J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK VIII.

DE MINNEDRANK.

’t Geldt u, Maria, teedre duif!
Die, rein gelijk een heldre bronne,
Geen havik in de takken ducht,
En giegelt in het licht der zonne.
Mr. B. W. A. E. SLOET TOT OLDHUIS.

En dronk uit den beker zoo listig bereid. –

J. L. NIERSTRASZ Jz.

D.gif (3307 bytes)e aanvoerder der Zwarte Bende reed met zijn ruiters den volgenden morgen door de Kamppoort Amersfoort binnen en men kon aan hen niets anders meer zien van het noodweer, waarin zij gedurende den nacht op de heide en in de bosschen hadden rondgezworven, dan dat de roode veer, die op Perrol’s helmkam stond, er verflenst bij neer hing, en de paarden tot aan den buik met slijk bedekt waren, wat niemand verwonderde, die met den staat der wegen om de stad bekend was.

De eerste ontmoeting, welke Perrol had, die zijn ruiters bij het inkomen der stad had verlaten, en alleen door Vidal gevolgd, door den Kamp reed, was, dat hij, juist toen hij door de binnenpoort wilde rijden, Froccard gewaar werd. die hem tegemoet trad.

„Waar komt gij vandaan, kerel?” riep hij, zijn paard stil houdend. Deze boog en antwoordde: „Vanwaar, Messire? Uit de handen van den heer Van Schaffelaar, die mij naar Wijk dacht te sleepen en reeds wat van de galg mompelde.”

„Ha, ik vermoedde het al,” zei Perrol; „hij was het dus, die den weg tusschen Naarden en deze plaatst bezet hield!”

„En wie anders, Messire?” riep Froccard; „hij verheugde zich, dat hij u in uw voornemen kon dwarsboomen, wat hij niet te weten zou zijn gekomen. als al uw ruiters zoo goed gezwegen hadden als ik.”

„Zoo goed gezwegen, lafaard!” grauwde Perrol hem toe. „Is het, omdat zij mij verraden hebben, dat hun harnas was gebroken, en zij met de wapens in de vuist gevallen zijn? Of heeft hij alleen den verrader de galg waardig gekeurd, verloopen monn ik?”

„Messire,” zei Froccard, terwijl zijn gelaat doodelijk bleek werd, „Van Schaffelaar wilde zich over mijn stilzwijgen wreken; maar hij is zoo onnoozel geweest mij te laten ontsnappen. Zou ik teruggekomen zijn, indien ik mijn plicht verzaakt had?”

„Gij voelt den strop reeds, Froccard!” lachte Perrol schamper: „want uw aangezicht neemt reeds de kleur van een gehangene aan. Ha, waarom is Van Schaffelaar zoo dom geweest? Maar hij wist zeker niet, dat gij de pij gedragen hebt.”

Nu kwam het hem in de gedachten, dat hij zichzelf door Slimmen Jasper en den ouden Ralph had laten bedriegen, en zonder verder iets te zeggen of een blik op den Zwarten Ruiter te werpen, reed hij door de poort.

Hij stapte voor de deur van de Vergulde Helm af, wierp Vidal den teugel toe, en trad voorbij Griet in het huis. Hij bekommerde zich niet om de oude vrouw, die hem iets wilde zeggen, en naar de straat gesneld was, toen zij de paarden hoorde. Perrol stond echter plotseling stil en stampte met den voet; want boven eenige stemmen, die zich in het huisvertrek lieten hooren, herkende hij de stem van iemand, die vroolijk zong.

„Hij beslaat ors, telle en sommier,
Zeer vlug en zeer sterk, naar elks manier,
Maakt goede teestieren en sporen met zwier,
En steekplaten voor jouste, en voor tornier,
Tik, rik, gaat de moker, tik, rikker de tik,
Zoekt gij meester Wouter den smid? dien ben ik.”

„Het is de meester, die zingt, Heer!” riep Griet, die dacht, dat hij de stem van den smid niet herkende.

Per moio! is die al teruggekomen?” zei Perrol en stampte nog eens met den voet en Griet, die verwonderd het gedrag van den ruiteraanvoerder aanzag, hoewel zij hem niet goed kon verstaan, vroeg: „He, Heer, zijt gij niet verblijd, dat de meester los is?”

