J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL I – HOOFDSTUK III.

DE ROODE DRAAK

Zegt u uw hart dan niet, hoe zeer gij wordt bemind?
Voelt gij dan niet, hoe mij uw afzijn kan bedroeven,
Door ’t geen uw hart zelf ondervindt?
Dan mint gij mij niet meer – náár denkbeeld! ’t doet mij beven!
E. WOLF, geb. BEKKER.

B.gif (3488 bytes)isschop David, door de weerspannigheid der ingezetenen uit Utrecht, den zetel van zijn bisdom, verdreven, hield meestal zijn verblijf in Wijk-bij-Duurstede; de ingezetenen en zij, die aan het hoofd der regeering stonden, waren door de voorrechten, welke de Bisschop hun van tijd tot tijd verleend had, hem zoo welgezind, dat zij met kracht de aanzoeken van de partij, die in Utrecht meester was, om, evenals deze, hun wettigen heer ook af te vallen, van de hand hadden gewezen. Zij genoten nu ook het voorrecht en het voordeel, den Bisschop en zijn stoet van geestelijke en wereldlijke heeren te herbergen en het groote aantal zijner aanhangers, die uit Utrecht, Amersfoort, Montfoort en andere plaatsen gevlucht of verdreven waren, veroorzaakte, dat alle huizen in de stad, van den zolder tot den kelder, zooals men zegt, in gebruik genomen waren; hetgeen een stijging der huurprijzen en levensmiddelen deed ontstaan, die velen een groot voordeel aanbracht. Kramers met allerlei koopwaren, reizende goochelaars, speellieden en zeggers of vertellers van allerlei wonderlijke historiën bezochten nu ook dit stadje en verspreidden er een vroeger onbekende levendigheid.

De bisschop had dus door de gehechtheid van deze stad aan zijn persoon te danken, dat ook dit toevluchtsoord niet voor hem gesloten was; ook kon hij hier in veiligheid vertroeven, totdat zich een gelegenheid voordeed, om zich, hetzij door geweld of door list, weer meester van Utrecht te maken. Het kasteel, dat aan het zuidwestelijk gedeelte der stad lag, strekte hem tot verblijfplaats; daar had hij gelegenheid en tijd om zich de dagen te herinneren, toen de macht van zijn vader, en later van zijn broer Karel, hem in het bezit van het bisdom steunde, terwijl hij nu afhing van de genade van den Oostenrijker, die met zijn nicht gehuwd was, en zich weinig bekreunde of Montfoort of Bourgondië in Utrecht meester was, alleen maar handelde om zijn eigen oogmerken te bereiken. Goedschiks moest de vernederde Bisschop dus aanzien, dat een zijner leenmannen in zijn stad bevel voerde, dat zijn gezag straffeloos gehoond, en zijn bisdom in den grond bedorven werd: hij moest dankzeggen en nederig vragen, terwijl zijn hart met moeite de woede verkropte over het weinige, dat voor hem gedaan werd. Zijn eenige hoop bestond in de mogelijkheid, dat zijn vijanden zich misschien zouden laten verleiden, om iets tegen Holland te ondernemen en met verlangen zag hij de tijding tegemoet, dat de fakkel der brandstichting zijn bondgenooten zou opwekken uit den slaap, waarin zij als verzonken schenen. Omstreeks het midden der maand Juni zat Van Schaffelaar met Frank voor de ramen der tweede verdieping van de herberg de Roode Draak, op de markt te Wijk. Het luiden der klok kondigde de vrijheid der paardenmarkt aan, die den volgenden dag zou worden gehouden en de drukte, welke er op de markt heerschte, liet voorzien dat het een der meest bezochte marktdagen zou zijn, die men in lang gezien had.

Van Schaffelaar had met aandacht gekeken naar de vlugge sprongen van een aap, die op den schouder van een grooten bruinen heer gezeten was; hij kon uit het venster, over de hoofden der toeschouwers heen, in den kring zien, waarbinnen het logge dier zich bewoog, dat, aangemoedigd door het zien en het voelen van zijns meesters stok op het geluid van een trom in het rond danste. Toen de makker van den berenleider de kleine koperen geldstukken had ingezameld, zweeg de muziek; de opeengepakte hoop menschen verspreidde zich en de heer werd met den aap weer naar een andere hoek der stad gevoerd; slechts eenige kinderen volgden de berenleiders, in de hoop zich elders nog eens op dezelfde vertooning te vergasten.

Toen de trom zich niet meer liet hooren, keerde Van Schaffelaar het hoofd om, en liet zijn oog vallen op Frank, die, aan de andere zijde van de lompe tafel, voor het kruisraam zat. Ook hij staarde op de kleine groene glasruiten, maar de onbeweeglijkheid van zijn blik en zijn gelaat verried, dat hij niets zag van hetgeen hem omringde.

„Waaraan denkt gij, Frank?” vroeg Van Schaffelaar vertrouwelijk, terwijl hij zich eenigszins over de tafel boog.

„Ik?” vroeg Frank, plotseling van schrik opspringend, toen hij zoo opeens werd aangesproken.

„Ja, gij,” vervolgde Van Schaffelaar

„O, ik denk aan niets,” antwoordde Frank bedaard, „er is daarbuiten zooveel te zien; welk een drukte is er op de markt.”

„En hoe is u de vertooning van die dieren bevallen?” vroeg weer de andere, terwijl hij hem oplettend gadesloeg.

