J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK I.

DE MAALTIJD

2. De Nacht.

Bekoorlijke maagd! geniet uw zege praal!
Gij overwint verrijst – kom, gaan we uit deze zaal.
 Mr. R. FEITH.

I.gif (3249 bytes)n de nabijheid van den Leepelenburg, een oud gebouw, omtrent de tegenwoordige Maliepoort gelegen, stond een huis, dat aan een der uitgeweken aanhangers van den Bisschop behoorde, en nu, daar de stad met krijgslieden overkropt was, door het hoofd der Zwarte Bende, voor den tijd dat hij in de stad verbleef, in bezit was genomen. Daar hij de eerste vreemde gast was, die hier zijn intrek nam, waren de overgebleven meubelen ruim genoeg om eenige vertrekken behoorlijk te stoffeeren.

Het Hoofd der Zwarte Bende was van den maaltijd teruggekeerd; zooeven was hij zijn vertrek binnengetreden, en bij de tafel in een stoel neergevallen; zijn hoofd rustte op zijn hand, en hij herdacht, somber vr zich starend, wat er gebeurd was. Doch opeens lachte hij boosaardig; hij dacht aan de wraak, die hij op den jongen edelman wilde nemen, en knarsetandend stak hij de gesloten vuist vooruit. Een geritsel, dat zijn oor trof, deed hem echter opzien, en terwijl hij de hand boven zijn oogen hield, opdat het licht van de waskaars hem niet hinderen zou, zag hij rond door het groote, donkere vertrek en vroeg: „Is hier iemand?” Doch toen hij geen antwoord ontving, en hij toch aan het einde van de kamer, waar een groot rustbed, met donkergroene, lakensche gordijnen stond, iets zag bewegen, riep hij driftig: „Wie is daar, toon u of......” Maar hij ging niet verder, en liet het hecht van den dolk los, dat hij omvat had; want hij bespeurde, dat het een vrouw was, die hem in zijn overdenkingen gestoord had. De Zwarte Aleida naderde hem beschroomd; zij had den sluier afgelegd, maar de bloemen waren nog door haar lokken heengestrengeld.

„Wie gelastte u hier te komen! Wat wilt gij?” vroeg Perrol onvriendelijk, en toen zij, bevreesd voor zijn strengen blik, bleef staan, zei zij zacht:

„Wie, Heer? Uw knaap! Is het dan niet waar, dat gij mijn tegenwoordigheid verlangd hebt?” en zij bracht haar hand aan haar oogen, alsof zij weende.

„Omdat ik niet wil,” zei Perrol driftig, „dat die ellendige knaap met u voor het laatst van zijn leven nog eenige gelukkige oogenblikken doorbrengt, drom, Aleida, heb ik u hier doen komen, slechts daarom. Maar spaar die tranen, verween niet, onnoozel kind! Morgen kunt gij dit huis even deugdzaam verlaten, als gij het betreden hebt ” volgde hij spottend; „wat u is toegezegd, zult gij tot den laatsten penning hebben.” Hierop riep hij met verheffing van stem: „Vidal! Vidal!” en toen deze binnentrad, vroeg hij driftig: „Wie gelastte u, knaap, om deze ribaude in mijn kamer te brengen, alsof er geen andere vertrekken in dit huis waren, om zulk soort volk te doen overnachten?”

„Ik dacht, Messire, dat gij haar wenschtet te zien,” hernam Vidal verlegen, „daarom liet ik door Riso bevel geven, haar in dit vertrek te brengen; indien ik getwijfeld had, zou ik u wel meegedeeld hebben, dat zij u hier wachtte.”

„Genoeg,” zei Perrol, „maar wees voortaan oplettender, als gij orders geeft, knaap, of ik jaag u uit mijn dienst; neem haar mee. – Kom, Aleida!” vervolgde hij spottend, „volg mijn knaap, die waarschijnlijk uw tranen wel spoedig zal weten te drogen.”

Maar de schoone spreekster, in plaats van het vertrek te verlaten, zooals hij haar met de hand bevolen had, viel voor hem op de knien neer, stak de handen naar hem uit, en riep: „O, Heer, bespaar mij die veneedering, ik begeer uw geld niet, en ben alleen om u gekomen, want ik heb u lief, maar wees ten minste zoo edelmoedig mij naar mijn woning te laten geleiden. Neen, Heer, ik verlaat u niet, voordat gij mij dit beloofd hebt,” en zij wees Vidal terug, die genaderd was om haar te overreden, hem te volgen.

Perrol lachte; maar niet geheel vergeefsch was haar smeeken, want in haar zwarte oog, waarin tranen blonken, las hij, dat het ernst was, wat zij zei. Haar schoon gelaat en haar welgevormde hals, nu geheel door de kaars verlicht, deden hem tot andere gedachten komen. Zijn blik werd vriendelijker, en terwijl hij haar de hand reikte, zei hij lachend: „Sta dan op, Aleida, indien gij waarheid spreekt. – En gij, Vidal, verwijder u; het is nu te laat voor haar om te vertrekken; ik zal zelf moeten trachten de tranen uit die schoone oogen te verdrijven, en het lieve kind gerust te stellen, want zij beeft.”