„Zeer zeker, oude,” antwoordde Perrol luid, doch bedaard; „maar ik had gehoopt zelf hem te bevrijden, en het spijt mij, dat een ander mij vr geweest is.” Hierop trad hij de gang in en het vertrek binnen, waar hij den meester tusschen moeder en dochter vr het vuur zag zitten, bezig met een vuurtang op den haardsteen te slaan, alsof hij wilde onderzoeken of de lange rust zijn arm niet verlamd had. Met ongeveinsde hartelijkheid ontving meester Wouter zijn gast en bedankte dezen voor de valsche gelukwenschen over zijn verlossing. Perrol vond Martha zoo opgeruimd en Maria zoo vroolijk, dat zij beiden zijn tegenwoordigheid bijna niet gewaar werden; de meester riep ze echter tot hun plicht terug, en Perrol wenschte nu ook de vrouw en dochter geluk met de bevrijding van den huisvader. Nooit had hij Maria nog zoo schoon gezien; nooit was haar lief gelaat, door de vreugde bezield, hem zoo bekoorlijk voorgekomen; het geluk haar vader weer te zien, hem naast haar moeder te zien zitten, hem te kunnen kussen, vervulde haar hart zoo geheel met vreugde en dankbaarheid jegens den Heere Jezus en zijn Heilige Moeder, die haar vurige bede verhoord hadden, dat hij verwonderd was, dat het lieve, onschuldige kind, dat in den laatsten tijd meestal treurig was geweest, voor zooveel geestdrift vatbaar was. Hij bezag die blonde lokken, waarvan een den vorigen nacht in de Hunnenschans in den pot van de heks gekookt had, en beklaagde zich niet meer over de ongemakken, die hij had uitgestaan. Nooit had de wraak zich genoegelijker en meer overeenkomstig zijn driften aangeboden, en zoo hem de vrees al bekroop, dat het zelfs de macht van de heks te boven kon gaan een minnedrank te bereiden, zooals hij dien verlangde, zoo vertrouwde hij toch, dat de drank, dien hij nu bezat, kracht genoeg zou hebben, om Maria, al was het dan ook maar voor weinige oogenblikken, vol liefde in zijn armen te voeren.

Ook de pater van het St. Aagten-klooster vermeerderde weldra het aantal der om het vuur vereenigde huisgenooten, en bejegende Perrol met veel onderscheiding, die, hetzij hij de waarheid zei, of dat zijn booze hart, zelfs in schijn, aan de vreugde van het vereenigde huisgezin geen deel kon nemen, nu opstond en tot de smid zei:

„Nu meester, moet gij mij toestaan te vertrekken; ik ben vermoeid en heb nog iets te doen; ook begrijp ik, dat gij, na zoo’n lange afwezigheid gaarne eens met uw vrouw en dochter alleen zult willen zijn, waarbij de tegenwoordigheid van dezen waardigen vader niet hinderen zal, zooals die van een krijgsman doen zou.”

„O neen, Messire,” riep Wouter vroolijk. „Kom Martha, loop eens schielijk naar den kelder; bij St. Eloy, Messire, ik vergat u een frisschen morgendronk toe te brengen; blijf dus.”

Maar Perrol hield Martha bij den arm tegen en zei lachend: „Blijf, bid ik u, beste huisvrouw, – en weerhoud mij niet, meester, doch hedenavond beloof ik bij u te komen, om den wijn met u te proeven en met den beker in de hand op uw bevrijding te drinken. Tot hedenavond dan, meester!” Hierop keerde hij zich tot den pater, nam afscheid van hem, groette vriendelijk de vrouwen en verliet het vertrek.

Met genoegen zag de smid, hoe zelfs de pater jegens Perrol zeer voorkomend was; zijn vrouw betoonde zich zeer voldaan over zijn gedrag, zelfs Maria prees hem, en legde de gebreken, welke zij in hem meende te hebben ontdekt, niet bloot; zij verborg die vol goedheid, terwijl hij, die den helschen drank bij zich droeg, welke haar van haar onschuld moest berooven, op zijn kamer zat en koelbloedig haar ongeluk en haar vernedering overdacht en beraamde. 

908SR15.gif (1832 bytes)

Denzelfden avond vertoonde Perrol zich volgens zijn belofte aan den haard van den smid, en meester Wouter wachtte hem met den wijn.

