J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DERDE DEEL – HOOFDSTUK III.

HET HUIS OOSTERWEERD.

Haar schaker stuift haar vlammend tegen,
Daar stond zij, bleek en dood verlegen,
De Maagd, van hulp en heul ontbloot,
En dreigt haar – schande en dood.
H. TOLLENS Cz.

H.gif (3137 bytes)et huis Oosterweerd, op de Oude Gracht, tusschen de St. Jacobs- en de Vie-brug, was niet een der onaanzienlijkste van Utrecht en vertoonde uitwendig niets dan hooge muren van zware steenen opgemetseld, met weinig en diepgeplaatste lichten. De muren waren van onderen zoo dik, dat iemand, binnenshuis staande, bezwaarlijk de hand had kunnen aanraken van iemand, die ze hem door een der openingen in den muur van buiten had toegestoken.

Het zou een zeer sterk gebouw zijn geweest, althans bij een behoorlijke bezetting; maar het huis was tusschen andere woningen en gebouwen gelegen, welke den hoogen muur, in weerwil der hangtorens op de hoeken van het huis, en zelfs bij een kloeke verdediging, nog blootstelden om met ladders beklommen te worden.

Heer Loef van Oosterweerd was bezitter van het huis, dat waarschijnlijk in vroeger dagen door iemand van zijn geslacht gesticht was. Zijn vredelievende aard, waardoor hij oogenschijnlijk noch de partij van den Bisschop, noch die van de stad aankleefde , zou desnoods zoo’n versterkte woning voor hem onnoodig gemaakt hebben; want hoewel sommige adelijke heeren met minachting van hem spraken, omdat hij zich inliet met koopmanszaken, was hij bij de overigen en bij de burgers zeer gezien om zijn rijkdommen; maar juist dit was misschien oorzaak, dat hem zoo’n verblijf bijzonder aangenaam en nuttig voorkwam, daar hij bijna altijd in de stad was. Al had hij dus weinig of niets te duchten, zijn huis was gewoonlijk van een grooter aantal knechts voorzien, dan hij anders voor zijn staat noodig geacht zou hebben. Dit versterkte nog het gerucht, dat hij groote rijkdommen bezat, welke hij met zorg liet bewaken; en men vertelde, dat men soms, des nachts, door de diepe luchtgaten der kelders, of liever door de schietgaten, welke in den muur, even boven de straat waren, licht had gezien; en daaruit had men al dadelijk opgemaakt, dat de heer Loef gewoon was, elken nacht zijn schatten na te zien. De praatjes, die er zooal over het huis Oosterweerd liepen, waren niet verminderd, sinds men had bemerkt, dat de aanvoerder der Zwarte Bende het dikwijls bezocht.

 Jonkvrouw Ada leverde ook veel stof tot zulke gesprekken, wat bij den toestand van haar geestvermogens ook niet te verwonderen was. In den namiddag van den dag, waarop de krijgsraad gehouden werd, zat zij in een van de beste, hoewel niet de grootste vertrekken van het huis. Twee ramen met fraai wit glas, dat met een rand van gekleurde ruitjes was omgeven, verlichtten, vooral voor dien tijd en het uur van den dag, de kamer zeer goed.

„Annetje,” zei Ada van Rijn, die, toen zij de kamer, waarin zij gewoonlijk sliep, verlaten had, voor een spiegel naast den schoorsteen bleef stilstaan, „gij hebt dit te vast gestrikt; ik kan den mond niet opendoen.”

„O, dat is spoedig te verhelpen,” antwoordde haar kamermeisje, dat haar met spoed naderde, en gereed had gestaan om te vertrekken. Zij was nog jong, en haar jeugd, de gezonde kleur van haar wangen en de nette kleeding maakten misschien, dat zij voor mooi doorging, hoewel haar gelaatstrekken onregelmatig waren.

„Ik dank u,” zei zij langzaam, toen het meisje het doekje minder vast gestrikt had, en de puntjes, met kleine bloemen van gouddraad doorwerkt, met een zeker verlangen, om haar meesteres zoo fraai mogelijk aan te kleeden, recht schikte. „Maar vindt gij niet, dat dit doekje mij het aanzien geeft van een non of weduwe?” en zij grimlachte, terwijl zij in den spiegel zag.

„Neen, Jonkvrouw,” antwoordde Annetje, „het staat u zeer goed; uw edel gelaat komt er zoo bevallig uit te voorschijn. Een non of een weduwe! Bij de heilige Caecilia! Hoe komt het in uw gedachten? Vergeet gij dan die twee vlechten van uw fraai zwart haar, die ik uit uw hulsel te voorschijn heb laten komen? Neen, ieder zal u dadelijk herkennen voor een jonkvrouw, aan wie elk ridder of edelman gaarne zou behagen.”

„Ieder?” herhaalde Ada met nadruk, en schudde ongeloovig het hoofd. „Gij weet wel, Annetje, dat uw ongelukkige meesteres geen aanspraak maakt op hun hulde.”

„En waarom is het u dan dezen dag in den zin gekomen, u zoo mooi te doen kleeden? Zeker toch omdat gij het bezoek van iemand verwacht!” zei het kamermeisje nieuwsgierig; zij wist dat haar meesteres, die haar liefhad, haar deze vraag niet ten kwade zou duiden.

„Zeer zeker verwacht ik iemand,” antwoordde Ada. Hierop bedacht zij zich eenige oogenblikken, en vroeg, terwijl zij de hand aan haar voorhoofd bracht, „En wien denkt gij dat ik verwacht?”

Toen noemde Annetje onderscheiden heeren, hun vrouwen of dochters; maar haar meesteres schudde met het hoofd; doch toen zij eindelijk ook Perrol noemde, zei Ada kortaf: „Neen, dien niet.”

„En Sir Walson, dien verwacht gij toch immers niet?” riep Annetje verwonderd; want zij had ieder genoemd, die in de stad was of kon komen.

„Walson!” zei Ada met verachting, en haar zwart oog fonkelde van toorn; „meisje, waarom noemt gij dien? – Ik, Ada van Rijn, de heilige Moeder Gods zij mij genadig! Ik wachten op dien man, die zijn vaderland verliet, om een Perrol te dienen? Noem nooit weer den naam van dien luitenant der Zwarte Bende.” Hier zweeg zij, verwijderde zich van den spiegel, en trad met een fieren tred voor den haard heen en weer; doch toen haar oog op het kamermeisje viel, dat met een bedrukte houding als aan den grond genageld stond, en haar oogen met de handen afwischte, stond zij stil, en zei vriendelijk: „Ween niet, lief kind, gij kunt niet raden, wien ik verwacht. O, ik weet het immers zelf niet, en toch... of mijn hart moest mij weer bedriegen; daarom droog die tranen; gij zijt te gelukkig om te weenen. – Ik heb uw dienst vooreerst niet meer noodig, gij kunt dus gaan, maar spreek niet te veel met dien vreemden knaap, en vertrouw hem niet.”

„En waarom niet, beste meesteres?” vroeg Annetje, en kuste de hand van Ada. „Hij en zijn meester verschillen zooveel! O, als die ook zoo dacht, dan zou zijn hart even edel zijn, als zijn gelaat; de knaap verdient geen wantrouwen.

„Gij spreekt met zooveel drift dat ik bevreesd ben, dat gij hem reeds lief hebt,” zei Ada, goedhartig met haar vinger dreigend; „maar wees voorzichtig, de mannen spotten met de liefde der vrouwen; wanneer men hun zegt: ik bemin u, dan vindt men zich vaak bitter teleurgesteld,” en haar gelaat verried nog meer droefgeestigheid dan anders.

„O, vrees niet, jonkvrouw!” riep Annetje. „Hij heeft mij lief, ik verzeker het u; hij heeft het mij gezegd en bezworen bij zijn zwaard en op dit kruis,” en zij lichtte het zilveren kruisje op, dat om haar hals hing.

„Hij heeft u lief, en heeft het u gezegd? Gij zijt dan wel gelukkig, mijn kind,” zei Ada, en een smartelijke lach vertoonde zich op haar gelaat. „Ga dan maar naar hem toe, en wees hem trouw; de heilige Moeder Gods zal u beiden zegenen.”

Het kamermeisje liet zich dit geen tweemaal zeggen, en verliet huppelend het vertrek, nadat zij de deuren gesloten had, die naar het bidvertrek en de slaapkamer van haar meesteres leidden.

Eerst ging Ada bij het vuur zitten, waar een kleine tafel stond; maar spoedig legde zij het handwerk ter zijde, dat zij opgenomen had, en zat eenigen tijd, haar hoofd in haar hand, in gedachten verdiept in het vuur te staren. Doch ook deze houding verdroot haar weldra; zij richtte het hoofd weer op, zag naar de glasramen, in welker nissen, ter zijde, vier kooitjes met vogeltjes hingen; maar het zachte gefluit en de onvermoeide sprongen van de schoone diertjes, die het verlies van hun vrijheid niet schenen te voelen, boeiden niet lang haar oog. Onrustig liep haar blik het vertrek rond, en eindelijk verliet zij den armstoel, waarop zij zat.

„Ik Walson wachten?” zei zij halfluid, „na het schaamtelooze aanzoek, dat hij heeft durven doen? Een schoone en edele echtgenoot voor Ada van Rijn, nu zij den goeden Reynoud afgewezen heeft! En toch zal hij misschien komen, die Engelschman; en hij, hij niet. God weet waar hij is. – O, neen, Heere, verwijder hem van hier; want zijn vijanden zijn hier machtig, en een misdaad kost hun niet veel.” Bij deze woorden vouwde zij smeekend de handen samen, en ging onrustig het vertrek heen en weer.

Toen Annetje eenigen tijd nadat zij vertrokken was, het vertrek weer binnentrad, waar zij haar meesteres had achtergelaten, vond zij Ada zitten op een soort lage zitplaats, welke uit kussens van gebloemde zijde samengesteld, en groot genoeg was om drie menschen te bevatten. Zij leunde achteloos tegen een der zijden van de gevulde leuning, hield een rozenkrans in haar hand, en verschoof met haar blanke vingers de koralen van rood kornalijn. In het eerst scheen zij niet te merken, dat iemand de deur geopend had; doch toen zij haar rozenkrans ten einde was, zag zij op, om te vernemen, waarom haar kamermeisje zoo spoedig terugkeerde, en wat zij te zeggen had.

Annetje vertelde, dat zij zoo even met een reizenden marskramer aan de deur had gesproken, die zoolang gesmeekt had, tot men haar was gaan roepen. Hij had eenige fraaie beeldjes van was, en de afbeelding van geestelijke personen, die aangekleed waren, zooals het behoorde, en zijn mars was ruim voorzien van allerhande goederen, die in een klooster vervaardigd waren.

Ada scheen geen lust te voelen om iets te koopen, hoewel Annetje de belangen van den kramer verstond; maar toen zij haar meesteres berichtte, dat hij volgens zijn zeggen tijding uit het Hollandsche leger meebracht, veranderde Ada van gedachten, en gelastte haar kamermeisje den marsman terstond met zijn waren vr haar te doen komen, en Annetje haastte zich dit bevel ten uitvoer te brengen. Toen de man binnentrad, die de mars, waarin hij anders zijn goederen op den rug droeg, nu vr zich had hangen, nam hij de muts met breede randen af; en zijn gelaat, dat ten deele bedekt was door een grooten wollen doek, dien hij waarschijnlijk voor de koude over het hoofd geknoopt had, was bruin, als dat van de lieden, die nu en dan uit zuidelijke landen herwaarts kwamen met kramerijen, beren en honden, die kunsten maakten, of andere soortgelijke zaken.

Hij scheen vluchtig het vertrek rond te zien, en toen hij niemand gewaar werd dan de bewoonster van deze kamer, die in haar kostbaar gewaad in half liggende houding, vooral door haar hulsel, veel geleek op een Oostersche vrouw, op haar divan rustend en met haar rozenkrans spelend, deed hij eenige schreden voorwaarts. Het kamermeisje, misschien begeerig om het gezelschap van den knaap weer op te zoeken, en het niet noodig achtend te blijven, verliet nu snel het vertrek, waardoor de kramer omzag. Maar juist toen Ada gereed stond om haar terug te roepen (want zij wilde niet alleen blijven met den vreemden man), strekte deze den arm uit. Zij stond nu plotseling stil en zag hem scherp aan; doch toen naderde zij hem snel en zei verheugd: „O, zijt gij het Frank! Ik heb mij nu dus niet bedrogen en u niet tevergeefs gewacht!”

„Ik ben het zelf, waarde Jonkvrouw!” zei Frank, en hij kuste haar gevoelvol de hand. „Maar gij hebt mij gewacht? Ik bid u, zeg mij, wie heeft u gezegd, dat ik komen zou?”

„Mijn hart, Frank,” zei zij, en liet haar hand in de zijne rusten, „dat kan niet altijd liegen, en het had mij reeds zoolang gezegd, dat gij eens komen zoudt.” „Gij zijt dus nog zoo goed nu en dan aan mij te denken, Ada,” zei hij dankbaar, en maakte de riemen van zijn mars los. .,Zeg mij, kan ik eenige oogenblikken hier vertoeven en met u spreken, zonder dat men ons hooren kan?”

„Zeer zeker,” antwoordde zij, en haastte zich de grendels van de deuren te verschuiven; „maar het meisje is zoo spoedig vertrokken, dat het voorzichtig zal zijn om haar voor uw komst te waarschuwen,” liet zij er toen op volgen.

„Zij heeft mij herkend,” zei Frank, „uw zorg is dus onnoodig; zij zal wel zwijgen. Ik dacht ook, dat zij u gezegd zou hebben, dat ik mij hier bevond, en was dus verwonderd u daar zittend te vinden, zonder dat gij mij meent te kennen; ik was bevreesd voor uw gezondheid.”

„Mijn gedachten waren nog bij u in het leger,” zei zij glimlachend, en een oogenblik vertoonde zich een bijna onmerkbare blos op haar wangen; „ik zag u dus zonder u te zien; gij moet het mij vergeven, Frank.”

„En ik dan?” hernam hij, „ik had mij immers terstond moeten noemen; gij hebt geen schuld; de goede oude portierster van het klooster, waar ik mij van deze beeldjes en goederen voorzien heb, heeft mijn gelaat zoo bruin geverfd, alsof ik een der mannen van Perrol of Salazar was, en dit, zoowel als deze doek, maken mij onkenbaar.”

„Die kleur misstaat u niet, maar wel dat kleed; doch, onder welke gedaante ook, zijt gij welkom,” zei Ada.

„En toch voegt dit kleed, zoo niet een veel slechter, naar mijn afkomst, mij. Voordat Van Schaffelaar mij tot zich nam, had ik nog nooit een zoo kostbaar gehad,” zei Frank.

Toen noodigde zij hem vriendelijk uit, zich naast haar neer te zetten, op de zitplaats, die zij even verlaten had, en zei, toen hij zich deze eer ontzeggen wilde: „Zet u naast mij, Frank, anders zou ik moeten denken, dat gij ontstemd was over wat ik gezegd heb. Het is een eer, die Walson en zijn meester niet dan met geweld van mij verkrijgen zouden; maar mijn vrienden zijn mij welkom, in welke kleeding het de Heilige Moeder Gods ook behage, hen tot mij te zenden.” Frank weigerde nu niet langer, en het was vreemd den in grauwe wollen stof gekleeden knaap of koopman, die een ruwe soort schoenen droeg, vertrouwelijk te zien zitten op de prachtige zitplaats, aan de zijde van de fraai gekleede jonkvrouw.

Frank sprak niet; een zekere onrust vertoonde zich op zijn gelaat; het was alsof hij de woorden terughield, die gereed stonden hem te ontsnappen; maar Ada bemerkte dit niet, en zei: „O, wat is het lang geleden, dat ik u het laatst zag, en welk een vreeselijke dag was dat! Het heugt mij nog, welk een onheil mijn ijverzucht had kunnen stichten. O, nog deins ik terug, alleen bij het herdenken daarvan; maar nu, Frank, nu zullen wij ongestoord kunnen spreken, niet waar? De naam van haar, de ik niet wil noemen, zal ons nu niet doen twisten; het zal wezen, alsof zij niet bestond; gij zult mij alleen van u vertellen; het is nu om mij alleen, alleen om uw bedroefde Ada eens te zien, dat gij gekomen zijt. O, heb daarvoor dank, mijn vriend. Maar zeg mij, hebt gij niet te veel gewaagd met hier te komen? Ik bid u, stel mij gerust!”

Een zucht ontsnapte aan de borst van den jonkman; het was alsof zijn oog door een dichten nevel bedekt werd; maar hij deed zich geweld aan, greep haar hand en zei langzaam; „Ben ik niet gekomen alleen om u te zien, geloof echter, mijn beste Ada, dat geen gevaren mij ooit zouden kunnen weerhouden om naar u toe te snellen, als uw vriendschap mij riep. O, het verheugt mij u zoo gezond te zien; zegt mij, zijt gij het altijd geweest, sedert dien dag dat gij mij en mijn vriend het leven hebt gered, en mag ik dit prachtige gewaad beschouwen als een bewijs, dat gij niet meer, gelijk voorheen, geheel in afzondering leeft?” „Dit kleed?” zei zij en lachte. „Ik wachtte u immers, Frank; voor u heb ik het aangedaan, het gebeurt mij zoo zelden een goed vriend te zien, buiten mijn neef Reynoud. – Doch gij vraagt mij naar mijn gezondheid.” Nu schudde zij treurig met het hoofd, en vervolgde: „Die is nu wel; maar ik heb sombere dagen doorgebracht, toen het loof van het geboomte, door de herfststormen afgevallen, de aarde met een veelkleurig tapijt bedekte: alles was duister voor mijn geest; een ondragelijke last drukte mij op het hart en het hoofd, en als het nu en dan voor een oogenblik voor mijn geest licht en helder werd, dan bad ik alleen – om naar het koude graf te worden weggedragen. Maar de Heilige Moeder Gods en alle heiligen hebben mij weer opgericht, en ik ben nu gezond,” eindigde zij droevig lachend; doch de bleekheid van haar gelaat sprak haar woorden tegen; en alsof zij het zelf voelde, bracht zij haar hand aan haar voorhoofd, en schudde langzaam het hoofd.

Een tijdlang spraken zij samen, terwijl Frank met moeite zijn onrust verborg. Eindelijk vertelde zij hem, dat Walson om haar hand had verzocht, dat dit verzoek door Perrol zeer sterk ondersteund was, en dat heer Loef, hoewel niet geneigd zijn toestemming te geven, toch niet had durven weigeren haar er over te onderhouden, maar dat zij met verachting de hand van den edelen Brit geweigerd had.

Frank toonde zijn verontwaardiging over dit verzoek en den toon, waarop deze twee vreemde krijgslieden het gedaan hadden en gezocht het door te drijven, en vervolgde toen, terwijl hij aan zijn aarzeling een eind maakte: „Beste Ada, gij zijt niet de eenige, die blootgesteld zijt aan hun duivelsche begeerten; uw rang en die van uw oom beveiligen u ten minste nog voor dadelijk geweld. Helaas, anderen zijn zoo gelukkig niet, en op dit oogenblik wordt het hart van mijn weldoener door smart verscheurd: de Roode Hand van dien Perrol, dat monster, dat vreemde landen over dit gewest hebben uitgebraakt, heeft hem meer dan het leven benomen.”

Hier wachtte Frank een oogenblik, en vervolgde, toen hij zag, dat Ada naar hem luisterde, zonder dat haar gelaat de gewone kalmte verloren had: „Deze morgen, toen Van Schaffelaar gereed stond naar den krijgsraad te gaan, om daar met klem van redenen aan te raden Perrol uit het sterke Eemnes te verwijderen, toen verscheen een vader vr hem, die ten tweeden male in het hart gestoken is door een aanslag van dien woesteling op zijn dochter, en die aan haar bruidegom wraak is komen vragen voor het rooven van zijn eenig kind.”

„Ik beklaag dien braven edelman,” zei Ada, toen hij zweeg, „en hoop, dat de macht van onzen lieven Heer hem op zijn vijanden zal doen zegevieren.” Maar haar houding noch haar stem verried eenige aandoening; het was alsof zij niet vermoedde, dat het meisje, dat weggeroofd was, die Maria was, van wien zij niets wilde hooren.”

„De plicht gebood Van Schaffelaar om in het leger te blijven, en weerhield hem om zelf onderzoek naar het schelmstuk te doen,” ging Frank voort, hoewel hij vreesde te vervolgen; „een heilige plicht gebood mij dus om in zijn plaats te gaan. In deze kleeding met den zoon van onzen huiswaard te Hilversum aan het klooster te Soest gekomen, schonk mij mijnheer St. Maarten de genade, om te ontdekken, dat de booswichten hun prooi niet naar Eemnes hadden gevoerd, maar den weg naar deze stad hadden ingeslagen, en ik aarzelde niet hun spoor te volgen. Buiten de Witte-Vrouwenpoort verlieten wij onze paarden, en geraakten binnen de stad; ook hier rustte de goddelijke zegen op mijn pogingen; de Zwarte Ruiters, die een draagkoets geleidden, waren gedurende den nacht niet z onopgemerkt door de stad getrokken, of ik kon ontdekken, waar zij gebleven waren...”

„Genoeg! Genoeg daarvan!” riep Ada, die opeens haar stilzwijgen verbrak; „spreek mij niet meer over haar; noem haar naam niet meer, Frank! Gij weet, wat ik gezegd heb.” Toen zweeg zij een oogenblik, bedacht zich en riep droevig: „Helaas, het is niet om mij, dat gij hier gekomen zijt; alleen bezorgdheid voor haar dreef u hierheen, en ik, die u wachtte!... Frank, dat is slecht gehandeld.” „Ada, waarde Jonkvrouw!” riep Frank en greep haar hand, „ik beroep mij op uw hart, op uw menschlievendheid. Ik heb n bede te doen, en indien gij mijn verzoek weigert, maakt gij mijn weldoener voor eeuwig ongelukkig.”

„En dat is?” vroeg Ada van Rijn ongeduldig.