Vidal vertrok, en terwijl Perrol haar hand vasthield, liet hij haar naast zich zitten in den breeden armstoel. Een tijdlang bezag hij haar opmerkzaam, sloeg toen zijn arm om haar middel, en zei: „Gij zijt waarlijk schoon, Aleida, op mijn eer, ik zag vele meisjes, die, evenals gij, schoon spraken, zongen, dansten of speelden, maar zij waren niet liever dan gij. Maar lach eens, Aleida, lach even bevallig als hedenavond, en duid mij niet ten kwade, wat ik gezegd heb; ik had u toen nog niet gezien zooals nu.”

Met zijn linkerhand maakte hij het haar los, dat op haar hoofd tezamen was gebonden, nam de dikke zwarte vlechten in zijn hand, kuste haar, en zij lachte vriendelijk.

„Zoo keert dan reeds het lachje terug op die schoone wangen, lief en dartel kind!” riep Perrol en kustte haar nog eens, „ik zie nu eerst, wat de heer Van Baerbergh verliest; maar waarom spraakt gij zoo vriendelijk met hem, indien het waar is, dat gij mij liefhebt? Zeg eens.”

„O Heer,” hernam zij en trok haar kleed, dat van haar schouder was afgegleden, er weer over: „toen ik bemerkte, dat gij niet meer belang in mij steldet dan in elke andere van mijn stand, toen waren mij zijn aanzoeken welgevallig; want ik dacht mij over uw minachting te wreken, niet wetende, dat toch uw oog op mij gevallen was.” Zij lachte, toen Perrol, terwijl hij sprak, haar kleed weer van haar schouder afschoof.

Slechts weinige oogenblikken hadden zij tezamen gesproken, toen Perrol het hoofd oprichtte en luisterde; want men hoorde eenige doffe slagen, die door het eenzame gebouw, waar alles in rust scheen, weergalmden. „Wat kan dat zijn?” zei hij verwonderd, en zette de spreekster, die op zijn knie zat, weer naast zich neer en scheen met aandacht te luisteren. Het kloppen en slaan hield nu op, en weinige oogenblikken daarna hoorde men iemand naderen, en werd er aan de deur geklopt. Toen Perrol riep, dat men binnen zou treden, vertoonde zich Vidal, en antwoordde, toen zij meester vroeg: „Wie is daar zoo laat in den nacht, Vidal? Laat hem in een hok werpen, indien het een van mijn volk is.”

„Neen, Messire, maar het is heer Coene van Baerbergh.”

„Van Baerbergh!” riep Perrol verwonderd en stond op, „en wat begeert hij?” „Hij weet, dat dit meisje hier is, en wil haar met zich meenemen,” zei de knaap. „Ha, is dat zijn verlangen!” riep Perrol lachend, en scheen te bedenken, wat hij zou antwoorden. Hij liep heen en weer, en lette noch op den knaap, noch op Aleida, die over dit onverwachte toeval zeer verdrietig scheen. Zij lag meer dan zij zat in een aanlokkelijke houding in den stoel, hield een bloem, die Perrol uit haar haarlokken had doen vallen in de hand, en had de voeten uitgestrekt op een voetbankje. Vidal wachtte bedaard, en zij was ongeduldig te vernemen, wat Perrol zou zeggen. De beraadslaging van Perrol duurde echter niet lang! Weldra naderde hij Vidal, en vroeg, boosaardig lachend: „Hij is immers alleen?” Toen Vidal toestemmend met het hoofd knikte, vervolgde hij: „Het kan niet anders, of in dit huis moeten diepe kelders, zoo geen gevangenisholen zijn, waarin elke klacht vergeefsch is en waaruit geen enkele klank tot op de straat kan doordringen. Ha, dat zal wat anders zijn dan vrijen en drinken. O, ik gevoelde wel, dat ik dezen avond mijn drift bedwingen moest; ik had toen reeds een voorgevoel van den dood, dien hij sterven zal; daar in de zaal of morgen op den helderen dag te vallen, zou ook te gemakkelijk geweest zijn. Per moio, dat moest anders wezen.” Hij lachte woest en vroeg toen: „Is Froccard bij de hand, Vidal?” „Ja, Messire,” antwoordde deze neerslachtig, „maar wat wilt gij? Zeg het mij.” „Begrijpt gij het niet?” vroeg Perrol verwonderd. „Voor den duivel, ellendige knaap, of wilt gij mij niet begrijpen?” riep hij driftig. „Laat dien laffen edelman terstond aan handen en voeten gebonden in den diepsten kelder werpen. Roep Froccard, en maak spoed, zwakke ziel, of ik stoot u dezen dolk tusschen de ribben; gij hebt hem zelf gewet,” en hij glimlachte.