„Goeden avond, Messire,” riep hij, toen Perrol binnentrad. „Ik wacht u reeds en had ook den pater gevraagd; maar die beste heer is reeds zoo hoog bejaard. Nu, wij verliezen niet veel aan hem, want hij drinkt als een muis.”

„Dat heb ik ook reeds bemerkt,” antwoordde Perrol vroolijk, terwijl hij de vrouwen met de hand groette; „maar, bij mijnheer St. George, ik heb wel geestelijke heeren gekend, die ik, voor broeders van den Tempel zou hebben aangezien, indien de orde nog bestond; en ik verzeker u, uw kelder zal gewaar worden, dat gij een ruiteraanvoerder onder uw dak hebt.”

„Ho, ho, Messire, dat is niets,” hernam Wouter lachend: „maar zet u daar bij het vuur neer; het is reeds koud en ik geloof, dat gij gisteren om dezen tijd zoo gemakkelijk niet zat als thans. Waar zijt gij heen geweest?”

Toen verhaalde Perrol, dat hij te Nijkerk geweest was, en voorts over Bunschoten en de Eembrug naar Eemnes, dat versterkt werd, gereden was. „Maar nu meester,” vervolgde hij, „moet ik eens drinken. – Kom, beste vrouw, kom, Maria, drinkt met mij mee op de gezondheid van den meester uit de Vergulde Helm, en op zijn verlossing uit de gevangenis van den Bisschop.” Gaarne gaven dezen gehoor aan zijn uitnoodiging, en vroolijk klonk de smid met hen.

Wouter bedankte hem nogmaals voor de poging, die hij gedaan had, om hem, door een losgeld aan te bieden, zijn vrijheid terug te bezorgen, maar Perrol viel hem in de rede en zei: „Gij behoeft niet te danken, meester. Ik heb niets gedaan, maar op mijn eer, het heeft aan mij niet gelegen. Zoudt gij wel gelooven, dat ik hedenmorgen kwaad werd, toen ik uw stem hoorde? – Nu, vrouw Martha, lach maar niet, het is waar, wat ik zeg: het speet mij, dat ik de kluisters van den braven smid niet verbroken had. Geloof mij, alleen drom heb ik eenige kerels uit Naarden meegesleept. Ik verwachtte, dat er ten minste n onder zou zijn, tegen wien gij zoudt kunnen worden uitgewisseld, wijl heer David van geen losgeld wilde weten.

„Ik ben er even dankbaar voor, Heer, alsof gij mij de vrijheid hadt bezorgd,” zei Wouter; „maar de Bisschop wilde mij, alleen ten gevalle van den heer Van Schaffelaar, loslaten; daarom was uw welgemeend aanbod zonder vrucht, en het spijt mij, dat die Naardensche burgers nu om mij van hun haardsteden zijn weggerukt.” Vervolgens sprak hij over de inneming van die stad, en Perrol antwoordde, zonder dat hij eenige ontstemming liet blijken:

„Ja, meester, ik wist het al, dat heer Van Schaffelaar mijn ruiters had neergelegd; ik acht hem daarom niet minder, al spijt het mij van de dappere kerels; elk doet zijn best voor de partij, welke hij dient; ik zou in zijn plaats evenzoo gehandeld hebben.”

waarom gaven zij zich ook niet gevangen, zooals die eerste ruiters?” zei Maria, „want dan zou Van Schaffelaar hun geen leed gedaan hebben, en zij leefden nog.”

„De Zwarte Ruiters geven zich niet gaarne gevangen, Maria,” zei Perrol vriendelijk. „Maar geloof mij, er was mij zoo weinig aan het bezethouden van Naar-den gelegen, dat ik uw vriend daarom geen vijandschap zal toedragen. En toch, meester,” vervolgde hij, zich tot dezen wendend, „er ziin kwade geruchten genoeg over mij in omloop; men zegt, dat ik reeds eenige dagen vroeger met mijn ruiters hier in de stad had behooren te zijn, en men geeft mij dus de schuld dat zoovele burgers verslagen of met u gevangen genomen zijn; misschien hebt gij het wel gehoord, dat men mij zelfs beschuldigt de Schaffelaar verbrand te hebben; gelukkig, dat uw vrouw en Maria er geen geloof aan hechten.”

