coene,” vervolgde hij toen lachend: „maar wijk wat terug, toon nu ook uw bedrevenheid in den aftocht.”

„H, Riso!” riep hij nogmaals, voordat de page in het huis verdween, „groet de Zwarte Aleida van mij. – Hebt gij ook nog iets aan het dartele meisje te zeggen?” vroeg hij, en zag Van Baerbergh spottend aan; maar deze onderdrukte met moeite een uitroep van drift en antwoordde door naar zijn vijand te stooten: „Vrij goed gedaan! Per nioio! Dat scheelde niet veel,” en hij vervolgde luid: „Van mij alleen, Riso, want heer Coene van Baerbergh is nog op haar verstoord.”

In het begin trachtte Perrol tevergeefsch Van Baerbergh terug te drijven; want de dappere jongeling, wiens gelaat door de spotternij van zijn vijand weer van alle kleuren beroofd was, stond vast. Eindelijk werd hij toch genoodzaakt te wijken, zoo dicht vielen de slagen en stooten van het bendehoofd, en het meerendeel der toeschouwers begreep niet, waarom diens staal zijn vijand, die in zijn macht scheen, niet reeds lang getroffen had.

„Ho, ho!” riep Perrol eindelijk, „hebt gij besloten om deze geheele plaats af te loopen? Ik dacht, dat gij nimmer terugtradt; maar voordat ge ontsnapt, zal ik u teekenen, zooals zij mij dezrn nacht wildet doen,” en terwijl zijn zwaard dat Van Baerbergh neerdrukte, streek hij met de punt van zijn dolk langs het gezicht, zoodat het bloed uit een lichte snede vloeide, die over neus en wangen liep. Een kreet van woede en vertwijfeling ontsnapte aan de borst van Van Baerbergh, die op deze daad niet verdacht geweest was, en de punt van zijn zwaard naderde, helaas, tevergeefs tot op een handbreedte de borst van Perrol. Een afkeurend gemompel liet zich onder de omstanders hooren.

„Nabij, maar niet nabij genoeg,” lachte Perrol; maar toen veranderde zijn stem en zijn gelaat, en hij vroeg koel en bedaard: „Gij hebt dus niets te zeggen aan Aleida, dat lieve kind, niets aan uw dapperen vriend Van Schaffelaar, aan niemand iets meer?” en de toon van zijn stem was vreeselijk ernstig.

„Neen, valsche spotter!” brulde Van Baerbergh, en riep, terwijl een zucht aan zijn borst ontglipte: „Indien ik val, zal hij mij wreken; dan zal hij de Roode Klauw van uw hand slaan!”

„Zoo,” lachte Perrol hoonend, „gij twijfelt dan nu eindelijk aan uw leven, dat ik gisteren niet tot onderpand begeerde; maar uw laatste hoop zal ik hem doen weten, en ik zend hem u spoedig na. Doch zeg eens, zijt gij voornemens nog langer achteruit te gaan?”

„Neen, ellendeling!” riep Van Baerbergh, en hieuw met zulk een geweld, dat het zwaard het hoofd van zijn vijand zou gekloofd hebben, indien deze den slag niet ontweken had; want de veder van zijn hoed werd middendoor gehakt. „Welnu dan,” riep Perrol dreigend, terwijl een wild vuur in zijn oog schitterde, en hij vruchteloos trachtte zijn tegenpartij nog meer achteruit te doen gaan; een vreeselijke dorst naar bloed was op zijn gelaat te lezen, waarlangs het bloed liep, dat hem, door de drift welke hem beheerschte, weer uit neus en mond  begon te vloeien. Ook het gelaat van Van Baerbergh was vreeselijk om aan te zien, en zijn krachten schenen weer te herleven; zij stonden dikwijls borst tegen borst, zwaard tegen zwaard, dolk tegen dolk, en beiden waren zij genoodzaakt terug te treden, om elkander opnieuw te kunnen aanvallen. Toen hieuw Van Baerbergh nog eens, en Perrol ving den hevigen slag op zijn dolk op; maar ook tegelijkertijd zette de laatste den linkervoet bij en den rechter vooruit.

„Ha!” riep hij woest, „voelt gij nu de Roode Hand...!” en zijn staal drong bijna tot aan het gevest in de borst van den ongelukkigen Van Baerbergh, die zich voorover had gebogen om meer kracht te geven aan zijn slag, en tevergeefs getracht had den stoot met zijn dolk af te keeren.