Vidal boog zwijgend en wilde zich verwijderen; toen Aleida, die met ongeduld wachtte, tot het gesprek, waarvan zij niets verstaan had, zou afgeloopen zijn, het bankje verschoof, waarop haar voeten rustten. Perrol, die de schoone spreekster geheel vergeten had, zag om, en hield Vidal bij den arm. Het dartele meisje zag wel, dat Perrol het oog op haar gericht hield, doch zij kon de verandering niet bemerken, die zijn gelaat ondergaan had, dat te voren zoo vriendelijk geweest was, en het vuur, dat in zijn oogen schitterde, schreef zij niet aan wraakzucht, maar aan verlangen naar haar bekoorlijkheden toe. Zij kende niets dan de liefde; zelfs de eenige wraak, die zij bezigde, was beminnen; daarom lachte zij dartel, toen Perrol haar aanzag, en riep smachtend: „Al deze bloemen voor u, Heer, alles behoort u.” Zij wierp hem de bloem toe, en vlijde zich toen weer bevallig in den zetel neer, zonder haar kleed, dat niet meer vastgemaakt was, en door deze beweging van haar boezem was afgegleden, er weer over te dekken. Maar tevergeefs riep zij hem door haar stem en bekoorlijkheden tot zich, en de arme Aleida vermoedde zeker niet, dat haar vrijheid, haar leven op het punt stond door hem opgeofferd te worden, indien het aan zijn oogmerken dienstig kon zijn. „Vidal,” zei hij zacht, „die ribaude dr heeft gehoord, dat Van Baerbergh hier dezen nacht geweest is; hem gevangen te nemen, kan dus niet,” en hij bedacht zich. De knaap, die menschelijker dacht dan zijn meester, liet duidelijk bemerken, dat hij verheugd was over dezen inval van Perrol, en antwoordde: „Het is zoo, Heer, al gaaft gij haar veel geld, de vrouwen kunnen niet zwijgen; verkiest gij dus, dat ik den heer Van Baerbergh het huis doe ruimen?”

„Neen!” riep Perrol peinzend, „de gelegenheid is te schoon; wat is er ook aan haar leven of haar vrijheid gelegen? Niets! Een spreekster meer of minder in de wereld, doet niets af; zij is wel schoon, maar haar jeugd zal toch spoedig voorbijgaan; ’t is jammer, maar noodzakelijk. Neem hem gevangen, zooals ik gezegd heb, en morgen zal ik de tweede gevangene aan Froccard overleveren, indien het niet beter voor haar is, om haar neer te stooten, dan haar aan dien verloopen monnik over te leveren,” en hij grimlachte.

De haren rezen Vidal te berge, en de schrik was op zijn gelaat te lezen; hij wierp een medelijdenden blik op het meisje, dat, met jeugdige schoonheid begaafd, door vermoeienis overmand, bijna in slaap viel; zij was zoo schoon bij het licht der kaars, dat op haar gelaat en haar boezem viel, welke zich onrustig bewoog, dat hij huiverde, en eensklaps riep: „Messire, dat kan niet, want men heeft haar hier gebracht en zal haar terugvorderen, indien zij verdwijnt.”

„Verdoemd,” zei Perrol en hij knarsetandde, „waarom bracht gij haar hier, waarom zeidet gij luid wie er aan de deur klopte? Per moio, hebt gij voorgenomen, ellendeling, mij dol te maken en mij te dwarsboomen,” en hij greep Vidal in de borst; maar weldra liet hij hem los en bedacht zich. Hierop trad hij zachtjes naar Aleida, die hem niet hoorde aankomen, of zich hield alsof zij sliep, zag een oogenblik naar de losse en buigzame houding van het meisje, en kuste haar. Zij ontwaakte met schrik en gaf een zachten kreet, maar riep terstond, terwijl zij haar armen om zijn hals sloeg, en hem den kus teruggaf: „Ha, zijt gij het, Heer? Gij maaktet mij wakker met uw langen, zwarten knevel.” Zij legde hierop haar hand op zijn schouder en vervolgde lachend: „Nu laat ik u niet meer gaan; maar waarom blijft hij?” en wees op Vidal.

„Schoone spreekster,” zei Perrol lachend en ging naast haar zitten, „uw minnaar Van Baerbergh is er om u te halen; mijn knaap en ik weten geen anderen raad dan u aan hem over te leveren.”

„Neen, dat zult gij toch niet doen, Heer?” vroeg zij angstig. „Spreek, knaap uw meester gekscheert immers.”

„Gij wilt dus niet met hem meegaan? – ik zie het al,” vervolgde Perrol, toen zij, half lachend, half gramstorig haar hoofd schudde, zoodat haar lokken op haar boezem neervielen; „welnu, dan kunt gij blijven; maar wij dienen hem toch behoorlijk te ontvangen; daarom, kleedt u weer aan, Aleida, en voor dezen keer zal ik u als kamermeisje dienen, ofschoon ik er op mijn eer meer behagen in zoo scheppen, om u van al die overtollige kleeren te ontdoen.”