„Gehoord heb ik het, Messire,” zei de smid, die hem inschonk, „maar geloofd niet; welke reden zoudt gij toch kunnen hebben gehad om dat gebouw te vernielen? En ik verklaar u ronduit, dat, zoo ik getwijfeld heb, ik u thans van alle schuld moet vrijspreken.”

„In het eind, beste meester,” zei Perrol, „zullen alle menschen mij recht doen wedervaren; maar die tijd moet nog komen. Op mijn eer, ik ben blij, dat gij weer thuis zijt; die Dirk is een braaf gezel, doch er is maar n meester Wouter om een armstuk te klinken, en morgen, overdag, zullen wij over een nieuw harnas spreken.”

„lk ben geheel tot uw dienst, Messire,” riep Wouter verheugd; „en hoewel ik in die vervloekte gevangenis geen gereedschap hebben mocht, toch heb ik mijn tijd niet nutteloos versleten, maar eenige lofwerken en figuren met het potlood op het papier gebracht, die, als zij op helm of harnas gedreven zijn, zeer fraai zullen staan.”

Nu verzocht Perrol aan Maria iets te zingen; zij nam haar citer van de muur en zong met veel gevoel en een fraaie stem een lied van een ridder, die, na langen tijd in Palestina in slavernij gezucht te hebben, op zijn slot terugkwam, en een traan viel op het speeltuig neer, want ook de meester was teruggekeerd, en zij voelde dus zoo juist hetgeen zij zong.

Haar vader kuste haar, prees haar spel en zang, en bedankte Perrol; ook deze nam nu de citer in de handen, en zong meer dan n ballade. Terwijl zij zoo elkaar onderling vermaakten, verliep de avond, en het eenvoudige avondmaal, dat voor dezen buitengewonen keer een weinig meer uitgebreidheid had dan gewoonlijk, werd opgedragen, en vroolijk deed Perrol den meester op elken dronk bescheid.

Reeds liep het avondmaal ten einde, toen Perrol vroolijk uitriep: „De wijn is zoo goed, en zoo ruim door u geschonken, meester, dat ik ook niet wil achterblijven. Ik heb nog een half kistje met fijnen wijn van Creta, en kan nooit een betere gelegenheid vinden, om het open te maken, dan ter eere van uw terugkomst, en ik vertrouw, dat uw vrouw en uw dochter gaarne eens van dezen drank zullen proeven.

„Gij zijt al te goed, Heer,” zei Martha verlegen; „wijzelf en Wouter hebben misschien reeds teveel gedronken; ik bid u, doe geen moeite, Heer!”

„Te veel gedronken, vrouw,” lachte Wouter, „gij hebt slechts even uw beker aangeraakt; kom, wijs de goedheid van Messire niet af met die praatjes.”

„Ik zal er ook niet naar luisteren,” zei Perrol vroolijk; „de wijn is zacht en zal uw vrouw en Maria wel smaken, als zij hem maar eens geproefd hebben.” Hierop trad hij naar de deur, opende die en riep luid: „Vidal! Vidal!”

„H, Messire,” zei Wouter, „Maria had immers uw knaap wel kunnen roepen. „En waarom?” vroeg Perrol, „het is hier koud in de gang en zij is warm; de kostbaarste wijn der wereld is niet waard, dat zij er ziek om wordt. Daar komt mijn knaap ook reeds.”

Toen Vidal binnentrad, gelastte Perrol hem den bedoelden wijn te geven en tevens door Riso een glas te laten meebrengen, dat hij hem uitduidde. Weinige oogenblikken daarna keerde de knaap terug met een aarden kan, die met hars was dichtgemaakt, terwijl Riso een grooten, hoogen, kristallen beker droeg. Wouter wierp een vorschend oog op de aarden kan, maar Maria en haar moeder zagen aandachtig naar het glas; en toen Martha haar bewondering er over te kennen gaf, reikte Perrol het haar toe en zei lachend: „Het is zoo groot, dat wij er allen uit kunnen drinken; het is een heel fraai glas, niet waar, vrouw? Ik heb het in Itali gekocht, en de bloemen en vruchten, die gij er op ziet, zijn door een der kundigste meesters in deze kunst gesneden.” Ook Wouter prees het werk en Maria stelde hem het glas weer ter hand. „Het is een stuk, dat mij veel geld kost,” vervolgde hij vroolijk, „zie eens hoe fraai de bloemen uitkomen, als het licht er op valt. Ziet gij uw naam daar wel tusschen de bloemen staan, Maria? Daarom heet het drinkglas evenals gij,” en hij hield het bij de smeerkaars, die op een koperen kandelaar brandde. Vervolgens vroeg hij aan Riso om een doek, ten einde het glas nog eens uit te vegen. Maar ziet, plotseling gaven Martha en haar dochter een gil van schrik, want het kostbare glas viel uit zijn hand op den grond aan stukken; zij wisten niet, dat hij met opzet het glas liet vallen.