„Vrij wel,” hernam Frank verlegen, die van al hun kunsten niets gezien had, en nu opmerkzaam over de markt rondzag, of hij ook ontdekken kon, wat voor beesten het geweest waren. Doch zijn pogingen waren vruchteloos, en Van Schaffelaar had moeite om een glimlach te onderdrukken toen Frank opeens vervolgde: „Het is ook al een onaangenaam beroep om berenleider te wezen;” want het geluid van den berendans klonk hem flauw door het raam in de ooren, en hij herinnerde zich nu, dat hij voor enkele oogenblikken hetzelfde eentonige getrommel gehoord had.

Van Schaffelaar dacht in het eerst, dat hij zich bedrogen had en dat Frank, hoewel dan geen oplettend toeschouwer, toch wat van de kunsten gezien had.

Doch op de vraag, welke heer hem voorkwam de oudste te zijn, de bruine of de zwarte, noemde Frank, op goed geluk, den bruine; waarop Van Schaffelaar het hoofd schudde en zei:

„Tevergeefs is het, beste Frank, dat gij voor mij zoekt te verbergen, dat uw gedachten op geheel iets anders gevestigd geweest zijn. Ik zie het al, gij hebt niets gezien en weinig gehoord, maar waarom mij uw hart niet geopend? Ik ben niet rijk en machtig; gij weet het, maar Van Schaffelaar heeft toch eenigen invloed bij onzen heer Bisschop, die ofschoon hij zichzelf niet kan helpen, nog wel iets kan doen voor een ruiter, zooals gij zijt.”

„Indien ik voorgewend heb,” zei Frank, „dat mij niets ontgaan is van die kunsten hier op de markt, zoo is het, omdat ik vreesde door u uitgelachen te worden; maar als ik eens wat diepdenkend ben, zoo is het niet van dien aard om er u, laat staan zijn Eerwaarde, mee lastig te vallen; dat zal wel overgaan, Van Schaffelaar! Ik dank u,” en met voorgewende vroolijkheid vertoonde zich een gedwongen lach op zijn bleek gelaat.

„Ikzelf, Frank,” hernam Van Schaffelaar vertrouwelijk, die geen acht sloeg op de gedwongen opgeruimdheid van den jongeling, „ik ben reeds eenige jaren ouder dan gij, en toch verdiep ik mij ook wel eens in mijn gedachten; zooeven nog dacht ik aan Maria, aan haar moeder en den vroolijken meester uit de Vergulde Helm, en ik zou gaarne willen weten, hoe zij het met hun gezondheid maken; ik wed, dat gij ook dikwerf aan uw vrienden in Amersfoort denkt.” „Zeer zeker,” hernam Frank langzaam; „de vriendschapsbewijzen die ik van hen ontvangen heb, zal ik, zoolang ik leef, niet vergeten; ik hoop dat God hen in deze tijden bewaren zal.”

„In het vervolg van tijd, als wij den oorlog gelukkig doorkomen,” zei Van Schaffelaar vroolijk, „dan zullen wij genoeglijke dagen doorbrengen; gij moet ons dan dikwerf bezoeken. Hal wij zullen dan eens zien, of er nog herten op de Veluwe zijn, op de Schaffelaar zal steeds een vertrek voor den rijzigen ruiter Frank gereed zijn, als hij met den Gelderschen pot tevreden is, en het rond onthaal van zijn gastheer en diens vrouw hem bevalt. Nu, wij kennen elkander immers, en de gastvrouw is u ook niet onbekend; Maria, de dochter van meester Wouter, is nog een oude bekende, nietwaar? Heugt het u nog wel Frank, dat wij dikwijls met haar gespeeld hebben in den tuin in de Langestraat, en hoe vlug het lieve kind kon loopen, als zij ons uittartte haar te krijgen? Ha, ha! beste jongen! Het heugt mij ook nog, dat ik meestentijds gelukkiger of sneller was in haar te achterhalen dan gij; maar dat is al een geruimen tijd geleden; ik beminde Maria toen al in het geheim, en nu is zij mijn bruid! O, Frank, als gij ook eens bruidegom zijt van een meisje dat gij bemint, en dat u liefheeft, zult gij eerst gewaar worden, welk geluk er in dit woord ligt opgesloten.”

Frank antwoordde niet, maar uitte een onwillekeurigen uitroep, en terwijl hij zijn rug naar het raam wendde, drukte hij zijn linkerhand tegen zijn borst en liet het hoofd op de rechterhand vallen, die met den arm op de tafel leunde. Helaas, ik zeg,” zei Frank, zich geweld aandoende om te spreken, „dat niet iedereen voor zulk een geluk geschapen is.”

„En waarom niet?” hernam Van Schaffelaar; „kan elk man niet rondzien naar een huisvrouw? Heeft hij niet de gelegenheid, uit de meisjes die hij ziet, een bruid te kiezen, volgens de begeerte van zijn hart?”

„Maar indien deze keuze eens valt op iemand boven zijn stand, wat dan?” riep Frank met drift, waarna hij somber vervolgde: „Een edelman, zooals gij, kan kiezen; maar iemand van mijn soort, zonder naam of ouders, wie zou zijn bruid willen zijn?”

„Wie?” zei Van Schaffelaar verwonderd, „welk meisje vraagt naar naam of afkomst, als een welgemaakte jonkman haar zijn liefde bekend maakt, als hij haar hart doet spreken? Vooral een krijgsman kan dit alles ontberen, Frank. Wanneer hij haar in prachtigen dos, op een moedig paard gezeten, fier voorbijrijdt, terwijl de trompetten schetteren, kan zij haar oog niet van hem afwenden; en als de ruiter op zijn borstharnas de hand legt, zijn hoofd met den wapperenden vederdos voor haar buigt, en zijn vurigen blik om wederliefde schijnt te smeeken, dan kan zij zoo hardvochtig niet zijn om zijn liefde te versmaden. Gij zijt nog jong en geschikt voor den krijg; waarom zou u het geluk ook niet toelachen, dat aan zoovele onbekende krijgslieden te beurt gevallen is?”