Een uitroep van schrik en medelijden ontsnapte aan het hart van hen die den stoot zagen, en de vrouwen uit de herberg, zoowel als de waard Maarten Pieters, vluchtten in huis, zoodra het droevig spel geindigd was. Geen woord of zucht ontsnapte aan de borst van den zoo vroeg aan deze wereld ontvallen Van Baerbergh, en zijn armen zonken naast hem neer, hoewel de wapens nog in de verstijfde vuisten geklemd bleven; maar nog stond hij half overeind; het staal dat hem vermoordde, ondersteunde hem. Met een vreeselijken lach op het gelaat, zag Perrol voorovergebogen, op zijn slachtoffer, zijn oog, dat van bloeddorst schitterde, wachtte met ongeduld, of zijn vijand ook de oogen zou openen, die hij gesloten had, toen het koude staal in zijn borst drong. Met een wreedaardige oplettendheid luisterde hij, of de ongelukkige ook nog iets stamelde om hem nog een nieuwe verguizing tot in den dood als het ware in het oor te schreeuwen; maar toen alles stil bleef en zelfs de sporen van drift, welke het edele gelaat van den jongen edelman ontsierden, langzamerhand verdwenen, toen zette de wreedaard zijn linkervuist tegen de borst van Van Baerbergh en haalde zijn zwaard terug. Nog ns zag hij met welgevallen op het lichaam, dat nu voor zijn voeten was neergevallen, en zei, terwijl hij ontevreden het hoofd schudde: „Per moio! Ik ben te driftig geweest; mijn hand heeft hem, als een onhandig soldenier, in het hart getroffen, en hij is gestorven, zonder het te weten.”

Weldra richtte hij het hoofd op en zag om zich heen; vele heeren hadden het gelaat afgewend, anderen verwijderden zich, en sommigen, waaronder de Burggraaf, zagen zwijgend op den ongelukkigen Van Baerbergh. Het verwonderde het bendehoofd, dat niemand hem geluk wenschte; maar hij verborg zijn verwondering en zijn ongenoegen en riep: „Mijne Heeren! Gij ziet hier opnieuw een bewijs, hoe gevaarlijk het is, om te houwen in plaats van te steken. Doch ik heb veel gevergd van uw geduld, en toch zoudt gij zelven niet goedgekeurd hebben, dat ik alles terstond had afgedaan; maar treedt in huis, bid ik u, mijn knaap zal u laten schenken, terwijl ik mij verkleed; in een oogenblik ben ik weer bij u.”

Geen der aanwezigen antwoordde iets; maar zij traden het huis binnen, nadat zij nog eens het oog gevestigd hadden op de plaats, waar Van Baerbergh lag onder den mantel, dien zijn knaap over hem had uitgespreid. Uit een geheel ander oogpunt beschouwden zij nu dezelfde zaken, waarmee zij den vorigen avond en nog vr weinige oogenblikken zich vermaakt hadden. Montfoort voelde, dat er aan de zaak niets meer te veranderen was en wilde zijn vrienden geen verwijt maken over hun gedrag in het Bisschopshof; zij zelf voelden zeer goed, dat zij door Van Baerbergh in zijn dwaas voornemen te ondersteunen, de wraak van het hoofd der Zwarte Bende op diens schouders geladen hadden. Het was wel geen ongewoon iets in die tijden, dat twee edellieden elkander voor het zwaard daagden, zelfs dat er bij zoo’n twist, die meestal aan den disch begon, n kwam te vallen; maar de wij ze waarop maakt veel verschil; en met afgrijzen gingen zij na, hoe Perrol van trap tot trap zijn wraak had voortgezet. Misschien zouden zij allen vertrokken zijn, en Perrol al zijn gasten verloren hebben, indien zij dit voornemen, dat in hen opkwam, niet hadden laten varen, uit nieuwsgierigheid hoe de overwinnaar zich gedragen zou. De gastheer toefde niet lang, maar trad weldra in de kamer; zijn stem en zijn gelaat waren onverschillig, en bedaard en vriendelijk noodigde hij zijn gasten om te gaan aanzitten, wat zij zonder iets te zeggen deden. Hij scheen hun stroefheid niet te bemerken, maar gelastte met luide stem om te schenken, vertrouwende, dat de wijn hen wel spraakzaam zou maken.

908SR15.gif (1832 bytes)

De morgen was al ver gevorderd, toen de deuren van de plaats weer werden opengezet. Veel drukte heerschte er in de stallen: knapen, pages en stalknechten liepen door elkander; men hoorde niets dan het geschreeuw en gevloek van deze lieden, die het eerst gereed wilden zijn, en het gesnuif en getrappel der paarden, die n voor n uit den stal te voorschijn kwamen. Aan de hand van de knapen, stapten deze edele dieren fier vooruit, ongeduldig op het bit bijtend en trotsch het hoofd oprichtend. De meeste droegen hozen of dekkleden van schitterende kleuren; sommige hadden pluimen op den kop of droegen verzilverde of vergulde bellen om den hals; ja de zadels en teugels waren bijna alle fraai en prachtig.