„Schrikt gij ervan, Martha?” vroeg hij lachend. „O, dat is het glas niet waard! Het spijt mij, maar ik ben er zelf de schuld van.” Hierop gelastte hij aan Vidal, die nog in het vertrek was, om een bepaald kistje te halen. Nadat deze teruggekeerd en op zijn bevel met de page vertrokken was, zei hij, het kistje openend, – dat met rood leer van Provence bekleed, en met spijkertjes met vergulde knoppen beslagen was: „Gij ziet, mijn vrienden, dat ik meer drinktuig heb; en dit is zoo broos niet als het glas.”

Het kistje bevatte buiten een schenkkan en een klein blad, vier drinkschalen van fijn zilver; het drijfwerk op de kan en de schalen was rijk en schoon van teekening en de meester gaf er luid zijn verbazing over te kennen.

Perrol zette de schalen op het blad en dit op de kist, welke in het vertrek stond, maakte met zijn dolk de kruik open en schonk den wijn over in de zilveren schenkkan.

„Maria,” zei Wouter snel, „neem voorzichtig de kan aan, en schenk in, als Messire het goedvindt.”

„Ik dank u, Maria,” zei Perrol vriendelijk, en wees lachend haar hand met de zijne terug: „Ik ben daar even zoo onhandig geweest, dat ik mijn eer weer moet zoeken te herstellen. Vrouw Martha zou wel denken, dat een ruiter niet behoorlijk een glas of een beker zou kunnen behandelen; bovendien, wij zijn hier onder ons, en ik zal het genoegen hebben heden voor schenker te dienen.”

Hierop trad hij ter zijde, en terwijl hij zich hield alsof hij de schalen terechtzette, goot hij het vocht, dat hij van de heks gekregen had, in n daarvan, en daar niemand eenigen argwaan koesterde, kon hij dit ongemerkt doen. Toen vatte hij terstond het blad en de kan aan, ging naar den meester, schonk een der schalen vol, en bood hem die aan; vervolgens bediende hij Martha, en trad daarop naast Maria.

„Ik hoop, dat u deze goddelijke drank goed bekomen mag, Maria,” zei hij vroolijk, zonder dat zijn stem of hand beefde, of hij eenig berouw gevoelde over zijn afschuwelijk bedrijf. Nu schonk hij, de kan hoog opheffend, de schaal vol, waarin de minnedrank gegoten was, bood haar die aan, en het meisje dat geen kwaad vermoedde, en niet in die drinkschalen had kunnen zien, omdat hij het schenkblad ter hoogte van zijn borst hield, nam haar dankend aan. „Ha,” riep Perrol, toen hij den noodlottigen drank in haar hand zag: „Nu alleen voor mij, en dan zult gij het Cretasche druivennat eens proeven,” en vervolgde, nadat hij ook zijn drinkschaal gevuld had: „Nu meester, ter eere van uw verlossing en op den bloei van de Vergulde Helm drinken wij!’

De drinkschalen van den vader, de moeder en haar dochter en van den aanvoerder der Zwarte Bende klonken tegen elkander boven de tafel, waarna Perrol en Wouter hun schalen tot aan den bodem ledigden, maar Martha en Maria dronken zoo haastig niet, en de laatste zei, den mond samentrekkend: „Die wijn is bitter, Heer!”

„Bitter, Maria?” riep Wouter lachend. „Ha, ha, wat wilt gij ons nu vertellen?” „Neen, bitter is hij niet,” zei Martha, „maar de drinkschalen zijn groot.’

„Kom, meester,” riep Perrol, die zijdelings naar de schaal van Maria zag, en schonk opnieuw voor zich en voor Wouter, waarna hij lachend vervolgde: „Nu nog n gezondheid, en als Maria dan haar drinkschaal niet ledigt, dan……”

Maar hij vervolgde niet, dreigde met den vinger en riep vroolijk: „Lang leve de gelukkige bruidegom van Maria!” en dronk.