Hij stond op, nam haar haarvlechten, welke hij, terwijl zij lachte en dartelde, weer op haar hoofd trachtte door elkaar te strengelen, en zei: „Vidal, laat dien ongenooden gast, dien ik meen hier te hooren schreeuwen, in het vertrek hiernaast; laat licht en wijn geven, zet drie stoelen aan de tafel, en houd hem gezelschap totdat ik kom.”

908SR15.gif (1832 bytes)

Heer Coene van Baerbergh liep met groote schreden de kamer op en neer, waarin men hem gebracht had; nu eens vloekte hij en stampte op den grond, of wierp een blik naar de tafel, waarop men drie bekers geplaatst had; dan weer stond hij stil en luisterde, of zag strak op de kaarsen, die op de kandelaars stonden, alsof hij uit de vlam eenige inlichtingen dacht te krijgen, want Vidal had op al zijn vragen geantwoord, dat zijn heer terstond zou komen. Eindelijk trad de driftige jongeling naar de tafel, nam een kandelaar in de hand, en riep gebiedend tot Vidal, die bij de deur stond: „Wijs mij den weg, knaap, en breng mij bij uw meester, of ik zal dit huis doorzoeken.” Toen deze hem verzocht nog een oogenblik geduld te oefenen, wijl hij Van Baerbergh zelf zou moeten verhinderen het vertrek te verlaten, vervolgde hij luid: „Wij zullen zien! Ben ik hier dan in een moordhol? Welnu, wij zullen zien! Ik draag ook een degen. Plaats knaap, of ik zal ruimte maken,” en hij sloeg de hand aan het zwaard.

„Om Gods wil, Heer!” riep Vidal en trad terug, „wees voorzichtig, want ik ben hier niet alleen.”

.,Laat mij door!” schreeuwde Van Baerbergh. „Ik wil den lafaard zoeken, die zich schuil en mij gevangen houdt.”

Hij trad hierop naar de deur, maar juist toen Vidal zich daarvoor plaatste, en de hand aan zijn zwaard legde, bewoog zich het laken, dat rondom de kamer, langs den muur, van den zolder tot op den grond neerhing en Perrol trad met Aleida, die den sluier had laten vallen, door een bedekte deur in het vertrek. ,.Hier ben ik Heer,” zei Perrol bedaard. „Gij zijt niet gevangen en kunt terstond vertrekken; als gij het goedvindt; uw bezoek is zoo onverwacht, dat ik niet eerder heb kunnen komen, en gij zoudt immers niet tevreden geweest zijn, als ik u, zonder u te spreken of een beker wijn aangeboden te hebben, had laten vertrekken?” „Het meisje, dat daar staat, behoort mij!” riep Van Baerbergh, die door de plotselinge verschijning van Perrol en Aleida verbaasd was; en terwijl Vidal den kandelaar uit zijn hand nam, vervolgde hij toornig: „Gij ziet, Perrol, dat ik ontdekt heb, wie haar heeft weggevoerd; zij moet met mij meegaan. Maar ben ik niet dwaas!” riep hij vervolgens en stampte met den voet; „ik heb zoolang moeten wachten; ha, het spijt mij, dat ik u beiden in uw rust gestoord heb; morgen rekenen wij af, of nu terstond nog; anders vertrek ik. Behoud haar bij u, Messire! Zij, die Perrol heeft kunnen volgen, is mij niets meer waard. – Wil ik zeggen, wat gij zijt, Aleida?” riep hij verachtelijk lachend, „gij die u boven het uitvaagsel der vrouwen verheven waant

„Neen, Heer,” viel Perrol hem in de rede, „zij is nog altijd even schoon, even onschuldig als hedenavond. Beleedig haar niet, want waarom zou zij den man, die haar het meest bevalt, niet kunnen kiezen? Ik keer zooeven pas terug van het Bisschopshof, en heb haar nog niet eens op mijn gemak gezien; daarom neem plaats en laat u schenken.”

Aleida had, terwijl hij sprak, haar sluier opgeslagen; op haar gelaat stond te lezen, dat zij zich beleedigd gevoelde; maar spoedig verdween deze uitdrukking en een droefgeestige lach zweefde om haar mond. Van Baerbergh scheen weer tot andere gedachten te komen, toen hij haar gelaat zag, en riep: „Messire, laat haar met mij gaan, of ik voer haar met geweld weg.

„Geweld, Heer,” zei Perrol grimlachend, „weet gij wel, hoeveel zwaarden hier in huis zijn, om van geweld te spreken? Neen, ik heb een anderen voorslag: gij hebt mij uitgedaagd om te drinken, maar den kamp opgegeven. Zet u neer; en wie overwinnaar blijft met den beker, die zal haar bezitten.”

Nog wilde Van Baerbergh zijn opzet volvoeren, maar hij besefte eindelijk, dat hij te ver gegaan was, en onvoorzichtig zijn hoofd in den leeuwenmuil gestoken had. Er bleef hem dus niets anders over dan zijn wraak tot den volgenden dag te verschuiven, en zonder haar te vertrekken of het drinkgelag aan te gaan. Zij was echter te schoon om haar zonder kamp aan Perrol af te staan; hij voelde zich weer bekwaam om den beker te voeren, steunde op zijn dronkaardssterkte, zette zich neer en een vriendelijke oogopslag van de spreekster beloonde hem voor dit besluit.

