J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK IX.

MARIA.

Het komt, het monster, ’t nadert wrekend.

H. TOLLENS Cz.

Zie mij dan raad’loos me in ’t stof voor u verneren
Zie op mijn wanhoop, op mijn angstig jam’ren neer.

Mr. B. FEITH.

M.gif (3526 bytes)aria was alleen in haar kamer, en de diepste stilte heerschte er in het huis; want reeds was er geruime tijd verloopen, nadat haar ouders haar tot aan haar kamer geleid, gekust en een goedennacht gewenscht hadden. Ook de aanvoerder der Zwarte Bende en zijn bedienden schenen te rusten, zelfs de kleine Snip, die in Maria’s kamer sliep, lag reeds in zijn mandje te snorken. Zij zei zacht, terwijl zij luisterde: „Allen slapen reeds, ik nog niet,” en ging bij de tafel zitten. De deur van de kamer was op de klink; den sleutel, waarmede deze van buiten kon worden geopend worden, had haar vader meegenomen; en hoewel het koud was, en haar kaars geen vroolijk licht door het hooge vertrek verspreidde, scheen zij nog niet te denken aan naar bed gaan, maar herlas den brief van Van Schaffelaar, dien Wouter haar had meegebracht.

Mogelijk was zij eerst van voornemen geweest, zich dadelijk ter ruste te begeven; want zij had haar hoofdhulsel afgezet, en aan den muur naast een kleinen geblazen spiegel gehangen, die in een houten rand met vreemd snijwerk besloten zat. Misschien had zij haar hoofddoek ook reeds afgedaan, of was het haar te koud op de borst geweest, zij had tenminste een warmen doek over haar schouders hangen.

Zij richtte haar hoofd op, vouwde den brief dicht en zuchtte. O, zij wenschte, evenals Van Schaffelaar, dat de oorlog spoedig mocht eindigen, en had met aandoening gelezen, wat hij schreef over zijn vreugde en gerustheid, dat haar vader weer in vrijheid was gesteld. Zij opende nu nog eens het blad papier en las halfluid: „En toch, Maria, verlies ik zooveel, als gij uw vader weer omhelzen kunt; met hem alleen kon ik altijd spreken over mijn lieve bruid; maar nu ben ik alleen: ik kan aan u denken, en soms wat schrijven; doch niemand hoort nu meer naar wat mijn hart voor u voelt, terwijl hij mij zoo gaarne over zijn lieve Maria hoorde spreken, en mij opbeurde, als mij de moed begaf. Helaas, ik ben geheel alleen, want de eenige, met wien ik mijn verdriet of mijn vreugde zou kunnen deelen, verlaat mij of zwijgt, als ik hem over onze liefde onderhoud; ik bedoel den armen Frank. Hij treurt en zal sterven, indien hij niet een engel als gij ontmoet, die hem Ada van Rijn doet vergeten. Och, waarom is die jonkvrouw zoo ongelukkig, en waarom is mijn trouwe vriend niet zoo edel van geboorte als zij!”

Zij legde nu den brief weer neer, en dacht na over wat zij gelezen had; zij wist zelf, hoe graag zij over Van Schaffelaar met haar moeder sprak, en voelde dus, hoe verlaten haar bruidegom zich nu moest voelen; daarna dacht zij weer aan Frank, en herinnerde zich alles, wat haar vader haar gezegd had. „Waarom toch vermijdt die jongeling met Van Schaffelaar of den meester over mij te spreken? Bedroeft het geluk van zijn vriend hem, dewijl hij zelf zoo ongelukkig is?” dacht zij. Maar neen, zij verwierp deze gedachte; zij kende Frank immers; al wat zijn weldoener gelukkig kon maken, zou hij met opoffering van zijn leven hebben willen bevorderen; zij was daarvan overtuigd. „Het is alleen droefheid over zijn geringe of onbekende afkomst, en de krankzinnigheid van die edele jonkvrouw; zij benemen hem alle hoop op vereeniging met haar, en daarom treurt hij,” dacht zij bij zichzelf. Maar Frank had haar immers gezegd, dat hij Ada niet beminde; zijn droefheid moest dus een andere reden hebben; maar welke? Tevergeefs trachtte de bruid van Van Schaffelaar die reden uit te vorschen; zij kon niet vermoeden dat Frank haar beminde, dat hij ongelukkig was, omdat zij zoo schoon, zoo goed was, en dat hij haar liefhad; nooit had zij er aan gedacht. Haar oogen schoten vol tranen, toen zij zich voorstelde den jongeling van verdriet te zien sterven.

Zij zag hem nog, hoe hij vr haar stond, toen zij hem de roos overgaf, en zag nu eerst in, dat zij hem misschien daardoor onwillekeurig herinnerd had, hetgeen hem zoo bedroefde. „O, ik had geheel anders jegens hem moeten zijn,” zei zij langzaam; „maar ik weet niet, wat mij deed beven, toen ik hem voor het eerst weerzag, en hij mij kuste. Ik gevoel wel vriendschap voor hem, maar ook niets meer; daarom naderde ik hem schoorvoetend; en tienmalen zou ik mijn vader, mijn moeder of mijn bruidegom kussen, zonder dat het mij moeite zou kosten. O, ik heb hem lief, en toch is het gevoel, dat mij verwijdert van hem, die mijn speelmakker geweest is, geheel anders dan wat mij verwijdert van Perrol; neen, die kan nooit een vriend voor mij worden zooals Frank.”

Zoo denkende, richtte zij opeens het hoofd op en luisterde: het was alsof er behoedzaam een sleutel in de deur werd gestoken. „Het zal mijn vader zijn, die vermoedt, dat ik nog op ben, hij zal mij beknorren,” dacht zij en wilde haar kaars uitblazen; maar liet het na, daar zij zich niet bevreesd maakte voor de vaderlijke bestraffing van den goeden meester; maar toen zij omzag, en de deur niet geopend werd, en zij niets meer hoorde, ja zelfs de kleine hond zich niet bewoog, verbeeldde zij zich, dat zij de klink niet goed had dicht gedaan, en besloot, vrdat zij zich ter ruste begaf, den grendel nog op de deur te doen. „Maar zoo het Ada niet is, wie bemint hij dan?” dacht zij; want sedert zij zich ervan verdacht Frank onvriendelijk behandeld te hebben, zweefde haar het beeld van den treurenden jongeling voor den geest. Was het onnatuurlijk, dat een jong meisje, dat de liefde kende, of meende te kennen, begaan was met de ongelukkige genegenheid van den schoonen jonkman, dien zij zoo dikwijls gezien had, en die een trouw vriend van haar bruidegom geworden was?

908SR15.gif (1832 bytes)

Plotseling werd zij in de droomerij, waarin zij verdiept was, gestoord; want zij hoorde de deur zacht op haar hengsels draaien, en gelijktijdig het geblaf van den kleinen Snip. Verwonderd, doch zonder schrik, zag zij om, terwijl zij opstond, en werd iemand gewaar, de haar kamer binnen was gekomen; zij ving zelf het licht van de kaars op, en herkende hem dus niet; maar toen zij ter zijde was gestapt, gaf zij een gil; want nu herkende zij den aanvoerder der Zwarte Bende, die, in een bruinen mantel gehuld, bij de deur stond.

Bedrogen in zijn hoop om het meisje in haar slaap te verrassen, had Perrol, toen hij licht gezien had, zich stil gehouden en zich bedacht; maar in de veronderstelling, dat zij geen acht meer zou slaan op het geluid, dat hij gemaakt had, toen hij de sleutel omdraaide, zette hij de kleine lantaarn, die hij in zijn hand hield, op den grond, en stapte vol hoop het vertrek binnen. Het verwonderde hem nu niet meer, dat zij nog niet geslapen had, en hij zei glimlachend bij zichzelf: „Ha, de minnedrank van de heks heeft gewerkt; bruid van Van Schaffelaar, gij behoort mij!”