„Red de ongelukkige bruid van Van Schaffelaar, geef de treurende dochter aan haar schreiende ouders terug, en God zal u zegenen. O, voeg deze nieuwe weldaad bij die, welke u eenmaal de vreugde van het hemelsche paradijs zullen openen!” riep Frank, en hij zag haar smeekend aan.

„Ik haar redden?” riep Ada verwonderd; maar opeens scheen er een licht voor haar geest op te gaan, en zij vervolgde: „Heden nacht, zegt gij? – De Zwarte Ruiters met een draagkoets? Mijn kamermeisje heeft mij zooiets gezegd. Zeg, heeft men haar naar dit huis gevoerd?” en toen Frank toestemmend boog, riep zij: „Ha, hoe komt het toch, dat ik dit al niet eerder vermoedde? Nu weet ik, waaraan ik het bezoek van mijn vriend Frank te danken heb: de bruid van zijn aanvoerder lokte hem hierheen. Arme heer Van Schaffelaar! De een rooft haar met geweld, en de ander zoekt in stilte haar liefde te winnen. – Het verwondert mij, dat gij zoolang van haar hebt kunnen zwijgen, en ik dank u voor deze hoffelijkheid!” eindigde ze met een minachtenden lach, en driftig schoof zij zich zoo ver mogelijk van hem af, aan het einde der zitplaats.

„Gij zijt hard en onrechtvaardig, Ada!” riep Frank smartelijk. „O, gij kunt niet gelooven wat gij zegt; wijs mij niet af. Op u alleen berust mijn hoop; zult gij het onschuldige meisje overlaten aan Perrol met de Roode Hand, edele jonkvrouw! Zult gij dit?”

„Zeker zal ik dit,” antwoordde zij driftig. „Vraag haar aan Perrol terug; verzoek hem haar aan u af te staan, en smeek mijn oom om voor u een goed woord te doen; maar denk niet, dat ik een poging zal doen om haar te redden; ik heb daartoe ook niet de macht.”

Frank bedekte zijn gelaat met zijn handen, en men hoorde de zuchten, die uit zijn door smart overmande borst ontsnapten.

„Wat betreurt gij, Heer ruiter!” zei Ach schamper lachend, terwijl zij haar oog stijf op hem gericht hield. „Gij zijt voorwaar geen vroolijk gezelschap; het is goed, dat ik u ken; anders zou ik u aanzien voor een marsman, wien men zijn goederen ontstolen heeft. Het blonde haar van de dochter van een smid, doet u de jonkvrouw vergeten, naar wier gezondheid gij nog zooeven met zooveel belangstelling gevraagd hebt; zij moet wel lief zijn, ha, ha, om zooveel minnaars te hebben.”

Hier werd zij verhinderd voort te gaan, daar zij door een lachlust bevangen werd, welke zoo luid en schrikwekkend klonk, dat Frank zijn oogen snel oprichtte. Haar oogen rolden wild door haar hoofd, en zij scheen niet te merken, dat hij haar hand met kussen bedekte, en zich aan haar voeten neerwierp.

„Ada! Beste Ada!” riep hij angstig, „kom tot uzelf terug; ik bid u, wees bedaard, ik bemin haar niet; o, staak dat droevig gelach; het is Frank, ik ben het, die het u verzoekt.” Maar al zijn smeeken was vergeefsch. Toen riep hij, zijn handen wringend: „Heilige Moeder Gods, heb medelijden met haar,” omvatte haar met zijn armen, en bad haar nogmaals zoo gevoelvol om bedaard te zijn, dat zijn woorden eindelijk eenigen invloed op haar schenen uit te oefenen. Langzaam verdween de verwildering van haar blik; het ijlhoofdig gelach ging over in een pijnlijken en krampachtigen trek om den mond, en toen zij eindelijk haar hoofd op den schouder van den jongen ruiter liet neervallen, zei zij zacht en droevig: „Ha, zijt gij het Frank? De Hemel zij gedankt, het is weer over.

„O, ja, de hemel zij gedankt, Ada,” zei Frank aangedaan; „want uw toestand was zoo treurig en bedroefde mij zoozeer.” De jonkvrouw leunde vol vertrouwen tegen de borst van den man, die als een kind door den schaapherder was gevonden, en later met Ralph achter de kudden geloopen had. De grove stof van de mouwen van zijn buis raakte het kostbare roode laken, dat de schoone leest van het adellijke meisje bedekte; zij vreesde niet haar hoofdhulsel te kreukelen, dat op zijn breeden schouder lag. Zijn haar, even zwart als de vlechten, die langs haar voorhoofd lagen, viel op de gouden halve maan, en bedekte de edel-gesteenten; de zachte uitdrukking van haar oog, dat nog kort te voren zoo wild heen en weer had gerold, gaf hem den moed nog een poging te doen, om haar bijstand voor Maria af te smeeken. Hij kuste haar op het hooge, witte voorhoofd en zei gevoelvol:

„Deze kus, Ada, zij het teeken der vernieuwing van onze vriendschap; hebt gij zelf mij niet toegestaan den schoonen naam van broeder te voeren? Daarom, zuster, hoor mij aan, en bedroef mij niet meer door een wantrouwen te doen blijken, dat mij vernedert.” Hier hield Frank een oogenblik stil; het was alsof hij iemand in het voorvertrek hoorde loopen, en Ada schudde haar hoofd; maar hij zette zich uit het hoofd, wat hij meende te hebben gehoord; hij verloor nog niet alle hoop om den machtigen bijstand der jonkvrouw te verkrijgen, en vervolgde:

„Ada, uw broeder Frank bezweert u nogmaals bij al wat heilig is, om hem uw hulp niet te ontzeggen. – Niemand zal het ooit weten, als gij mij verstoot; ik zal de tranen van de rampzalige maagd, den vloek van haar ouders en haar bruidegom, niet op uw hoofd laden; maar de lieve Heer en zijn heilige Moeder zien het, als gij mij ongetroost van u laat gaan. Ada, ik bid u, red haar, die uw medelijden en uw achting verdient; zeg mij, waar is zij in dit huis, hoe kan ik haar bevrijden? Antwoord mij in Gods naam; kan ik mijn vertrouwen aan den heer Loef, of is uw oom zoover gegaan, om zijn gevangenkamers aan een maagdenroover, aan een Perrol te leenen?”

Maar hier hield hij plotseling op, want Ada richtte het hoofd op, en schudde het ongeduldig; weer was de zachte opslag voor haar oog verdwenen, twee hevige driften schenen innerlijk in haar hart te kampen. Helaas, eindelijk behield de minnenijd de overhand in haar brein, dat voortdurend zoo hevig geschokt, doch zelden opgeklaard was en ook nu dolf het edel gevoel van haar hart het onderspit. Zij kon het niet begrijpen, dat de ruiter alles waagde en afsmeekte, alleen voor zijn vriend, – zonder eenig bijoogmerk, – alleen om Maria te redden. Want bedroog hij haar niet, dan bleef hem immers niets over dan te lijden zonder te klagen, totdat het graf het ongevoelig voor aardsche liefde zou maken, en opvoeren tot een beter leven.

Tevergeefs gaf hij haar de teederste namen, vruchteloos bezwoer hij haar, bij al wat invloed kon hebben op haar geest, om bedaard te zijn; het scheen, dat zij niet meer gewaar werd, dat hij haar tegen zijn borst gedrukt had, dat hij in zijn smart haar handen kuste, zijn lippen drukte op het voorhoofd van de jonkvrouw, dat wit en koud als marmer was. Opeens was dat oogenblik van verrukking verdwenen, toen zij zich gelukkig scheen te voelen in zijn armen. Vruchteloos waren zijn pogingen om haar te doen zwijgen en terug te houden; met verontwaardiging stiet zij hem van zich af, terwijl zij opstond. Misschien zag zij niet eens, hoe hij zijn handen naar haar uitgestrekt, aan haar voeten lag, veel minder de tranen, die hem van medelijden uit de oogen sprongen. Het meisje, dat hij liefhad, versmachtte als een offer der boosheid in de gevangenis, en hij kon, zoo dicht bij haar, niets doen om haar te redden. De jonkvrouw, die de tweede plaats in zijn hart bekleedde, zijn vriendin, zijn zuster, stond daar ten prooi aan een droevige verstandsverbijstering. Hij weende over beiden, en hoewel Ada hem verstiet, kon hij toch geen woorden vinden om haar te vervloeken, maar wel om voor haar te bidden.

„En zoo gij mij niet wilt aanhooren, wat doet gij hier dan?” riep zij luid, met drift en in antwoord op zijn smeeken. „Vertrek, en laat mij alleen, reeds te lang zie ik u voor mij. Wie heeft u geleerd mij te dwingen om zacht te spreken? Ha, de jonkvrouw Van Rijn in haar vertrekken de wet voorgeschreven door een ruiter, – door een gemeenen herdersjongen, en ik moet zwijgen; ik ben krankzinnig, – niet waar?” eindigde zij vreeselijk lachend.

„Ik zal gaan, Ada,” zei Frank treurig, „maar zoo dacht ik niet door u weggezonden te worden. O, ik bid u, spreek niet zoo luid, of wilt gij, dat de Zwarte Ruiters mij herkennen, dat zij mij voor uw voeten terneerstooten, of gevangen nemen, en ik heb Perrol dezen morgen naar het leven gestaan.

„Aan die vrees herken ik uw afkomst,” antwoordde zij toornig. „Ik had in den vriend van een edelman meer moed verwacht; gij verdient zijn goedheid niet; vertrek uit mijn oog, mogelijk staat de schooier Ralph u te wachten,” eindigde zij schamper, en weer klonk haar zinneloos gelach.

Toen wierp Frank een smartelijken blik op haar; zijn oog, dat somber en mat was, zag nog eens naar haar, terwijl hij voor haar boog, en met het diepste medelijden het hoofd schudde. Hij was niet vertoornd over wat zij gezegd had; hij nam zijn muts in de hand en zette die op, vatte het kistje aan, dat hij had meegebracht, en toch toefde hij nog. Hoopte hij, dat in het einde haar goedheid en menschlievendheid zouden zegevieren? Of was hij zoo begaan met het schoone, ongelukkige meisje, dat vr hem stond? Bleef hij om Maria of om Ada? Hij wist dit zelf niet.

„Vergeet gij, dat Maria wacht, of zijt gij bang voor vreemde ruiters?” vroeg Ada met verachting, terwijl zij lachte. „Wilt gij ook, dat ik Annetje laat komen om u te verdedigen, of wacht gij, totdat ik u door de knechts van mijn oom de deur uit doe werpen?”

Een snelle beweging van Frank’s hoofd en armen gaf te kennen, dat haar woorden hem diep getroffen hadden, en hij slaakte een zucht, terwijl de laatste hoop hem begaf. Maar zie, op ditzelfde oogenblik werd er hevig op de deur geklopt van het vertrek. Nog eens vestigde Frank zijn oog op dat van de jonkvrouw; maar toen de verachtende grimlach en de schampere blik hem bleven vervolgen, en zij vermaak scheen te scheppen in zijn verlegenheid en smart, snelde hij naar de deur.

„Frank!” riep zij nu opeens, want nu eerst trof haar het gebons op de deur, en zij stak de handen naar hem uit. De toon van haar stem verried, dat er een plotselinge verandering in haar gemoed was voorgevallen; maar Frank schoof met de eene hand den grendel voor de deur weg, terwijl hij zonder om te zien, met zijn hand het verzoek, dat in haar uitroep gelegen was, terugwees. Ach, indien hij den angst gezien had, die op haar gelaat te lezen stond, zou hij misschien de wanhoop nog bedwongen hebben, die zich van hem had meester gemaakt.

Het scheen, dat Frank in zijn verwachting werd bedrogen, toen de deur geopend werd, want zonder vooruit te gaan trok hij zijn hand onder zijn buis vandaan, en liet de armen langs zijn lijf neerhangen; hij had misschen verwacht eenige ruiters van Perrol te zien, maar niet het gelaat van Walter, den hofmeester van heer Loef, die, gevolgd door eenige bedienden, na eenige verwondering te hebben laten blijken, in de kamer trad. Het was een klein, schraal mannetje, in een grijs lakensch kleed, met een langen, dunnen neus en grauwe, vurig fonkelende oogen, en die bij een voor zijn stand wat aanmatigende houding, uiterlijk de teekenen van geslepenheid en schranderheid op het gelaat droeg. Het eerste behoefde niet te bevreemden, daar hij het onbepaalde vertrouwen van zijn meester genoot, wat alleen diens zoon en nicht nog beveiligde voor willekeur, die hij jegens alle andere bewoners van het huis Oosterweerd aan den dag legde. Het korte zwaard, dat hij in de hand droeg en de gewapende knechts, die hem vergezelden, lieten niet vermoeden, dat hij verwonderd kon zijn, een vreemde in het vertrek te vinden; zijn verwondering ontstond dus waarschijnlijk uit het herken van Frank, wat hem, hoewel hij niet liet blijken, dat hij zich door de vermomming niet liet misleiden, waarschijnlijk den moed gaf, om vooruit te gaan; te meer daar de houding van den ruiter deed vermoeden, dat deze niet aanvallender wijze te werk zou gaan.

„Heer Loef heeft toevallig uw roepen om bijstand vernomen, Jonkvrouw,” zei hij en maakte een kleine buiging met het hoofd, waarna hij, zijn zwaard vaster in de hand nam en vervolgde: „En gij, marsman, die het waagt, om uw waren met geweld aan de edele jonkvrouw op te dringen, gij hebt mij dadelijk te volgen, om kennis te maken met de kelders van Oosterweerd – en geen tegenspraak, of de zaak zou erger gevolgen hebben.”

Frank was verwonderd, dat Walter hem niet herkende, doch schreef dit toe aan de schemering, die achter in het vertrek heerschte; hij sloeg den spottenden trek gade, die zich op het gelaat van het mannetje, dat tot hem gesproken had, vertoonde, en was in twijfel, of hij zich noemen zou of niet, toen Ada, haar geestkracht herwon, haastig eenige schreden voorwaarts trad en op hoogen toon uitriep:

„Met welke zaken bemoeit gij u, Walter? Kan ik niet zoo luid spreken als ik wil, zonder dat mijn oom daarom zijn knechts in mijn vertrek laat dringen? – De koopman heeft geen schuld, ik ken hem; vertrek dus, en keert niet terug, voordat ik u laat roepen.”

„De bevelen zijn stipt, edele Jonkvrouw,” zei Walter en haalde zijn schouders op, „men kan niet te voorzichtig zijn; maar met allen eerbied, het is mij niet mogelijk heen te gaan zonder dezen snaak.”

„Snaak!” herhaalde Ada driftig, en haar oog fonkelde van verontwaardiging. „Ha, weet gij dan, hoe zijn naam is, knecht? Weet gij, dat gij deze mars voor hem zult dragen, indien ik het wil?” Maar hier zweeg zij, daar zij zeker meende niet goed te doen, om te laten bemerken, dat het geen gewoon koopman was, en zij vervolgde: „De bevelen, Walter, van mijn oom kunnen nooit verder komen dan de deur van mijn vertrekken; gij zult zonder den marsman moeten gaan. Gij zijt lang in het huis van Oosterweerd geweest, en uw haren zijn grijs, maar het zou u heugen, als gij den eerbied voor Ada van Rijn uit het oog verloren hadt; vertrek dus.”

Indien de oude hofmeester, verwend door het gezag, dat hij gewend was te voeren, alleen was geweest, zou hij zich waarschijnlijk niet bedacht hebben om haar te gehoorzamen, of het gewaagd hebben zijn opzet te volvoeren, maar hij hoorde achter zich de slachtoffers van zijn heerschzucht zacht lachen over den hoon, die hem werd aangedaan, en de oude, knorrige Walter besloot, vertrouwend op de goedheid van heer Loef, om Ada en haar bedreigingen te trotseeren. Hij haalde dus nogmaals de schouders op en riep toen gebiedend tot zijn helpers:

„Knapen, pakt dien marsman aan, in naam van heer Loef en voor mijn rekening. – Biedt geen weerstand, koopman, het zou tevergeefs zijn.”

„Gij waagt het?” zei de jonkvrouw toornig, terwijl zij ter zijde trad en het deksel van een fraai gebeeldhouwde en ingelegde kist opende, die tegen den muur stond. Schoorvoetend traden de knechts vooruit, hoewel Frank geen schijn gaf van zich te verdedigen; maar zij bleven staan, toen de jonkvrouw luid en met een zegevierenden blik vervolgde: „Ha, wat hebt gij gedaan, laag gespuis? Maar gij dacht hem met u allen te overvallen, zonder dat deze hand gewapend was! Beeft en valt voor hem neer, of gij zult hem leeren kennen. – Neem dit zwaard aan, dat mijn vader zelf gedragen heeft, marsman! Stoot hen vrij neer! Zij beleedigen mij! Ik, Ada van Rijn, zal het verantwoorden!”

Maar Frank wees, zonder iets tot haar te zeggen, het wapen terug, dat zij hem in de hand wilde geven, en een schrede voorwaarts doende. zei hij bedaard: „Ik volg u, hofmeester, en geef mij gevangen, geen wapens passen in de hand van iemand, als ik ben, de Jonkvrouw weet zulks wel. Ik verlang heer Loef van Oosterweerd te spreken.”

Er lag veel bedaardheid, maar ook een verwijt opgesloten in den toon, waarmee hij deze woorden zeide, en rustig en zonder om te zien naar de jonkvrouw, ging hij tusschen de knechts door naar de deur; maar juist toen hij gereed stond om het vertrek te verlaten, liet Ada het zwaard uit haar handen vallen. Een enkele kreet, welke smart, vertwijfeling en berouw verried, gaf te kennen, hoezeer zij getroffen werd door wat voorviel, en wat zij gezegd had. Frank zag onwillekeurig in het vertrek terug; zijn blik was koel, doch niet toornig; en toch lag daarin zoozeer een verwijt voor haar te lezen, dat zij berouw voelde over haar gedrag, en de handen smeekend naar hem uitstak, als wilde zij hem terughouden en hem vergeving vragen.

Zou hij z het meisje, dat hem beminde, de jonkvrouw, die hem zooveel goedheid betoond had, achterlaten, ongetroost, zonder haar ook maar met n woord te kennen te geven, dat hij haar alles vergaf? Neen, dat kon niet. Wist hij of hij haar ooit zou weerzien, die zelfs niet verantwoordelijk kon wezen voor wat zij geweigerd had? Immers neen! Daarom keerde hij op zijn schreden terug, en hetzij zijn bewakers zijn bedoeling gisten of het niet durfden wagen, hem tegen te houden, zij lieten hem ten minste begaan.

Toen hij haar naderde, nam hij zijn muts af; zij liet haar armen zakken, en lachte hem toe, hoewel de tranen langs haar bleeke wangen rolden. Hij boog en greep haar rechterhand, bracht die aan zijn mond, en zei zeker iets tot haar, dat haar geruststelde; want zij knikte hem toe. Noch Walter, noch zijn gevolg, hoorden wat hij zei; ook waren de knechts niet verwonderd over het gedrag van de jonkvrouw, en over de gunst, die zij aan den vreemden marsman toestond; zij stelden dit alles op de gevolgen van haar krankzinnigheid. Met meer gerustheid zag Ada nu den ruiter vertrekken, en zij wenkte hem nog eens een vaarwel toe met haar hand, toen hij, gevolgd door de knechts van haar oom, en voorafgegaan door Walter, die, tevreden over zijn overwinning, genoeglijk lachte, de kamer verliet. Vervolgens zette zij zich in den stoel bij het vuur neer, en verzonk in diep nadenken.

908SR15.gif (1832 bytes)

Alles wel overwogen, hebt gij welgedaan, met u te houden alsof gij den ruiter niet hebt herkent, Walter,” zei heer Loef van Oosterweerd tot zijn hofmeester, terwijl hij meer uit tevredenheid dan voor de koude de handen wreef, want het vertrek, waarin hij zich bevond, werd goed verwarmd door het groote vuur, waarvoor hij zat.

De vertrouwde dienaar zat tegenover zijn meester, glimlachte over wat er gebeurd was, en antwoordde: „Ik dacht ook, dat het hier geen zaak was, zich te storen aan de grillen van een jonkvrouw, en heb dus maar gewaagd om door te tasten.”

Frank had verzocht den heer van het huis te spreken; maar toen hem bericht was, dat dezen den marsman niet te woord kon staan, had hij aan Walter gezegd, wie hij was, en zijn verzoek herhaald. Doch het scheen, dat heer Loef geen lust gevoelde den vriend van Van Schaffelaar te woord te staan; want hij vervolgde: „Gij moet hem toch wel zeggen, Walter, dat ik, hoe ongaarne ook, mij het genoegen moet ontzeggen hem te zien, en nog minder hem kan spreken; de tijd, waarin wij leven, en zijn betrekking als ruiter van mijnheer David zullen u redenen genoeg kunnen doen vinden, waarom ik zijn verzoek moet weigeren.” „Verlaat u gerust daarop, Heer,” antwoordde de slimme hofmeester. „Ik zal hem zoo duidelijk zeggen, dat men hem reeds in de stad zoekt, en het u onmogelijk is hem te laten vertrekken of hem te spreken, dat hij inderdaad gelooven zal, dat gij uw bezittingen en uw vrijheid zoudt wagen door hem aan te hooren. Verlangt gij, dat ik nu maar eens tracht de zaak tot een goed einde te brengen, en het huwelijk te sluiten?” eindigde hij lachend, en zag zijn meester vragend aan, terwijl hij opstond.

Maar deze wenkte hem weer te gaan zitten, en zei langzaam en met bezorgdheid: „Ja, zoo meteen, Walter, maar wij zullen nog eens nagaan, of wij niets vergeten hebben; te veel haast heeft dikwijls een voordeelige zaak doen mislukken. Het toeval, dat hem hierheen voert, is, zooals gij wel hebt opgemerkt, te gunstig om er geen partij van te trekken; maar ik voorzie groote moeilijkheden om Ada te beduiden, dat dit alleen hem redden kan, en niet minder om zijn toestemming te verwerven. Hoewel hij, naar ik vertrouw, niet weet, waarom mij zooveel aan dit huwelijk gelegen is, vrees ik toch, dat ik mij voor niets zal blootstellen aan de verstoordheid van mijn nicht en de tegenwerpingen van mijn zoon.