Ook Perrol en op diens verzoek Aleida, namen plaats aan de tafel en Perrol beval Vidal om te schenken. Van Baerbergh sprak geen woord, maar zat roerloos op zijn stoel en wierp van tijd tot tijd een blik op het schoone meisje, dat tiij met den beker hoopte te veroveren.

Toen Vidal Van Baerbergh wilde inschenken, nam deze den beker, die voor hem stond, en zag er in. Perrol grimlachte en zei: „Verkiest gij ook, dat ik den wijn laat proeven?” „Neen,” antwoordde Van Baerbergh kortaf, en liet den beker vullen; „ik drink nimmer zonder eerst in mijn schaal of mijn glas te zien:

het is een gewoonte, en ik weet niet, waarom ik hier juist deze goede gewoonte zou verzaken.”

„Ik ben er voor, dat niemand gestoord wordt in zijn gewoonten,” hernam Perrol met spottenden ernst, „en dat is de reden, waarom ik hedenavond verkoos mijn handschoen aan te houden. Maar laten wij beginnen, want het is reeds laat, of liever vroeg, en wij hebben immers nog een weddenschap, ha, ha! Op de gezondheid van de Zwarte Aleida, hier tegenwoordig, ledig ik mijn beker!”

Hij dronk, hield toen den beker omgekeerd boven de tafel en zette hem weer neer. Van Baerbergh volgde zijn voorbeeld en Aleida bracht ook haar beker even aan haar lippen.

„Niets is veranderlijker dan de mensch,” zei Perrol opgeruimd: „hedenavond, toen gij ons verliet, wildet gij niet meer drinken, omdat er iemand te veel in het gezelschap was, en nu drinkt gij juist met mij alleen, om wien gij toen het druivennat hebt versmaad; maar wij drinken nu ook om een schoonen prijs.”

„Kraam maar niet uit met uw helsche opmerkingen,” riep Van Baerbergh, „ik ben gebleven om te drinken en niet om te spreken.”

Weer schonk Vidal en Perrol zei lachend: „Waarlijk, Aleida, soms zou ik wenschen u te verliezen, uit medelijden met den minnaar, dien gij verlaten hebt, maar die u misschien met den beker zal herwinnen......

„Terg mij niet, maar drink, voor den duivel”!” riep Van Baerbergh; „bewaar uw medelijden voor uw verdoemde ziel. O, waarom heb ik niet reeds in het Bisschopshof een einde aan alles gemaakt en tot morgen willen wachten, om u den degen door het hart te steken,” en hij sloeg met zijn vuist op de tafel.

„Gedane zaken nemen geen keer,” zei Perrol koel, „gij hebt immers nu nog hoop om deze schoone vrouw de uwe te noemen, en gij beklaagt u, dat gij nog leeft! Of hebt gij niets meer te doen: een ouden vader of moeder, een zuster of een broeder, dien gij nog eens voor het laatst wilt zien en vaarwel zeggen? Telt gij het voor niets om nog eens den lieven dageraad te zien aanbreken? Willen wij drinken op de gezondheid van hen, die u dierbaar zijn, en die gij verlaat, Heer Van Baerbergh?” eindigde hij en wierp een duisteren blik op zijn dischgenoot.

„Tevergeefsch, Perrol, zoekt gij mij den moed te benemen,” hernam Van Baerbergh, „uw helsche pogingen zijn vergeefsch. Drink, maar niet op hen, die mij waard zijn; want uw wensch is zoo goed als een vloek.” Toen zweeg hij, zag onverschillig en zonder verlangen te verraden naar Aleida, en verzonk in diepe gedachten.

Noch het meisje, noch Vidal hadden nog een woord gesproken; zij begreep niet, wat Perrol in het schild voerde; zij wenschte en vermoedde wel, dat hij overwinnaar zou blijven, maar zij voelde toch medelijden met den jongeling, die zoo op haar verzot scheen en uit wat zij reeds gehoord had, vermoedde zij, dat hem een ongeluk overkomen moest; doch de knaap, die telkens den beker vulde en van alles op de hoogte was, had reeds te veel in den dienst van zijn meester gezien, om zich verwonderd te toonen; hij volbracht dus zwijgend, hetgeen hem bevolen was.

Reeds begon de wijn op Van Baerbergh en zoo het scheen ook op Perrol, te werken; de eerste werd hoe langer hoe onstuimiger in zijn bewegingen en scheen zelfs zijn voornemen om niet meer te spreken vergeten te hebben. Toen zei Perrol in een vreemde taal tot Vidal: „Knaap, licht hem zijn dolk behoedzaam uit de scheede en leg hem ter zijde.” Vidal schonk, zette de wijnkan neer, deed zooals hem bevolen werd en Van Baerbergh werd niet eens gewaar, dat men hem zijn wapen ontnomen had. Het meisje zag wel, wat er gebeurde en dat Perrol met het hoofd schudde, toen Vidal op den negen van Van Baerbergh wees; maar zij zei niets en wist zelf niet, hoe het kwam, dat deze daad haar deed schrikken.