Zijn eerste zorg was de deur achter zich te sluiten; de klink viel, zonder dat zij nog opzag, en hij lachte zacht, toen hij de blonde haarlokken golvend op haar schouders zag liggen. Op dit oogenblik schoot de trouwe hond uit zijn nest te voorschijn; maar reeds lang had de slimme booswicht zich beijverd om met Snip bevriend te raken, en toen hij den hond de hand toestak, herkende deze hem en zweeg. Doch ook Maria, die opgestaan was, herkende hem, en haar uitroep van schrik trof zijn oor, toen hij het misleide dier, dat kwispelstaartend om hem heensprong, tot zwijgen had gebracht. Hij voelde zeer goed, hoe moeilijk en gevaarlijk zijn onderneming bleef, indien hij zich in de werking of kracht van den drank bedrogen had; daarom haastte hij zich vriendelijk te vragen:

„Gij hebt geroepen, Maria. Bevindt gij u niet wel?”

„Ik?” zei zij verwonderd, en haar onrust bedaarde een weinig. „Neen, Heer. Ik riep niet. Ik ben wel.”

„En waarom zijt gij dan nog wakend, Maria?” vroeg hij opnieuw. „Ik meende uw stem te hooren, en Vidal verzekerde het mij ook, daarom nam ik de stoutheid binnen te treden; ik vreesde dat u iets deerde.” Hij zag haar hierop vorschend aan, en trachtte op haar gelaat te lezen, of de duivelsche drank hem in zijn schandelijk voornemen zou bijstaan.

„En toch, Heer, was de deur gesloten,” zei Maria, en sloeg den blik neer; maar Perrol riep zacht:

„O, ja, Maria, maar de sleutel stak er in, hoe zou ik anders hier kunnen zijn?” „Dan moet mijn vader hem vergeten hebben,” zei zij ongeloovig en vervolgde snel: „Maar ik ben wel, Heer! Ik dank u voor uw goedheid: slaap wel, God zij met u.”

„O, ik wil liever bij u zijn, Maria!” antwoordde hij met vuur, en vroeg vriendelijk, toen zij terugtrad: „Verkiest gij ook, Maria, dat ik uw moeder roep? Zeg het mij dan, en ik zal het doen.”

„Ja, Heer, ik bid u, wees zoo goed,” riep het meisje, dat niet liever wenschte dan hem verwijderd te zien. De gedachte haar moeder bij zich te hebben, stelde haar gerust.

„Ik zal haar roepen,” zei hij langzaam, terwijl hij haar bezag, en vervolgde toen zacht, doch met veel uitdrukking van stem: „Maar weet gij wel, Maria, dat gij schoon zijt, en dat hoofdhulsel u leelijk maakt? O, nu zie ik die glanzende lokken in al hun pracht. Nooit zag ik schooner maagd! En wilt gij dan zoo hardvochtig zijn om mij nu reeds te verwijderen, en mij het geluk u te zien, zoo spoedig te doen derven?” eindigde hij.

Zij wenkte hem met de hand om te gaan, en riep bevreesd uit: „O, Heer, zwijg, bid ik u, en roep mijn moeder; om onzes lieven Heeren Jezus wil, laat mij alleen.” Zij vouwde haar handen, zag hem smeekend aan, en richtte toen haar oog ten hemel.

„Hoort gij iets in huis bewegen?” vroeg hij, luisterde aandachtig en vervolgde: „Alles rust, Maria, en wij zijn alleen. O, verdrijf mij daarom nog niet; maar laat mij het hemelsch geluk genieten u te zien. Gelast mij niet, Maria, om terstond te vertrekken. Niemand zal weten, hoe gelukkig ik geweest ben. Het kost u immers niets,” zei hij, toen zij met het hoofd schudde.

Met schrik zag Maria zijn oog, dat vurig schitterde, op zich gericht; de uitdrukking van zijn stem, hoewel vriendelijk en lieftallig, beangstigde haar meer, dan als hij haar gedreigd en verwenscht had; maar zij wist niet, waarom zij sidderde. Daarom deed zij een schrede voorwaarts, met de linkerhand haar halsdoek vasthoudend, en van plan om snel langs hem heen naar de deur te gaan, en het vertrek te verlaten; maar hij trad haar in den weg en riep: „O, blijf, Maria! Wat vreest gij, ben ik niet hier? Heb ik u niet beloofd uw moeder te roepen!”

„O, doe het dan! Om Gods wil, roep haar, Heer!” riep Maria.

„En waarom nu reeds?” riep hij. „Zijt gij dan even onverbiddelijk als schoon?” en hij zag tot zijn smart, dat hij te vroeg was gekomen, of dat de heks hem bedrogen had; want het meisje stond even rein en deugdzaam voor hem als anders; zelfs verwonderde hem haar bedaardheid; liever had hij haar meer bevreesd en minder sterk gevonden.

Nu wierp hij zijn mantel af, en hij stond vr haar in een prachtig kleed van witte zijde, met gouddraad geborduurd en met knoopen, waarin kostbare steenen gevat waren; hij wist, dat een fraaie kleedij de vrouwen behaagt; niets had hij verzuimd om te zegevieren. Voor iedere vrouw, die hem niet kende, of niet zoo deugdzaam was als Maria, zou hij gevaarlijk geweest zijn; want eerbiedig en als opgetogen door haar schoonheid, stond hij in een edele houding voor haar. Zij zei niets, toen hij zijn mantel weggeworpen had, want deze pracht verbaasde en verschrikte haar; maar zij legde haar rechterhand op de leuning van den stoel. „Maria!” zei Perrol vurig, „hebt gij dan nooit in dit hart gelezen, waarover gij heerscht, en waarin uw bekoorlijk beeld voor eeuwig is afgedrukt? Heeft nooit de eerbiedige uitdrukking van mijn oog u verraden, dat ik u beminde, daar gij verwonderd toont te zijn, dat ik hier vertoef tegen uw wil? Helaas, gij kent zelf de kracht van uw bekoorlijkheden niet.”

„Heer!” riep Maria angstig, „voegt u die taal? Gij weet immers, dat ik een ander toebehoor? – O, roep mijn moeder, en beleedig mij niet.”

„Ik u beleedigen?” riep hij met drift. „Bij alles wat heilig is, ik u beleedigen? O, Maria, gij kent mij niet; hoor mij aan. Treed niet terug, bid ik u, ik kan niet langer zwijgen; dit hart, dat voor u klopt, kan ik niet meer dwingen stom te zijn. Gij zijt schoon, Maria,” vervolgde hij aangedaan. „O, als ik aan uw voeten smeek mij aan te hooren, zult gij dan nog geen medelijden met mij hebben? Is het mijn schuld, dat de natuur u zoo rijk bedeelde en ik u bemin?” Toen boog hij zijn knie voor haar en vervolgde, terwijl hij zijn vurig oog op haar gericht hield en zijn armen naar haar uitstrekte: „O, sidder niet, tenzij van liefde, Maria, en wees goed, gelijk gij altijd zijt. De eerste maal dat ik u zag, drong het zoete gif der min in mijn hart, op hetzelfde oogenblik, dat mijn lippen uw schoonen hals durfden aanraken, wat gij mij vergeven, maar dat ik niet vergeten heb. – Maria, heb medelijden met mij.”