Doch Frank antwoordde niet veel op de bemoedigende toespraak van zijn vriend en weldoener, en deze vroeg: „Is uw gedachte gevestigd op die jonkvrouw te Utrecht, Frank? Die zal immers uw hand niet weigeren; want ik geloof, dat zij veel van u houdt. Zij is ongelukkig, maar ik zou uw keus niet misbil]ijken; zie, ik wenschte, dat zij u kon behagen.”

„Aan haar,” hernam Frank, het hoofd schuddend, „denk ik niet; ik behaag haar, en wenschte gaarne als vriend alles voor haar te doen, dat haar gelukkig maken kon; maar haar beminnen, Van Schaffelaar, haar den zoeten naam van bruid geven, dat kan ik niet.”

„Maar wat hapert er dan aan uw geluk, vriend!” hernam Van Schaffelaar met vuur. „O! maak aan dat lang en somber zwijgen een einde; gij zijt zoo jong, maar gij verteert van hartzeer. Spreek toch, bid ik u, gij zijt een man; waarom zal ik het verzwijgen: gij sterft, Frank, zonder het zelf te weten!”

„O, ik gevoel het wel,” antwoordde deze zacht, „het zal gaan zooals de oude Ralph gezegd heeft; het noodlot wil het zoo.”

„Denkt gij aan hetgeen die grijsaard in zijn drift gezegd mag hebben,” vroeg Van Schaffelaar verwonderd, „kom, stoor u niet daaraan, laat hem praten.” „En toch verliet ik den ouden man, die mij had opgevoed,” zei Frank. „hij zwerft nu alleen op de heide rond.”

„Hij kon niet vergen, dat gij steeds bij hem zoudt blijven,” hernam Van Schaffelaar, „misdeedt gij al, toen gij mij volgdet, het zou dwaasheid zijn nu de loopbaan te verlaten, welke gij zijt ingetreden; gevoel u daarover niet bezwaard.” „Helaas, het is ook daarover niet, ik moet het u ronduit zeggen, dat ik tusschenbeide zoo droefgeestig ben,” antwoordde Frank, waarna hij opstond en met drift vervolgde. „maar dat zal overgaan, dat moet voorbijgaan. Van Schaffelaar, alles wat ik ben, wat ik misschien nog eenmaal worden kan, heb ik aan u te danken; uw bezorgdheid voor mij, die ik niet verdien, verneder mij in mijn oogen. Wat verlangt de herdersknaap nog meer dan gij hem gegeven hebt, of

moet hij zich gelukkig achten, dat een edelman als gij, hem vriend noemt, en als zijns gelijke behandelt, dat hij in zijn huis en aan zijn tafel ontvangen wordt? Vraag dus niet meer, edele vriend! Ik zal

weer vroolijk en gelukkig zijn.”

„Het zal mij veel genoegen doen, Frank,” antwoordde Van Schaffelaar en schudde hem hartelijk de hand, waarna hij lachend vervolgde: „en na den oorlog houden wij tezamen bruiloft, indien gij u over de jonkvrouw ontfermt, of een andere bruid kunt vinden.”

De jonge ruiter zei niets, maar keerde zich snel om en ging naar de deur van het vertrek. Hij opende ze, en terwijl hij zijn hand tegen zijn voorhoofd drukte, riep hij: „Henri! Henri!”

„Wat wilt gij,” vroeg Van Schaffelaar, toen Frank de deur dichtdeed en weer naar de tafel trad.

„Ik heb dorst,” antwoordde deze, „ik wil hem een kan bier of wijn laten geven.” „Mijn God! Frank!” riep Van Schaffelaar opeens, „wat ziet gij bleek, zijt gij ziek? Wil ik den meester laten komen?”

„Neen, Van Schaffelaar,” antwoordde deze langzaam, terwijl hij ging zitten, „ik ben een weinig koud; een teug wijn zal alles wel weer goed maken.”

„Of willen wij een kleine wandeling maken? De lucht zal u versterken; wij zullen zacht gaan, en gij kunt op mijn arm steunen.”

„O, neen, ik dank u, ik wil liever hier blijven,” hernam Frank, waarna Van Schaffelaar uitriep: „Zooals gij wilt; maar waar blijft die praatzieke jongen toch?” Hij trad hierop naar de deur, maar op het oogenblik, dat hij gereed stond om de hand aan de klink te slaan, liet zich eenig gerucht voor de deur hooren, die nu geopend werd en onze oude kennis Heintje trad met de muts onder den arm de kamer in.

„Ik geloof, dat Frank geroepen heeft,” zeide hij buigend, want Van Schaffelaar zag hem ontstemd aan.

„Indien gij het geloofdet, was het uw plicht om dadelijk te zien of het zoo was, zei deze barsch.

„Ik dacht, dat gij wijn verlangdet, Heer!” antwoordde de knaap nederig, „en heb dien medegebracht, anders was ik reeds eerder hier geweest.”

„Het is goed, knaap,” vervolgde Van Schaffelaar, „maar ik wil dat gij voortaan eerst komt vragen, wat ik of Frank van u verlangen.”

Henri zette een aarden kan en twee bekers op de tafel. Hij droeg nu een fraai gewaad, geheel van rood laken, uitgezonderd de linkermouw en de achterpijp van de broek, welke van geel laken waren, de kleuren van het wapen van zijn meester; een manteltje van zwart laken en een half roode, half gele muts voltooiden zijn kleeding.

„Zal er ook nog iets anders van uw bevelen zijn, Heer!” vroeg de knaap en wachtte eerbiedig.