„Gelukkig is heer Reynoud niet bij de hand,” merkte de hofmeester aan, die met leedwezen bemerkte, dat zijn meester opnieuw begon bezwaren op te werpen: „daarom wordt er spoed vereischt. In elk geval, Heer, wat kan hij zeggen? Het is immers voor hem, dat gij u deze zorgen getroost? Hij zal er eenmaal de schoone vruchten van plukken, en niet langer wachten om naar een ander meisje uit te zien, als zijn nicht gehuwd is; en de jonkvrouw,” vervolgde hij grimlachend, „die ziet immers toch altijd stroef; zij zal er u niet over spreken; maar tevreden zijn den ruiter te redden, en tevens een echtgenoot naar haar keus te krijgen.

„Zacht, zacht, Walter,” zei heer Loef. „Vergeet niet, dat zij de dochter van mijn zuster is; ik wenschte wel, dat zij mijn Reynoud had willen trouwen; hij bemint haar nog, geloof ik. Die Walson blijft ons dan ook nog altijd op ons dak. Ik heb goede zaken gedaan met Messire Perrol; maar ik wenschte, dat ik hem nooit gezien had; het zijn vrienden, die zich niet ontzien uw huis te gebruiken als het hunne, en die altijd gereed zijn de tanden te laten zien. Dat die vervloekte Zwarte knapen nu ook juist in mijn huis moeten zijn, om op alles te letten, wat er gebeurt; als Reynoud hen hier vindt, zal er weer wat te doen zijn; hij verwijt mij mijn zwakheid, en hij heeft gelijk.”

„Jongelieden kunnen over zulke zaken niet oordeelen, Heer,” antwoordde Walter; „in dit geval zullen de ruiters van Perrol, die niets van de gevangenneming bemerkt hebben, ons van dienst zijn; ik zal zeggen dat zij den bischoppelijken ruiter herkend hebben, en dat zal een goede aansporing wezen voor de jongelieden, om alles toe te staan, wat gij zult verlangen.”

„Hun verblijf hier, dat ik niet heb durven weigeren, zal dan ten minste tot iets dienen; maar ik zal alle heiligen danken, als zij vertrekken; ik maak mij ongerust. Hebt gij nog niet kunnen te weten komen, wie de vrouw is, die zij in die draagkoets hierheen gebracht hebben?” vroeg heer Loef.

„Neen, Heer,” antwoordde Walter, en alle opgeruimdheid verdween van zijn gelaat, dat nu alleen spijt en teleurstelling verried. „De knaap is zoo dicht als een pot, en de gemeene ruiters weten niets, of antwoorden niet eens, als men hun vraagt: de eenige, met wien ik een gesprek heb kunnen aanknoopen, gaf zooveel te kennen, dat het een meisje was, dat fraai kon spreken, en van wier veranderlijke genegenheid Messire Perrol zich voor altijd verzekeren wilde.” „Misschien wel de Zwarte Aleida, met wie hij hier geleefd heeft,” zei heer Loef verheugd. „Ik vreesde Walter, dat het een jonkvrouw zou zijn, en dat haar verblijf in mijn huis mij misschien duur te staan zou komen.”

„O, ho! Die spreekster zou wel bij hem blijven; ware het niet de liefde van hem, dan uit liefde voor zijn geschenken,” zei de hofmeester, het hoofd schuddend. „Neen, Heer, Walter is te oud om zich door dien ruiter, die veel van een weggeloopen monnik heeft, te laten bedriegen; ik geloof er niets van...” Hij zou zeker verder vervolgd hebben, indien niet een zacht geklop tegen de deur, dat hoe langer hoe sterker werd, hem hierin verhinderd had. Hij zag zijn meester vragend aan, en toen deze hem last gaf, om te zien wat men begeerde, trad hij naar de deur, opende haar en Froccard, over wien hij nog zooeven gesproken had, stapte hem voorbij, en boog diep voor heer Loef, die onaangenaam getroffen werd, toen hij den ruiter met het ongunstige en valsche gelaat voor zich zag.

„De zaak, waarover ik u kom spreken, Heer,” zei deze, „deed mij gelooven, dat het raadzaam is mij regelrecht tot u te wenden, zonder mij te laten aandienen, en zij noodzaakt mij u te verzoeken, mij een onderhoud van eenige oogenblikken met u alln toe te staan.”

Het woord alleen, waarop hij sterk drukte, terwijl hij een zijdelingschen blik op Walter wierp, deed dezen met bevreemding opzien, want hij wierp juist eenige stukken hout op het vuur. Verontwaardiging vertoonde zich op zijn gelaat. Heer Loef vond zich door dit verzoek teleurgesteld; hij had zoo iets gewichtigs niet verwacht, en trachtte tevergeefs op het strakke gelaat van den ruiter iets naders te lezen. Hij voelde geen verlangen, om met den Zwarten Ruiter alleen te blijven, te meer daar Walter zijn volle vertrouwen bezat, en antwoordde dus, na eenige oogenblikken nagedacht te hebben: „Mijn hofmeester mag, wat mij betreft, alles hooren, wat gij te zeggen hebt; gij kunt veilig spreken.”

Froccard boog en zei: „Zeer wel, Heer. Meester Walter weet wel, dat ik geen geheimen voor hem heb; maar in dit geval meende ik toch uw goedvinden te moeten verstaan. De zaak is namelijk deze, dat de marsman, die hier in huis is gekomen om zijn waren te verkoopen, zeker niet veel goeds in den zin heeft, het is geen gewoon marskramer, ik ben er zeker van, en raad u aan hem niet zonder verhoor te laten gaan.

Heer Loef zag onverschillig door het ruime vertrek, dat alleen bij de ramen en het vuur genoegzaam verlicht was, om de voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de raadgeving van den ruiter kwam hem zeer te onpas; hij vervloekte diens opmerkzaamheid, maar gaf lachend ten antwoord: „Gij geeft u wel veel moeite voor zulk een gemeenen vent, mijn vriend. Aan uw voorzorg dacht ik, dat er ten minste iets meer belangrijks uit u zou komen. Ik heb den marsman niet gezien of gesproken; maar zoo hij mocht terugkeeren, zullen wij er om denken en danken u voor het bericht.”

„Ik geloof, Heer, dat gij u bedriegt,” zei Froccard, zonder dat zijn gelaat eenige verandering onderging. „De koopman is nog niet vertrokken; maar bevindt zich nog hier in huis.”

„Weet gij er iets van, Walter?” vroeg heer Loef, gemelijk over de woorden van den ruiter.

„Volstrekt niets, dan dat de man reeds langs vertrokken is; ik zag hem immers voor een geruimen tijd, toen hij het vertrek van de jonkvrouw verliet; hij zal nu reeds ver te zoeken zijn,” antwoordde de hofmeester, zonder eenige verlegenheid te laten blijken.

„Zeer zonderling,” merkte de ruiter aan; „want ik kom nu regelrecht van den ingang van het huis, dien ik niet verlaten heb, sinds hij is binnengekomen, en ik heb hem niet zien uitgaan.”

„Ik wist wel, dat gij de kamer bewaakt, waarin de vrouw gebracht is,” zei Walter spottend, „maar niet, dat u tevens de last was opgedragen, om bij de deur van dit huis op wacht te staan.”

„Wij weten dan zoowat even veel, meester,” hernam de ruiter, die nu bijna onmerkbaar glimlachte; „want ik weet er ook niets van; maar een hond jaagt wel eens voor zijn eigen vermaak, en gij ziet, dat ik edelmoedig de vruchten van mijn jacht aan anderen kom meedeelen.”

„Het is wel, vriend, en ik zal er u voor beloonen,” antwoordde heer Loef, „gij kunt nu gaan. – En gij, Walter, onderzoek terstond of het waar is, dat de koopman hier nog is, en tracht anders te onthouden, hoe hij er uitziet, als hij eens terug mocht komen.

Walter boog, en heer Loef stond op, in de hoop dat de Zwarte Ruiter nu ook vertrekken zou, maar hij vond zich bedrogen, want deze haastte zich te zeggen: „Een belooning komt nooit te onpas, en de eene dienst is de andere waard, Heer. De makker van den marsman liep zoowat om de deur te draaien, en scheen te wachten, tot deze er uitkwam; ik wist hem binnen te lokken en heb hem zoolang vastgehouden; valt er dus nog wel te twijfelen, of de marsman al of niet vertrokken is?”

„Wij zullen zien,” zei Walter gemelijk, terwijl hij binnensmonds iets scheen te pruttelen; maar heer Loef verried niet, dat de woorden van den ruiter hem hoogst onaangenaam waren, en spoorde Walter aan om het noodige onderzoek te laten doen. De hofmeester wierp een vorschenden blik op den ruiter, die voornemens scheen vooreerst nog te blijven, en verliet de kamer. De deur was nauwelijks gesloten, of de heer Loef, die heen en weer voorbij den schoorsteen stapte, bleef stilstaan, en hield zich, alsof hij verwonderd was den ruiter nog voor zich te zien; maar deze nam terstond het woord, en zei: „Heer, ik vrees dat uw oude dienaar niet handelt, zooals het behoorde; daarom ben ik gebleven. Weet gij, wie de marsman is? Het is een der ruiters van de Bende van Van Schaffelaar, en die brouwt zeker niet veel goeds hier in de stad. Walter weet evengoed als ik, dat hij hier nog in huis is, en ik kan u de kamer aanwezen, waar hij verborgen is. Wat Walter voorheeft, weet ik niet; maar ik weet, dat Messire Perrol zeer tevreden zal zijn, als gij hem dien knaap overlevert, en hij zou het u nooit vergeven, als gij hem ongemoeid liet gaan.

Geheel terneergeslagen, liet heer Loef zich in zijn zetel vallen; niet alleen dat het hem door deze herkenning onmogelijk werd, zonder met Perrol te breken, Frank zijn vrijheid te hergeven, als het hem toedacht; maar hij kon nu den ruiter zelfs niet eens vrijwaren voor de vervolging van Perrol, zonder dezen rekenschap te geven van zijn gedrag, en zijn ongenoegen op zich te laden. De plannen, zoo vernuftig ontworpen, vielen door de opeisching van den ruiter in duigen, en men wachtte zijn antwoord. Men wist, dat Frank niet vertrokken, maar verborgen of gevangen was; en de schijn kon den Zwarten Ruiter, die valsch grimlachte, niet van het spoor geleid hebben; dit zag hij duidelijk.

Heer Loef zei eindelijk, dat het hem leed zou doen, als de ruiter zich niet bedrogen had, omdat hij Frank sinds geruimen tijd kende, en wel kon nagaan, dat hij niet met slechte oogmerken gekomen was; hij gaf voor, niet te kunnen begrijpen, wat de aanvoerder der Zwarte Bende gemeen had met een man van wapenen van geringen rang; en dat het hem voorkwam, dat deze niets behoefde te weten van het bezoek, dat de vijandelijke ruiter in het huis Oosterweerd had afgelegd.

Walter keerde nu terug; maar daar hij geen haast scheen te hebben om te spreken, en de tegenwoordigheid van den ruiter hem niet zeer aanmoedigde om den mond te openen, zei deze: „Meester Walter, uw heer weet reeds, welke tijding gij brengt: de ruiter Frank is voorloopig op het kamertje boven de poort opgesloten, tot Messire Perrol zijn goedvinden bekend zal maken, niet waar?” Doch Walter antwoordde niet, en plaatste zich zwijgend naast zijn meester, terwijl Froccard heer Loef te kennen gaf, dat hij hem aanried, Frank niet te laten gaan, indien hij met Perrol bevriend wilde blijven; en dat hij, wat hem betrof, wel niets te zeggen had in het huis van Oosterweerd, maar toch verplicht was, zijn meester van de zaak te onderrichten. „Indien ik het verzweeg, Heer, en de zaak werd ruchtbaar, hoewel de knaap en mijn makkers van den ruiter niets weten, dan zou hij mij laten opknoopen, zoo zeker als ik de eer heb tegen u te spreken,” eindigde hij.

„Dat zou jammer zijn,” merkte Walter op, die met onwil de woorden van den ruiter had aangehoord, en wien het verdroot, dat zijn meester zich in zijn eigen huis de wet door een gemeenen ruiter liet voorschrijven.

Doch de oude hofmeester liet zich door zijn drift te veel beheerschen, en verloor daardoor zijn gewone voorzichtigheid. Heer Loef daarentegen had al zijn tegenwoordigheid van geest herwonnen, toen de zaak geheel ontdekt was, en er niets meer viel te verzwijgen; hij voelde dat hij, door zich te houden alsof hij van niets wist, den ruiter had laten merken, dat hij de komst van Frank geheim wenschte te houden; maar tevens vermoedde hij, dat er met den ruiter wel te onderhandelen zou zijn.

Op zijn last ontstak Walter de kaars, die op de tafel stond, en schoof de gordijnen vr het venster.

908SR15.gif (1832 bytes)

Ook in het vertrek van de jonkvrouw brandde reeds licht; zij zat vr het vuur, en had haar kleeding verwisseld. Haar kamermeisje zat tegenover haar en spon, en wierp nu en dan een blik vol medelijden op haar gebiedster.

Reeds tweemaal had men op de deur geklopt, zonder dat Ada iets scheen te hooren: daarom waagde Annetje het eindelijk om zacht te zeggen: „Men klopt op de deur, Jonkvrouw! Is het uw wil, dat ik zie wie er is?”

Het was alsof Ada in haar slaap gestoord was, toen zij werd aangesproken; maar haar oogen waren niet gesloten geweest, hadden genoeg te kennen gegeven, dat geen rust voor een oogenblik haar leed verzacht had. Zij boog toestemmend het hoofd; en toen Annetje haar had bericht, dat de hofmeester haar eenige oogenblikken alleen wenschte te spreken, bedacht zij zich. Zij scheen in tweestrijd; toch gaf een nieuwe buiging van het hoofd te kennen, dat zij er genoegen mee nam, en Annetje verliet het vertrek, toen Walter het binnentrad.

Hij boog eerbiedig, en zei, terwijl Ada stijf voor zich bleef zien: „Gij ziet een oud man vr u, edele Jonkvrouw, die vergiffenis komt vragen voor wat hij gedaan heeft; maar wat gebeurd is, is niet meer te veranderen. De marsman is niemand anders dan heer Frank; ik waag het te vermoeden, dat u dit bekend is. Helaas, indien het u behaagd had te spreken, of hem, om zich bekend te maken, ik zou niet de hand aan hem geslagen hebben, en zijn leven zou nu niet in gevaar zijn.”

„Zijn leven in gevaar?” riep Ada en zag snel op, „wie heeft u dat gezegd. Walter? Dat kan niet zijn; en waarom komt mijn oom niet, terwijl ik hem verzocht heb hier te komen?”

Walter haalde de schouders op, en vervolgde: „Heer Loef is verstoord, omdat heer Frank vermomd dit huis is binnengekomen, en u bezocht heeft; hij beschouwt het als een beleediging, welke u en hem is aangedaan.”

„Een beleediging aan mij?” zei Ada fier. „Ik geloof, dat wij daarover zelf het best kunnen oordeelen. Ha, gij spreekt van zijn leven; denkt mijn oom mij te verschrikken? Zeg hem, dat hij mij niet kent, ik wil niets meer weten!” en zij wendde het gelaat van hem af.

„Waarde Jonkvrouw,” zei de oude hofmeester met een droevige stem: „gij weet nog niet alles. Heer Loef weet niet, dat ik hier ben om met u over heer Frank te spreken. Gij begrijpt zelf wel, dat mijn meester, hoe vertoornd ook, nooit het leven van den jonkman zou bedreigen; maar vooreerst is het in de stad reeds ruchtbaar, dat er een zendeling van heer David, als marsman verkleed is binnengekomen; men doet onderzoek en...

„En zal uw meester zoo laaghartig zijn hem over te leveren in plaats van hem te verbergen?” vroeg Ada, en wierp een verachtelijken blik op den hofmeester. „Neen, ten minste niet uit eigen beweging,” hernam Walter, en haalde nogmaals de schouders op; „maar het volk van de Zwarte Bende heeft hem herkend, en hem opgeischt in naam van Perrol, die hem den dood gezworen heeft; er valt dus niets voor hem te doen, tenzij men als verrader van de stad wil worden beschouwd en de wraak van den aanvoerder der Zwarte Bende op zich wil laden.”

„Heilige Moeder Gods! O, lieve Heer Jezus, wees hem genadig!” riep Ada, haar handen wringend, en de vreeselijke angst, die haar hart aangreep, was op haar gelaat te lezen. – „Walter, gij zijt oud, weldra zult gij er niet meer zijn, en ik zal voor uw ziel laten bidden, alsof gij een edelman en rijk waart; maar red hem! God en alle heiligen zullen het u vergelden,” zei zij en zag hem smeekend aan.

„Ik ben oud, het is zoo, Jonkvrouw,” antwoordde hij, het hoofd schuddend; „maar ook zwak: ik mag het leven van mijn meester niet wagen voor dat van een onvoorzichtigen jongeling; ook letten de Zwarte Ruiters op alles; de eenige hoop is, dat Perrol met de Roode Hand hem genade verleent.”

„Neen, die verleent geen genade. En wie zou die van hem begeeren? Frank ten minste niet!” riep Ada fier, en zij vervolgde schamper: „Zoo is dan een vreemdeling tegenwoordig meester in Oosterweerd! Mijn oom beeft voor de Roode Hand! Maar denkt gij, grijsaard, denkt heer Loef, dat Frank aangeraakt zal worden, zonder dat gij sidderen zult? Ha, is het slot van Wijk zoo ver van hier gelegen, dat mijnheer David zijn zetel niet meer beklimmen, of de Hertog hem op de wapenen van zijn krijgsvolk niet binnen de stad dragen kan? Denkt gij niet, dat heer Jan van Schaffelaar, die ook een bende ruiters heeft, aan het huis van Oosterweerd met zijn zwaard zal aankloppen, en van den heer zijn man van wapenen en vriend zal opvorderen, als Perrol misschien reeds lang verslagen, berecht of naar zijn land teruggekeerd is?”

Terwijl zij sprak, was zij opgestaan en had haar hand dreigend naar den hofmeester uitgestrekt; maar bij de laatste woorden werd de spanning gebroken, die haar tot hiertoe kracht had gegeven; zij viel in den stoel neer, bedekte haar gelaat met haar handen, en eindigde somber: „De wraak, hoe snel, hoe zeker ook, zou hem niet redden, hij heeft het mij gezegd: Perrol zal geen oogenblik verzuimen zich te wreken.” – „Walter,” zei zij eenige oogenblikken daarna, en bedaarder, „waar is mijn neef Reynoud toch? Hij zal het huis van zijn vader bewaren voor zulk een schande, en Frank beschermen tegen de Zwarte Ruiters.”

„Hij keert niet voor morgen terug, Jonkvrouw,” antwoordde Walter; „en zoo hij al gehoor gaf aan uw verzoek of zijn eigen verlangen, zou het hemzelf en zijn vader in het ongeluk storten.”

„Dan zal ik zelf mijn oom gaan spreken. O, indien de zucht om schatten te vergaren hem niet geheel onwaardig gemaakt heeft, zich nog een edelman te noemen, dan zal ik hem overhalen, om in zijn eigen huis, naar zijn eigen welgevallen en volgens de wetten van eer en menschelijkheid te handelen,” zei zij, terwijl zij opstond; maar het was dit niet, wat de hofmeester verlangde, en hij antwoordde: „Helaas, edele Jonkvrouw, uw voornemen, zoo loffelijk, zoo edel, zou misschien geen goede uitwerking hebben; doch mijn meester heeft zich in zijn kamer opgesloten en mij gezegd, dat hij u niet vr morgen wilde zien of spreken, en Perrol kan elk oogenblik verschijnen; zijn volk verwacht hem met ongeduld.”

„Gij zijt wreed, grijsaard!” zei Ada smartelijk; want die naam klonk haar als een doodvonnis. „Maar kan het goud, dat alles kan bewerken, dat alln soms den booze tot goede daden kan uitlokken, hier niets doen?” vroeg zij, en het scheen, dat er een nieuw licht voor haar geest was opgegaan. Maar Walter schudde het hoofd, en antwoordde: „Heer Loef heeft het vruchteloos beproefd, Jonkvrouw. De ruiters zijn voor niets vatbaar dan voor gehoorzaamheid aan hun meester.”

Deze hoop ging dus weer verloren, en het scheen dat Ada geen uitkomst meer zag; zij liet haar hoofd zakken, staarde vr zich en herhaalde, droevig het hoofd schuddend: „Hij zou dus verloren zijn, verloren en zoo jong nog!”

„Waarde Jonkvrouw,” zei toen de hofmeester, alsof het diepste medelijden hem bezielde, hoewel hij slechts op dit oogenblik gewacht had, om haar bekend te maken met wat hij voorhad; „het is zooals gij zegt, hij is zoo goed als dood; maar als u, tegen den wil van mijn meester, die niet weet dat ik hier ben, onderricht heb van het gevaar, dat hem boven het hoofd hangt, is dit voornamelijk, om u het eenige middel te doen kennen, dat hem zou kunnen redden...”

„Zeg mij dat, Walter! O, haast u, verlies toch geen tijd, oude man!” riep Ada, van houding veranderend.

„Het zou noodzakelijk zijn aan heer Loef te bewijzen, dat zijn komst in die vermomming een gegronde reden had...”

„Dat heeft hij; hij is voor die deern hier gekomen,” viel Ada in de rede. Maar Walter, hoewel hij haar vragend aanzag, toen zij zweeg, vervolgde: „en dat in zijn vertoeven in dit vertrek niets ongepasts gelegen was.”

„Maar dit zal immers gemakkelijk vallen!” riep Ada.

„Ik geloof het gaarne, edele Jonkvrouw!” zei Walter, „en dat zal voldoende zijn, om heer Frank in zijn oog van alle schuld vrij te pleiten, en zelfs ook anderen, als het noodig zou zijn; maar, helaas, dit alles kan het leven van den heer ruiter niet beschermen tegen het gerecht van de stad of Messire...”