„Vergeet gij, Heer, dat ik de bruid ben van den heer Van Schaffelaar, en dat gij in het huis van mijn vader zijt?” vroeg Maria met beleedigd eergevoel, en zag hem ernstig aan.

„Ja, alles heb ik vergeten, behalve het geluk, dat ik in uw bijzijn genoten heb,” antwoordde Perrol langzaam. „Helaas, waarom hebt gij den eerbied en de onderscheiding vergeten, waarmee ik uw liefde heb trachten te winnen? Maar waarmee beleedig ik u? Is het, omdat ik hier voor u neerkniel, of dat ik, door het toeval gevoerd, het eindelijk waag te spreken? Zijn die banden, welke u aan uw bruidegom verbinden, dan onverbreekbaar? Immers neen! Wat biedt hij u aan, die vazal van een verjaagden priester, die waardig is aan uw voeten te worden neergelegd? O, geheel anders zal het zijn, als gij mij verhoort; in mijn land, waar alles schooner, bekoorlijker is dan hier, daar zult gij leven en de schoonste der vrouwen zijn, die daar schitteren! De machtigste koning, mijn heer, zal mij met hooge waardigheid bekleeden; want ik zal hem er om vragen, als gij het goedvindt, en zijn grootmoedigheid zal mij in staat stellen, u met ongekende pracht te omringen. Dan zal ieder u bewonderen, en een wenk van uw oogen zal ieder gelukkig maken!”

„Houd op, verleider!” riep Maria; maar zij vervolgde minder beraden: „In den naam van de Heilige Moeder Gods, Heer, wees barmhartig, verlaat mij en ik wil vergeten, wat gij gezegd hebt.”

„Vergeten, Maria...,” zei hij langzaam. „Verkiest gij dus liever hier te leven met den man, die u niet eens een huis kan aanbieden, dat waardig is u te ontvangen? Vergeet gij zelfs, hoeveel goeds door u zal worden gesticht; dat elk verzoek, door u gedaan, door mij zal worden ingewilligd; dat mijn eenig streven zal zijn u zoo gelukkig te maken, als nog nimmer een vrouw geweest is; dat Perrol, en alles wat hem omringd, aan uw voeten liggen zal?”

Maria sidderde; met schrik zag en hoorde zij den man, die voor haar lag; de vreeselijkste gedachten schokten haar ziel, en al haar krachten verzamelend, wilde zij nog een poging doen, om te ontsnappen; maar hij strekte zijn arm uit. Huiverend deinsde zij terug, en hij zei treurig: „Gij hebt dus geen medelijden met mij? – En toch bemin ik u zoo hevig, Maria!”

Toen riep zij: „Voor het laatst, Heer, bid ik u, vertrek of laat mij gaan, of ik roep om hulp.”

„En wie zou u helpen, Maria?” vroeg hij, terwijl hij opstond, en zijn bruin gelaat veel van de vriendelijke uitdrukking verloor, die het veredeld had.

„Mijn vader. – O, denkt gij niet, dat hij zijn dochter beschermen zal?” antwoordde zij geestdriftig en vol vertrouwen.

„Uw vader, Maria,” hernam hij, en schudde lachend het hoofd, „die slaapt zijn roes uit.”

„Dan zal ik luid roepen,” vervolgde zij; en hij hernam zacht doch met nadruk:

„Ik bezweer u mij mijn liefde en alle Heiligen, roep niet, Maria, want gij zoudt dan morgen geen vader meer hebben.”

„Jezus, Maria!” riep het meisje angstig. „Wat wilt gij zeggen?” en zag met schrik den stroeven lach op het gelaat van het bendehoofd.

„Denkt gij dan, lief, maar wreed kind,” zei hij langzaam, doch met nadruk, „dat ik er niet aan gedacht heb mij van den tijd te verzekeren, dien ik kon berekenen noodig te hebben om u mijn liefde te verklaren? Roep, Maria, verstoor voor eeuwig mijn geluk, werp het gebouw van mijn liefde, dat mij zooveel zorg gebaard heeft, meedoogenloos omver! Roep, maar weet, dat mijn lieden voor de kamer van uw vader post hebben gevat, en – dat hij des doods is, als hij haar opent.”

„Genade! O, Heilige Moeder Gods, sta mij bij! Genade, Heer!” riep Maria zacht. Haar gelaat werd doodsbleek, en zij viel voor hem neer.

„Genade, Maria?” vroeg hij vriendelijk. „Maar wat vreest gij? Ik bemin den vroolijken meester; niemand zal hem met een vinger aanraken, zoolang ik leef; hij is immers de vader van mijn Maria! – Hoor mij aan, verhef uw stem niet, en hij zal niets te vreezen hebben. Doch sta nu op, Maria! Uw plaats is aan mijn borst, maar niet aan mijn voeten.” Hierop vatte hij haar handen, die zij smeekend ten hemel geheven had, hielp haar opstaan, en sloeg zijn arm om haar middel, lachte vriendelijk, en zijn oog kenschetste verrukking en liefde; maar het onschuldige en verschrikte meisje sloeg haar oogen neer, en zei, terwijl zij zich wilde losrukken:

„Heer, handel edel; o, laat mij alleen, de goede God zal het u vergelden.”

„En gij zelve niet?” vroeg hij, en trachtte haar vast te houden; maar zij antwoordde snel: „Ook ik, Heer, elken dag zal ik voor u bidden.”

„Heb dank, Maria,” zei hij, en deed geen verdere moeite om haar omvat te houden; want hij wilde nog eens probeeren, of hij haar niet door zijn listige taal in het verderf kon storten, zooals het hem zoo dikwijls met de schoone slachtoffers van zijn driften gelukt was. „Zet u dan hier neer, Maria, en wees gerust.” „Gij zult mij dus verlaten, Heer? O, ik dacht wel, dat gij mijn bede verhooren zoudt,” zei zij zacht en gerust; want Perrol had haar losgelaten en haar den stoel aangeboden. Een oogenblik beschouwde hij het schoone meisje, vatte toen haar hand, die zij niet durfde terugtrekken, knielde naast haar neer en zei geveind. „Ik ga terstond, Maria, en gij vreest mij immers nu niet meer? Hoor mij daarom aan. Zie, – deze nacht zal nooit uit mijn geheugen gaan; want zoo ik mijn leven gestadig doorgedobberd heb tusschen smart en vreugde, sedert dit oogenblik ben ik eerst diep rampzalig en voor altijd ongelukkig geworden; het verdriet zal mij vergezellen tot aan het graf, want geen vreugde wacht mij meer op aarde. Uw gestrengheid, Maria, maakt mij zoo beklagenswaardig: uw schoonheid en deugd deden mijn hart van liefde blaken, en gij verstoot mij van u; mijn leed gaat u niets aan, ik ben u vreemd, ik ben niets voor u. O, kon ik u vervloeken, kon ik het oogenblik verwenschen, dat ik u zag, dan zou ik misschien deze verterende vlam uit mijn hart kunnen rukken; maar – ik kan dit niet, ik bemin u nog heviger, sedert alle hoop verloren is, en ik moet dus sterven! Leven zonder u... en sterven...