„Lang leve hij!” riep Wouter. Ook Martha ledigde nu haar schaal, en Maria, die bloosde, boog, dankzeggend met het hoofd, en dronk langzaam den zoo kostelijk geroemden wijn, maar die haar niet smaken wilde.

Toen zij haar schaal neerzette, nam Perrol, die bij eiken teug dien zij nam, haar had toegelachen, die op, zag er in en riep, terwijl hij zijn vreugde verborg, toen hij bemerkte, dat het onschuldige meisje den duivelschen drank gedronken had: „Gij hebt met n schaal de gezondheid van uw vader en uw bruidegom gedronken, sta mij toe, ze nog eens te vullen, want wij zullen nu drinken op de gezondheid van uw brave moeder en van uzelf.”

„H, Messire,” zei Wouter lachend, „gij vergeet den schenker; de vrouwen mogen mij wel toestaan om ook met dezelfde schaal de gezondheid van den aanvoerder der Zwarte Bende te drinken, want wat mij betreft, ik breng ieder liever den dronk toe met een nieuwen beker, ’t is alsof de heildronk dan meer van harte is.

„En waarlijk, Wouter,” riep Perrol, „ik geloof, dat de meester uit de Vergulde Helm juist de man is, om liever een halve kan dan een halve beker op het welzijn van een vriend te ledigen.”

„Ja, zonder te snoeven, wat een burger niet voegt,” antwoordde Wouter, hief zijn schaal op en ledigde die, „moet ik, bij St. Eloy niet bekennen, dat gij wel gelijk kunt hebben Messire!”

„Heer, ik bid u, schenk mijn man niet meer,” riep Martha en hield den arm van Perrol vast, „hij drinkt te veel.”

„Ho, moeder,” zei Wouter, „dat zijn uw zaken niet; weet gij wel, dat het oneerbiedig is, dien arm vast te houden, en dat het een doodzonde is, om dezen goddelijken wijn in de kan te laten, waar hij zijn lekkeren geur verliest!” „Uw vrouw heeft zich van mijn arm meester gemaakt, Wouter,” zei Perrol lachend, „wijt het mij dus niet, als gij met een leege schaal voor u zit.” Maar hij vervolgde, toen de meester half lachend, half verstoord, het hoofd schudde: „Doch, bij St. George, zonder uw goede huisvrouw haar meesterschap op mijn arm te betwisten, zal ik u met het Cretasche druivennat bedienen,” en hij nam met zijn linkerhand cle kan uit zijn rechter, en vulde de schaal van den meester, die luid lachend met de vuist op de tafel sloeg, en Perrol voor dezen dienst bedankte, maar Martha, die toch ook niet kon nalaten te meesmuilen, keerde zich om, alsof ze verstoord was, en stookte het vuur op.

„Het schijnt, Maria, dat gij de tweede schaal gemakkelijker hebt kunnen ledigen, dan de eerste,” zei de smid vroolijk; „indien wij nu de gezondheid van uw bruidegom gedronken hadden, zou ik er mij niet over verwonderen.”

„Ik weet het niet, vaderlief,” antwoordde zij blozend, „maar het was, alsof deze wijn veel zoeter en lekkerder was, dan de eerste.”

„Gekheid, meid,” riep Wouter lachend; en Perrol, die met welgevallen en vervuld met een duivelsch verlangen, den schoonen gloed op haar wangen zag, dien hij aan de werking van den minnedrank en den wijn toeschreef, zei langzaam, terwijl hij haar bekoorlijkheden met zijn vurig zwart oog beschouwde: „Het is zooals uw vader zegt, Maria, helaas. Het zou te veel verwaandheid van mij zijn om te durven hopen, dat de wijn, dien gij te mijner eere gedronken hebt, u juist daarom zoeter en geuriger heeft gesmaakt.”

De bruid van Van Schaffelaar bloosde nog sterker, en sloeg haar zacht blauw oog neer; wat hij zoo beleefd gezegd had, en dat zij gaarne als de scherts van een huisvriend zou hebben aangemerkt, herinnerde haar den kus, dien Perrol eens op haar hals gedrukt had. Treurig schudde zij dus met het hoofd en zuchtte, want zij wist niet hoe het kwam, maar het vertrouwen, dat zij in Perrol had leeren stellen, verliet haar plotseling.