„O, noem dien naam niet meer. Maar ik dacht, dat gij een redmiddel wist, Walter! Tevergeefs zoekt gij mij te misleiden, er bestaan er geen. O, was Reynoud hier, hij zou mij niet bedriegen,” zei zij verwijtend en schudde het hoofd.

„En zoo ik durfde spreken, nu het er op aankomt? Indien ik te veel verwacht had van mijn stoutheid, en mijn woorden u grievend beleedigden, wat dan, edele Jonkvrouw?” vroeg Walter langzaam, terwijl hij oplettend de houding en de gelaatstrekken van het doodsbleeke meisje gadesloeg.

„Spreek! Spreek toch, Walter! Ik kan alles hooren, ik wil, dat gij spreekt!” riep Ada. Toen boog de hofmeester zich en zei: „indien er een zekere band bestond tusschen mijn meester en de ruiter, die hem noodzaakte, zich voor dezen in de bres te stellen, en die bij het gerecht, en bij Perrol en zijn luitenant tot voorwendsel en reden kon dienen, waarom hij hem had laten ontsnappen, dan zou hij er misschien toe overgaan om de macht van dien ruiteraanvoerder en van de burgerij het hoofd te bieden.”

Met een strakken blik hoorde Ada hem aan; en toen hij zweeg, in angstige verwachting van wat zij zou antwoorden, riep zij kortaf: „Spreek duidelijk, zonder omwegen, ik wil gehoorzaamd worden!” en zij dreigde met den vinger.

„Het is uw wil, en het geldt een menschenleven,” antwoordde Walter ernstig: „daarom zal ik ronduit mijn gevoelen zeggen. Hij is een dapper en jong krijgsman, maar ook niets meer: en gij, mijn Jonkvrouw, gij zijt rijk en uit edele voor ouders gesproten; kunt gij besluiten om hem uw hand te schenken, dan is hij gered; zoo niet, dan wacht hem de dood!”

„Genoeg!” riep Ada, en toen verzonk zij in gedachten; de hardvochtige oude voelde toch eenig medelijden met de ongelukkige jonkvrouw; maar hij besloot den last van zijn meester ten einde toe te vervullen; zelfs deed het hem eenigermate vermaak, dat hij haar kon straffen voor de trots, waarmee zij hem behandeld had.

Een hevige tweestrijd scheen in haar binnenste te heerschen, toen zij heen en weer door het vertrek ging, terwijl Walter de kaars snoot, en met ongeduld op haar besluit wachtte; hij vreesde elk oogenblik, dat een vlaag van ijlhoofdigheid haar zou overvallen en aan alles een einde maken.

„Zoo is de oorzaak van zijn ongeluk, en aan mij zal hij zijn vrijheid en het leven te danken hebben,” zei Ada halfluid, terwijl zij stilstond en zich scheen te beraden; wat zij er nog meer bijvoegde, kon Walter niet verstaan. Eindelijk zette zij zich weer neer, drukte haar hand tegen het voorhoofd, en zei langzaam, doch ernstig: „Mijn besluit is genomen; het middel, dat gij voorstelt, wil ik beproeven. Zoodra hij mijn hand aanneemt,” – hier glimlachte zij treurig, – „zal ik mijn toestemming geven; maar ook eerder niet: en zoolang hij gevangen blijft, zoolang hem eenig gevaar dreigt, behoud ik aan mij, mijn woord terug te nemen.

„Ik beloof mij alles goeds van uw edel besluit, Jonkvrouw,” zei Walter innerlijk verheugd; „en ik hoop, dat ik u spoedig goede tijding brengen zal.” Hij boog, zonder dat Ada scheen te bemerken, dat hij nog in de kamer was, die hij echter haastig verliet.

Waarschijnlijk bemerkte het kamermeisje, dat in het voorvertrek wachtte, bij het flauwe licht van een kleine lamp, dat Walter bijzonder opgeruimd scheen; de vergenoegde lach, die op zijn gelaat te lezen stond, bevreemdde haar, daar haar meesteres zoo treurig was, en er iets met den bisschoppelijken ruiter scheen te zijn voorgevallen, dat zij niet te weten had kunnen komen en dat haar beangst maakte. Waarschijnlijk bemerkte de hofmeester de verwondering, die zij liet blijken, en eer zij hem kon aanspreken, zei hij: „Ik zou u aanraden, Annetje, om terstond naar binnen te gaan en de jonkvrouw niet te verlaten,” waarna hij er ernstig op liet volgen: „Het geeft geen pas voor een jonge deern, om bij knechts en vreemde ruiters naar een rondloopenden koopman te vragen, en heer Loef ziet niet gaarne, dat men zijn neus in andermans zaken steekt; daarom raad ik u aan, meisje, om maar boven te blijven.” Met deze woorden wees hij met zijn vinger op de deur van het vertrek, dat hij zooeven verlaten had, en ging niet heen, voordat Annetje, zonder een woord te durven antwoorden, hoewel haar houding haar ontevredenheid te kennen gaf, de kamer van haar meesteres binnengegaan was.

908SR15.gif (1832 bytes)

Het moeilijkste gedeelte van zijn last meende Walter nu reeds vervuld te hebben. Hij had meer moeite gevreesd, om Ada te doen begrijpen, welk gevaar Frank boven het hoofd hing, en om over haar trots te zegevieren; hij grimlachte, om dat zij zich zoo gemakkelijk had laten wijs maken, dat heer Loef haar niet te woord zou staan, en Frank aan zijn vijanden zou uitleveren. Wat den jongen ruiter betrof, hij stelde zich voor, dat niets gemakkelijker zou zijn, dan met dezen de zaak ns te worden; daar hij met zekerheid vermoedde dat deze, tot nog toe, alleen uit besef van zijn onwaardigheid om de hand van jonkvrouw Ada te verkrijgen, bij heer Loef niet het minste aanzoek had gedaan om deze gunst van hem te verwerven, en nooit had laten blijken, dat hij op de jonkvrouw of op haar goederen verzot was.

Hij haastte zich, om zich naar een ander gedeelte van het huis te begeven, opende met een sleutel, dien hij bij zich droeg, de zware deur van een donkere gang, en hield de hand vr de vlam van de lamp, die door de zuiging van de lucht bewogen werd; hij sloot de deur niet achter zich, maar zette haar op een haak, deed, eenige voetstappen verder, de grendels van een kleine deur weg, en opende die. Dit gedeelte van het gebouw lag, zooals Froccard gezegd had, boven de buitendeur van het huis, en de hofmeester had begrepen, de deur van het kamertje niet met den sleutel te moeten sluiten, om Frank niet al te veel argwaan te laten blijken.

Zoolang het nog dag was, had Frank nu eens het kleine vertrek op en neer gewandeld, dan weer voor het kleine en met ijzeren staven voorziene raam stilgestaan, om naar buiten te zien, maar hij was Kars niet gewaar geworden. De trouwe jongen zou hem buiten wachten; maar was misschien reeds vertrokken en had de hoop opgegeven, om hem terug te zien keeren, of hij wachtte nog.

Zijn gevangenneming verwonderde hem niet, maar wel dat Walter zoolang wegbleef, nadat hij zich bekend gemaakt had. Welke reden toch kon heer Loef hebben om hem niet te willen spreken? Toen eindelijk het eene oogenblik na het andere vervloog, zonder dat hij iets hoorde, dan nu en dan eenig gerucht onder in het gebouw, toen verwonderde hij er zich over, dat de deur, hoewel niet op slot, was dichtgegrendeld en hij huiverde, toen hij zich herinnerde, dat Froccard hem bij den ingang van het huis had ontmoet, en een oogenblik had stilgestaan om hem met aandacht te beschouwen.

Frank hoorde noch het ontsluiten van de gangdeur, noch het geluid van de grendels, toen zijn gevangenis geopend werd; de gewoonte, welke Walter aangenomen had, om al wat hij verrichtte zoo zacht mogelijk te doen, en de aandoeningen, die het hart van den ruiter beheerschten, waren er de reden van. Doch toen opeens een vrij helder licht in de kamer drong, dat door het glasraam teruggekaatst, het oog van Frank pijnlijk aandeed, keerde hij zich snel om en riep:

„Ha, zijt gij daar eindelijk? Breng mij naar uw meester!”

„Ik breng u licht,” was het antwoord van Walter, die eenigszins verbaasd achteruitging, toen de ruiter op hem toetrad. Het doodsbleek gelaat en de hevige gebaren van Frank verwonderden hem, maar hij herstelde zich en dacht: „Hij is reeds bevreesd, en alles zal zich wel schikken.”

Frank liet hem echter niet veel tijd, maar herhaalde zijn verzoek en Walter zei, terwijl hij de lamp neerzette: „Ik heb daartoe geen last, Heer, maar kom om voor uw veiligheid te zorgen.

„Voor mijn veiligheid?” riep Frank verwonderd, „alsof ik mij daarom bekreunde. Walter, hebt gij geen geheugen meer, of wilt gij mij razend maken? Ik wil heer Loef spreken, breng mij in Gods naam bij hem, of gij laadt een verschrikkelijke verantwoording op uw ziel.”

De oude grimlachte, maar gelukkig bemerkte de ruiter er niets van, en hij zei ernstig: „Mijn lieve Heer, mijn meester weigert u te zien; nooit zag ik hem zoo driftig, en ik geloof niet, dat hij zich weer met u verzoenen zal, na wat er gebeurd is.”

„Na wat er gebeurd is?” herhaalde Frank, nadenkend en deed een stap achterwaarts, toen vervolgde hij driftig: „Bij God en St. Maarten, is uw meester dan geen edelman meer? – Ha, ik begrijp nu al, waarom ik gevangen ben, en hij mij niet te woord durft staan, heer Loef staat in soldij van Perrol; – de Roode Hand beveelt hem, en werpt hem het goud voor de voeten, – de Zwarte Ruiters laten hun zwaarden slepen in het huis Oosterweerd, de gewelven weerkaatsen hier hun veldgeschreeuw, en de gevangenissen zijn ten dienste van Perrol!” „Is het mogelijk! Heeft de koude van dit vertrek uw hersenen gekrenkt?” zei Walter en trad terug, terwijl hij verbazing en afkeuring liet blijken, „en dit zegt gij aan zijn hofmeester! – Weet gij wel eens, wat hij u verwijt, of wat ik kom doen?”

„Welnu, Walter?” zei Frank vragend, en hij matigde zijn drift.

„Zijt gij niet verkleed in zijn huis binnengeslopen? Hebt gij u niet een geruimen tijd in het vertrek van zijn nicht opgehouden? Heeft hij geen billijke reden om rekenschap te vragen van uw gedrag, dat hem beleedigt, en den goeden naam van de jonkvrouw benadeelt?”

„Heb ik iets gedaan, dat verkeerd is, Walter,” antwoordde Frank, „ik zal hem verschooning verzoeken; was hij jonger en een ruiter evenals ik, dan zou er een middel voor hem zijn, om niet het zwaard rekenschap voor deze voorgewende beleediging te vragen. Voorheen wantrouwde hij mij niet zoo!”

„Ha, gij spreekt van vechten,” zei Walter treurig, en hij liet de arm zakken. „Arme Heer, nog zoo jong loopt uw leven reeds ten einde, – de vermomming brengt het verderf over u, – gij moet sterven!”

„Nog niet!” riep Frank snel, alle gedachten aan een naderend einde van zich afwerpend, maar toen Walter het hoofd schudde, vroeg hij: „Heer Loef wil dus met een moord de eer van zijn geslacht weer opluisteren, of volgt hij hoogere bevelen? – Wat geeft Perrol hem wel voor mijn leven?” en hij lachte verachtelijk.

„Indien mijn heer uw dood wenscht, dan wil ik hier voor u dood blijven,” riep Walter. „O, hoe zeer miskent gij hem! – Neen, men weet, dat gij hier zijt; het gerecht kan elk oogenblik komen, en de Zwarte Ruiters hebben u herkend; er blijft hem dus niets over dan u uit te leveren.” Toen droeg hij hem alles voor, zooals hij het aan Ada gezegd had, het zou hem leed doen, dat iemand als de ruiter niet in een gevecht een roemrijken dood vond, maar door de verachtelijke hand van den beul op aandringen van een Perrol, kwam te vallen, daarom kwam hij hem bezoeken.

„Gij gelooft dus, dat de ongelukkige jonkvrouw mij haar hand wil schenken zonder zich vernederd te voelen, tot mij af te dalen?” vroeg Frank verwonderd en vervolgde toen Walter dit beaamde: „Welnu, dan wil ik van geen priester weten: haar woord is immers genoeg. Wie zegt u, dat dit middel mij zal redden? Waarom zou de jonkvrouw het weduwkleed dragen over iemand, die door den beul vermoord is? Doch gelooft gij ook, dat heer Loef dit huwelijk of deze trouwbelofte niet zal aanmerken als een nieuwe schande voor zijn geslacht en een nieuwe beleediging voor zijn persoon, omdat alles zonder overleg met hem geschied is? – Ja, dat hij zich zelfs verplicht zal rekenen mij te redden?”

„Ook dat geloof ik,” zei Walter. „En wilt gij zeker zijn, zoo zullen wij het met zooveel woorden in de trouwbelofte zetten, dat gij de jonkvrouw Van Rijn belooft te nemen tot uw echte vrouw, als gij u dezen nacht vrij en frank buiten de stad zult bevinden. – De inzegening ontvangt gij dan later; wat wilt gij meer?” vroeg Walter grimlachend, omdat hij besefte, dat het den ruiter niet bekend was, welk belang heer Loef had, om zijn nicht juist aan hem uit te huwelijken.

„Hofmeester,” zei Frank ernstig, „indien heer Loef zich voor mij in de bres zal stellen, als hij verneemt, dat zijn nicht mij trouw beloofd heeft, dan aarzel ik niet uw raad te volgen,” en toen hij zag, dat deze den mond wilde openen, vervolgde hij snel: „Maar het meisje, dat door de Zwarte Ruiters hier is gebracht, moet mij vergezellen!”

„Onmogelijk,” riep Walter, wiens gelaat, dat zooveel tevredenheid vertoonde, opeens spijt en teleurstelling verried; maar hij haastte zich te vervolgen: „Van welk meisje spreekt gij, heer Frank? Die ruiters zullen wel meer dan n deern hebben; maar op den dag, dat gij de jonkvrouw trouw belooft, zou ik mij niet bemoeien met meisjes van de Zwarte Ruiters, ha, ha!”

„Lach niet, Walter,” zei Frank met nadruk; „ik bedoel haar, die in den verloopen nacht hier is binnengebracht; zij is de bruid van een edelman, het is Maria, Wouter’s dochter, en in naam van heer Jan van Schaffelaar eisch ik haar op!”

Wat Frank zei, was wel geschikt om Walter tot nadenken te brengen. Hij voorzag hoe’n onaangename tijding die voor zijn meester zou zijn, die gehoopt had, dat het een meisje was, waarover zich niemand zou bekommeren. Kwaadheid

Over de misleiding van Froccard, die nu duidelijk was, en teleurstelling over dezen eisch van Frank, die de reeds zoo goed als gesloten overeenkomst weer geheel verbrak, sloten hem eerst den mond, waarna hij langzaam vroeg: „Hebt gij het wel? Bedriegt gij u niet, dat zij een meisje hier gebracht hebben? Ik zou het immers moeten weten!”

„Gij weet het wel!” riep Frank snel. „Het is tevergeefs, dat gij mij zoekt te bedriegen; durft gij nog heeten liegen, wat ik gezegd heb? – Zij hebben hier een meisje gebracht!”

„Een meisje?” zei Walter. „Nu, zoo gij wilt, hoewel gij u zoudt kunnen vergissen, ja, dan is er nachtverblijf verzocht voor een meisje of een vrouw, ha, ha! De ruiters zeiden mij, dat zij mooi en jong was, en schoon kon spreken en zingen: ik dacht dat het een ribaude was, want zoowaar ik leef en bij mijnheer St. Andreas, ik heb haar niet gezien.

De woorden van den hofmeester troffen den ruiter; hij herinnerde zich nu de vrouwenstem, die hij ’s morgens te Eemnes gehoord had. Zou hij zich bedrogen hebben en het spoor van een ander slachtoffer van Perrol gevolgd zijn? En toch, de berichten, te Soest ingewonnen, waren zoo duidelijk, dat er tot nog toe geen twijfel hij hem was opgekomen. „Ha, als satan mij eens misleid had,” dacht hij en huiverde. Vergeefs trachtte hij op het gelaat van den ouden man, die vr hem stond, te ontdekken, of hij de waarheid sprak; aan de eene kant bevreemdde het hem, dat heer Loef zijn huis zou leenen om een vrouw tegen haar wil gevangen te houden, maar aan den anderen kant wekte het bij hem argwaan op, dat hij weigerde om hem te spreken, en hij vermoedde, dat de gevangene Maria wel kon zijn, zonder dat Walter of zijn meester het met zekerheid wist. Hij trachtte den hofmeester dus over te halen, zijn heer te bewegen haar de vrijheid te hergeven, maar deze verklaarde stellig, dat heer Loef daartoe niet zou besluiten zonder goedvinden van Perrol, doch dat hij in elk geval zeker niet zou nalaten, dezen dringend te verzoeken de vrouw te laten gaan, indien zij tegen haar zin werd opgehouden, vooral als zij de dochter van den smid was, wat hij echter niet geloofde. „Het is honderd tegen n, Heer,” eindigde hij, „dat zij het meisje is, dat gij zoekt; verwerp daarom op zoo’n lossen grond het middel niet, dat ik heb uitgedacht om u te redden, en dat u tevens rijk en gelukkig maakt; elk oogenblik kan men u komen gevangennemen, en dan is het te laat.”

„Ik zal het gerecht hier verwachten,” antwoordde Frank vastberaden. „Ik dank u, Walter, indien gij het wel met mij gemeend hebt, en indien uw aanbod niet een duivelsche list geweest is, om mij van haar te verwijderen. Eens zal het mij bekend worden, of de jonkvrouw mij inderdaad haar hand heeft willen schenken, of dat men mij slechts daarmede heeft gevleid, om mij door deze eer en haar rijkdommen te verbinden, maar ook dan, grijsaard, zal ik rekenschap vragen van dit bedrog. – Ga nu heen naar uw heer,” vervolgde hij dreigend, „en zeg hem, dat de bruid van Jan van Schaffelaar, aan haar ouders en uit het klooster ontroofd, zich hier in zijn huis bevindt; dat elk van haar tranen hem droppels bloed kan kosten, en dat het minste geweld, dat haar wordt aangedaan, zoo goed zal zijn als zijn doodvonnis!”

„Helaas, ik verwachtte een verstandiger besluit,” zei Walter, die niets liet blijken van teleurstelling over het weigeren van zijn voorslag. „Gij wilt dus uw vrijheid, uw leven opofferen voor een vrouw, die u waarschijnlijk vreemd is, en de vereeniging met jonkvrouw Ada, die u bemint, belooft u zooveel geluk! Ik herhaal het, elk oogenblik kan men u komen halen, en dan zult gij te laat uw onvoorzichtigheid beklagen.”

„O neen!” riep Frank vurig. „Ik zou alles willen geven, dat men mij nu reeds gevangen had genomen; of denkt gij, dat zij, die de macht hebben om mij uit deze kamer te halen, ook niet de macht zullen hebben, om de dochter van een burger van Amersfoort op te eischen, die hier tegen alle wetten gevangen wordt gehouden? – Of denkt gij, dat dit huis niet zal moeten worden geopend, als de burgers te weten komen, dat de dochter van Wouter, uit de Vergulde Helm hier door Perrol gebracht is, zoo uw meester al den moed had te loochenen, dat zij hier is?”

„Gij dreigt, Heer, en zijt gevangen,” antwoordde Walter gemelijk en geraakt over de halsstarrigheid van den ruiter; „gij berekent niet, dat heer Loef niets weet van wat ik u heb voorgeslagen, en reeds op u verstoord is. Op uw last en volgens mijn plicht zal ik hem zeggen, wat uw voornemen is, en hij zal zeker niet verkiezen, dat de burgerij, die zich reeds genoeg op de adelijken allerlei gezag wil aanmatigen, op de been gebracht wordt, omdat de een of andere deern hier, op verzoek van een vriend, overnacht heeft. Als het gerecht dus komt, zal het antwoord zijn: de vreemde marsman is reeds lang vertrokken, en – gij blijft hier om Messire Perrol af te wachten en hem die Maria zelf af te vragen.

„De naam van den aanvoerder der Zwarte Bende boezemt in dit huis groot ontzag in; helaas, ik moet het tot schande van uw meester zeggen,” riep Frank. „Maar al is heer Loef, tot schande van zijn adelijk geslacht, laaghartig genoeg, om uit vrees of voordeel dien vreemden maagdenroover te dienen, ik vrees hem niet, hoewel ik slechts een gemeen ruiter ben. Mijn vriend Van Schaffelaar en mijnheer David zullen van uw meester en zijn knechts rekenschap vragen van wat het onschuldige kind en mij geschied zal zijn; noem dan den vervloekten naam van Perrol en het zal uw aller straf nog verschrikkelijker maken. De hofmeester haalde de schouders op en grimlachte, terwijl hij achteruit naar de deur trad, en zei: „Het is goed, dat deze muren en ik alleen hooren, wat gij zegt; niemand zal ooit weten, wat er binnen Oosterweerd gebeurd is. – Het doet mij leed, want ik had het goed met u voor; – maar gij wilt niet.” „Verheug u niet over mijn onmacht, Walter,” riep Frank driftig, „en vergeet niet te veel, dat alleen uw grijze haren mij weerhouden uw hoofd tegen deze muren te verpletteren, die dan ook uw laatste woorden hooren zullen, – vergeet niet, en doe uw meester wel beseffen, dat de bijstand van mijnheer St. Maarten mij kracht kan geven, en Maria, beschermd door de heilige Moeder Gods, veilig is, zelfs in dit huis, voor Perrol en zijn medehelpers, en zeg hem, dat zelfs de redding nabij is; er is iemand in de stad, die weet, dat zij en ik hier gevangen worden gehouden.”