Maria luisterde met aandacht en aandoening; want zijn stem was zoo treurig, zijn oog drukte zooveel rouw uit, dat ze niet anders dacht, of hij sprak de waarheid; zij twijfelde niet aan het bestaan van een oprecht berouw, en welke vrouw voelt geen medelijden voor den man, die haar bemint en die treurt, omdat zij zijn liefde verwerpt? Hij dreigde niet, zijn betuigingen van smart waren zoo natuurlijk, zoo eerbiedig, dat zij medelijden met hem had; zij sloeg haar oog ten hemel, en vervolgens op den aanvoerder der Zwarte Bende, op dien vreemden en machtigen edelman, die voor haar, het eenvoudige burgermeisje, geknield lag. Zij voelde zijn hand sidderen, en zei zacht: „Ik bid om verschooning, Heer, voor het leed, dat ik u zonder mijn schuld veroorzaak, en zal de Heilige moeder Gods smeeken uw smart te verlichten. Verlaat morgen reeds dit huis; ik ben uw liefde en vereering niet waard, en een schoone, edele jonkvrouw zal u gemakkelijk de dochter van den smid doen vergeten.”

„Nooit, nooit vergeet ik u, Maria!” riep hij met vuur, en vervolgde toen langzaam: „Maar denkt gij niet, Maria, dat gij zult moeten verantwoorden, dat gij mij verstooten, dat gij geen medelijden met mij gehad hebt? Niet hier, o neen, want ik heb u te lief: om zelfs iets te zeggen, dat u onaangenaam zou kunnen zijn; ik zou uw geluk willen koopen ten koste van mijn leven; – maar hiernamaals, meen ik. O, weet gij wel, Maria, dat Perrol, die u bemint, die verworpen en miskend aan uw voeten ligt, een groot zondaar is, en dat gij hem op den weg der deugd, dien hij zoo dikwijls verliet, zout kunnen terugvoeren? Weet gij wel dat de eerwaarde vader, die dit huis heilig maakt, door zijn bezoeken, mij in dat denkbeeld heeft versterkt? Weet gij wel, Maria, wat gij doet, deugdzaam en heilig kind, met mij van u te stooten en terug te werpen in den poel van zonde en misdaden, dien ik verafschuwd heb, toen ik u aanschouwd had? Want uw liefde zou mij redden, zoo onbevlekt en onschuldig zijt gij. O, siddert gij niet, Maria, bij de gedachte, dat eenmaal, op dien verschrikkelijken dag, als alles zal worden geoordeeld, en ik rekenschap moet geven van mijn ziel, en waarom ik haar verloren heb, dat dan een stem zal worden gehoord, die uw naam zal noemen en uitroepen: „Maria had mij kunnen redden, maar zij heeft het niet gewild; door haar is mijn ziel niet rein en zonder zonden, zij heeft haar verloren laten gaan!”

„Heer!” riep Maria, wenend, „wees barmhartig en beschuldig mij niet; God weet of ik uw ziel zou laten verloren gaan, als ik haar redden kon; maar ik kan niets doen dan bidden, en zal het doen. Zoo waar ik leef, Heer! Dagelijks zal ik, geknield, voor uw geluk den hoogsten bijstand inroepen!”

„Kunt gij niets doen, Maria? Kunt gij mijn eeuwig geluk niet bevorderen?” zei Perrol met nadruk. „O, hebt gij dan vergeten, wat ik gebeden en gesmeekt heb? Maria, schenk mij uw liefde, dan ben ik gered!”

„O, dat kan niet, Heer!” riep zij, en trok haar hand terug. „Gij weet het immers, Heer, ik ben verloofd, een ander behoort mijn hand,” en zij schudde het hoofd, en wischte de tranen met haar lokken af.

„Uw hand,” zei Perrol, en een onmerkbare grimlach vertoonde zich op zijn gelaat, „uw liefde alleen zou mij reeds gelukkig maken.”

Het onschuldige kind vermoedde niet, dat het hem in de gedachten kon komen, om haar liefde te vragen zonder haar hand, en daarom zei zij ernstig: „Bij mijn eeuwig welzijn, Heer, ik kan niets voor u doen dan bidden; Van Schaffelaar zwoer ik trouw voor God en mijn ouders; mijn ziel zou immers verloren gaan, als ik mijn woord brak, – en ik bemin hem.”

„Gij bemint hem,” zei hij koel. „Maar de heilige Vader zal u van die belofte ontslaan; alleen van u hangt mijn geluk af. O, is dan alle mededoogen uit uw hart verbannen?”

„Heer!” riep Maria, en zij zuchtte: „Niemand kan mij van mijn belofte vrijspreken; ik mag niet breken, wat ik vrijwillig beloofd heb, en wat mijn hart niet weerspreekt; en denkt gij, dat mijn bruidegom mij zou ontslaan van mijn eed; bedenk zelf, Heer, kan ik den heer Van Schaffelaar verlaten om u? Hij bemint mij ook; helaas, mijn ontrouw zou hem het leven kosten, ook hij zou wanhopig zijn.”

„Maar niet als ik, Maria,” viel Perrol haar in de rede; „hij bemint u, maar niet zooals ik. O, geloof mij, hij zou treuren, zich troosten en een ander meisje uitzoeken, om het geslacht der edele Van Schaffelaren voort te planten; want hij is goed en braaf; maar geen hevige driften beheerschen hem. Maar ik, Maria! Ik bemin u met een drift, waarvoor zijn hart niet vatbaar is; het is een vlam die mij verteert; maar die u gelukkiger zal maken dan zijn koude hartstocht. O, Maria, gij begrijpt niet, hoeveel kracht mijn liefde heeft; alleen in mijn armen wacht u het zalig genot der min. O, zoete, schoone maagd, verhoor mijn smeeken. Kunt gij de ongelukken berekenen, die alles wat u dierbaar is, kunnen treffen, indien ik, door u afgewezen, in een stikdonkeren nacht, radeloos rondzwerf, zonder dat uw liefde als een weldadige ster in de verte voor mijn wanhopige ziel flikkert en haar het pad der deugd wijst?”

De drift scheen zich reeds zoo sterk van Perrol, die haar hand gevat had, meester gemaakt te hebben, dat Maria opnieuw bevreesd werd; maar zij verzamelde al haar moed en zei schijnbaar bedaard: „Heer, indien mijn vriendschap en mijn gebeden u niet kunnen helpen, mijn medelijden zal u niet gelukkig maken. O, ga dus, en spreek morgen met mijn ouders; ik ben hun kind en hun onderdanig.” „Waarom zou ik mij tot hen wenden?” zei Perrol, ongeloovig het hoofd schuddend: „gij wilt mij uit uw bijzijn verdrijven. O, ik begrijp het wel, gij wilt voor mij dien Van Schaffelaar niet verlaten.”

„En hoe kunt gij zoo wreed en onrechtvaardig zijn dit te vorderen, Heer?” hernam zij fier, en trok haar hand uit de zijne, „hij is mijn bruidegom, en ik bemin hem.”

„Hem, Maria,” zei Perrol, somber grimlachend, terwijl hij opstond. „Gij gelooft het; op mijn eer, ik vertrouw u genoeg, om verzekerd te zijn, dat gij het belooft; maar het is niet zoo, gij bemint hem niet! Gij acht hem en gevoelt vriendschap voor hem, en dat is reeds genoeg, te veel geluk voor hem. Neen, Maria, ik heb beter in uw hart gelezen; gij bemint hem niet als een bruid haar bruidegom, als een maagd vol vuur en verlangen den man, die haar hart getroffen heeft; gij bemint mij, maar zonder het te weten.”

„Ik bemin hem, Heer, hem alln; gij beleedigt mij door door er aan te twijfelen,” riep zij geestdriftig en vervolgde, toen hij met een minachtenden lach het hoofd schudde: „Gij hebt gelogen, zoo waar als ik hoop zalig te worden; ik bemin Van Schaffelaar even sterk als mijn ouders!” en met haar reine blauwe oogen zag zij hem onbevreesd aan, en legde haar hand op haar hart.