„Vergeef, Heer,” zei de smid lachend, „dat mijn dochter zoo weinig antwoordt op de beleefdheid, welke gij haar gezegd hebt: zij is een burgerdeern, en weet een edelman zoo gepast en beleefd niet te antwoorden, als de jonkvrouwen en edelvrouwen, met wie gij gewoonlijk verkeert; daarom zwijgt zij; maar haar roode wangen zeggen genoeg, Heer, dat zij u verstaan heeft.

„Vader,” zei Maria treurig en zag hem smeekend aan, als wilde zij hem smeeken om te zwijgen; maar hij lachte, dronk zijn drinkschaal uit en vervolgde: „De meisjes en vrouwen hebben goede ooren, Messire, hoewel zij zich dikwijls gedragen, alsof zij doof zijn. O, zij verstaan zoo slecht, als zij niet hooren willen.”

„Wouter, is dat nu praat voor een vader, die zoolang van zijn haard verwijderd geweest is?” riep Martha bestraffend. „Zult gij den tweeden dag, dat gij terug zijt, reeds weer een begin maken met meer te drinken dan gij verdragen kunt, en dat in het bijzijn van heer Perrol?”

„Martha,” zei Wouter kortaf, en schonk zichzelf in, „zult gij reeds den tweeden dag, dat ik mijn beenen in huis heb, met dat gezeur weer beginnen, dat mij verveelt, en dat ik, bij St. Eloy, niet langer...”

„Houd op, meester,” viel Perrol hem in de rede, „uw beste vrouw heeft gelijk; wij hebben reeds te veel gedronken. Ik ben er de oorzaak van, Martha, want ik heb immers dien vreemden wijn laten komen; daarom beknor den meester niet. Vergeef het mij, dat ik hem verleid heb om met mij te drinken, want ik zal u verlaten en hem niet meer schenken.” Nu stond hij „En wat hij gezegd heeft van de vrouwen en de meisjes, geloof ik niet; ja, hijzelf slaat er geen geloof aan; en, op mijn eer, Martha, nooit heb ik aan wat gij zeidet kunnen bespeuren, dat gij en uw dochter niet van aclellijke geboorte waart, dan alleen daardoor, dat wat over uw lippen kwam, minder gekunsteld was, en meer openhartig en onschuld verried. Daarom, Maria,” zei hij schijnbaar vol gevoel; want hij had gezien, dat zijn woorden haar onaangenaam getroffen hadden, en hij scheen toornig op zichzelf, daar hij haar kiesch gevoel gekwetst had: „Vergeef wat ik gezegd heb; gij weet, dat ik zelden veel wijn drink. Die verleidelijke drank heeft alleen veroorzaakt, dat ik iets gezegd heb, dat u mishaagt; en zoo gij al den ruiter niet vergeeft, dat hij zich vergeten heeft, zoo zult gij het immers den vriend van uw ouderlijk huis niet willen aanrekenen, dat de vreugde uw vader in vrijheid te zien, hem den beker in de hand heeft gegeven? Dat wilt, dat zult gij immers niet, Maria?” eindigde hij, en stak haar de hand toe; en toen Maria haar dochter aanstiet, legde Maria haar zachte hand in de hand van Perrol, en zei langzaam en beschroomd: „Neen, Heer, want de vrijheid van mijn goeden vader heeft mij zelf zoo verheugd, dat ik niet meer gewicht hecht aan wat gij gezegd hebt, dan gij zelf.”

Perrol scheen ten uiterste voldaan over wat zij zei; hij wenschte hun allen een goeden nacht, en na vrouw Martha gekust, en zijn dank over het gul onthaal betoond te hebben, verliet hij het vertrek.

Meester Wouter ging met hem mee, ten einde Perrol met de kaars tot aan de trap bij te lichten, hoewel deze hem verzocht had, in de kamer te blijven, en zijn vrouw en dochter niet in het donker te laten. Toen zij in de gang waren, zei de smid vroolijk: „De meisjes hebben dikwerf wonderlijke grillen, Messire, en gij zijt al te goed geweest om verschooning te vragen voor iets, dat niets om het lijf had. Ik wed, dat zij u morgen weer even vroolijk aanziet als heden; zij is schuwer dan haar moeder in haar jeugd was, ik verzeker het u; maar Maria is toch een goed kind.”