„Het kortste antwoord op wat gij gezegd hebt, Heer, zal zijn den jongen bij u te brengen, op wiens hulp gij schijnt te bouwen, hernam Walter ernstig, terwijl hij snel het kamertje verliet. Juist nu heer Loef door de slimheid van zijn hofmeester zijn oogmerk zou bereiken, werd het beraamde plan vernietigd; want daar men aan het verlangen van den ruiter kon noch durfde voldoen, moest men hem gevangen houden, om zich van zijn stilzwijgendheid te verzekeren, zonder dat deze daad van geweld eenige vruchten opleverde.

Toen Frank zich weer alleen bevond, liet hij zich op een bank neervallen en beducht, dat elk oogenblik tijdverlies Maria ongelukkig kon maken; maar nog ondersteunde zijn hoofd met zijn handen. Vr de komst van Walter was hij was hem de hoop overgebleven, dat heer Loef hem te woord zou staan, en hij van hem haar redding zou kunnen verkrijgen; doch ook deze hoop was nu voor hem vervlogen. Het middel, hem door Walter aan de hand gedaan, om zijn vrijheid te verkrijgen, boezemde hem niet veel vertrouwen in; hij kon niet gelooven, dat Ada zooveel voor hem wilde doen, en dat de oude dienaar zooiets durfde bewerken buiten goedvinden van zijn meester. Hij had gehoopt, dat Walter zich zou hebben laten bewegen Maria in vrijheid te stellen, want hij wist niet, dat de gevangene van Perrol door diens ruiters bewaakt werd. De hofmeester had niet de minste vrees laten blijken of verraden, dat hij vermoedde, dat het de bruid van Van Schaffelaar zijn kon, en Frank dacht na, of hij wel goed gedaan had, met de aanbieding van Walter van de hand te wijzen, of het niet voorzichtiger geweest zou zijn, eerst voor zijn vrijheid te zorgen, daar hij nu toch niets voor Maria doen kon. Hij werd in zijn overdenkingen gestoord, doordat de deur geopend werd, en Kars bij hem werd gelaten; dit overtuigde hem, dat de hofmeester zijn woord hield.

De jongen was verheugd, dat hij hem weerzag, en verhaalde, dat hij reeds een geruimen tijd geleden door een der Zwarte Ruiters naar binnen gelokt en vastgehouden was. Frank verborg zooveel mogelijk het leed, dat hem drukte, en trachtte Kars te beduiden, dat hij niets behoefde te vreezen, daar alles op zijn rekening zou komen; ook zei hij hem niet, dat zijn laatste hoop geweest was, dat hij, Kars, iets in het werk zou hebben kunnen stellen, om Maria te verlossen.

908SR15.gif (1832 bytes)

Frank had zich niet bedrogen: het was de dochter van meester Wouter, die door de ruiters in het huis van heer Loef gebracht was. Perrol had Froccard gelast haar te vergezellen, en hem gezegd, dat hij voor Maria, zonder haar naam echter te noemen, nachtverblijf moest verzoeken bij den heer Van Oosterweerd. Hij had hem vermaand zorg te dragen, dat zij niet ontsnapte of verlost werd, daar hij haar den volgenden dag van hem zou terugvragen. Was hem het bevel over de ruiters opgedragen, het was hem op verbeurte van zijn leven verboden Maria te verzorgen of aan te raken. Zijn knaap Vidal, wien hij vroeger gelast had hem nooit meer onder de oogen te komen, en die als de trouwe hond, welke zijn meester volgt, den anderen morgen, toen hij het huis van den smid verliet, weer voor hem verschenen was, was nog altijd in zijn dienst. Hij kende hem, en had hem weer in genade aangenomen. De bewaring van Maria, waaraan hem om zijn eer en uit wraakgierigheid zooveel gelegen was, durfde hij niet aan den knaap vertrouwen, en het bevel over de ruiters werd dus opgedragen aan Froccard, terwijl Vidal, dien zij kende, haar kon verschaffen, wat zij verlangde of noodig had, en haar te woord kon staan. Het vertrouwen, dat hij stelde in de doortraptheid van Froccard, en het verlangen dat hij had, om Maria door de noodelooze beleedigingen van dezen niet nog meer tegen zich in te nemen, waren oorzaak van deze beschikking.

Geen oog had Maria geloken, geen enkel oogenblik van rust had haar de krachten gegeven om haar leed te dragen, sedert Perrol haar in het klooster met zijn arm had omvat.

Maria wist niet, in welk huis zij zich bevond; zij had aan het geluid der klokken gehoord, dat zij niet in Amersfoort was gebracht, en meende om dezelfde reden, dat zij in Utrecht werd vastgehouden. Maar wat baatte haar dit? De kamer, waarin men haar gebracht had, was niet groot doch zindelijk en boven in het huis gelegen; het kleine raam, dat dichter bij de zoldering dan bij den vloer was, zou haar bij dag gelegenheid gegeven hebben een gedeelte der stad te overzien; maar het was z hoog geplaatst, dat zij het niet bereiken kon Een tafel, een stoel en een paar bankjes, maakten, buiten het bed, al het huisraad uit; doch het vertrek werd vrij goed door een turf vuur verwarmd, en door een lamp verlicht.

Met het aanbreken van den dageraad, was er een flauwe straal van hoop in haar treurend hart binnengedrongen, maar sedert het avond geworden was, gevoelde zij zich weer dubbel ongelukkig en ellendig. Vergeefs had zij de uren geteld, of aan Vidal gevraagd, waar zij was, en hem om deernis gesmeekt; het eene uur verliep na het andere en niemand daagde op om haar te redden. De knaap antwoordde haar niet, maar voorzag, de schouders ophalend, het vuur, of vermaande haar om iets te nuttigen. Helaas, het kwam zelfs niet in hem op, haar aan te raden zich te troosten en haar tranen te drogen; hij wist immers, wat haar boven het hoofd hing, en dat niets haar uit de macht van Perrol zou kunnen verlossen.

Het vuur, dat ineenviel, juist toen zij er het oog stijf op gericht hield, deed haar van schrik opspringen; zij schoof toen met haar hand de blonde lokken ter zijde, die uit den doek te voorschijn kwamen, welke haar hoofd bedekte, en grimlachte bitter. Eenige vallende turven hadden haar verschrikt, alsof er nog iets anders voor haar te vreezen was dan de komst van den aanvoerder der Zwarte Bende. Toen vouwde zij de handen tezamen, sloeg haar oog hemelwaarts, en boog het hoofd voorover; maar een zacht gekraak deed haar opzien en het oog op de deur vestigen. „Zou Vidal reeds weerkomen,” dacht zij; maar de deur bleef gesloten. Meer ongerust zag zij nu om zich heen langs den bruinen eikenhouten wand, die het vertrek tot menschenhoogte bekleedde; maar zij sprong snel op, en staarde met verwilderde blikken op een gedeelte van het beschot, ter zijde van den schoorsteen. Een der paneelen was omstreeks twee voet geopend, en terwijl zij, als een riet bevende, weer op den stoel terugviel, zou zij een gil van angst en vertwijfeling gegeven hebben, indien niet haar tanden door vrees en wanhoop op elkander waren geklemd; want zij zag iemand, die een slip van zijn mantel voor het gelaat hield en in den muur bleef staan. Het scheen dat degeen, die van deze onverwachte zijde naderde, een blik door het vertrek wilde werpen, voordat hij binnentrad, want hij deed nu een schrede voorwaarts, zoodat zijn hoed buiten den muur kwam. Al haar krachten verzamelend, liet Maria zich voorover op den grond neervallen, en stak de handen smeekend op. O, dat gevreesde oogenblik was dan daar; de man, die haar ongeluk gezworen had, kwam zijn belofte na; ten tweede male bevond zij zich in zijn macht, kwam hij in het duister en nu langs een geheimen weg haar overvallen, en nu kon niemand haar redden; haar moeder en haar vader waren nu zoover verwijderd, en alles gehoorzaamde aan de wenken van Perrol. Maar het was zoo ver nog niet met haar; want de vreemdeling liet den mantel los, tilde den hoed op, bracht den vinger voor den mond, en riep zacht: „Stil, ik kom u redden!”

Slechts flauw had zij zijn woorden verstaan, het was Perrol niet! Maar het lieve kind had te veel geleden, dan dat deze toezegging van redding haar niet hevig zou hebben getroffen; zij had alleen de kracht om haar handen naar den onbekende uit te steken, en zou misschien op zij in het vuur gevallen zijn, indien hij niet snel, doch behoedzaam uit den muur was gesprongen en haar had opgevangen.

„Maria, bij het lichaam onzen Heer zweer ik u, ik kom u redden; gij kunt mij vertrouwen,” fluisterde hij haar in het oor; want hij dacht, dat zij voor hem nog bevreesd was, en dat zij hem om ontferming had willen smeeken. Zijn oogen werden vochtig, terwijl hij haar in zijn armen oprichtte, en hij bewonderde de bleeke, maar schoone gelaatstrekken van de bruid van Van Schaffelaar; maar weldra opende zij, door zijn woorden in het leven teruggeroepen, haar oogen, welke zij gesloten had, zag hem aan, en knikte met het hoofd, toen hij vroeg: „Zijt gij Maria, Wouter’s dochter, arm kind?” Zijn houding en kleeding verrieden, dat hij geen knecht of burgerman was, en zijn gelaat, dat goedheid uitdrukte, en gevormd scheen om vertrouwen in te boezemen, deed haar geen oogenblik twijfelen aan zijn woorden, en zij vroeg, terwijl zij met zijn hulp opstond: „De heilige Moeder Gods heeft dus mijn gebeden verhoord en u gezonden om mij te redden?”

„Ja, Maria,” antwoordde hij, doch toen zij naar de opening trad, waaruit hij gekomen was, vervolgde hij snel: „Ik kom om u te redden, maar ik kan u niet redden, zooals ik wil; ik heb meer plichten te vervullen. Zeg aan hen, die u bewaken, dat gij u ter ruste wilt begeven, en verzoek hun, dat zij niet meer uw kamer binnentreden.”

„O, laat mij met u gaan,” riep Maria smeekend, maar hij antwoordde, terwijl hij het hoofd schudde, en terugkeerde: „Dat kan niet, meisje, maar vertrouw op mijn woord: gij ziet mij weer, zoodra gij tegen dit beschot klopt;” en hij verdween in den muur; de opening sloot zich, en het was alsof er geen deur of doorgang was.

Neerslachtig liet Maria de armen zakken, en staarde naar de plaats, waar zij nog zooeven den vreemdeling gezien had. Was het zinsbedrog, of had zij het wel? Had de hemel eindelijk haar bede verhoord, of was het een droom? Zou iemand als een reddende engel vr haar verschijnen, als zij hem riep, of zou alleen de stem van haar bewakers haar antwoorden? Tevergeefs lichtte zij met haar lamp langs het beschot en zij zette de lamp weer neer. Maar de woorden van den vreemdeling had zij toch gehoord; wie anders dan hij, had haar op den stoel neergezet? Zij besloot dus te doen, wat haar gelast was.

Op haar kloppen tegen de deur ontstond er eenig gerucht in de gang; men ging zeker Froccard er van verwittigen, want na een kort tijdsverloop werd de deur geopend, en Vidal trad binnen, terwijl Froccard, in de deur stond en zag wat hij deed, en vervolgens toeluisterde, wat er gesproken werd.

Zij had zich weer neergezet en het licht zoo geplaatst, dat het niet op haar viel; zij voelde, dat zij niet moest laten blijken, dat een straal van hoop in haar gevangenis was doorgedrongen. Zij was bevreesd, dat ieder op haar gelaat de vreugde van haar hart zou lezen, en was minder beducht voor Vidal dan voor den man, die den sleutel van haar kamer droeg. Zelfs was zij beangst, dat haar stem haar zou verraden; zij was niet gewoon iets voor anderen te verbergen; maar het gevaar, waarin zij verkeerde, noodzaakte haar er toe. „Vidal,” antwoordde zij langzaam op de vraag van den knaap, wat zij verlangde: „het is reeds laat, en ik ben zeer vermoeid; indien ik dezen nacht moest doorbrengen als dezen dag, dan geloof ik, dat ik morgenochtend dood zou zijn; ik wil dus trachten te rusten; mogelijk, dat de slaap mij zal verkwikken; want ik heb reeds zooveel geleden.”

„De Hemel doet u dus eindelijk gehoor geven aan mijn smeekingen,” zei Vidal verheugd, en hij zag met deelneming op het meisje neer; „de rust zal u goed doen: als men slaapt, lijdt men niet meer; de slaap geeft krachten om nieuw leed te dragen.”

Maria knikte hem toe, en vervolgde: „Er is olie genoeg in de lamp; zij zal niet uitgaan, voordat de dag aanbreekt; ik zal het vuur voorzien, en u dan verlaten.” „Maar zei Maria beschroomd, en vervolgde, terwijl zij haar ongerustheid verborg: „maar Vidal, de deur kan ik niet grendelen. Helaas, ik verlang zoo naar rust, maar ieder kan in dit vertrek komen, en ik durf mij niet neerleggen.” Froccard liet een spottend gelach hooren; de knaap echter, die turf en hout op het vuur legde, richtte zich op en antwoordde vriendelijk: „Laat dit u niet weerhouden om den slaap te zoeken, Maria! Men zal niet in uw kamer komen, voordat gij het zelf verlangt; vertrouw daarop.”

„Vertrouw daarop,” spotte Froccard. „Zal de bruidegom niet binnengaan bij de bruid, als hij het wil? – door het kleed een bruid des hemels, maar inderdaad bruid……

„Zwijg!” viel Vidal hem driftig in de rede; „juicht uw laffe ziel van vreugde, omdat het geluid van bus en slang u slechts uit de verte in de ooren klink, die gij reeds honderdmaal had moeten verliezen? Hier ten minste zult gij de onschuld met uw helsche vreugde niet vermoorden!”

Hier zweeg hij eenige oogenblikken, zag vr zich neer, zuchtte en vervolgde toen goedhartig tegen het meisje, dat haar gelaat in haar handen verborgen had en weende: „Helaas, meisje, satan liegt; maar zijn dienaar spreekt nu misschien de waarheid; en sluit toch gerust uw oogen, Maria! Ik zelf zal de wacht houden en aankloppen, voordat men de deur opent.”

„Zult gij het doen?” vroeg Maria, vriendelijk naar hem opziend; maar toen Vidal, op Froccard wees en antwoordde: „Zoowaar ik leef, hij zal niet binnenkomen, voordat ik u gewekt heb,” riep deze: „Hij is zeker zelf mijnheer satan, lieve non, want hij liegt; ik heb nooit moed noodig gehad om te doen wat ik bedreven heb. Hij zelf is lafhartig; als de aanvoerder zijn stem laat hooren, en hij zal sidderen van vrees, maar niet durven aankloppen, als Messire mij gelast uw kamer te openen. Slaap dus gerust, lieve bruid, die een schoon paard ten huwelijk brengt!”

Het valsche gelach, dat zijn rede besloot, beleedigde Maria echter niet lang. „Ellendeling!” riep Vidal toornig, die nu met getrokken dolk op den ontloopen monnik toesprong; en het staal zou Froccard in den voorheen kaal geschoren kop doorgedrongen zijn, die door geen helm bedekt werd, zoo hij niet bijtijds teruggetreden was en de deur had toegehaald. Met moeite trok Vidal zijn wapen uit het hout, waar het met kracht was ingestooten, en riep met verachting: „Kom maar terug; bij de banier van mijn heer, ik zou daar bijna den beul in zijn brood benadeeld hebben; gij behoort niet door een goeden stoot te sterven; zoo’n zachte dood zou doen twijfelen aan een oordeel hier op aarde, – Meisje,” vervolgde hij hierop met waardigheid, en zijn oog fonkelde niet meer van toorn, maar van edele zelfvoldoening over het besluit, dat hij genomen had: „Ik zeg nogmaals, leg u gerust neer, ik zal u bewaken en wekken.” Hierop trad hij nader bij de tafel, terwijl Froccard, die de deur in zijn hand hield, zijn bleeke en door schrik en woede afzichtelijker dan ooit geworden tronie in de kamer stak, en eindigde zacht: „Maria, ik zal kloppen, zelfs als de aanvoerder komt; maar bid voor mijn arme ziel; want ik zie u niet meer. De heilige Moeder Gods bescherme u; – slaap wel Maria!” De toon, waarop hij deze laatste woorden uitsprak, overtuigde haar, dat hij zijn woord zou nakomen; maar zijn stem beefde. Maria was te sterk getroffen door zijn goedheid, dan dat zij hem terstond kon antwoorden. Vrdat hij de kamer verliet, wierp hij nog eens een blik vol medelijden en bezorgdheid op het lieve meisje, dat hem met de hand toewenkte om hem te danken voor wat hij voor haar wilde doen, boog, en de deur werd weer gesloten.

Nauwelijks echter was de sleutel in het slot omgedraaid, of Maria sprong op; een zachte uitroep van schrik ontglipte haar, en zij snelde naar de deur, haar armen uitgestrekt, als wilde zij den knaap bidden om terug te keeren. Midden in het vertrek bleef zij evenwel in treurig nadenken verzonken, staan. Zij weende. Toen keerde zij, nog half besluiteloos, terug, trad naar het beschot en klopte.

Met bange verwachting zag zij langs den eiken wand; het zou nu blijken, of zij zich door een droom had laten misleiden, of dat haar redding werkelijk nabij was; en toen alles stil bleef, klopte zij nog eens met haar sidderende vingers tegen het hout. Er was haar alles aan gelegen, dat de muur zich opende; eer en geluk, zoowel hier op aarde als daarboven in den hemel, stonden op het spel. Zij sloeg haar vochtig oog smeekend ten hemel, en toch greep een droevig gevoel van berouw haar aan, toen het beschot boewoog, de vreemdeling in de kamer stapte en zei: „Het heeft lang geduurd, en de tijd is kostbaar; waarom weent gij, meisje?”

„De brave knaap heeft beloofd mij te waarschuwen, als iemand, zelfs zijn meester, hier zou willen binnen treden, en dat zal hem het leven kosten. O, zeker, want Perrol zal het hem niet vergeven; – daarom ween ik, Heer, de knaap is zoo goed, en ik offer hem voor mij op!”

De vreemdeling, die verwonderd was geweest, haar met tranen in de oogen te vinden, zag haar met welgevallen aan en zei bemoedigend: „Bedroef u niet, Maria, en beschuldig u zelf niet. Zooals de hemel mij toestaat u te redden, zal Hij ook een middel vinden, of mij toelaten den knaap voor den toom van zijn meester te beveiligen; en zoo niet, dan zullen wij voor hem bidden; het is schoon en zalig te sterven in de verdediging der onschuld.”

Maria hoorde hem aan; de zachte en welluidende stem van den vreemdeling klonk haar troostvol in de ooren; zij las met vertrouwen op zijn edel gelaat, dat de knaap in hem een ijverigen, en naar zij vertrouwde, ook een machtigen beschermer zou vinden.

„Meisje,” zei hij toen, „er is iemand in dit huis, die gekomen is om u te redden.” „O, ik hoopte het wel, maar kon het niet verwachten; Van Schaffelaar, niet waar, Heer, – mijn bruidegom?” riep zij vragend, en een lichte blos kleurde haar wangen bij het uitspreken van het laatste woord.

„Neen, Maria,” zei hij; „de krijgsman heeft dikwerf zware plichten te vervullen; als de trompetten schateren en de banier ontrold is, gebiedt de eer hem, vrouw en kinderen te verlaten, en toch verwerft hij zich zoo gemakkelijk een bruid.” Hier zuchtte hij, en luisterde, en Maria, die niet wist, waarom zijn woorden als een zacht, maar droevig verwijt klonken, trachtte eveneens te ontdekken, wat hij hoorde. Een verwijderd, maar dof geluid klonk haar nu in de ooren, en bij tusschenpoozen verhief het zich. O, zij herinnerde het zich nu: reeds lang had zij dat zachte, maar sombere gestommel gehoord, zonder er acht op te geven, of te vermoeden, wat het was; maar nu drukte elke dreun met zulk een geweld op haar hart, dat zij met moeite en vertwijfeling uitriep: O, mijn God, dat is het gevecht! Heere Jezus, Maria, wees hem genadig!”

„Wring uw handen niet, treur niet, Maria,” antwoordde hij, terwijl hij haar handen vatte en in de Zijne drukte. „Wie door den Heere en Zijn heiligen bewaard wordt, dien zal immers geen leed geschieden, en hij is vroom en dapper, wees gerust en vertrouw……

„O ja, ik zal vertrouwen, heilige moeder Gods, ik klaag niet meer,” riep zij berouwvol, en vervolgde toen: „O, zeg het mij, Heer, het is mijn goede vader die mij is komen zoeken, niet waar? Hij wacht mij, laat ons gaan.

„Ook die is het niet, Maria,” was het antwoord; en toen zij hem verwonderd en vragend aanzag, en zei: „Wie is het dan, Heer?” vervolgde hij: „Het is de gewezen knaap van den heer Van Schaffelaar; het is de ruiter Frank.”

„Frank!” riep Maria, „komt Frank om mij te redden?” en zij trad een schrede achteruit; een blos, die snel haar gelaat kleurde, verdween terstond weer en maakte voor een doodelijke bleekheid plaats.

De vreemdeling, die haar ontroering niet geheel bemerkte, vervolgde: „Ja, hij is het, hij zou bijna het slachtoffer zijn geworden van zijn edele daad; want een plan, hoe listig ook uitgedacht, om zich onrechtmatig eens anders bezittingen toe te eigenen, en mij voor altijd de hoop van mijn leven te benemen, ging te niet, omdat de ruiter weigerde zijn vrijheid te koopen of te verwerven, zonder u tevens te redden. Maar de hemel deed mij vroeger dan men verwachtte en ik zelf gedacht had, terugkeeren, en Hij zal mij, hoop ik, het geluk schenken u beiden te verlossen, en de eer van mijn geslacht te redden; en als de aanvoerder van de Zwarte Bende komt, zal tenminste zijn woede u niet treffen……”

Maria, die hem zwijgend had aangehoord, vroeg, getroffen door het edele vuur, dat in zijn oogen schitterde: „Maar wie zijt gij toch, aan wien ik zooveel verplichtingen hebben zal?”