„Als uw ouders,” herhaalde Perrol grimlachend en vervolgde: „Gij bedriegt uzelf en waagt uw schoone ziel, die waardig is, om niet verloren te gaan, door mij te willen overtuigen; maar ik weet beter. O, sta mij toe, Maria, om nmaal slechts uw lippen te kussen, en gij zult gewaar worden, dat ik alleen u bemin, zooals gij waardig zijt bemind te worden. Gij zult zien, dat ik niet gelogen heb.”

„Laat af, Perrol! Raak mij niet aan met uw hand!” riep zij terugtredend, en vervolgde fier: „Vreest gij niet de wraak van mijn vader en van Van Schaffelaar?” „Op mijn eer, neen, Maria. Neen, lieve Maria,” antwoordde hij en lachte; toen riep zij: „Gij hebt geen eer meer, als gij het waagt, langer hier te blijven. Vertrek terstond of ik zal roepen!”

„Gij alleen, Maria, kunt zonder gevaar twijfelen aan mijn eer,” zei hij, en naderde haar; „maar geloof ten minste aan mijn liefde. O, dreig mij niet met de wraak van Van Schaffelaar, of denkt gij, dat ik hem vrees? Waarom behoeft gij hem mij voor de voeten te werpen? Of denkt gij niet, dat deze hand hem spoedig genoeg kan treffen, evenals zijn vriend, den dapperen heer Coene van Baerbergh, wiens lot gij schijnt te kennen? O, ik ben zoo sterk als ijzer, en verbrijzel al wat mij tegenstand durft bieden,” en hij vervolgde met een duivelschen lach, terwijl hij haar al meer en meer naderde: „Roep niet, mijn Maria, vergeet gij, dat uw goede vader niet naderen kan zonder den dood te vinden? Hebt gij hem dan minder lief dan Van Schaffelaar, en wilt gij zijn leven wagen voor een enkelen kus?”

„O, Heere Jezus, Maria!” riep het meisje, de handen wringend, „red mij uit zijn handen! Booswicht! Stoot mij neer met uw moordpriem; o, neem mijn leven, maar spaar hem, en onteer mij niet, Heer!” riep zij, en viel voor hem neer: „Ik bezweer u bij de moeder, die God voor uw geboorte gedankt heeft – in den naam van uw moeder, Heer, mishandel mij niet. Dood mij, en stervend zal ik nog voor u bidden.” Zij stak smeekend de gevouwen handen naar hem op; de kracht van den drank, die haar tot nog toe gesterkt had en haar haar tegenwoordigheid van geest had doen behouden, bezweek voor dezen hevigen schok, en liet haar geen kracht tot den zwaksten tegenstand.

„Hoewel de hel zich tegen mij verklaard heeft, toch zal ik overwinnen! riep het bendehoofd, dat geen mededoogen gevoelde, maar verschrikkelijk lachte, toen hij haar zoo geheel vernietigd voor zich zag. Hoewel zij hem goddelijk schoon voorkwam, streelde hem minder het geluk, haar aan zijn wellustige driften op te offeren, dan de gedachte aan de droefheid van Van Schaffelaar. Hij beschouwde haar bedaard, en verwoed over haar ongevoeligheid voor zijn geveinsde taal, zei hij halfluid: „Zij zal wel berouw voelen, als ik niets meer te verlangen en zij niets meer te verliezen heeft, en ik haar dan zeggen, dat niemand de deur van haar vader heeft bewaakt, en zij gered zou zijn geweest als zij geroepen had.” Hierna zei hij lachend en haar opheffend: „Treur niet, mijn kind. Ziet gij mij voor mijnheer satan aan, dat gij zoo voor mij siddert? O, zooveel meisjes zijn weenend in mijn armen gevallen, en verlieten die schoorvoetend en dartel lachend.”

„Genade, Heer!” riep Maria, toen hij haar omvatte; „zult gij mij loslaten? Of ik roep!” Zij deed vruchtelooze moeite om zich los te wringen, en bad smeekend:

„Om onzen lieven Heer Jezus wil, Heer! O, stort mij niet in het verderf en uzelf ook; laat af, en alles zal ik u vergeven.

„Genade, Maria?” lachte Perrol; „maar wilt gij dan, dat ik mijn Hector zal verliezen? – Schenkt gij mij niet een goed strijdpaard met uw liefde?”

Zij beefde als een riet, dat door den stormwind bewogen wordt, in den arm van het bendehoofd, dat met een duivelsch genoegen zijn zegepraal trapsgewijze wilde genieten. Vergeefs wendde zij het gelaat af; hij stak zijn hand in haar fraaie lokken, tilde die op, kuste en zei lachend: „Die blonde lokken zijn schoon. En voordat ik u verlaat, mijn liefste, zal ik er een vragen om op mijn hart te dragen.” Zij antwoordde niets, maar worstelde tevergeefs tegen den krachtigen arm, die haar omvat hield. Met haar beide handen tegen zijn borst, hield zij hem van zich verwijderd: radeloos en strak was haar blik; maar zij durfde niet roepen. Zij wist, dat haar vader komen zou, maar ook, dat hij vermoord zou worden. Zijn vurige blik hinderde haar nu niet meer, de wanhoop alleen beheerschte haar teedere hart. „Maria,” zei de booswicht toen, en vatte haar handen die hij gemakkelijk van zijn zijden wambuis losscheurde, waaraan zij geklemd zaten. „Maria, waarom die vrees? Zijn wij niet alleen...? Ik zweer u, nooit zal iemand weten, dat ik u gekust heb en hoe gelukkig ik dezen nacht geweest ben; uw bruidegom zelfs zal het niet weten, en de pater zal er u vergeving voor schenken; een enkele kus aan een vriend is immers geen zonde.” Maar met afschuw wendde zij het hoofd af, en hij vervolgde met vuur: „Waarom wijst gij mijn liefde af, Maria? Is het omdat gij hem denkt te beminnen? O, heb mij slechts voor n oogenblik lief, en gij zult gevoelen, dat ik alleen uw liefde waardig ben. Zij zal u zoo zoet smaken als de wijn, dien gij op mijn gezondheid gedronken hebt. Is het gebroken drinkglas niet het voorteeken van mijn geluk? – Een enkele kus slechts, Maria, en gij zult de liefde kennen. Deze weinige uren van den nacht zult gij mijn bruid zijn; en als gij niet gelukkig in mijn armen zijt, dan bezweer ik, u voor eeuwig in rust te laten met Van Schaffelaar, en zijn leven zal mij even heilig zijn, als het denken aan uw bekoorlijkhecjen.”

„Heb medelijden – een rechtvaardig God ziet u. – Laat af, Perrol!’ riep zij, toen hij haar handen vasthoudend, haar tegen zijn borst klemde. Zijn gelaat, dat woest en wraakzuchtig werd, was verschrikkelijk. Perrol met de Roode Hand huichelde niet meer; zijn oogen schitterden, en hij zei zacht en akelig lachend: „Gij zijt in mijn macht, bruid van Van Schaffelaar! Ha, gij zult nu bruiloft vieren met Perrol, en uw onschuld zal verwelken, zonder dat het hem het leven redt. Door deze hand zal hij sterven, als hij weet, hoe gelukkig ik geweest ben. O, ik zal hem vermorzelen, evenals het glas!”

„Red mij, vader! – Heere Jezus! – O, mijn moeder!...” gilde Maria zacht. Alle krachten begaven haar; zij dacht, dat zij stierf, en deed nu te laat moeite om te roepen; zij kon geen klank meer uitbrengen, sloot haar oogen en zakte ineen: en toen de aanvoerder der Zwarte Bende met zijn mond de bleeke koude lippen van het onschuldige kind aanroerde, was alle gevoel reeds uit haar geweken, en zij wist niet, dat het wraakgierige monster haar schoonen mond met zijn kussen bezoedelde.