De eenige woordenwisseling, welke tuschen de beide mannen plaats had, bestond weldra, voor zooveel Van Baerbergh betrof, in vloeken, dreigen en schelden, wat Perrol uitlokte en beantwoordde met spotternij en opmerkingen, die hem door den duivel schenen te zijn ingegeven; want soms brachten zij Van Baerbergh de een of andere zaak te binnen, die hem nauw aan het hart lag; hij was als een speeltuig, dat Perrol naar zijn goedvinden en zijn luimen bespeelde; dan eens waren de tonen krachtig en vol, dan weer treurig en flauw, veelal wanluidend en ongepast.

„Slaap nog niet, koene Heer! Ik wil zeggen: Heer Coene!” riep Perrol spottend, toen een droefgeestige gedachte zich weer van dezen had meester gemaakt: „drinkt op de gezondheid van den heer Van Schaffelaar en zijn bruid of op onze aanstaande vriendschap!”

„Vriendschap tusschen mij en het hoofd der Zwarte Bende? Neen!” schreeuwde Van Baerbergh, wild lachend. Ha! hebt gij niet gehoord, wat ik hedenavond gezegd heb, helsche plunderaar?”

„En zijn wij hier niet als twee vertrouwde vrienden aangezeten?” vervolgde Perrol lachend. „Denk om morgen! Ja morgenavond, beste Heer, zou ik zelf in staat zijn om met den degen vol te houden, dat gij in uw leven een vrij goed drinker en speler waart; ik haat een dooden vijand niet; hij wordt een vriend voor mij; zijn asch ruste in vrede.”

„Zwijg!” riep Van Baerbergh; „ook ik hoop op morgen; maar uw asch zal niet in vrede rusten; want ik zal de roode hand afkappen en tegen de galg spijkeren; dan zit de hand aan het hout, waaraan naar rechtswege de man zelf had moeten hangen.”

„Ha, ha!” lachte Perrol.

Nog eenigen tijd hield het drinken aan; Van Baerbergh was nu geheel buiten staat om te antwoorden; nog verstond hij wel wat Perrol zei, nog slorpte hij wel den wijn naar binnen, maar zijn krachten begaven hem, en hij zei:

„Geef mij mijn hoed en mijn mantel, knaap, ik wil vertrekken.”

„Ho, Heer!” riep Perrol, „zie dit lieve kind eens aan, dat zoo naar rust verlangt; bedenk eens, hoe gelukkig hij wezen zal, die haar wint; is zij niet schooner dan vrouw Venus zelf? Drink dus, en geef den moed niet op; want als ik het ruchtbaar werd, zoudt gij voor altijd als een snoever en ongelukkige vrijer haar in uw plaats, in naam van al de gasten van Montfoort moest kussen, en worden bespot.” Hij schaterde van het lachen.

„Kerel!” schreeuwde Van Baerbergh, „lach niet!” En toen Perrol voortging en tot Aleida zei: „Ik zie het al, het zal aan mij zijn u de kussen van de heeren over te brengen,” bracht Van Baerbergh de hand op de plaats, waar de scheede van zijn dolk hing en riep driftig, terwijl hij een vergeefsche poging deed om op te staan: „Ik ga heen! Maar ik zal u eerst een teeken op het duivels-aangezicht maken, dan ken ik morgen mijn man.” Toen hij echter de ledige scheede aan zijn zijde vond hangen, sloeg hij woest op de tafel, en riep: „Mijn dolk! Waar is hij? Toen ik hier in dit moordhol kwam, had ik hem nog; waar is mijn dolk?”

Maar deze lachte en zei: „Terwijl gij beschonken bij den weg gingt, hebt gij hem waarschijnlijk verloren; helaas, gij zoudt mij op het laatst bedroefd maken, zoo onvriendelijk behandelt gij mij. Maar drink nog eens; zult gij weigeren, juist nu de schoone Aleida gereed is om met u te vertrekken? Bedenk, hoe men zich met u zal vermaken, als men hoort, dat gij de vlucht genomen hebt.”

„De vlucht!” schreeuwde Van Baerbergh binnensmonds, ledigde zijn beker tot aan den bodem en legde toen zijn armen op de tafel; hij zag een oogenblik starend om zich heen en viel vervolgens voorover met het hoofd op de tafel.

„Weldra, lief kind, zult gij ter ruste kunnen gaan,” zei Perrol, en streelde Aleida, die half ingesluimerd was, onder de kin; nog n teug en gij zijt de mijne; maar geloof niet, dat ik u zou hebben afgestaan, al had hij als een tempelier kunnen zuipen; neen! – Kom, Heer Coene!” riep hij met verheffing van stem, en sloeg dezen met de hand op het hoofd, „slaap niet; op! Denk niet om het geld, dat gij verloren hebt; treur niet over morgen, ik zal het gemakkelijk maken,” schreeuwde hij hem spottend lachend in het oor, „en drink, of wij laten u hier alleen!”