„Uw vriend, Maria,” antwoordde hij neerslachtig. „Waartoe u mijn naam te noemen, daar de eigenaar van dit huis mijn vader is, en ik de grootste verplichting aan uw bruidegom heb, die nog niet lang geleden, mij mijn vrijheid, ja zelfs het leven liet?”

Ofschoon er nog niet veel tijd verloopen was, sedert Vidal de kamer had verlaten, scheen het, alsof de vreemdeling op zichzelf ontevreden was, dat hij zich had laten verleiden om met het meisje, dat hij wilde bevrijden, te spreken. Snel trad hij terug naar de opening in den muur, haalde daar een bundel kleeren uit, die in een mantel gerold was, zette toen de verborgen deur aan, en zei tot Maria, die gedacht had, dat zij nu reeds zouden vertrekken: „Maria, ik kan u redden; maar het moet den schijn hebben, alsof gij door hulp van buiten ontvlucht zijt, en wel door dat raam;” en toen zij hem ongeloovig aanzag, vervolgde hij: „Bij al wat heilig is, meisje, zweer ik u, dat het zoo moet zijn, of anders zal er dezen nacht nog bloed vloeien in dit huis, dat alleen door hoogere goedheid voor zulk onheil bewaard kan blijven. Deze kleeren zijn die van Kars, den jongen, die met Frank gevangen wordt gehouden; in diens plaats zult gij dus dit huis verlaten, terwijl hij zich door dit raam naar buiten laat afzakken; want, hoewel dit huis eenmaal het mijne worden moet, zijn de sleutels niet in mijn macht.” Hij grimlachte bitter, spreidde de grove wollen kleeren voor haar uit, en zei: „Trek ze aan, terwijl ik het raam zal openen, en draag zorg, uw lokken met dezen doek tezamen te binden; zij mochten onder den hoed uitkomen en u verraden.”

Maria zag besluiteloos naar het gewaad, terwijl hij de lamp op den vloer zette; hij bemerkte dit en zei ernstig: „Wij hebben geen tijd te verliezen; verkleed u dr achter het bed. Op mijn eer, ik beloof u, ik zal niet naar die zijde zien; en hij nam de kleeren op, en legde die op de plaats, welke hij aanduidde; maar toen zij, blozend en met neergeslagen blik, verlegen staan bleef, riep hij: „Verdien ik dan zoo weinig vertrouwen meisje? De tijd moet dubbel besteed worden, geloof het vrij. Het leven van mijn vader loopt misschien gevaar, omdat ik uw vrijheid bewerk, en gij wantrouwt mij: bij de zaligheid van mijn moeder, ik zweer u, dat gij zoo heilig voor mij zult zijn als zijzelf.”

Er lag een edel verwijt in den toon van zijn stem; Maria voelde, dat zij hem griefde door haar wantrouwen, terwijl zijn gelaat en zijn houding alleen geschikt waren om vertrouwen in te boezemen; maar het was geen wantrouwen voor den edelen vreemdeling; alleen maagdelijke schroomvalligheid had haar doen aarzelen; daarom legde zij de hand op haar hart, en zag hem, het hoofd schuddend, aan, waarna zij, zonder iets te zeggen, zich achteruit begaf, om aan zijn verlangen te voldoen.

Met uiterste behoedzaamheid zette de vreemdeling nu de tafel onder het raam tegen den muur, zette daar twee banken op, en plaatste daarop weer den eenigen stoel, die in het vertrek was. De zorg, welke hij en Maria gebruikt hadden, om heel zacht te spreken, kon door het minste gerucht, dat hij maakte, doelloos worden en de wacht in de gang opmerkzaam maken, want gedurig hoorde men iemand op en neer gaan; nu en dan alleen scheen er nog iemand, hoewel met lichten tred, voorbij de deur heen en weer te gaan, en Maria vermoedde dat het Vidal was.

Er behoorde veel voorzichtigheid en buigzaamheid van leest toe, om boven op deze gevaarlijke stellage te klimmen, die gelukkig hoog genoeg was, om zelfs desnoods Maria gelegenheid te geven, het kleine glasraam te openen, door het kozijn te kruipen, en in den muur te gaan zitten, die daartoe nog breed genoeg was. Een koude wind woei den vreemdeling in het gezicht, toen hij het raam opende, en beroofde opeens het vertrek van den graad van warmte, die er in geheerscht had; de tocht deed zelfs zijn uitwerking op het vuur en op de vlam der lamp; maar meer dan dit alles verontrustte hem het duidelijker worden van het gerucht, dat uit de verte over de stad klonk, en dit, evenals het slaan der klokken, kon verraden, dat er een raam geopend was. Maria vernam met nieuwen angst het flauw gebulder van de doodverspreidende werktuigen, dat nog niet uit haar geheugen was gewischt; zij dacht er niet aan, dat het haar noodlottig kon worden; zij dacht slechts om haar bruidegom.

Zoodra het raam geopend was, waarvoor geen tralin waren, haastte de vreemdeling zich om zijn hooge standplaats te verlaten, en klom toen weer naar boven, een rol touw en een bundel reepen van linnen meenemend, welke hij met de kleeren had meegebracht. Het touw werd losgemaakt en naar buiten neergelaten, tot het bijna ten einde was; toen werden de linnen reepen, die aan elkander waren geknoopt, aan het touw bevestigd, dat voorts stevig om het kruis van het raam werd vastgemaakt. Het moest den schijn hebben, alsof Maria haar beddelakens aan reepen had gescheurd, toen zij, in het raam geklommen om hulp in te roepen, haar poging met goed gevolg had zien bekronen, en het linnen had neergelaten om het touw op te halen.

Indien er slechts iemand buiten het huis was, die het voornemen had om haar te redden, was zulks niet onmogelijk of onwaarschijnlijk; en zoodra Frank op vrije voeten was, zou de ontvluchting van Maria voor hen, die wisten, dat hij van haar gevangenneming wist, ten minste niets wonderbaarlijks hebben.

„Zijt gij nu gereed, Maria?” vroeg hij zacht, toen hij afgeklommen was, en zonder dat hij naar haar omzag.

Ja, Heer!” antwoordde zij, zoo zacht, dat hij haar nauwelijks verstaan kon, en toch kwam zij niet te voorschijn. Hij voelde, dat zij zich schaamde, om zich in mansgewaad voor zijn oog te vertoonen; hij wist de zedigheid van de maagd naar waarde te schatten, nam zijn mantel op, die nog op den grond lag en trad naar haar toe. Gaarne zou hij gezegd hebben, dat het grove gewaad haar schoon gelaat nog des te meer deed uitkomen; maar hij hield deze opmerking, als hier ongepast, voor zich, en zei slechts: „Het is hier koud, Maria. De wind is guur, laat mij u daarom dezen mantel omdoen, hij zal u goed doen; maar draag zorg niet te vallen.”

„O, ik dank u, Heer, de goede God moge het u vergelden; ik kan het niet,” zei ze dankbaar en keerde zich met maagdelijke schroom tot hem. Meer kon zij niet zeggen, toen hij haar den mantel over de schouders hing; zooveel goedheid en kiesch gevoel had zij van geen vreemde verwacht; en toch wist hij immers, wie zij was; en hij kon niet anders zijn dan een edelman.

Zoodra hij haar den hoed nog een weinig dieper op het hoofd gedrukt had, raapte hij het kleed, dat zij had aangehad, bijeen, trok de lakens van het bed af, en pakte alles samen; maar toen hij de deur in het beschot wilde openen, ontdekte hij tot zijn spijt, dat de tocht haar in het slot had doen vallen; de moeite welke hij van te voren genomen had, om dit, evenals de scharnieren met olie te bestrijken, om het krassen te voorkomen, was er zeker de oorzaak van. Aan Maria, die hem gevolgd was, ontsnapte een zachte uitroep van schrik; maar hij trachtte haar te bemoedigen, en zei: „De jongen, die ons wacht, zal mij misschien wel hooren; anders blijft ons immers het raam nog over; geef dus de moed niet op, lief kind.”

Hij waagde het nu om zacht, en eindelijk om harder te kloppen; een geruime poos stonden beiden in bange verwachting; eindelijk werd de jongen, misschien door het gebed dat Maria in stilte deed, opmerkzaam gemaakt op wat men van hem verlangde; want hij opende de verborgen deur, en vroeg of alles gereed was. „God zij geloofd, dat gij mij eindelijk gehoord hebt,” zei de vreemdeling, „maar gij zult een gevaarlijke reis doen. Bedenk u wel; want zoo gij denkt, dat het niet gaan zal, dan zal ik u, het koste wat het wil, in mijn kamer verbergen; het huis is hoog, en als uw handen het touw loslaten, valt gij te pletter.”

Zoowel uit de woorden van den vreemdeling, als uit de uitdrukking van zijn gelaat voelde Maria, welk gevaar den jongen boven het hoofd hing; maar deze, die haar met blijdschap gegroet had, riep lachend: „Bij St. Hubert, als was het huis nog eens zoo hoog, dan zou ik tegen het afzakken niet opzien, want het touw is goed; en als wij den tijd hadden, zou ik u laten zien, Heer, dat Kars zijn gezicht niet scheef zou trekken, al moest hij van de straat naar boven klimmen. Mijn vader is boschbewaarder, en als kleine jongen ging ik reeds met het volk het Gooische bosch in.”

Hij was bij deze laatste woorden de tafel genaderd, klom nu naar boven, en toen hij in den muur gestapt was, volgde hem de vreemdeling, die hem, naar het scheen, nogmaals den naam van den man herinnerde, naar wien hij zich moest begeven en in zijn naam huisvesting verlangen voor den nacht; wat hem, daar hij een kleed met de kleuren van den vreemdeling droeg, en bovendien van geld voorzien was, zeker wel zou worden gegeven, totdat de poorten van de stad werden geopend.

Maria durfde er niet naar zien, hoe de jongen, om haar te redden, in het donkere gat verdween; zij wendde haar gelaat af; elk oogenblik vreesde zij den ongelukkige te hooren vallen, en zijn gekerm te vernemen. Bezorgdheid voor den jongen deed haar het verwijderde geluid der bussen en de voetstappen van haar wachters vergeten; zij schrok eerst, doch werd vervolgens blij verrast, toen de vreemdeling zijn hand op haar schouder legde, en haar toefluisterde: „Hij is gelukkig beneden gekomen, en zal een strik aan het touw maken, alsof men u onder de armen had afgelaten; nu kunnen wij gaan, Maria, de ruiter wacht ons.” Doch Maria bleef staan, en toen hij den angst op haar gelaat las, vroeg hij eindelijk, doch treurig: „Wantrouwt gij mij nog, Maria?”

„O, neen, Heer!” riep zei vol vertrouwen, „ik wantrouw mijn redder niet. O, gij hebt reeds zooveel voor mij gedaan; ik bid u, breng mij zelf in veiligheid,” eindigde zij smeekend. „Dat kan niet, lief kind,” hernam hij, en noodzaakte haar, als het ware, om aan zijn verlangen te voldoen; „beef niet! Ik zeg u immers, dat gij niets te vreezen hebt; waartoe die angst?”

Hij was haar behulpzaam, om door de geheime deur te stappen, nam haar kleeren en alles op, dat zou hebben kunnen verraden, dat zij hier geweest was, wierp nog eens een blik op de ramen, die openstonden, op den witten, langen band, die naar beneden hing en op den grond lag, blies toen de lamp uit, en een zacht en bijna onmerkbaar gekraak verried, dat het beschot weer gesloten was. Het vuur, dat nog goed brandde, verlichtte nu en dan een groot gedeelte van het vertrek, waarin de dochter uit de Vergulde Helm zooveel bange uren had doorgebracht. De afgemeten stap van den ruiter liet zich voortdurend in de gang hooren; maar weinige oogenblikken, nadat de vreemdeling met den gewaanden Kars vertrokken was, zweeg het gedreun der zware bussen, zonder dat daarom de burgers van Utrecht verlost werden van de beangstigende onzekerheid, welke hen, sedert het begonnen was, gepijnigd had.

908SR15.gif (1832 bytes)

Hoewel het Maria onmogelijk geweest was, te gissen, wie de vreemdeling was, die zich zooveel aan haar bevrijding gelegen liet zijn, zal iedere lezer dadelijk begrepen hebben, dat het niemand anders kon zijn dan Reynoud, de zoon van heer Loef van Oosterweerd.

Een dag vroeger dan hij gedacht had, was hij teruggekeerd van de jacht. Hij had zich gehaast zijn vader te gaan begroeten, die zijn ongenoegen niet had kunnen verbergen, dat hij nu reeds was teruggekomen, en hem geraden had, zich maar dadelijk ter ruste te begeven, om van de vermoeienissen van de jacht uit te rusten. Met vreugde zag heer Loef hem vertrekken; want het gaf hem gelegenheid om zich met zijn hofmeester te beraden. De weigering van Frank, om zonder Maria te vertrekken, had zijn plan in duigen geworpen; voor niets had hij een ruime som geld op hand aan den Zwarten Ruiter gegeven, om diens stilzwijgen te koopen. Bovendien vernam hij met schrik, dat het de bruid van Van Schaffelaar was, die in zijn huis was opgesloten.

Niets zou er dus gedaan zijn, om de bruid van Van Schaffelaar aan de macht van Perrol te onttrekken of Frank te bevrijden. Maar ondanks de vermaning van Walter en op last van haar meesteres, trachtte Annetje te vernemen, wat er in het huis gebeurde; want Walter was nog niet teruggekeerd om Ada te berichten, dat Frank haar aanbod aannam, en om de trouwbelofte ter onderteekening voor te leggen, en elk oogenblik vermeerderde haar ongerustheid. Zonder veel moeite vernam het kamermeisje, dat heer Reynoud was teruggekeerd en zij spoedde zich om hem te verwittigen, dat haar gebiedster reeds reikhalzend naar zijn komst had uitgezien.

Volgaarne gaf hij gehoor aan het verzoek van het meisje en volgde haar. Altijd bereid ieder van dienst te zijn, streelde het hem zijn nicht te zullen zien en iets te kunnen doen, dat haar aangenaam was. Helaas, hij vermoedde niet, wat er gebeurd was. Reeds bij het binnentreden trof hem de verandering, welke haar gelaat ondergaan had, en toen zij hem zoo aaneengeschakeld als haar mogelijk was, verhaald had, hoe Frank gekomen was, en wat er verder was voorgevallen, verborg hij zijn gelaat in zijn handen. Hij doorzag het voornemen, om in deze vereeniging, buiten toestemming, en, naar het den schijn moest hebben, buiten medeweten van haar oom, een voorwendsel te zoeken, om haar van een gedeelte van haar goederen te berooven, en de man die dit verrichtte, was zijn vader. Doch alsof dit nog niet genoeg was om zijn hart met rouw te vullen, moest deze helsche uitvinding hem voor altijd alle hoop benemen om haar hand te verwerven, en toen Ada, die dacht, dat hij uit ontstemdheid in dat somber nadenken vervallen was, voor hem neerviel en hem smeekte den ruiter te redden, toen zag hij, hoe sterk zij Frank beminde, en dat voor hem alle hoop op haar genegenheid voor eeuwig vervlogen was. Maar hij overwon den weerzin, die hij gevoelde om iets voor den ruiter te doen, die hem het hart van haar, welke hij beminde, had ontstolen, en verliet Ada, na haar gerustgesteld te hebben, met het voornemen om den jongen ruiter te bevrijden, al was het dan ook ten koste van de hand van zijn nicht.

Het verwonderde hem, dat Frank niet terstond zijn vrijheid had gekocht ten koste van een prijs, waarvoor hij gaarne zijn vrijheid zou opgeofferd hebben; want dit was immers uit het wegblijven van Walter op te maken; en het was om de reden hiervan te ontdekken, dat hij zich eerst naar den ruiter wilde begeven, alvorens zijn vader te verzoeken, dezen vrij te laten, zonder hem eenige belofte of verbintenis af te dwingen.

Waren Frank en Maria in de gevangenis onder het huis opgesloten geweest, het zou hem even onmogelijk geweest zijn hen te bezoeken, als het hem nu was, hun de deur van het huis te openen; gelukkig kon hij door een omweg in de gang komen, waarop het kamertje uitliep, waar Frank, volgens het bericht van het kamermeisje, gevangen zat.

Frank, die geen uitkomst meer zag, en Maria verloren waande, was niet weinig verwonderd en verheugd, den jonkheer van Oosterweerd te zien binnenkomen; zelfs Kars beloofde zich veel goeds van dit bezoek, hoewel hij hem niet kende. Maar al dadelijk ontdekte Reynoud de reden, waarom Walter’s voorslag was verworpen; want Ada had hem niet gezegd, dat Frank was gekomen, niet om haar van zijn liefde te verzekeren, maar om de bruid van zijn vriend te redden; de jonkvrouw had het burgermeisje en den minnenijd geheel vergeten, zoodra het leven van den geliefden ruiter in gevaar was.

Misschien zou de gedachte, dat Frank niet om zijn nicht in Utrecht was gekomen, Reynoud eenige hoop hebben kunnen geven; doch uit zijn weigering om zich te verbinden, bleek alleen, dat hij het meisje wilde redden, of dat hij ook had ingezien, dat men op de bezittingen van de jonkvrouw loerde; maar het gevangenhouden van een vrouw, van de bruid van een edelman, in het huis van zijn vader, trof hem te zeer, dan dat hij aan iets anders kon denken. Zijn vader, handlanger van Perrol met de Roode Hand, handlanger van een maagdenroover; o, dat was te veel voor den edelen jongeling; hij stond als verpletterd voor den ruiter.

Zijn eerste voornemen was, naar zijn vader te gaan; het was het natuurlijkste; het stond immers in de macht van dezen, om alles weer goed te maken, en Frank met het meisje te laten gaan! Doch tot zijn smart moest hij het opgeven; zijn vader wist immers, wie zij was. Hij moest dus eerst beproeven haar hulp te bieden, zonder voorkennis van zijn vader; maar zou dit mogelijk zijn? Hij was zich ervan bewust, dat het meisje onder de onmiddellijke bewaring van de Zwarte Ruiters was gebleven; en ofschoon het hem, die anders vreedzaam van aard was, bijna van toorn deed sidderen, voelde hij, dat hij, de zoon des huizes, zelfs vr haar deur, onder het dak van zijn vader, door een der kerels van Perrol met het ontbloote zwaard zou worden teruggewezen. Gereed om zich aan de wanhoop over te geven en op het punt om naar zijn vader te snellen en zich aan diens voeten neer te werpen, ontkiemde een nieuwe hoop in zijn hart; zijn lijfknecht dien hij uitgezonden had om uit te vorschen waar de vreemdelinge was gehuisvest, kwam hem bericht brengen. Tweemaal vroeg dezen of hij zich niet bedroog; of het vertrek dat hij hem noemde, wel hetzelfde was, dat door de vreemde ruiters werd bewaakt; en toen hij overtuigd was, dat hij zich niet met ijdele hoop had gevleid, begon de moed in zijn hart te herleven. Misschien was het bij toeval, mogelijk echter met overleg, dat zijn vader deze kamer had laten aanwijzen, welke men langs den geheimen weg kon naderen, welke alleen aan hem, heer Loef, en aan Walter bekend was.

Het was hem mogelijk Frank en Maria te bereiken; maar niet om hun de deur van het huis Oosterweerd te openen; langs een anderen weg moest hij dus trachten hen te bevrijden. O, hij voelde zoo goed, dat Perrol zich niet tevreden zou laten stellen met het bericht, dat zij uit haar kamer verdwenen was, dat hij andere middelen beramen moest, wilde hij zijn vader niet roekeloos blootstellen aan den moordlust van dien woesteling. Het moest den schijn hebben, alsof zij aan de macht van Perrol ontsnapt was zonder hulp van de bewoners van het huis Oosterweerd; het venster, hoe hoog ook boven de straat, kon misschien daartoe dienstig zijn, en zijn plan werd daarop beraamd. Het verheugde hem dezen uitweg gevonden te hebben, waarlangs hij Maria, den ruiter en zijn jongen hoopte te laten ontsnappen; want daardoor verdween voor Frank de noodzaak, zich met Ada te verbinden; ook hem zou dus nog de hoop op haar hand overblijven. Bij verder nadenken moest hij echter dit plan laten varen; want Froccard, die wist dat Frank en Kars het huis niet verlaten hadden, zou zeker niet verzuimen, om, zoodra Maria’s ontvluchting ruchtbaar werd, Perrol er opmerkzaam op te maken, dat heer Loef hem bedroog, wat hij zich wel zou wachten te doen, indien de ruiter en de jongen met zijn medeweten het huis verlieten, en hij er betaling voor ontving.

De bruid van Van Schaffelaar te redden, zonder zijn vader stellig ongelukkig te maken, de eer van zijn geslacht voor deze vlek te bewaren, en Frank te bevrijden, dit alles kon alleen gepaard gaan met opoffering van alle hoop op eigen geluk. De jongen alleen moest door het venster ontsnappen. Frank moest niet langer weigeren de hand van de jonkvrouw aan te nemen, en de dochter van den smid moest in het kleed van den zoon van den boschbewaarder het huis verlaten, en hij – hij zou Ada in de armen van een ander zien.

908SR15.gif (1832 bytes)

In somber nadenken gekeerd, zat heer Loef in zijn vertrek, onbewust van wat zijn zoon beraamd had, om te doen, wat hij niet uitvoeren, of waaraan hij zelfs niet denken durfde. Walter, die anders altijd gemakkelijk een voorwendsel wist te bedenken, waarmee men zich kon helpen, had thans tevergeefs gezocht naar een, dat doorgaan kon; hij had er tenminste geen kunnen vinden, dat zijn heer kon geruststellen. Wij, die gezien hebben, hoe gelukkig de brave Reynoud er in was geslaagd, om Maria uit haar gevangenschap te verlossen, zullen zeker minder verwonderd zijn dan heer Loef en zijn hofmeester, dat men hem kwam berichten, dat de marsman zich blijkbaar in zijn eng verblijf begon te vervelen, want dat hij op de deur scheen te bonzen, alsof zijn vuisten ijzeren hamers waren.