„Neen!” antwoordde Van Schaffelaar, „maar denk om hetgeen ik u gezegd heb, en gedraag u zooals het den knaap van een edelman betaamt; ik zou niet gaarne zien, dat iemand die mijn livrei draagt zich bespottelijk aanstelde.”

Henri boog en verliet het vertrek haastig, om zich weer bij het gezelschap te voegen, dat hij zoo ongaarne had verlaten. Men zou in hem den haveloozen staljongen niet herkend hebben, nu hij goed gekleed was en sedert geruimen tijd vrij gemakkelijk en zeer goed geleefd had. Gebruik makend van het ontzag, dat men voor hem in de herberg had, waar zijn meester reeds lang was gehuisvest, wist hij zich door zijn grootspreken en den stijven, gemaakten toon, dien hij aangenomen had, een zeker gezag aan te matigen, dat niemand aan den trouwen knaap van den heer Van Schaffelaar, ruiteraanvoerder van den eerwaardigen Bisschop, durfde betwisten.

„Daar begint het leven weer,” zei Van Schaffelaar lachend, nadat zij gedronken hadden. „Zoo is Heintje niet beneden, of het spel is volmaakt: het is een aardige soort jongen.”

„Ja, maar tevens ook een goede soort,” hernam Frank; „hij is beter dan hij er uitziet, geloof ik; maar de tijd zal het leeren.

„Hoor eens, ik geloof, dat hij bezig is wat te vertellen; mogelijk verhaalt hij aan zijn toehoorders de een of andere vreemde historie, die hij van een ander gehoord heeft, en waarin hij nu zichzelf misschien als hoofdpersoon voorstelt; mogelijk worden wij ook niet vergeten, want ik zulke gevallen kan hij liegen, alsof het geschreven stond,” zei Van Schaffelaar luisterend.

„Ik geloof, dat gij u niet bedriegt,” antwoordde Frank, „hij schreeuwt even hard als de paap, die hedenmorgen de meditatie hield.”

„Bevindt gij

u nu wat beter, Frank?” vroeg Van Schaffelaar, „ik zie, de wijn smaakt u.”

„O ja,” hernam deze, wij hebben nu den tijd niet om ziek te worden, en de wijn is goed.” Hierop ledigde hij zijn beker tot den bodem.

„Het is zoo,” zei Van Schaffelaar; „maar geloof mij, de wijn van vader Wouter was eenige soorten beter.”

„Dien heb ik niet geproefd,” hernam Frank en zag in den beker, dien hij in de hand hield.

Ja, dat speet den meester genoeg,” vervolgde Van Schaffelaar, „en gij zult hij gelegenheid nog wel eens een boetpredikatie moeten aanhooren, omdat gij toen niet meegekomen zijt. Zeg eens, wat mij betreft, ik kan hier niet vandaan; maar als de zaken zoo slapende blijven, zou ik u wel kunnen toestaan, u voor een dag of vijf, zes, van hier te verwijderen. Wilt ge? Dat laat ik een vrijgeleide voor u vragen aan Montfoort. Hij zal het mij niet weigeren, en, ik ben er zeker van, zulk een uitstapje zou goed voor u zijn.”

,.Msar hoe spoedig kan de oorlog uitbarsten,” hernam Frank, „en dan zou ik niet bij de hand zijn! Bedenk, dat het volk, dat op de voorposten ligt, volgens uw eigen gedachten, niet veel te vertrouwen is; en ik zou u en mijn banier verlaten, als het gevaar en de eer naderen! Neen, ik verkies hier te blijven, maar Ik zeg u dank voor uw aanbod. Doch luister eens,” vervolgde hij, „ik geloof, dat uw schildknaap zijn verhaal geëindigd heeft.”

„Ik hoor zijn stem nu niet meer boven allen uit,” zei Van Schaffelaar; maar hun aandacht vestigde zich weldra op het geluid van de stem van den knaap, die zich op de trap en het portaal liet hooren Hij scheen degenen, wien hij tot wegwijzer diende, met veel drukte duidelijk te maken, hoe de trap zich krokelde, waar het touw hing, tevens verschooning vragende voor de duisternis heerschte.

„Bij alle Heiligen, wat richt de jongen nu voor grappen aan?” zei Van Schaffelaar lachend tegen Frank, die tegenover hem zat en verheugd was, dat hij het gesprek over het reisplan, dat hem niet beviel, had kunnen afbreken.

De deur van het vertrek werd nu wijd geopend en Henri trad vooruit: „Heer Loef van Oosterweerd en zijn nicht,” riep hij, boog en trad weer naar achteren. Van Schaffelaar en Frank stonden op, verwonderd over het bezoek, dat zij ontvingen. Een lang schraal man, die een kleeding droeg van zwart laken, met fluweel van dezelfde kleur afgezet, en daarover een houpelande van bruin laken met zwartbonte randen, trad nu in het vertrek, gevolgd door een vrouw van rijzige gestalte, in een grijs regenkleed, wier gelaat onder de kaper, welke zij droeg, geheel verborgen was.

„Ik vraag verschooning. Heeren,” zei de binnengetredene, die al een man van jaren scheen te zijn, en zijn hoed in de hand hield, „dat ik zoo maar kom binnenvallen; maar nood breekt wet, zegt men wel eens en reiziger hebben altijd wat voor. Ik heb de eer de heer Van Schaffelaar te zien, nietwaar, Frank?” „Ja, Heer Loef, om u te dienen,” antwoordde Frank, die zijn groet beantwoordde, en boog voor het meisje, dat hem vergezelde. „Dit vertrek behoort aan hem, hoewel ik voor het oogenblik mijn intrek bij hem genomen heb.”