Nog ns richtte Van Baerbergh zich op; zijn gelaat was bleek, en er lag een blauwachtige tint over verspreid; het zweet parelde op zijn voorhoofd, hij was bijna geheel wezenloos door zijn onmatigheid; eerst zag hij naar Aleida, vervolgens naar Vidal, terwijl hij dreigend de hand naar hen uitstak en riep:

„Perrol met de Roode Hand, waar zijt gij?”

„Hier, Heer!” antwoordde deze luid lachend: „scheelt het aan de kaarsen of aan uw oogen, dat gij mij niet ziet?” Hierop sloeg hij hem zacht met zijn hand op den arm, die op de tafel lag.

„Verdoemd, raak mij niet aan met dien rooden klauw,” stamelde Van Baerbergh. „Perrol, waar is mijn dolk? Zeg, lage dief! – Waarom ben ik ook alleen gekomen? Ho, ho, maar wij hebben nog een degen! Waar is hij? Wijs hem mij, knaap! Ha, daar is hij; welnu, nu zullen wij zien!” Hij wilde opstaan, maar viel weer neer.

„Nog n beker, en ik geef het u gewonnen, Heer!” schreeuwde Perrol luid, „nog n maar; of zijt gij zat? Is de heer Van Baerbergh zonder geld, bezopen en zonder minnares?” en weer stiet hij hem lachend met zijn hand aan.

„Neen!” brulde Van Baerberg, die in zijn wezenloosheid gestoord werd; hij vatte werktuigelijk den beker aan, en dronk hem ten halve uit, doch toen kon hij niet meer, en zette hem neer, maar zoo, dat de wijn over de tafel stroomde. „Overwonnen zijt gij, Heer Van Baerbergh, en zoo zal het morgen ook zijn!” schreeuwde Perrol dicht bij diens oor; want hij was weer voorover op de tafel gevallen. Doch andermaal wekte hem de stem van zijn tergenden vijand en hij overmeesterde voor een oogenblik de betoovering van den wijn en tastte naar den beker. Maar het hoonend gelach van Perrol bracht hem tot andere gedachten. Het gelukte hem op te staan en zijn hand aan zijn degen te slaan. Maar voordat hij van leer kon trekken, begon hij te waggelen en moest het gevest loslaten, om zich aan de tafel vast te houden. Doch ook dit gelukte niet en juist toen hij op het punt stond te vallen, riep Perrol met verachting: „Val neer, dronken zwijn!” en wierp hem den beker wijn, dien hij boordevol in de hand hield, in het gezicht. Van Baerbergh uitte eenige onverstaanbare woorden en viel toen naast de tafel op den grond.

„Bij mijn eer!” riep Perrol, terwijl hij opstond, „ik dacht niet, dat zijn hoofd zoo sterk zou zijn,” en vervolgde lachend: „Schoone Aleida, de god der liefde zal wel verstoord zijn op mijnheer Bacchus, dat deze hem zoovele oogenblikken, die wij aan zijn dienst hadden behooren te wijden, ontstolen heeft; maar wij zullen den lieven kleinen god weer trachten tevreden te stellen; nimmer, lieve priesteres van zijn tempel, gevoelde ik meer verlangen om op zijn altaar te offeren,” en hij kuste Aleida. Zij stond op en lachte dartel; de slaap scheen uit haar schoone oogen verdwenen te zijn, en zij zei, terwijl zij haar hand op zijn schouder legde en hem toeknikte: „Mijn goede Heer, ik wensch u en mijzelf geluk met uw overwinning en ik zal uw schedel met een kroon van rozen omkransen.”

Perrol kuste haar, sloot haar in zijn armen en zei vroolijk, want de wijn en de behaalde overwinning maakten hem vroolijk: „Verwijder u nu, lieve Aleida en terstond ziet gij mij weer; want ik moet uw ongelukkigen minnaar nog de laatste eer bewijzen.”

„Hoezoo, Heer,” vroeg zij en zag bevreesd naar den jongeling, die als dood naast zijn zetel lag: „O, kom met mij, uw knaap zal hem wel verzorgen; ik bid u, doe hem, ter liefde van mij, geen leed.”

„Bemint gij hem dan, lieve spreekster?” vroeg Perrol lachend: „ik dacht dat ik alln dat geluk had.”

„O, zeer zeker bemin ik u alln,” hernam zij snel, en zag hem met oogen vol liefde aan: „maar mijn schuld is het, dat hij hier is; ik bid u, in den naam van de Heilige Maagd, dood hem niet.