Op een wenk van zijn meester, verliet Walter het vertrek, en keerde spoedig met de onverwachte tijding terug, dat Frank eindelijk, het kostte wat het wilde, zijn vrijheid terug verlangde.

„De onnoozele ruiter kiest tenslotte eieren voor zijn geld,” zei hij spottend. „Het hart begint den opvliegenden dwaas reeds in de schoenen te zakken; hij is genegen de jonkvrouw zijn hand aan te bieden en u vergeving te vragen, als hij verzekerd is, dat men hem en den jongen ruiter terstond vrijlaat, en gelegenheid geeft, om nog dezen nacht de stad te verlaten. Op n punt blijft hij echter staan: hij is zoo bevreesd voor den priester, alsof deze een toovenaar was, en wil er niets van hooren; maar de trouwbelofte is immers voldoende?”

„Zeer zeker; want Ada is te trotsch om in te trekken, wat zij beloofd en bezegeld heeft. Doch wat zegt hij van het meisje?” vroeg heer Loef met ongeduld. „Zal hij zonder haar vertrekken?”

„Ja,” hernam Walter lachend, „hij laat haar in de hoop; hij begrijpt niet, dat de schoonste goederen van de jonkvrouw in uw handen zullen vallen, en schijnt er zoo weinig op gesteld te zijn, om Messire Perrol af te wachten, dat hij zich door mij de belofte heeft laten afdwingen, om den heer Van Schaffelaar niets te zeggen, dat u in een ongunstig daglicht zou kunnen stellen, zoo deze al met de vrouw iets gemeen mocht hebben, ha, ha!”

Het geluk, dat op eens zijn plannen scheen te willen bekronen, verheugde heer Loef, en deed hem een oogenblik vergeten, dat, zoo het de bruid van den ruiteraanvoerder was, de voorspraak van Frank hem misschien even weinig zou baten, als zijn eigen verzoek aan Perrol, om haar de vrijheid te hergeven. Terstond werd Walter dus af gezonden, om de trouwbelofte, welke reeds geschreven was, zoowel door de jonkvrouw als den ruiter, te laten bekrachtigen, door er hun teeken onder te stellen, en verder alles in orde te brengen, om Frank en den jongen zoo spoedig mogelijk te doen vertrekken.

Voldaan over het gelukken van zijn list, wachtte heer Loef met ongeduld den afloop af. Eindelijk had Frank zich dan toch genoodzaakt gezien om, hoewel tegen zijn zin, te doen wat hij van hem verlangde; het deed hem genoegen, dat Reynoud reeds ter ruste was gegaan, zooals Walter van diens knecht vernomen had; en hoezeer hij met schrik het oogenblik tegemoet zag, dat deze van het gebeurde kennis zou krijgen, was hem er alles aan gelegen, dat hij niets van de zaak vernam, voordat er niets meer aan te veranderen zou zijn. Ook wenschte hij, dat de aanvoerder der Zwarte Bende vooreerst nog niet mocht komen, en toch voelde hij, dat hij alleen aan diens naam te danken had, dat Frank zich aan het voorstel van Walter had onderworpen. Ieder sidderde dus voor dien vreemdeling; zelfs de gemeene jongen, die beneden de wraak van Perrol geplaatst was, had immers, zooals hem de hofmeester gezegd had, zijn afgrijzen niet kunnen verbergen, toen hij dien naam genoemd had, om de besluiteloosheid van Frank te overwinnen.

Heer Loef werd in zijn overdenkingen gestoord door Froccard, die, nadat hij aan de deur geklopt had, het vertrek binnentrad. Deze had, zooals hij zei, tot zijn vreugde vernomen, dat de ruiter eindelijk besloten had, het hazenpad te kiezen, en hij kwam, op uitnoodiging van Walter, om zich verder met heer Loef te verstaan en het overige van het hem toegezegde geld te ontvangen, tegen afgifte van een stuk papier, waarop een order stond geschreven, om den vertooner daarvan vrij door te laten. Maar dit alleen was de reden niet van zijn komst; hij zou toch gekomen zijn, om aan heer Loef te verzoeken, hem in de gelegenheid te stellen, om volgens bekomen last, Messire Perrol vier van zijn ruiters, van fakkels voorzien, tegemoet te zenden, als deze binnen zekeren tijd niet kwam opdagen, en vroeg, toen hij het geld naar zich toe gestreken had, om den vrijen pas nog eens terug te hebben, ten einde hem met dezelfde hand in te vullen op naam van den marsman en zijn jongen, en voor de wacht van de poort, waardoor Frank verkozen had de stad te verlaten.

Heer Loef las het geschrift, toen het hem weer ter hand was gesteld, en daar hij het in behoorlijke orde vond, onderhield hij zich vervolgens met den Zwarten Ruiter over het verwijderd geluid van het losbranden der bussen, dat hem zoolang verontrust had. Walter keerde eindelijk terug, met het bericht, dat er niets meer te doen viel dan Frank in vrijheid te stellen, en met vreugde bezag heer Loef het perkament, dat hem de lang begeerde goederen in handen moest spelen. Ook Walter lachte en wreef zich vergenoegd de handen, toen zijn heer met voldoening de handteekening van Ada en Frank had gewezen: een onduidelijke naamteekening en een klein zegel van was bekrachtigden de verbintenis van de zijde der jonkvrouw, een ruw geteekend kruis, dat door een zwaard en een herdersstaf gevormd werd, was door den ruiter opgezet. Zelfs Froccard onderdrukte met moeite een valsch en spottend gelach; hij voelde de geldstukken in zijn gordel, waarvoor hij beloofd had den ruiter te laten gaan, en aan zijn meester niet te ontdekken, dat men hem had losgelaten. Als Frank vrij de stad verliet, had heer Loef immers niets te zeggen, en Perrol zou er zich niets aan zijn gelegen, of de vriend van Van Schaffelaar, die Maria gevolgd was, in de stad was vrijgelaten of niet, als hij vernam, dat hij buiten de poort toch weer gevangen was genomen.

Toen Walter voor de laatste maal, zooals hij dacht, de deur van het verblijf van Frank opende, zag hij hem naast den jongen staan, die met het hoofd voorovergebogen op de tafel lag, en het laatste woord, dat zijn ooren trof, verried, dat de ruiter hem vriendelijk toesprak en trachtte te troosten, en nieuwsgierig vroeg hij: „Heer Frank, wat scheelt er aan?”

„O, niets, Walter,” antwoordde deze, die met moeite den blik van bezorgdheid, dien hij op den jongen had geworpen van hem afwendde. „De arme borst is bang dat hij zijn ouders niet zal weerzien; hij waande, dat gij niet terug zoudt komen. Maar zeg mij, heeft uw meester eindelijk toegegeven?”

„Ei, ei,” zei Walter, „maar hier zijn wij immers al met den mantel, waarom gij gevraagd hebt, en het verlof van heer Loef om u vrij te laten. De jongen heeft zooveel moed niet als gij, Heer,” eindigde hij spottend.

Toen naderde Frank hem, nam den mantel aan, en zei: „Ik vreesde zelfs, dat Perrol reeds gekomen was; ik heb zooeven getrappel van paarden hier onder de poort gehoord; maar zij schenen het huis te verlaten, is dit zoo?”

De hofmeester knikte met het hoofd, en antwoordde, toen hij bemerkte, dat Frank zich veel aan deze zaak gelegen liet zijn: „Vier Zwarte Ruiters zijn hun meester tegemoet gereden; doch gij hebt geen nood hen te ontmoeten, en de jongen behoeft dus niet bevreesd te zijn.” Hierop glimlachte hij; maar Frank bemerkte niet, dat de oude hem bespotte en zijn minachting te kennen geven wilde, omdat hij, uit vrees voor zichzelf, de bruid van zijn weldoener in de gevangenis had achtergelaten. Frank wist niet hoe het kwam, maar een angstig voorgevoel zei hem, dat er een verraderlijk plan beraamd was: het uitrijden van de Zwarte Ruiters deed hem angstig de toekomst tegemoet zien. „Hier is het geschrift, dat u de Witte-Vrouwenpoort zal openen,” zei Walter. „Heer Loef heeft nog lang geaarzeld om toe te geven; maar daar gedane zaken geen keer nemen, moet hij er in berusten; en hoewel hij ,u nog niet zien wil, heeft hij mij toch gelast u te laten gaan, waarheen gij goed zoudt vinden. Uw bruid heeft zelf getuige willen zijn van uw vertrek; zij wacht ons,” eindigde hij grimlachend.

„Wacht de jonkvrouw mij?” vroeg Frank verwonderd; en toen Walter hem dit herhaalde, vervolgde hij: „Nu, laat ons dan in Godsnaam gaan; het voegt niet, dat zij op mij wacht; en ik wilde vertrekken. – Kars,” zei hij toen tot den jongen, die nog steeds in dezelfde houding was gebleven, „hier is de mantel; hang hem over uw arm en volg ons.”

De jongen stond op, en Frank gaf hem den mantel over; daarop haastte hij zich, om zich bij Walter te voegen, die reeds met een kleine lantaarn in de hand, in de deur wachtte, en zij traden de gang in. Zacht, doch gedurig sprak de ruiter tot den hofmeester, als wilde hij de aandacht van hem afleiden, en nu en dan wierp hij als tersluiks een blik achter zich op den jongen, die hem op den voet, doch met onzekere schreden volgde. Toen zij aan het einde van de gang gekomen waren, opende Walter een trap, voerde hen naar beneden. Beneden gekomen, stond hij een oogenblik stil, en hield de lantaarn in de hoogte, om den jongen voor te lichten, die met moeite scheen af te dalen. Frank stond gereed om hem de hand te reiken, ten einde meer vastheid aan zijn gang te geven, maar hij weerhield zich; en toen Kars eindelijk beneden was, en tegen den muur leunde, en met voorovergebogen hoofd bleef staan, zei Walter, zijn weg, op uitnoodiging van Frank, vervolgend: „Ik herken in hem, op mijn woord, den vluggen jongen niet, dien ik zelf bij u gebracht heb; de vrees maakt den een vlug en den ander traag, Heer Frank.”

De ruiter antwoordde hem echter niet, en Walter vervolgde: „Zoodra wij deze gang ten einde zijn, zult gij uw bruid vinden, doch ik moet zeggen, dat uw kleed niet past voor den bruidegom van een schoone jonkvrouw, ha, ha, en dat de plaats niet voor haar geschikt is om er u te wachten.”

Toen de deur geopend was, welke de gang afsloot, bevonden zij zich aan het boveneinde van een trap, die naar de kelders van het huis scheen te voeren. De deur was nauwelijks weer toegedaan, nadat Walter gewacht had, tot de jongen hem was voorbijgegaan, of Frank, die scheen om te zien waar deze bleef, onderdrukte met moeite een uitroep van schrik. De jongen, die iets scheen te ontwaren, dat hem vrees aanjoeg, en snel achteruit trad, zou van de trap gestort zijn, indien hij hem niet vastgehouden en van den donkeren afgrond weg-geleid had. Maar terwijl hij hem met bevende stem vermaande om toch den moed niet te verliezen, en Walter den jongen over zijn onvoorzichtigheid en blooheid bespotte, hoorde Frank iets in zijn nabijheid over den steenen vloer ritselen. De hofmeester stiet hem aan, en hij was eenigszins verwonderd, iemand, in een zwart zijden falie gehuld, achter zich te zien: de kleinmoedigheid van zijn makker had hem zijn bruid doen vergeten.

Zij scheen besluiteloos te wezen, of zij hem zou aanspreken of niet; misschien was zij verwonderd, dat Frank, in dit gewichtig oogenblik zijn tijd besteedde om den gemeenen jongen met een bezorgdheid te behandelen, welke een jongere broeder nauwelijks van hem had kunnen vergen; misschien bemerkte zij het ook niet, en was haar gemoed te vol, om iets te kunnen uitbrengen, „Waarde Jonkvrouw,” zei Frank gevoelvol, terwijl hij snel haar hand vatte, die uit het kleed te voorschijn kwam; „welke woorden zal ik gebruiken om u te danken? Helaas, ik verdien zooveel eer, zooveel goedheid niet. Geloof niet, dat ik misbruik zal maken van wat gij deedt om mij te redden; gij schenkt mij meer dan het leven. Ada, ik ding naar geen grooter eer dan u zuster te mogen noemen,” en hij kuste haar de hand.

„Gij verlangt geen hooger eer, Frank,” zei zij treurig; „en toch dacht ik, dat er een betrekking bestaan kon, die niet meer eer, maar meer geluk kan aanbrengen. Helaas, ik voel dat ik gedwaald heb,” zuchtte zij, het hoofd schuddend, en haar hand liet die van den ruiter los. Deze lei toen de zijne op zijn borst en wilde iets zeggen, maar zij vervolgde: „Neen, Frank, laat mij spreken, – gij zoudt mij weer uw zuster noemen, en ik smeek u, spaar mij dien naam; laat mij ten minste deze weinige oogenblikken den waan dat een nauwer band ons vereenigt. Helaas, het maakte mij zoo gelukkig u die eer te kunnen aanbieden, welke gij slechts hebt aangenomen om ze naderhand weer te laten varen. O, Frank, indien gij mij liefhebt als een broeder, laat mij dan ten minste de gedachte, dat gij mij alles vergeven hebt, dat het daarom niet is, dat gij mij verstoot.”

„Ada!” riep Frank, en boog zich voorover om haar hand te kussen, waarop een traan viel, „veracht mij; ik verdien niet anders. Zou ik u vergeven moeten? Zou ik u verstooten? Helaas, geloof dit niet, ik kan uw goedheid niet vergelden; wat mijn geluk, mijn eer moest uitmaken, moet ik weigeren, om niet geheel door u veracht te worden.”

„De tijd verloopt, Heer,” zei Walter, die den jongen bij den schouder gevat en zich een eind met hem verwijderd had.

Frank richtte zich op, zei luid: „Terstond!” en vervolgde toen: „Ada, ik dank u voor alles, ook voor de gunst van dit afscheid; nooit vergeet ik dezen nacht. God en zijn heiligen mogen het u vergelden – ik, ik kan het niet; verwijder u nu...

„Neen,” viel zij hem in de rede, „ik verlaat u nog niet, Frank. Niet voordat gij dit huis verlaat, wil ik van u scheiden.”

„En de koude, de nachtlucht? O, ik bid u, keer terug!” riep Frank; maar zij scheen zijn verzoek te verwerpen en zei luid: „Walter, wijs ons den weg, ik zal meegaan.

„Bedenk wel, Jonkvrouw,” antwoordde Walter, „dat wij, omdat de Zwarte knapen het oog op de deur van het huis hebben, door de kelders naar buiten moeten gaan, en dat het onder den grond koud en vochtig is.”

„Ga maar vooruit, Walter, ik zal volgen,” hernam zij kortaf; en toen zij den jongen in het oog kreeg, die, den hoed diep op het hoofd gedrukt, achter Frank stond en tegen den muur leunde, vervolgde zij gebiedend: „Jongen, kom hier!” „Wat is uw verlangen, Ada?” haastte Frank zich te zeggen, en zij antwoordde: „Ik wil hem dit zwaard te dragen geven; maar hij verroert zich niet. – Knaap!” riep zij luider, „hier is het zwaard van uw heer; draag het hem na, zooals uw plicht is.”

„Maar hij is ziek, Ada,” zei Frank smeekend, „geef mij het zwaard; ik dank u voor dat geschenk, laat mij het dragen; de arme jongen zou het laten vallen, en ik hoop het lang te bewaren, zoo ik het niet op de hoofden van onze vijanden in stukken sla.” Hij nam het in zijn linkerhand, toen zij het hem overgaf, en vervolgde: „Steun gerust op mij en let op uw falie, de trap is steil! – Kom, Kars, volg ons, en val niet, jongen!”

Walter ging vooruit, en hield de lantaarn zoo, dat de trappen goed verlicht waren; hij zei: „Men doet veel voor zijn vrijheid, maar ook voor die van een ander: ik had niet gedacht, dezen nacht nog hier te zullen komen. Volgt die luie jongen wel?” vroeg hij, toen hij zag dat Frank omkeek.

„Ja, Walter,” hernam deze, „maar houd uw lantaarn naar omlaag; het is gevaarlijk als men de trappen niet zien kan.”

„Die menigeen in vroegere dagen met zijn hoofd heeft kunnen tellen, als hij er bij de beenen werd afgesleept,” zei Walter. „De heeren van Oosterweerd waren allen zoo goed niet als heer Loef; de gevangeniskluizen zouden zich toen eerder geopend hebben dan de geheime uitgang voor den onwelkomen bruidegom,” eindigde hij lachend, en hield onder aan de trap stil, terwijl de gewelven zijn laatste woorden en zijn gelach weerkaatsten.

„Walter!” riep de jonkvrouw met waardigheid, „gij vergeet u!” en Frank, die aan de siddering van haar arm bemerkt had, dat het gezegde haar mishaagde, zei snel: „Maar die ongelukkigen hadden niet, zooals ik, een zwaard, hofmeester! – Wijs mij dus den weg, en verlies den eerbied niet meer uit het oog. „Neen,” antwoordde deze gemelijk; „maar Messire Perrol gaat ook niet ongewapend, Heer! Bewaar uw moed en lust om te vechten, totdat gij hem ontmoet; ik ben te oud en te ver beneden u, om uw toorn gaande te maken.”

„Vooruit dan!” riep Frank driftig; maar Walter zei onwillig, terwijl hij de lantaarn in de hoogte hield: „Het is mij wel, als gij den jongen verkiest achter te laten, die op de trap in slaap is gevallen. Het zij zoo, gij hebt mij slechts te volgen.”

Zonder verder iets te zeggen, liet hij de lantaarn zakken, en verwijderde zich met groote stappen. Frank schrok, toen Walter over den jongen sprak; het licht, dat hem nog de gelegenheid had gegeven om vluchtig de trap te overzien, toen hij het hoofd omwendde, had hem Kars gewaar doen worden, die eenige treden hooger op de trappen neergezegen scheen te zijn.

„O, een oogenblik, beste Ada,” bad hij, toen zij Walter wilde volgen. Hij verliet haar zijde, en keerde op zijn schreden terug, en zij zag, hoewel Walter reeds een eind vooruit was, hoe hij onder aan den trap gekomen, den jongen neerzette, dien hij scheen te hebben gedragen, en hem zacht toefluisterde, verzocht den moed niet te verliezen en niet achter te blijven.

„De jongen heeft uw moed niet, Ada,” zei Frank met een ontroerende stem, toen hij haar hand vatte, en Walter weer volgde. „Waarom zijt gij met mij meegegaan? Ik hoop, dat ik mij niet bedrieg, maar het zal uw gezondheid schade doen.”

Terwijl zij zoo voortgingen, antwoordde de jonkvrouw hem, en hij hoorde met blijdschap den zachten tred van Kars, die achter hem ging; nu en dan zag hij om en achter zich, als nieuwsgierig naar de plaats, waar zij zich bevonden. Het waren gewelfde kelders, die niet zeer hoog waren: de eerste waren meest gevuld met brandstoffen, en daarna, toen zij aan de gesloten deur kwamen, en Walter die opende, zouden hun de groote vaten, die er in lagen, verraden hebben, dat zij zich in de wijnkelders bevonden, indien de vochtigheid en de wijnlucht, welke hun tegemoet kwamen, het niet reeds hadden doen bemerken. Het geluid van hun voetstappen werd door de gewelven teruggekaatst; het ontsluiten van de deuren en het gekras van de scharnieren verbraken de stilte, welke hier had geheerscht, en vermengden zich met het ontstemde gemompel van den hofmeester en de woorden van Frank en zijn bruid.

„Wij zijn nu op den goeden weg, zei Walter, die hen aan een kleine, zware deur, welke hij geopend had, wachtte, en hij sloot die weer achter zich, toen zij hem waren voorbijgegaan; een voorzorg welke hij nog niet genomen had. Frank en zelfs de jonkvrouw zagen om zich heen, maar ontdekten geen spoor van een anderen uitgang aan het kleine gewelf, waarin zij zich bevonden, en dat alleen een paar kleine tonnen en drie groote leeren zakken bevatte, die boven den grond op dwarsbalken lagen; maar eer zij hun verwondering te kennen gaven, zei Walter, terwijl hij nazag, of de lantaarn goed gesloten was: „De jonkvrouw zelf is hier nog nooit geweest: dr ligt het leven en de dood. Wees dus zoo goed, heer Frank, om dat zwaard niet op de steenen te laten slepen; met donderkruit is geen spotten. Help mij dezen steen verschuiven; want de angst heeft de krachten van uw schildknaap doen verdwijnen.”

Walter zette nu zijn lantaarn neer, wees Frank een der zerken aan, waarmee de kelder bevloerd was, en nadat hij deze door er een plat ijzeren werktuig tusschen te wringen, dat achter de tonnen verborgen was, eerst een eindje van de andere zijde verwijderd had, werd zij vrij gemakkelijk voor het grootste gedeelte onder een der zijmuren geschoven. „Zal de jonkvrouw ons nog verder vergezellen?” vroeg hij, en Frank, die het oog op de nauwe, donkere opening sloeg, wilde Ada bidden hier te blijven; maar zij voorkwam zijn verzoek en zei vastberaden: „Ja, Walter!”

Zonder verder iets in het midden te brengen, nam de hofmeester de lantaarn op, daalde in het gat af, en riep, toen hij beneden was: „De gang is hoog genoeg, om rechtop te gaan; doch geef acht op het laddertje: de sporten zijn vrij breed, maar het staat wat steil.”

Frank lei terstond het zwaard neer, dat hij reeds weer had opgenomen, reikte Ada de hand en zei: „Sta mij toe u te helpen; indien u eenig leed overkwam, nooit zou ik het kunnen vergeten; waarom zijt gij ook niet daar boven gebleven?”

„Waarom?” zei zij. „Denkt gij dan, Frank, dat ik niet veel belang, o zooveel belang stel in uw redding?”

„Hoe kunt gij dit gelooven?” antwoordde hij, terwijl zij, door hem ondersteund, langzaam afdaalde, en eindelijk geheel onder den grond verdween. „Denkt gij, dat mijn hart het mij niet zegt?”

„Nu den jongen nog,” zei Walter, „neem hem maar in zijn wambuis en laat hem afzakken; ik zal hem wel opvangen.”