„Ik had mij ook eerst moeten laten aandienen, maar die knaap hier….! zei heer Loef.

„En waarom, Heer? haastte zich Van Schaffelaar te zeggen, „gij zijt ons welkom, de gasten van mijn vriend zijn de mijne. Ik bid u, ga zitten, Jonkvrouw, en gij ook, Heer. —

Henri, geef stoelen aan, en haal spoedig een beker.

„Ik had niet gedacht u zoo spoedig en vooral niet heden te zien, Jonkvrouw,” zei Frank vriendelijk en beleefd tegen het meisje, dat tot nu toe nog niet gesproken had. „Zet u hier neer, gij kunt op uw gemak naar buiten zien.” Hij nam een groen kussen, dat op een kist lag, en legde het op den stoel, die bij het raam stond, en dien hij gebruikt had.

„Ik had ook niet gedacht u te zien, Frank,” antwoordde zij, toen zij zat, „maar gij hebt mij niet gezegd, dat het u verheugt, dat ik gekomen ben,” zei zij en zag hem aan.

„En behoeft men dan nog te zeggen, dat het bezoek van vrienden altijd aangenaam is?” antwoordde de jongeling eenigszins verlegen.

„Neen, Frank,” zei zij, „maar men hoort zulks gaarne bevestigen, en ik had gehoopt….” Hier zweeg zij en keerde het hoofd naar de zijde van het glasraam. „Ik heb nergens plaats kunnen vinden,” zei heer Loef in antwoord op een vraag van Van Schaffelaar; „eindelijk ben ik hier te land gekomen; maar het was de deun: de Roode Draak is vol, wij kunnen niemand meer herbergen; gelukkig dat deze geestige knaap mij gewaar werd, toen de waard mij afwees.” Bij deze woorden wees hij op Heintje, die den beker binnenbracht en deftig boog, toen heer Loef hem zoo streelend uitduidde. Aan dezen gaf hij nu zijn degen en zei: „Eilieve knaap, zet dit lastig zijdgeweer, dat mij van huis af tegen de zijde geschuurd heeft, eens in dien hoek.” En toen vervolgde hij: „Ik hoorde, dat Frank hier zijn intrek had, Heer, en ik besloot de vrijheid te nemen, voor een oogenblik hier een schuilplaats te verzoeken voor mij en Ada; want mijn knecht en haar kamermeisje zullen zich beneden wel behelpen en op stal was nog een klein plaatsje voor mijn paarden.”

.,Ik bewoon deze kamer,” zei Van Schaffelaar; „zooals gij ziet, is het geen fraai verblijf, maar in den zomer heeft men geen last van rook, die hier dezen winter onverdraaglijk geweest is; en als de groene glasruiten het oog vermoeien, zet men het glasraam open, en laat de aangename frissche lucht binnenkomen; buitendien heb ik achter aan de plaats nog een klein slaapvertrek, en dat is alles wat een paar ruiters noodig hebben en verlangen kunnen; de woningen zijn tegenwoordig duur in Wijk, Heer Loef!”

Toen deze nu Van Schaffelaar raadpleegde, waar hij zich het best zou kunnen vervoegen om nachtverblijf te verkrijgen, gaf die hem meesmuilend te kennen, dat er voor geld nog wel een goede herberg te vinden zou zijn, wat echter niet naar den zin van den ouden heer scheen te zijn.

„Zult gij uw regenkleed niet afdoen, Jonkvrouw?” vroeg Frank aan het meisje, dat nog steeds bewegingloos voor het glasraam zat. Zij antwoordde niet, maar legde haar kaper voor zich neer en maakte het kleed los, dat aan den hals was dichtgehaakt, en toen Frank, die naast haar stond, het uit haar handen aannam, om het van haar schouders te lichten, teneinde het achter haar op den stoel te laten vallen, raakten hun handen elkander.

„Ik dank u, Frank,” zei zij met gevoel en een weemoedige glimlach vertoonde zich op haar schoon bleek gelaat.

„En hoe gaat het met uw gezondheid, Jonkvrouw?” zei Frank aarzelend, „ik mag immers veronderstellen, dat het als een goed voorteeken kan beschouwd worden, dat gij uw oom eens gevolgd zijt.”

„O, ik ben wel,” antwoordde zij droevig, het hoofd schuddend, „dat is, zoo wel als Ada zijn kan: maar gij, Frank, gij zijt niet gezond,” vervolgde zij, terwijl zij haar groot zwart oog zwaarmoedig op hem vestigde.

Frank wist niet, wat hij het meisje zou antwoorden, dat hij achtte en lief had, doch wier vurige liefde hij had versmaad; dat met belangstelling de reden scheen te willen weten, waarom zijn gelaat nu van allen blos beroofd was, en een geestkleur had aangenomen. Toen hij zweeg, legde zij driftig haar hand op de zijne, die op de leuning van haar stoel rustte en terwijl zij die krampachtig drukte, vroeg zij nogmaals met een gesmoorde stem: „Waarom verkwijnt gij, Frank? O, geeft toch antwoord; is het niet genoeg, dat ik ongelukkig ben.” Doch toen Frank een antwoord stamelde, kwam haar oom hem nog bijtijds te hulp, en wendde zich tot hem: „Maar, Heer ruiter, daar krijgt gij opeens een bezoek van een uwer bekenden en van een schoone jonkvrouw, en gij vraagt niet eens, waaraan gij dit bezoek te danken hebt.”

„Vergeef mij, Heer,” haastte zich Frank te antwoorden „maar ik verzocht uw schoone nicht, mij nopens den staat van haar gezondheid in te lichten: mag ik dan vragen, waaraan ik de eer van uw bezoek verschuldigd ben?”