„O, zij is schoon en goed,” zei Perrol met vuur; „ik heb het reeds lang bemerkt, meester, en ik hoop ook, dat zij mij morgen, als de dag aanbreekt, vriendelijk zal aanzien. Maar, beste vriend, ik raad u mij nu te verlaten, indien gij wilt, dat uw vrouw en ik geen geslagen vijanden worden,” vervolgde hij lachend, en klopte Wouter op den schouder: „want zij zou denken, dat ik u had opgehouden, na zoolang met u gedronken te hebben. Reken maar eens uit, hoeveel weken gij gevangen gezeten hebt, en het is de tweede nacht, dat gij weer onder uw eigen dak zult slapen.”

„Gij zoudt, bij St. Eloy, wel gelijk kunnen hebben, Messire!” riep de smid, terwijl hij de kaars omhoog hield; „slaap wel, en wees bedankt voor den raad.” De aanvoerder der Zwarte Bende lachte nog, toen hij boven aan de trap gekomen was, zei den smid dank voor het bijlichten, en trad zijn vertrek binnen, terwijl de meester door den gang terugkeerde. Vidal kwam een oogenblik na hem binnen, om de kostbare drinkschalen en de kan met het kistje te halen. Maria en haar moeder waren juist bezig, om de stukken glas op te rapen, en bejammerden het verlies van zoo’n kunststuk. De knaap wierp een medelijdend oog op het lieve meisje, dat met kinderlijke eenvoud de stukken aannpastc, en haar vader raadpleegde of het drinkglas niet nog te herstellen zou zijn. Hij zag die schoone, blonde haren, waarvan hij een lok in de handen van de afschuwelijke heks gezien had, en die reine, blauwe oogen, welke vol goedheid en onschuld op het bleeke gelaat van den knaap gevestigd bleven, toen zij hem vroeg, of hij verdrietig was over het breken van het drinkglas, dat hij misschien zoo langen tijd onder zijn berusting gehad had, of dat hij zich niet wel gevoelde. Hij zei vermoeid te zijn van den laatsten tocht, en dankte haar voor haar bezorgdheid. Voor het laatst was het dus, dat de lieve maagd rein en onbevlekt tusschen haar ouders zou zitten; want spoedig zou haar onschuld weggevaagd worden, evenals het zuivere kristal, dat voor altijd verbrijzeld was. Helaas, de werking van den helschen drank kon niet ver meer af zijn, hij voelde dit; voor het laatst lag de blos der onschuld op haar roode wangen, die voortaan, bleek door smart en vertwijfeling, alleen door kunst of schaamte gekleurd zouden kunnen worden. Hij huiverde en bleef aarzelend staan; zijn hart zei hem:

„Spreek, red het lieve kind,” maar de vrees voor Perrol weerhield hem: het was zijn heer. Zelden, en dan nog sidderend, had hij een slechte daad verricht, en goed te doen maakte hem gelukkig; maar hij had nooit den moed gehad, zijn heer in zijn voornemens, hoe verschrikkelijk ook, te dwarsboomen. Altijd tusschen het goede en het kwade dobberend, had hij zich gewend het kwaad te zien verrichten, zonder het tegen te gaan, en hij zou een braaf man geworden zijn, indien hij niet Perrol, maar Van Schaffelaar van zijn jeugd af als knaap gediend had. Daarom verbandde hij elke gedachte om Maria te redden, alsof het een verraad jegens zijn heer geweest zou zijn, en verliet het huisvertrek zonder Wouter of haar moeder te waarschuwen; maar hij nam zich voor om te bidden voor de onschuldige bruid van Jan van Schaffelaar. Hij was de eenige van de heele Zwarte Bende, die bad; voor de andere ruiters was dit een gewoonte uit hun kindsheid, die sommigen zich alleen herinnerden, en als een laatste reddingsmiddel aangrepen, wanneer de dood en de satan voor hen verschenen, als zij met den strop om den hals naast den hangman stonden, of als hun bloed door verschrikkelijke wonden uit hun lichaam stroomde.

908SR15.gif (1832 bytes)

De HunnenschansInhoudopgave OltmansMaria

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)