Woest lachend, vatte Perrol haar nu in zijn armen, en trad naar de deur. Terwijl hij haar zoo droeg, zag hij met een duivelsch genoegen het lieve, achteroverhangende hoofd, waarvan de blonde haren tot op den grond neerhingen. De halsdoek was gevallen, en zijn oog genoot van het gezicht van den schoonen boezem, die nog nooit aan den blik van een man was blootgesteld geweest, en witter was danhet linnen hemd, dat hem ten deele bedekte. Met zorg hield hij haar omvat en behoedzaam ging hij; doch plotseling bekroop hem de vrees, dat zij in zijn armen sterven zou; want het schoone meisje was doodsbleek. De wraak zou hem dus nu nog ontrukt worden; daarom zag hij rond, of hij ook water gewaar werd om haar weer bij te brengen. Maar de kleine Snip, die, terwijl Perrol Maria door zijn logentaal trachtte te bedriegen, zich weer had neergelegd, daar toch geen van beiden zijn liefkoozingen gewaar scheen te worden, richtte nu den kop op, gestoord in zijn slaap, of bevreesd voor zijn meesteres, die hij nooit in den handen van zijn vriend, den ruiter, had gezien, begon luid te blaffen.

„Snip! Snip! – Stil, Snip!” riep Perrol zacht, terwijl hij Maria behoedzaam neerlegde; maar de trouwe hond zweeg niet en verwoed keerde het bendehoofd zich om. Zoo dicht bij zijn doel, zou een ellendige hond hem verhinderen om zijn lage en gruwelijke wraak te volvoeren; die gedachte was vreeselijk voor hem, en hij naderde den hond om hem te worgen. Maar door zijn ongeduld (want misschien zou het dier zich anders wel weer neergelegd hebben) deed hij het schrikken door zijn snelle beweging. Snip sprong uit zijn nest en ontweek luid blaffend zijn vervolger. Bleek van toorn, de gehandschoende handen vooruitgestrekt, liep het bendehoofd hem voorovergebogen na; nu was Snip onder de tafel, dan weer bij de deur; eindelijk vluchtte hij onder de bedstede, en hief een doordringend gehuil aan. Tevergeefs bedacht Perrol zich, hoe hij hem tot zwijgen zou brengen, en sloeg zich voor het hoofd; want de tusschenruimte was niet genoeg om een mensch door te laten. Maar alsof het geluk den booswicht wilde begunstigen, zweeg Snip, zoodra Perrol geen verdere moeite deed om hem te vangen, en hij vatte weer hoop.

Hij ging naar de tafel en snoot de kaars, die dezen dienst reeds lang noodig had gehad, nam haar in de hand en trad naar de bedstede. Nog altijd lag Maria roerloos, en hij beschouwde haar met welgevallen, doch tevens met bezorgdheid; hij legde zijn hand op haar ontblooten boezem, en voelde haar hart onder de drukking der Roode Hand nog kloppen; zij leefde dus nog. Hierop ging hij snel weer naar de tafel, zette den blaker neer en luisterde; want hij meende iets te hooren; en toen hij weer hij Maria was teruggekeerd, hoorde hij duidelijk iemand de deur naderen. Hij trad nu ook zelf snel naar de deur, en tegelijkertijd, dat de sleutel in het slot werd gestoken, schoof hij zacht de grendels voor de deur, keerde toen behoedzaam terug en lachte.

„Ik ben het, Maria, doe open!” riep Wouter nu buiten de kamer, en scheen iets binnensmond te mompelen over de dwaze gewoonte om zich op te sluiten.

„Schuif de grendels weg, Maria!” riep hij luider en klopte harder op de deur. Perrol, die bij de bedstede stond, lachte zacht; geen vrees scheen hem te bekruipen; hij vermoedde dat Wouter zich zou verwijderen, als hij zag, dat Maria vast sliep.

Juist toen hij het hoofd van het meisje oplichtte, dat van schaamte zou gestorven zijn als zij den kus gevoeld had, dien Perrol op haar boezem drukte, stiet Wouter, die, als het er op aan kwam, zeer kort van stof was, een luiden vloek uit, en een hevigen slag dreunde door het huis. Ontzet trad Perrol terug; een tweede slag, even goed aangebracht als de eerste, deed de deur splijten; het was alsof een bliksemstraal door het hout heenschoot; toen werd de deur krakend middendoor gebroken, zoodat de eene helft op den grond viel, en Wouter sprong in de kamer.

Als door den donder getroffen, bleef de meester staan, toen hij iemand, – een man, in Maria’s kamer gewaar werd. Daar Wouter geen licht bij zich had, de kleine lantaarn van Perrol was uitgegaan, en de kaars van Maria reeds in de pijp brandde, kon hij de lange gestalte niet dadelijk herkennen; maar toen Martha, Vidal en Riso, van licht voorzien, ook de deur naderden, riep de smid verwonderd, doch kortaf:

„Ha, zijt gij het, Messire!” en hij dreigde met de hand.

„Zooals gij ziet, Wouter,” antwoordde Perrol, en knarsetandde van woedde; nooit had de wraak zich bekoorlijker aan hem vertoond, en hij stampvoette, toen zijn blik van Maria werd afgetrokken door de stem van haar vader.

Het was een wonderlijke, schrikwekkende groep. Iets verder dan de gebroken deur stond Wouter; de haast, die hij gemaakt had, toen hij Snip hoorde, had hem verhinderd zich, hoe weinig dan ook, te kleeden. Hij was zooals hij uit zijn bed gekomen was: zijn ruige en sterk gespierde armen en zijn beenen waren tot aan den elleboog en de knie onbedekt; zijn hemd hing open op de borst, die breed en met lang haar bedekt was; zijn bruinachtig gelaat was bleek van schrik en toom, en in zijn rechtervuist hield hij de fraaie strijdbijl, die hij zelf vervaardigd en in het donker gegrepen had, om zijn dochter te hulp te snellen. Achter hem stond Martha; de handen wringend, zag zij naar haar kind, en herhaalde zacht, terwijl zij alle heiligen, die zij kende, aanriep, den naam van Maria. De angst was op het moederlijk gelaat te lezen; hoewel zij den meester spoedig was gevolgd, had zij toch in de haast eenige kleeren om het lijf geworpen; de kandelaar, die zij in de hand hield, sidderde. Verder verwijderd stond Vidal met een bleek gezicht als Martha, maar geheel gekleed; Riso stond naast hem en droeg een lange waskaars. Alleen Perrol, die midden in het vertrek stond, werd verlicht door de kaarsen, die zij bij zich hadden; het goud van zijn kleed en de robijnen, die in de knoopen gevat waren, schitterden; zijn lange gestalte en zijn onbevreesde houding duidden evenveel moed aan als die van den meester. Vlug en slank van leest, geleek hij den tijger, die, buigzaam van leden, zijn vijand onverhoeds bespringt, of den kundigen vechter, die zeker is van zijn overwinning. De smid daarentegen scheen al de vereischten te bezitten van een worstelaar; hij stond daar, breed geschouderd en vast op zijn voet, evenals de wilde buffel, die zijn horens aan het monster voorhoudt, dat zijn jong verscheuren wil.

Van Maria zagen de verschrikte ouders niets: de kaars op de tafel gaf alleen nog maar bij tusschenpoozen eenig licht; zij was op het punt van uit te gaan, en flikkerde nog flauw; zij was evenals de onschuld van Maria. toen zij het laatst den mond geopend had.