„Nu ja, zeer gaarne,” antwoordde heer Loef, zich in zijn stoel uitstrekkend, „Mijn nicht bevond zich in den laatsten tijd weer eenigszins welvarender, en de meester ried een klein uitstapje als zeer gezond aan. Ik zou nu wel naar Amersfoort of Montfoort en omliggende dorpen hebben kunnen gaan; want in de andere steden ziet men de Utrechtschen thans met geen goede oogen aan; maar de paardenmarkt, welke hier zal gehouden worden, lokte mij uit, het eens te wagen in vijandelijk land te komen, in de hoop een goeden koop of ruil te doen, en door de vrijheid van de markt tegen alle onaangenaamheden beveiligd te worden; en als ik zoo zeggen mag, rekende ik ook in tijd van nood op uw voorspraak, Frank. Gij zoudt een ouden bekende immers niet in verlegenheid laten?”

„Ik geloof, dat gij dan een weinig te veel gerekend hebt, niet op mijn goeden wil, maar op mijn macht. Bedenk eens, Heer, wat zou de voorspraak van een ruiter, die over een klein gedeelte van een bende het bevel voert, voor u hebben kunnen doen?”

antwoordde Frank.

„Meer dan gij denkt, ik heb er de bewijzen van,” vervolgde heer Loef; „en bovendien,” zeide hij lachend, „mijn schoone nicht kon ik alleen bewegen om aan den raad van den meester te voldoen, door haar voor te stellen naar Wijk te rijden; want het schijnt dat deze stad haar bijzonder na aan het hart ligt. Dit is dus de reden, dat ik geen zwarigheid gemaakt heb om hierheen te komen; ofschoon ik in Utrecht woon, behoef ik niet te schromen in de nabijheid van mijn genadigen heer van Utrecht te komen, en het gezelschap van mijn nicht laat immers genoeg blijken, dat ik enkel voor vermaak op reis ben, en geen kwaad in het schild voer?”

„Maar hoe hebt gij de voorposten kunnen voorbijkomen, zonder te worden aangehouden?” vroeg Van Schaffelaar.

„Ja, dat was ook zoo gemakkelijk niet,” antwoordde heer Loef; „ik vermoedde wel, dat de weg niet vrij zou zijn, ofschoon ik daaromtrent geen juiste berichten had kunnen inwinnen. Dit bevestigde zich heden morgen, toen ik aan het huisje ten Halve afsteeg. Daar hoorde ik, dat Koten bezet was, waarom ik het Wijksche Zandpad verliet, in de hoop, dat misschen de wegen tusschen dit pad en de rivier vrij zouden zijn; maar dat bleek ook weldra anders te wezen; ten minste op de hoogte van Koten, stieten wij, aan den Utrechtschen weg, op eenig krijgsvolk, dat daar lag.”

„Waren het voetknechten?” vroeg Frank.

„Neen,” hernam de Utrechtsche heer, „het waren rijzige ruiters en ik zoo geloof van de Zwarte Bende.”

„En lieten die u doortrekken?” vroeg Van Schaffelaar; „nu, dat zal u toch in de beurs hebben doen tasten.

„Ja, daarvoor was ik bang genoeg,” hernam heer Loef; „maar zie, nu kwam mij hun aanvoerder tegemoet, voor wien ik mij had laten brengen, en deze maakte geen zwarigheid om mij ten gevalle van Frank door te laten. Het kostte mij dus niets dan een drinkgeld aan den zwarten knaap, dien hij mij tot hier aan de stad meegaf, uit vrees, zoo hij zei, dat mijn nicht anders misschien hier of daar niet met dien eerbied zou behandeld worden, welke zulk een jonkvrouw toekomt,” eindigde hij meesmuilend.

Ada liet niet blijken, dat zij hoorde, dat er over haar gesproken werd. Toe Frank zich tot haar oom gewend had, om hem te antwoorden, had zij haar hand van de zijne afgenomen, en zag nu weer onbeweeglijk door het raam.

„Ziedaar iets, dat ik niet begrijp,” zei Frank verwonderd; „hoe is het mogelijk, dat Perrol zoo bereid is om mij te verplichten door u een dienst te bewijzen, daar ik nimmer met hem op een gemeenzamen voet heb omgegaan, en ik twijfel, of hij mij zelfs wel kennen zou.

„En toch is het zoo,” antwoordde heer Loef, „tenzij hij zulks alleen gedaan heeft uit hoffelijkheid voor mijn nicht; toch scheen hij u goed te kennen, Frank; zoowel als den heer Van Schaffelaar; ten minste hij verzocht mij u beiden van zijnentwege te groeten.”

„Ik wil liever, dat hij u heeft doorgelaten, om Frank genoegen te doen, dan om den wil van deze jonkvrouw,” zei Van Schaffelaar, wiens wenkbrauwen zich somber te samen trokken.

Ada, op wier gelaat zich een bittere glimlach vertoond had, hoen haar oom nu over haar sprak, knikte hem met het hoofd toe; doch hij bemerkte zulks niet, en vervolgde: „De eerbewijzen, die dat mensch aan de vrouwen bewijst, strekken meer tot haar schande dan tot haar eer; en wat de morgengroet betreft, dien hij mij toezendt, die is mij even welkom als een stoot van zijn dolk mij zou zijn.” Heer Loef wist zoo spoedig niet, wat hij hierop zou antwoorden, en terwijl Frank aan Ada vroeg, wat zij drinken wilde, werd de deur geopend, en Henri kwam zijn meester berichten, dat er een edelknaap van den Bisschop was om hem een boodschap over te brengen. Van Schaffelaar boog zich voor heer Loef en zijn nicht, en verliet met Henri het vertrek.