Toen eindelijk het ontbijt was afgeloopen, en men de heeren hoorde naderen, ontstond er zooveel beweging onder degenen, die de paarden vasthielden, dat de knechts, die belast waren met de jongens en het gemeen, dat zich vr de deur vergaderd had, van de plaats af te houden, hun post verlieten, om des te beter het opzitten der heeren te kunnen zien. Een bonte menigte stond weldra, toen zij gewaar werden, dat men niet om hen dacht, op de plaats, en bekeek alles met bewondering. Toen de waard deze inbreuk op zijn grondgebied gewaar werd, riep hij tevergeefs tot zijn knechts: „Kom aan, kerels, werpt die truwanten en rabauwen naar buiten; ik duld geen bedelaar en zulk geboefte op mijn plaats.”

Zij waren echter niet in staat om zijn bevelen ten uitvoer te brengen.

Een luid gejuich ging er op, toen de ridders en edellieden zich vertoonden; alle uitdrukking van rouw en neerslachtigheid was van hun gelaat verdwenen; lachend zetten zij zich in den zadel, en Perrol zei vroolijk: „Heer Van Swanenburgh, wij zullen nu spoedig zien, of mijn Arabier voor uw renpaard moet onderdoen.” Daarop riep hij luid: „Een oogenblik nog, mijne Heeren. Den afscheidsdronk in den zadel, als het u belief.”

De bekers, die men den heeren in de hand gaf, werden tot den boord gevuld, en zij dronken die uit, terwijl hun rossen steigerden, zetten zich vaster in den zadel, en drukten de hoeden, waarop de veeren wapperden, op het hoofd. Terwijl eenigen reeds de plaats verlieten, en hun paarden deden steigeren en springen, zoodat het volk verschrikt uitnstoof, zette ook Perrol den voet in den stijgbeugel en lachte onwillekeurig, toen hij zag, dat zijn gasten, die het driftigste waren, zonder er op te letten, door een groote plek zand waren gereden, die midden op de plaats lag, en een roode kleur had, dr waar de hoeven der paarden het hadden omgewoeld. Juist toen hij opsteeg, ontvielen hem eenige stukken geld, die hij in den gordel had gestoken, nadat hij den knechts een drinkpenning gegeven had. De bedelaars, die om hem heen stonden, wierpen zich daarop, en riepen, terwijl zij onderling worstelden en vochten: „Leve deze dappere heeren! Largesse! Largesse! Voor mijnheer St. Joris!” en een luid geroep van: „Leve de Zwarte Bende!” volgde, toen Perrol de hand in zijn beurs stak, die aan zijn zij hing, eenig geld om zich heen strooide, en lachend wegreed. Voordat hij echter de plaats nog verliet, riep een oud man, die op zijn staf geleund, alles bedaard had aangezien:

„Ja, juist zoo, menschen, leve de Zwarte Bende! Largesse voor Perrol met de Roode Hand!” en hij nam zijn staf, waaraan een stuk ijzer zat; en wierp een kluit zand in de hoogte, die op den rug van Perrol’s paard neerviel.

Deze keerde zich om in den zadel; want de schelle stem van den grijsaard had hem getroffen. Hij hield zijn paard staande, toen hij het bloedige zand gewaar werd, dat op zijn dekkleed lag, en riep driftig: „Wat wilt gij, boef? Op! Mijn ruiters, knapen! Pakt dien ellendigen bedelaar, en...” Maar Hendrik van Nijveld, die naast hem reed, zei lachend: „Ho, Messire, vergeef het hem; hij is niet wijs, en het volk heeft veel eerbied voor hem; laten wij gaan, hij heeft ons voor zijn schapen aangezien.”

Hoewel tegen zijn zin, gaf Perrol zijn paard de sporen, en de schitterende ruitertocht nam een aanvang. Weldra hoorde men het getrappel der paarden niet meer op de markt, en de oude man, die hem nog had nageschreeuwd: „He! Denkt gij niet, dat Ralph het onderscheid kent tusschen schapen en wolven?” wees de uitnoodiging van den waard, Maarten Pieters, om in de keuken te gaan van de hand, spoelde toen zijn staf onder de pomp, die op de plaats was, af, en verliet met overhaaste schreden de Groene Ridder, zonder dat een der Zwarte Ruiters trachtte dit te verhinderen.

Toen het nacht was, werd het lijk van den dapperen heer Coene van Baerbergh door zijn treurenden knaap afgehaald. Helaas! Zijn dood verhinderde hem Van Schaffelaar te berichten, dat de deugd van diens bruid op het spel stond tegen een strijdpaard. Het was nu voor de tweede maal, dat hij zijn huis werd binnengedragen; maar de Roode Hand had hem nu zeker getroffen, en de eenige troost, die zijn bedroefden ouders en vrienden overbleef, was de hoop, dat hij zou ontwaken in een betere wereld. waar zijn vroege dood hem genade zou doen vinden, en waar de Roode Hand, noch de spotternij van Perrol hem meer konden bereiken.

908SR15.gif (1832 bytes)

De maaltijd (de nacht)Inhoudopgave OltmansDe heidin

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)