„Waar is Maria?” riep Wouter driftig. „O, Messire, het is uw laatste schurkenstuk. Kent gij dit wapen? Gij zult sterven!” en de bijl opheffend, trad hij vooruit. Maar Perrol, die zijn tegenwoordigheid van geest niet verloor, want niet de minste schaamte gevoelde hij over wat hij gedaan had, riep snel en met verkropte woede: „Maria – daar is zij! – Maar nader niet, indien gij uw leven liefhebt!” Hij wees, terwijl hij dit zeide op de bedstede, en trok den langen dolk, die aan zijn rechterzijde in zijn gordel stak.

„Maria!” riep Martha weenend; maar haar dochter antwoordde haar niet, en de smid vervolgde, hem woest aanziend: „Mijn leven, Perrol! O, ik heb uw dood liever dan mijn leven. Hebt gij haar vermoord of onteerd, of misschien wel beide? – Gruwelijke jakhals! Zijt gij te laf om te zeggen, wat gij gedaan hebt?” riep hij en naderde.

Doch de aanvoerder der Zwarte Bende zei ijskoud: „Matig die drift, meester! Vergeet gij, wie ik ben? Nader niet, bij mijnheer St. George, of zij zal voorgoed sterven; gij alleen hebt haar in dien staat gebracht door dat kloppen aan de deur.”

Huiverend trad de vader terug, en liet wanhopig de bijl zinken; want de dolk blonk, in de hand van het bendehoofd, boven de borst van zijn ongelukkige dochter. Tranen sprongen uit de oogen van den vader; de booswicht, dien hij ontzien en geerd had, die voor weinige uren met hem had gedronken, en wiens verdediging hij bij Van Schaffelaar op zich had genomen, stond nu ontmaskerd voor hem en toch kon hij niet toeslaan, en zijn kind lag hulpeloos. Allen sidderden; slechts de hoofdman der Zwarte Bende beefde niet.

Nu trad Martha, die minder voorzichtig was, of meer liefde gevoelde voor haar dochter dan de meester, langs hem heen en naderde. Had het moordtuig boven het hart van haar Maria geschitterd, toen de meester naderde, die dreigend en gewapend was, een smeekende moeder zou immers toch genade vinden, zelfs bij Perrol, dacht zij; want haar afschuw en haar vrees verbergend, wierp zij zich voor hem neer. De moeder strekte de handen biddend uit naar de oorzaak van het onheil, naar den booswicht, en zij riep smeekend: „O, Heer, laat mij naderen, of dood mij in plaats van haar. – Heer, geef mij mijn arm kind terug,” want niets is onmogelijk voor het hart van een moeder; alles kan zij vergeten, als haar kroost haar hulp behoeft.

De aanvoerder der Zwarte Bende, die dreigend den dolk had opgeheven, toen zij vooruittrad, zag haar aan; maar zonder dat zijn hart door haar nederigheid of moederliefde getroffen werd, liet hij den gewapenden arm zakken, wees op Maria, en zei koel: „Daar is zij, sta op en help haar,” want hij wilde niet, dat de bruid van Van Schaffelaar sterven zou.

Nu vloog Martha naar haar kind en kuste het; de tranen liepen haar uit de oogen, die vol moederlijke liefde vragend op haar Maria gericht waren; doch Maria zag haar niet. Spoedig bedekte zij nu de borst van haar dochter, en hield er zich alleen mee bezig, haar in het leven terug te roepen. Zij overwoog niet, of zij nog hoop had zich te kunnen verheugen over de goddelijke bewaring, die haar haar Maria rein en onbevlekt kon teruggeven, of dat zij zou moeten treuren bij haar diep vernederde dochter, of zich misschien moeten beklagen, dat zij haar in het leven had teruggeroepen, als zij, met haar schoonste sieraad, ook haar onschuld verloren had.

De angst van den vader begon te verminderen, toen hij zijn kind door zijn vrouw zag verzorgen; maar toch hield hij de bijl nog krampachtig omvat. Wat Perrol betreft, die heden tevergeefs beproefd had Maria in zijn netten te lokken, deze troostte zich over het gebeurde. En daar hij gezien had, dat alleen geweld haar kon doen vallen, oordeelde hij, dat alle veinzerij nu voor altijd overbodig was. „Een ander maal,” zei hij bij zichzelf, „zal geen ellendige hond, noch Wouter haar kunnen redden, en daar ik niets meer te ontzien heb, zal ik mij gemakkelijk op de een of andere wijze van haar meester maken.” Nu dacht hij aan de heks, die hem bedrogen had, en de gruwelijkste verwenschingen kwamen uit zijn mond; hij zon op nieuwe misdaden, en nog stond de beleedigde vader dreigend voor hem.

De meester sloeg hem wantrouwend gade, en zelfs Martha wendde het hoofd om, terwijl zij haar dochter met haar eigen lichaam bedekte; want zij hoorde hem vloeken, en dacht, dat hij opnieuw den dolk had opgeheven. Het geluk der moeder deed Perrol’s helsche ziel leed, en de laaghartigste wraak te baat nemend, om Maria voor haar deugd te straffen, zei hij zacht; „Vrees niets, Martha. Ik verwensch mijzelf, nu ik besef wat ik gedaan heb; aan haar moeder durf ik het zeggen, maar aan haar vader niet. O, Martha, zij was nog zoo schoon en vroolijk, toen zij in mijn armen lag, en over ons toekomstig geluk sprak; maar toen haar vader naderde, viel zij in zwijm van schrik., Doch gij zult haar zwakheid bedekken en haar troosten; ik alleen heb schuld, Martha! Ik zweer het, helaas! Zij zou nog rein onschuldig geweest zijn, indien ik minder verliefd geweest was.”

„Jezus Maria! Mijn arm kind!” riep Martha sidderend, en sloot het meisje in haar armen, dat haar bewustzijn nog niet had herkregen, hoewel haar gelaat met water bevochtigd was.

Nu vroeg Wouter somber: „Martha, wat heeft hij gezegd?” Maar de moeder weende en antwoordde hem niet, en Perrol zei koel, nadat hij een nijdigen blik op Martha en haar dochter geworpen had:

„Ik zei aan uw vrouw, dat ik naar mijn kamer zal gaan; laat mij door, en vaarwel tot morgen.

„Gij, Messire, gij zult hier blijven, totdat Maria gesproken heeft. Verroer u niet, of ik kloof u den kop!” riep Wouter driftig; want hij had alle ontzag voor Perrol verloren; hij vergat den eerbied, dien elk burger in dien tijd gewoon was voor alles te betoonen, wat van groote afkomst en hoogen rang was.

„Ha!” zei Perrol, „waarom die drift, meester? Zijt gij verwonderd, dat een ruiter gedurende den nacht met een lief meisje spreekt, en dat zij hem in haar kamer ontvangt? Is dit zoo vreemd? Herinner u uw jeugd, mijn maarschalk! En stel u niet bespottelijk aan. Op mijn eer, zult gij dan evenals de meeste vaders, het eene oogenblik snoeven op wat gij weleer als jongeling verrichttet, en in het andere een edelman beleedigen, omdat hij uw dochter alleen gesproken heeft?” en hij lachte. Doch Wouter riep even driftig: „Ik laat u niet door, Perrol! – Sta!”

Per moio! Vreest gij dan niet, onbeschofte kerel!” riep Perrol dreigend, „dat ik morgen, of nog eer de dag aanbreekt, dit huis zal doen leegplunderen, en u niet uw vrouw en Maria gevangen door mijn ruiters doen wegsleepen? Want ik ben alleen meester in Amersfoort, en gij zult mijn macht niet kunnen loochenen, indien gij niet nog bezopen zijt.”