Deze kwam eenige oogenblikken daarna terug, om uit naam van zijn heer verschooning te verzoeken, dat hij was uitgegaan zonder afscheid te nemen, daar hij op staanden voet naar het slot moest, waar de eerwaarde heer hem wachtte. Henri bracht nu, op bevel van Frank, een stuk koud vleesch en brood binnen, evenals een groote schaal met meikersen, boter, kaas en beschuit. Ook zette hij een kan met zuiver welwater op de tafel, en haalde een kleine glazen drinkschaal te voorschijn uit een kist, die in het vertrek stond, waarin de zaken van waarde van Van Schaffelaar geborgen waren, wischte ze met een schoone witten doek uit, en plaatste haar voor de jonkvrouw, waarna hij het vertrek verliet. Frank vulde de schaal, waarvan de voet van zuiver goud kunstig met bloemwerk was ingelegd, met het heldere water dat in het glas parelde, en noodigde de jonkvrouw en haar oom uit om toe te tasten.

Ada en Frank hielden zich alleen aan de vruchten; maar de oude heer toonde, door de wijze, waarop hij het vleesch aansprak, dat de rit zijn eetlust had opgewekt.

Na het wisselen van eenige woorden, zei heer Loef, terwijl hij zich een beker wijn inschonk: „Hé, zeg mij eens Frank, uw vriend schijnt in het geheel geen vriend van dien vreemden ruiterhoofdman te zijn; wat mag daarvan wel de reden zijn; hij kwam mij voor als een hupsch krijgsman. Messire Per…. ja, hoe noemt gij hem ook weer?”

„Perrol met de Roode hand,” zei Frank.

„O ja! Perrol, zoo is het ook,” vervolgde Loef; „dat andere is zeker zijn bijnaam. Maar wat is er toch tusschen die twee heeren voorgevallen?”

„Ja, dat mag een ander zeggen,” hernam Frank, die niets wist van hetgeen te Amersfoort met Maria had plaats gehad. „Ik weet het niet, en toch ben ik er niet over verwonderd; want eenigen tijd geleden hebben zij tezamen woorden gehad; maar de twist werd bijgelegd op last van heer David. Mijn vriend is niet haatdragend, maar heeft geen reden om te roemen op de vriendschap van Perrol, die getracht heeft hem in Amersfoort op een lage wijze gevangen te laten nemen. Ofschoon ik geen tien woorden met dien man gesproken heb, zoo doet het mij, ronduit gezegd, leed, dat gij u bij hem van mijn naam bediend heb om iets te verzoeken; ik wilde liever dat hij mij geslagen had; men ontvangt liever een beleediging dan een bewijs van vriendschap van iemand, dien men veracht; het eerste kan men met het zwaard afdoen, maar het laatste niet.”

„Ik hoop, Frank, dat gij nimmer twisten zult met dat verachtelijk bendehoofd,” zei Ada, terwijl zij nu eens hem, dan weer haar oom onrustig aanzag.

„En wat weet gij van hem?” vroeg heer Loef snel, „gij oordeelt, Ada, en gij kent hem zoomin als ik.”

„Ik ken hem zeker zoo goed niet als gij, Heer oom,” antwoordde zij, „maar ik weet, wat mijn neef Reynoud van hem gezegd heeft; en om van Frank niet te spreken, en nog minder om te oordeelen naar het gevoelen van een zinneloos meisje, zooals ik ben, zoo wil ik alleen zeggen, dat de man, van wien de edele Van Schaffelaar geen groet wil ontvangen, al een heel verachtelijk mensch moet zijn.”

„De heer Van Schaffelaar is zeker een edel mensch,” haastte zich heer Loef te zeggen, doch alleen Frank luisterde naar hem, want Ada was, toen zij zweeg, in haar gedachten verdiept geraakt. Zij staarde onafgebroken, doch treurig, op de drinkschaal, die zij met de hand vasthield; nu en dan volgde zij met haar fraai gevormde en blanke vingers den loop der gouden bloemen en ranken op de voet. „Ik heb zijn vader ook zeer goed gekend,” vervolgde heer Loef, „deze was ook een achtenswaardïg en dapper heer, die zeer gezien was bij Bisschop David, en vele jaren geleden, toen zijn Eerwaarde, voordat hij bevestigd was, op het huis ter Horst woonde, heb ik daar dien heer wel gesproken.”

„Indien hij evenzoo gedacht en gehandeld heeft als zijn zoon,” zei Frank, „dan kan het niet anders, of hij moet een braaf mensch geweest zijn.” Eenige oogenblikken daarna stond heer Loef op, nam zijn hoed en degen en zei: „Ik zal nu eens gaan zien, of ik hier of daar een paar vertrekken voor dezen nacht kan bekomen, en tevens nazien of mijn paarden het noodige gehad hebben, en of mijn dienaars zich ook te mijnen koste wat ruim te goed doen; want daar is dat soort volk maar al te geneigd toe. Intusschen zeg ik u dank, Frank, voor de, vriendelijke ontvangst, die wij hier ontmoet hebben, en ik zal u moeten verzoeken toe te staan, dat ik mijn nicht nog voor eenige oogenblikken hier laat; het is zoo druk bij den weg, dat ik spoediger zal klaar komen, als ik alleen ga; ook is men geneigd altijd het meeste te vragen, als men iemand met een vrouwe ziet aankomen.”

„Het is ook goed, Heer, om niet langer te wachten,” antwoordde Frank en stond op, „hoe later het op den dag wordt, hoe moeilijker het worden zal, om een geschikt verblijf te vinden; ik hoop, dat gij spoedig slagen zult.”