„Voed geen vrees, Aleida,” antwoordde Perrol lachend: „bij St. Maria de Egyptenaresse beloof ik u, dat hem heden geen leed zal geschieden; maar verwijder u nu, want morgen moet ik vroeg van hier, om voor u een weddenschap te winnen, en elk oogenblik is voor mij een eeuw; gij zijt zoo bekoorlijk.” Toen greep hij haar hand, leidde haar naar de verborgen deur van de kamer, haalde het laken naar n zijde, kuste haar nog eens, en terwijl zij hem lachend met de hand wenkte, verdween zij, en het gordijn viel.

„Vidal,” zei Perrol toen tot den knaap, die zwijgend op Van Baerbergh zag, „roep Froccard; ik wil hem spreken,” en daar hij niet spoedig genoeg vertrok, riep hij toornig: „Terstond, Vidal, draal niet!”

Een oogenblik daarna trad Froccard alleen in het vertrek, hij stoorde Perrol in zijn overdenkingen en vroeg: „Wat verlangt gij, Heer?”

„Een monnik, hoewel hij de pij heeft weggeworpen,” zei Perrol, „moet toch nog wel weten, hoe men met een stervende handelen moet. Hij, die daar ligt. staat gereed om de reis naar de hel aan te nemen leg hem op de tafel en breng alles in orde; alsof hij op zijn sterfbed lag,” en wees op Van Baerbergh.

„Die is dood,” zei Froccard, nam een kandelaar van de tafel en beschouwde het van alle kleur beroofde gelaat van Van Baerbergh. „Neen, den duvel zij dank, neen! Hij is maar beschonken, hem wacht een andere dood,” vervolgde hij, waarop Perrol tevreden lachend zei: „Ik wist het wel!”

Nu zette de gewezen monnik de bekers en kandelaars van de tafel en nam Van Baerbergh op; en hoewel hij hem met zijn sterke armen met gemak op de tafel legde, zei hij glimlachend: „Hij is zwaar, Heer, bijna zoo zwaar als een lijk.” Hierop nam hij het koord, waaraan zijn dolkmes hing, en vervolgde: „Het is jammer, maar hij zal er niets van gewaar worden; alleen zijn gelaat zal morgen een weinig zwart zien.”

„Weg met dat touw!” riep Perrol, die nu eerst bemerkte, wat de man, dien hij had laten ontbieden, van plan was.

„Wit gij dan, Heer,” vervolgde Froccaard bedaard, „dat ik ” en bracht de hand aan zijn mes, dat op de tafel lag.

„Neen, ellendeling,” zei Perrol, met den voet stampend, „ik wil, dat gij hem niet aanraakt, al was het met den vinger; zijn leven behoort mij; maar haast u, en doe zooals ik u gezegd heb.”

Froccard antwoordde niets, maar bracht somber glimlachend de kleeding van Van Baerbergh in orde, die alleen eenige onverstaanbare woorden mompelde, toen hij werd opgelicht. Froccard zette de kandelaars nu weer op de tafel en terwijl hij de handen van den bewusteloozen jongeling op de borst innvouwde, zei hij: „Alles is nu gereed, Heer, er ontbreekt nu alleen maar een priester om de gebeden op te zeggen.

„Ik weet, dat gij niet meer bidden kunt,” zei Perrol schamper; „spoed u dus naar de Regenboog, haal een der monniken uit het Jeruzalemshuis, en laat hem door Riso hierheen geleiden, zoodra hij er is.

Froccard vertrok, en Perrol, die nu weer alleen was met den beschonkene, nam den dolk, dien Vidal ter zijde gelegd had, en stak hem weer in de scheede. Het was een vreemd schouwspel: heer Coene Van Baerbergh, die een lijk scheen, alsof de wraak van Perrol hem reeds den laatsten slag had toegebracht op de tafel; nu en dan alleen bewogen zijn lippen kampachtig; want het licht der kaarsen liet de geringste verandering van zijn gelaat duidelijk bemerken. Met kwaadaardige zelfvoldoening beschouwde het hoofd der Zwarte Bende zijn slachtoffer, en legde zijn hand op diens borst.

Ha!” riep hij schamper, „voelt gij de Roode Hand niet op uw hart? Dr zal de Roode Hand u treffen, vermetele knaap! Gij hebt niet willen drinken ter eere van mijn meester of met mij den beker willen ledigen, en gij hebt u aan mijn tafel zat gedronken. Mijn hand rust op u, gelijk zij weldra rusten zal op Van Schaffelaar, als zijn bruid gelijk zal zijn aan de spreekster, welke mij liefheeft, en zij kost u het leven!” Sterk drukte hij zijn vuist op het hart van den jongeling, die zich bewoog; een zucht ontglipte aan diens borst, welke door zijn onverzoenlijken vrijand inngedrukt werd. Toen lachte Perrol boosaardig en hij keek somber naar den ongelukkige, en weldra hoorde men niets meer in het vertrek; alles was stil. Het oog op Van Baerbergh gevestigd, genoot Perrol in stilte van zijn overwinning, en overdacht hoe hij zijn wraak zou vervolgen en voleindigen.

908SR15.gif (1832 bytes)

De maaltijd (de avond)Inhoudopgave OltmansDe Maaltijd (de morgen)

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)