Wouter stond een oogenblik onthutst; hij wist wat Perrol doen kon, vooral in den nacht, terwijl de stad in rust was; hij zag den schamperen lach op het gelaat van het bendehoofd, en schrok bij de gedachte aan wat Perrol dreigde te doen; maar spoedig lachte hij ook, en riep: „Ik vertrouw, dat gij de waarheid spreekt; maar zeg mij eens, hoe zullen uw ruiters uw bevelen kunnen hooren, indien gij hier in stukken wordt gehouwen?” en hij deed eenige schreden voorwaarts.

Perrol, die geen zwaard of degen droeg, stampvoette van woede en vloekte; hij vatte snel den mantel op, die op den grond lag, en hield hem in zijn hand, gereed om dien den smid over het hoofd te werpen, of de bijl er in te doen verwarren; tegelijkertijd riep hij koel:

„Maak den uitgang vrij, Vidal! Stoot hem neer!” Aarzelend trok deze, die tot nog toe niets gezegd of gedaan had, zijn zwaard, en Wouter stond stil; aan de eene zijde bedreigde hem de knaap, aan de andere zijde het bendehoofd. Had de vrees voor vrouw en dochter hem niet weerhouden, dan zou hij zijn wapen spoedig op het hoofd van den woesteling hebben doen neerdalen.

„Spaar hem om Jezus wil, vermoord hem niet, knaap!” riep Martha, die het gevaar, waarin haar man verkeerde gewaar werd.

Toen zei Perrol nog eens, maar ijskoud en dreigend: „Stoot toe, knaap!” en Vidal hief het zwaard op; doch voor het eerst van zijn leven was hij ongehoorzaam aan een stellig bevel van zijn snooden meester: het beeld van Maria, die daar lag, onteerd door den vreeselijken man, dien hij diende, zweefde hem voor den geest. Hij dacht, dat zij dood was, en het was hem, als rees haar geest tusschen hem en haar vader op; de toon en de handelwijs van Wouter waren zoo natuurlijk; het recht van een vader, die rekenschap vraagt aan hem, die zijn dochter mishandeld had, was zoo eerbiedwekkend voor hem, dat hij de punt van zijn zwaard ter aarde boog en het hoofd op de borst liet vallen.

„Vervloekte bloodaard!” schreeuwde Perrol, en tandenknarsend zwaaide hij den mantel; want Wouter trad vooruit en riep: „Ik lach met die dagge en dien mantel; het is de laatste maal, dat gij den braven knaap het moorden gelast.” Toen riep Perrol iets in een vreemde taal, wierp den mantel weg, en vatte zijn moordpriem in de linkerhand. Het was alsof er een bliksemstraal door het vertrek over het hoofd van den meester heen schoot, en Perrol zei hoonend, terwijl hij het zwaard opving, dat Vidal hem op zijn bevel had toegeworpen: „Nu staat het meer gelijk, Wouter! Mijn knaap is laf genoeg, om u het leven te laten; maar, per moio! niet slecht genoeg, om mij te laten vermoorden; treed dus terzijde kerel! Voor het laatst, maak ruimte! Of wilt ge, dat de Vergulde Helm in dezen nacht voor altijd van zijn meester beroofd wordt?”

Ofschoon de smid vermoeden kon, dat Perrol meer kans had, om in dit gevecht te zegevieren, zwaaide hij de bijl, zonder iets te zeggen, en zijn oogen schoten vurige stralen. Het bendehoofd zag echter verwonderd op, toen het bruine, door drift bezielde gelaat van den meester opeens veranderde, en een uitdrukking van geluk zich daarover verspreidde, terwijl hij zijn wapen wegwierp. Hij dacht, dat Wouter zich op hem wilde werpen, en hem aanvallen; hij hield zich dus gereed; maar zonder zich om hem te bekreunen, sprong de verheugde vader naar zijn dochter; want hij had haar zijn naam hooren stamelen. De stem, welke hem scheen te roepen, had sterker op het vaderhart gewerkt dan de verontwaardiging en de wraakzucht, en hij vergat den nietswaardigen booswicht en alle voorzichtigheid, om Maria aan zijn hart te drukken.

Een oogenblik stond Perrol roerloos, en zag somber op de groep, welke vr de bedstede stond. Hij begreep de vreugde der ouders niet, en toch hinderde hem deze; hij meende, dat hij het hoofd van Maria zag, die tegen de borst van haar moeder leunde, terwijl haar vader haar handen drukte. Hij herinnerde zich, hoe schoon hij haar gezien had, en bemerkte met vreugde, dat de dood Maria niet aan hem ontrukt had; want zij scheen haar gelaat te verbergen, toen zij zijn blik ontmoette.

Hij grimlachte nijdig, en mompelde: „Ha, St. Thomas-dag wordt morgen nog niet gevierd,” vatte toen den mantel op en vertrok, nadat hij nog eens een blik op de bedstede en rondom in het vertrek geworpen had. De kleine Snip kwam voor den dag, zoodra hij de kamer verlaten had. Perrol plaatste zich vr Vidal, die naast Riso aan de deur stond. Zonder iets te zeggen, richtte hij zijn dreigenden blik op den knaap en op diens borst, hief zijn moordpriem op, dien hij nog in de hand hield, en zocht de plaats uit, waar hij dien wilde instooten; maar terwijl Riso den kandelaar van angst bijna liet vallen, stond Vidal onbevreesd; hij was bleek en treurig; doch hij beefde niet.

„Vidal,” zei Perrol toen streng, en stak zijn dolk op, „indien gij morgen nog in de stad gevonden wordt, laat ik u opknoopen. Vertrek, en kom nimmer weer onder mijn oog; de diensten, welke uw vader, die een dapper ruiter was, mij bewezen heeft, redden u het leven.” – De gerustheid, waarmee de knaap vr hem stond, had hem getroffen; hij wist dat deze hem trouw en genegen was, zijn bevelen steeds met gehoorzaamheid volbracht, en dat, zoo Vidal nu al den meester het leven had gelaten, dit alleen veroorzaakt was door den flauwen straal van menschelijk gevoel, die nog in het hart van den knaap schemerde, en dien Perrol tevergeefs gezocht had te verstikken. Vidal boog zich, toen Perrol hem voorbijtrad, wierp nog een laatsten blik op Martha en haar dochter, en verwijderde zich.

Nu geheel alleen met hun beminde dochter, die zooveel uitgestaan had, keerde de vroolijkheid weer in het gemoed van Wouter terug en hij verwonderde zich dat zijn vrouw niet ophield met weenen, daardoor ook de tranen van Maria deed vloeien; de brave vader wist niet, wat de aanvoerder der Zwarte Bende tot zijn vrouw gezegd had; zij herinnerde zich angstig de woorden, die hij haar had toegefluisterd. Martha kende haar dochter; doch wist ook, hoe Perrol getracht had haar vriendschap te winnen, en hoe zwak het hart der vrouwen is. O, zij bad zoo vurig, dat hij gelogen mocht hebben. Maar hoe kwam hij in het vertrek? Waarom had Maria niet geroepen? Waarom weende het lieve kind zoo? Deze vragen lagen haar op de lippen; doch vrees voor den meester deed haar zwijgen, en zij verlangde vurig, nu eens hopend, dan weer vreezend, naar het oogenblik, waarin zij met haar dochter alleen zou zijn, om te vernemen, of zij den Hemel moest bidden, om genade voor de zwakheid van haar kind, of danken voor het behoud van Maria, de vlekkelooze bruid van heer Jan van Schaffelaar.

908SR15.gif (1832 bytes)

De minnedrankInhoudopgave OltmansHet klooster

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)