„Waar zijt gij?” vroeg Frank zacht, toen hij de jonkvrouw, op zijn knien liggend, nagezien, en zoolang mogelijk vastgehouden bad: want daar alles om hem heen duister was, zag hij Kars niet, die zooeven nog bij de opening gestaan had; er kwam wel eenig licht uit de onderaardsche gang, maar dit bescheen alleen het gewelf.

„Antwoord mij in Gods naam!” riep hij zacht, en met een gesmoorde stem. Met de handen voor zich uitgestrekt, liep hij op de opening heen en weer, en zei eindelijk diep bewogen: „Zit gij daar? O, ik bid u, verzamel al uw krachten; een oogenblik nog, en wij zijn behouden. Sta op, leun op mij; waarvoor zijt gij bevreesd? Ben ik niet bij u?”

„Wij kunnen niet langer wachten,” riep Walter nu gemelijk uit de gang, en scheen vooruit te gaan. „Frank, Frank, waar blijft gij toch?” zei Ada luid. „Laat dien jongen achter, ik smeek u, kom toch! Waag uw leven niet voor den knaap, laat hem achter.”

„Ik kom, Ada,” antwoordde hij boven aan de opening, en vervolgde zacht: „Zet uw voeten op de sporten. Zoo, Kars, houd mij gerust vast; niet zoo spoedig. O, val niet, zijt gij er nu? Goddank!” vervolgde hij, terwijl hij den jongen eerst om het midden van het lijf, daarbij bij zijn kleed had vastgehouden, en hij liet hem niet los, voordat hij op vasten grond stond.

Zonder tijdverlies nam hij nu het zwaard op, liet zich eerder naar beneden vallen, dan dat hij van de ladder gebruik maakte, trad voorbij den jongen, nam de lantaarn op, die Walter had neergezet, plaatste zich naast de jonkvrouw, en zei: „Ada, ook deze arme knaap zal u danken, dat hij zijn ouders weerziet; vergeef hem zijn zwakheid.”

„Ik wil niet minder goed zijn dan gij, Frank,” antwoordde zij, „maar ik wilde er veel voor geven, dat die jongen niet hier was! Het is alsof hij zich tusschen ons indringt. Ik misprijs uw goedheid niet, Frank, maar zie, het komt mij voor, dat uw bezorgdheid voor hem te ver gaat; ik wenschte u zoo gaarne uw zorgen alleen aan mij te zien besteden; want wanneer zie ik u weer?...” eindigde zij zuchtend.

Het was Frank onmogelijk te antwoorden, en Walter, die nu een zware ijzeren deur geopend had, die in de gang was, riep hen, om hem te volgen.

Het huis Oosterweerd, dat oogenschijnlijk geen kelders had, die aan den benedenwal uitkwamen, had echter door deze enge gang, welke onder de kluizen van twee belendende huizen doorliep, echter een uitgang in een kelder of een woning aan den benedenwal, die nu leeg stond, en alleen tot berging van brandhout en rommel gebruikt scheen te worden. Deze kelder, hoewel zij aan heer Loef toebehoorde, had naar het scheen niets gemeen met het huis Oosterweerd, noch met de belendende huizen, die op de Oude-Gracht stonden. En weldra vonden zij aan het andere einde van de gang, voorbij de zware ijzeren deur een trapje of ladder, zooals dat, waar zij reeds waren afgeklommen. Ook hier moest een steen worden verschoven, en Walter, die de lantaarn aannam, klom het eerst naar boven, en toen volgde Frank, die daarna de jonkvrouw naar boven hielp. Walter zette het licht achter een oud meubelstuk, zocht den sleutel, dien hij noodig had, en trad naar het voorste gedeelte van de woning, die in twee groote gedeelten was gescheiden. De ruiter stond nu gereed om ook Kars de hand toe te reiken; maar de jonkvrouw liet er hem den tijd niet toe; zij trok hem ter zijde, en zei snel: „Frank, de heilige Moeder Gods zij gedankt; ik zal u dan eindelijk bevrijd zien, en toch is het mij, alsof het geluk mij met u verlaat. Zeg het mij, als gij het mij nog niet vergeven hebt, dat ik u hedenmiddag geweigerd heb voor haar te zorgen, welke u hierheen lokte.”

„En twijfelt gij dan nu nog daaraan, Ada?” riep hij vriendelijk. „Weet ik zelf niet, dat uw tusschenkomst niets voor haar doen kan? Kunt gij vermoeden, dat uw goedheid, uw zorg voor mijn veiligheid, mijn hart niet zou vermurwd hebben, indien ik u niet reeds uw gedrag en uw woorden geheel vergeven had?”

„O!...” zuchtte Ada, „ik dacht soms, Frank, – doch ik voel het, ik bedrieg mij, gij verwijt het mij niet meer. Ik had mij te veel geluk voorgesteld; gij kunt mij niet anders toespreken dan gij doet, en ik dacht, dat gij vertoornd op mij waart, omdat ik u dit huis heb willen zien verlaten.”

„O, ik verdien dat verwijt!” zei hij driftig. „Vergeving, Ada, het is waar, ik ben niet dankbaar, en mijn verplichting is zoo groot!...” Hier hield hij op, keerde zich om en zag Kars achter zich; de jongen was alleen tegen de ladder opgeklommen en hen genaderd; hij trok Frank bij zijn arm en zei zacht: „Laten wij gaan, ik bid u: het is tijd!”

„Wie zijt gij?” riep Ada, die nu ook den jongen gewaar werd. „Verwijder u, gemeene knaap! Hoe durft gij hem, uw meester, aanraken? Onttrek u en laat ons alleen!” Met een fiere houding naderde zij hem, de hand dreigend uitgestrekt, en de arme jongen, die bevreesd achteruit trad, liet den mantel vallen, dien hij op den arm had.

„Vergeef het hem,” riep Frank treurig, „hij weet niet beter, beste Ada,” en vr de jonkvrouw tredend, sloeg hij zijn arm om haar middel en vatte haar hand.

„Frank,” zei de jonkvrouw, die den jongen en haar drift plotseling vergeten scheen te hebben, en vol vertrouwen haar hand op zijn schouder legde, „ik wil u nog even zeggen, dat ik gevorderd heb het geschrift te zien, waarop uw handteekening stond. Het zien van uw teeken, dat naast het mijne stond, maakte mij reeds gelukkig; maar zonder uw hart zou uw hand alleen het mij op den duur niet kunnen zijn; maar dezen nacht nog zal ik het vernietigen; want gij hebt immers den priester geweigerd, – tenzij gij...

„Neen, Ada, doe het niet, laat het in wezen.. .” riep Frank, haar in de rede vallend; maar zij vervolgde treurig, toen hij verder zweeg: „Het moet geschieden, en waarom niet? Dezen nacht heb ik u voor mijn bruidegom aangenomen; morgen zal geen band u meer binden, en ik zal wachten, tot uw hart verlangt om mij uw bruid te noemen; tot zoolang blijft gij mijn... broeder!” eindigde zij droefgeestig.

De stem van Walter, die de deur ontsloten had, riep hem nu; en de jongen, die den mantel had opgeraapt, waagde het, omdat zij het niet schenen te hooren, den ruiter bij zijn naam te roepen. Frank schrok, toen het geluid van deze stem zijn ooren trof, en de jonkvrouw wierp een vragenden blik op hem, en daarna op den jongen, die met zijn rug naar het licht gekeerd, hen scheen gade te slaan. „Walter roept ons,” zei Frank zacht; „het uur van scheiden is dan daar, Ada, en elk woord van u staat voor eeuwig in mijn hart opgeschreven. Gij wilt niet, dat ik u zuster noem; maar den naam van vriend zult gij mij toch niet ontzeggen,” en hij trad met haar naar het voorste gedeelte van de woning. De aandoeningen, die haar beheerschten, deden haar zwijgen; de jongen volgde hen, en Walter wachtte bij de deur.

„Gij houdt slechts rechts af, totdat gij aan de houten trap komt, die naar de straat geleidt; wees maar zoo voorzichtig om langs den muur te gaan, uit vrees voor het water,” zei Walter, die de deur reeds half opende.

De ruiter stond stil, hij moest de jonkvrouw verlaten; maar zij greep zijn hand,en zei zacht: „Frank, n ding moet gij mij beloven, helaas, dat had ik bijna vergeten: verlaat de stad niet door de poort, die men mij genoemd heeft.”

„Maar het verlof is alleen voor de Witte-Vrouwen-poort geldig,” antwoordde Frank, „en mijn paarden...”

„Ik weet het,” vervolgde de jonkvrouw snel; „maar juist daardoor kan men u vervolgen, als men wil.”

„Maar hier in de stad blijven, waarde Ada?” riep Frank.

„Neen!” haastte zij zich te zeggen; „maar gij herinnert u immers den ouden dienaar van mijn vader, die in de toren bij de Witte-Vrouwen-poort woont?” De ruiter knikte met het hoofd, en zij vervolgde: „Welnu, hij zal u met zijn aak overzetten; en herkent hij in u den krijgsman niet, die hem eens uit mijn naam verzocht hierheen te komen, laat hem dan slechts dit zwaard zien, dat hij zoo menigmaal gedragen heeft, en zeg hem, dat ik u zend.”

„Ik zal uw begeerte opvolgen,” zei Frank gevoelvol. „Zeg het mij, Ada, is er ook iets, dat ik voor u doen kan, gij doet zooveel voor mij...

„Neen, Frank,” hernam zij treurig, „maar denk soms aan mij; gij weet immers, dat er geen dag omgaat, dat uw beeld mij niet voor den geest zweeft, en ik niet voor u bid; ten minste als mijn verstand niet in een nevel gehuld is.”

Een flauwe lichtstraal, die op haar viel, verlichtte haar bleek gelaat, en Frank bleef staan, op de plaats geboeid door de zachte en droevige uitdrukking van haar groot zwart oog; een pijnlijke glimlach zweefde om haar mond. Hij dacht niet meer aan Perrol; alles had hij vergeten; alleen de jonkvrouw hield zijn gedachten bezig: berouw en liefde, vriendschap en dankbaarheid kampten in zijn hart. Doch Walter wachtte met ongeduld, en Kars waagde het, nog eenmaal tusschenbeiden te treden; schoorvoetend naderde hij den ruiter, raakte hem aan den arm, en Frank sprong op, alsof hij uit den slaap gewekt werd.

„Walter!” riep Ada snel, „laat den jongen maar vast naar buiten gaan – ik wil, dat hij vertrekt!” eindigde zij driftig, toen Kars verschrikt terzijde trad. De hofmeester, die niets liever wenschte, dan zoo spoedig mogelijk terug te keeren, voldeed terstond aan dit bevel, dat nu met zijn verlangen overeenkwam; zonder mededoogen vatte hij den jongen, die geen moeite deed om zich aan zijn handen te onttrekken, bij den schouder, en trok hem met zich voort. Gewillig, zelfs zonder klagen, gehoorzaamde Kars; hij richtte slechts het hoofd op, toen hij den laatsten voet nog in den kelder had, wierp een enkelen blik op den ruiter, en verdween toen in het donker, terwijl Walter uitriep: „Dat is er n! En indien gij heer Frank ook niet wegzendt, dan bewaart gij hem voor Perrol, Jonkvrouw!”

De ruiter had snel de hand opheven, toen Walter den jongen aanvatte; maar toen hij den hofmeester wilde verhinderen, om dezen weg te voeren, vatte de jonkvrouw hem bij den arm, en de dreigende uitdrukking van zijn gelaat verdween. Ontmoedigd liet hij nu de beide armen zakken; het zwaard klonk, toen het de steenen raakte, en zijn blik volgde den jongen, totdat hij uit zijn oog verdween.

„Jonkvrouw Ada!” riep Frank, „er blijft mij niet anders over; ik moet u verlaten; de Hemel zegene u en wake over uw gezondheid.” De toon van zijn stem veranderde, nadat hij de eerste woorden geuit had; hij wilde door vriendelijkheid de onwillekeurige stroefheid vergoeden, waarmee hij haar had aangesproken.

„Vergeef mij, Frank!” riep zij hevig, „ik handelde onbillijk; en ik waag uw leven door u nog langer te willen ophouden. Maar het is, omdat ik u... omdat gij mijn vriend zijt. Vaarwel! Onze goede Heere Jezus en alle heiligen geleiden u; vertrek! O, blijf niet langer, bid ik u!”

„Vaarwel dan, Ada, trouwe vriendin,” antwoordde Frank aangedaan, terwijl hij haar in zijn armen sloot en haar kuste. „Ach, waarom kan ik u niet gelukkig maken met opoffering van mijn leven?”

„Ween niet,” fluisterde zij zacht, „zeg aan uw vriend, dat ik over zijn bruid zal waken, als ik kan. Helaas, ik weet nu immers, wat het hart van haar bruidegom moet gevoelen. Neem dit nog; het goud, dat mij niets waard is, kan soms uw dierbaar leven redden.”

„Vergeving, Ada! Heb dank, mijn vriendin!” antwoordde Frank smartelijk en stak werktuigelijk wat zij hem in de hand drukte, in zijn borst. „Veracht mij niet, – ik ben die tranen niet waard; vergeving, – vaarwel……!”

Bij deze woorden sloot hij haar nauwer in zijn armen, klemde haar vast aan zijn borst, die onrustig joeg, kuste haar nog eens, en snelde toen Walter voorbij, de deur uit. Het zwaard, dat hij in de linkerhand droeg, sleepte over de steenen en met zijn rechterhand bedekte hij zijn gezicht. Het was alsof de wanhoop zich geheel meester gemaakt had van zijn gemoed.

„Allen heiligen zij dank! Hij is vertrokken!” zei Walter, die de deur achter Frank sloot; maar driemaal moest hij de jonkvrouw verzoeken hem te volgen, voordat zij zich bewoog; toen sloeg zij het zijden kleed om zich heen, en trad hem voorbij, zonder een woord te spreken, of door haar houding te verraden, dat de man, dien zij beminde, haar verlaten had.

908SR15.gif (1832 bytes)

De hofmeester was bij zijn meester teruggekeerd, terwijl de jonkvrouw in haar vertrek nu eens met ongerustheid haar bruidegom in gedachten vergezelde, dan weer neergeknield voor hem bad; want nog had zij het geschrift niet vernietigd, dat hen verbond. Zij bezag het nu en dan en zuchtte: – nog was zij zijn bruid. Froccard zat zwijgend tegenover Vidal, die sedert eenigen tijd zijn voornemen om de kamer van Maria met de schildwacht te helpen bewaken, scheen te hebben opgegeven; nu en dan stond de knaap echter op, om met Annetje, als zij voorbij de kamer ging, te spreken. Het meisje scheen hem zijn plechtige belofte te hebben doen vergeten. De beul der Zwarte Bende berekende, hoe lang de ruiters, door hem afgezonden, reeds weg waren, en vermaakte zich reeds bij voorbaat met de verbazing en smart van heer Loef en zijn nicht, en met de teleurstelling van den slimmen hofmeester, als de gewaande marsman weer gevangen voor hun oogen zou verschijnen; hij wist niet, dat de bezorgdheid van Ada voor zijn vrijheid hem misschien nog kon redden. Bij tusschenpoozen trachtte hij te raden, wat Perrol terughield, daar deze hem omstreeks den middag had laten weten, dat hij vr den avond terug zou komen, hoewel hij de stad verlaten moest; hij vermoedde daarom half, dat deze misschien door het geluid van de bussen Maria had vergeten en weer naar Eemnes gereden was.

Met ongeduld had heer Loef op zijn hofmeester gewacht; maar toen deze eindelijk terugkeerde, vernam hij, dat alles voorspoedig was afgeloopen, en dat zijn nicht begeerd had de trouwbelofte nog te behouden.

„Nu, wij behoeven ook niet bevreesd te zijn, dat zij het geschrift zal vernietigen,” zei heer Loef lachend. „Maar zie eens, Walter, ik geloof dat men de deur tracht te openen, ik wil niemand meer zien, tenzij de Zwarte Ruiter iets te zeggen had.”

De hofmeester trad naar de deur, schoof den grendel weg, en Reynoud drong hem voorbij. „Heer,” zei de oude knorrig, „uw vader wil rust hebben; wat zoekt gij hier?” en hoewel hij verwonderd was, den jongeling hier, en geheel gekleed met het zwaard aan de heup te zien, waagde hij het hem in den weg te treden.

,Bij uw grijze haren, Walter!” riep Reynoud driftig, „raak mij niet aan, of de zoon van uw heer zal eens vooral den gemeenen knecht tot zijn plicht weten terug te brengen! Terug……!”

„Reynoud!” riep heer Loef verstoord, „hij volgt mijn bevelen; is dat het loon voor zijn diensten, aan mij en mijn huis bewezen?”

„Vader,” antwoordde Reynoud, buigend, „vergeef het mij; maar in dit oogenblik mag geen knecht zich tusschen u en uw zoon stellen. Ik kwam……

„Ik dacht, dat gij reeds lang ter ruste waart gegaan, Reynoud. Ik verzoek u, vertrek, het is reeds laat,” zei heer Loef ernstig, en stond op.

„Maar, vader, gij zelf waakt immers nog, waarom zou ik dan slapen? O laat mij blijven. Zeg het mij, wien wacht gij nog zoo laat?” vroeg Reynoud driftig, en hij naderde.

„Ik verzoek, – ik wil, dat gij vertrekt, Reynoud!” riep heer Loef. „Hoort gij mij niet? Ik wil alleen zijn.”

„Ik bid u, verleen mij gehoor, antwoord uw zoon,” smeekte Reynoud, terwijl hij de handen samenvouwde. Een oogenblik dacht Walter, die met moeite zijn ontstemming verkropte, dat zijn meester zou toegeven; maar de vreugde schitterde in zijn oog, toen deze hem streng vroeg: „Met welk recht dwingt gij uw vader om u te woord te staan?”

Toen nam Reynoud den kandelaar, die op de tafel stond in de hand, hief hem op, zoodat het licht op de kleuren van een wapen viel, dat vr den schoorsteen hing, en riep met geestdrift: „Met welk recht mijn vader? Is dat niet mijn blazoen; ontvingt gij het niet zonder vlek van uwe voorouders, en was het niet de plicht van uw voorouders, en is het niet de plicht van uw leven het onbesmet aan zijn kinderen over te brengen, indien de Hemel hem er mee zegenen wil?”

Heer Loef zag zijn zoon voor zich staan, dien met zijn rechterhand op het wapen wees; hij voelde, dat hij niet langer verbergen kon, wat hij zoo gaarne geheim had gehouden, en antwoordde langzaam: „Ik wacht Messire Perrol, Reynoud.” „En mag ik daarom niet bij mijn vader zijn?” vroeg Reynoud, en zette den kandelaar neer.

„Maar ik verzoek u mij alleen te laten, Reynoud,” zei heer Loef dringend. „Morgen, morgen, dan zal ik u wachten. Misschien komt hij zelfs niet eens, en ik heb rust noodig.”

„Hij zal dus komen om rekenschap te vragen van de gevangenen?” vroeg Reynoud veelzeggend, en zijn vader riep verwonderd, terwijl hij hoofd op de borst liet zakken: „Hoe, gij weet……?”

„Alles, vader,” zei Reynoud, en greep zijn hand. „Maar voegt het u, – zijt gij genoodzaakt in uw eigen huis te wachten op dien man? O, ik voel het, zijn komst wordt door u gevreesd; maar hebt gij dan geen zoon, geen knechts meer? – Kunnen deze muren u niet meer beschermen? O, mijn vader, gij u verantwoorden voor Perrol met de Roode Hand, gij, een edelman en inwoner van Utrecht.”

„Het kan niet anders, Reynoud,” zuchtte Heer Loef, terwijl hij zijn schouders ophaalde. „Doch vrees niet, hij zal ons geen leed doen.”

„En indien ik eens gewaakt had voor uw eer,” vroeg Reynoud zacht, „indien uw zoon……

„Zijn vader rampzalig had gemaakt,” – janimerde heer Loef. „Zwijg!” riep hij, toen Reynoud spreken wilde, „dan kan ik ten minste zweren, dat ik van niets geweten heb.”

Reynoud greep opnieuw zijn hand en wilde antwoorden; maar men riep in de gang, en Walter zei luid: „Heer, Messire Perrol is vr het buis en begeert ingelaten te worden.”

„Nog is het tijd, mijn vader,” riep Reynoud. „Ik bid u, houd uw huis gesloten,” maar heer Loef schudde met het hoofd, en zei langzaam: „Neen, Reynoud, neen, – Walter, ga heen en laat hem binnen, de Hemel alleen kan mij helpen tegen dien man. Heilige martelaren, bidt voor mij.”

Toen Walter weg was, zei heer Loef aangedaan: „Reynoud, mijn zoon, verlaat mij nu. Indien hij hierheen komt, zal ik hem trachten te overtuigen van mijn onschuld: bespaar mij ten minste de smart, voor u te moeten vreezen; ik vergeef u alles, mits gij terstond dit huis verlaat.”

Doch Reynoud riep met vuur: „Ik heb gedaan, zooals ik dacht wel te doen, vader, maar u verlaten kan ik niet. Is het niet mijn plicht om voor uw leven te waken? Moet ik niet verantwoorden wat ik gedaan heb, zoo die vreemdeling iemand mocht verdenken?” en hij wees op het lange zwaard, dat aan zijn zijde hind. „Kind,” zei heer Loef treurig, „gij wilt Perrol te woord staan met het zwaard, dat vreemd aan uw zijde hangt, en weinig kracht zal hebben in uw zwakke hand?” „Vader!” riep Reynoud met geestdrift, „laat mij hier blijven; u behoort de verdediging met woorden, mij die met het zwaard; maar zeg mij nog eens, dat gij mij alles vergeeft.”

Toen sloot de heer Loef hem in zijn armen en zei aangedaan: „Ja Reynoud, ik vergeef u alles, mits gij uw vader alleen laat spreken; gij zijt te jong om de woord en met voorzichtigheid te kiezen: de drift der jeugd zou ons ongelukkig maken.”

908SR15.gif (1832 bytes)

EemnesInhoudopgave OltmansDe vlucht

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)