„Ik ook, Frank. Tot weerziens dan,” vervolgde hij lachend: „ik moet wel een groot vertrouwen

in u stellen, vriend, dat ik mijn schoone nicht zoo met u alleen laat;

of wil zij ook, dat ik haar kamermeisje boven zend?”

„Ik?” zei zij vragend en richtte het hoofd op, want zij had niet begrepen, wat hij bedoelde.

,Ja, Ada,” vervolgde haar oom, „indien gij bang zijt om met den jongen ruiter alleen te zijn, zal ik Annetje bij u zenden.”

De jonkvrouw wierp een fieren blik op hem en zei bedaard: „Indien gij mij wilt beleedigen, Heeroom, zoo zend haar hier; als zij in dit vertrek is, zult gij ten minste geen nood hebben, dat zij beneden op uw kosten teert.”

Heer Loef antwoordde niet, maar haalde bijna onmerkbaar zijn schouders op, groette Frank met de hand en verliet het vertrek.

Toen Frank met de jonkvrouw alleen was, zette hij zich tegenover haar aan tafel neer en beschouwde haar met een blik, die eenige ongerustheid, doch tevens van zijn belangstelling getuigde. Ada van Rijn, de dochter van een zuster van heer Loef, en na den dood harer ouders in het huis van haar oom met diens zoon opgevoed, was een schoone vrouw. Nagenoeg even lang als Frank, zou men hen, naar het gelaat te oordeelen, voor broeder en zuster gehouden hebben. Beiden waren zij bleek van gelaat, hoewel de huid van den jongeling een bruinen gloed had, welken die van het meisje miste; geen enkele tint van den blos der gezondheid verhoogde de schoonheid van het matblank gelaat van het meisje, dat tegenover hem zat. Haar geheele kleeding gaf haar iets gezag-inboezemends, te meer daar zij meestal een diep stilzwijgen placht te bewaren, behalve jegens hen, wien ze genegen was. Het scheen, alsof zij het vertrek, waarin zij zich bevond, oplettend beschouwde, nu eens de onregelmatige, dunne kinderbinten gadesloeg, dan weer de gladde, met kalk helder gewitte muren opnam, tegen welke hier en daar eenige kleedingstukken of wapens hingen; het was, alsof zij de plompe stoelen telde, en daar de groene takken zag, die, wegens het warme weer, onder den schoorsteenmantel lagen, of de kronkelingen naoogde, welke de figuren in het zand op den houten vloer maakten.

„Deze kamer moet u wel zeer afvallen bij uw vertrekken te Utrecht, Jonkvrouw Ada,” zei Frank eindelijk.

„Het is mij hetzelfde, waar ik ben,” antwoordde zij, het hoofd schuddend; „ik sla geen acht op hetgeen mij omringt,” en hem aanziend, terwijl zij zich snel tot hem keerde, vroeg zij met hevige gemoedsdrift. „Gelooft gij, Frank, dat ik juist hierheen heb willen gaan, zooals zij gezegd hebben, gelooft gij dit?”

Frank aarzelde haar te antwoorden, en zij vervolgde, zonder dat ook maar te bemerken. „Neen, gij gelooft het niet, niet waar? Gij kunt dit niet van mij verwachten. Eénmaal, Frank, éénmaal,” zei zij treurig, „heb ik vergeten, wat ik aan mij zelve verschuldigd was, en heb u opgezocht; maar toen, o, toen hoopte ik nog, maar nu….. Neen, Frank, gij kunt niet gelooven, dat ik u ten tweede male met mijn liefde zou willen lastig vallen.” Hierop sloeg zij de oogen neer en zuchtte diep.

„Ada!” riep Frank, „beste Jonkvrouw! Ik wil dadelijk sterven of mij in het aangezicht laten slaan, indien ik iets gedacht heb, dat u zou beleedigen; ik geloof niet, wat uw oom gezegd heeft.”

„O, gij stelt mij gerust, Frank,” zei zij, terwijl zij hem droevig toelachte, „ik stel nog veel prijs op uw achting, ofschoon ik……Hier zweeg zij, waarna zij zacht vervolgde: „en toch zou ik gaarne ver gaan, o, ver gaan, om u op te zoeken, indien maar, helaas, het is zoo niet,” eindigde zij treurig.

„Ik vind mij zoo vereerd door uw genegenheid, edele Jonkvrouw, dat er niets is, dat ik niet voor u zou willen doen; voor altijd wil ik uw trouwen vriend zijn. Wilt gij mij gelukkig maken, den armen ruiter van een last, die zijn hart bezwaart, ontlasten, zoo sta hem toe uw broeder te worden; bemin hem als een zuster.” Ada antwoordde hem niet, maar streek met haar vingers langs haar haren, die achter de ooren glad weggestreken waren. „Hoe maakt het heer Reynoud, Jonkvrouw?”

vroeg de ruiter, om haar gedachten op iets anders te vestigen.

„O, Reynoud, die is wel, Frank!” antwoordde zij snel, „hij is ook mijn vriend, het is mijn neef, toch heb ik hem lief, alsof hij mijn broeder was, maar meer ook niet, en dat maakt hem ongelukkig. Maar hij weet niet, dat wij hier zijn, Frank,” vervolgde zij met drift, terwijl zij hem vertrouwelijk toeknikte. „Reynoud weet daar niets van, evenmin als ik dezen morgen, toen wij uitreden, wist, dat ik naar Wijk zou gaan; dat heeft mijn oom, zoo hij zegt, zoo ineens in het hoofd gekregen; gelooft gij het, Frank? Ik geloof het niet; denkt gij, dat de man, wiens naam mijn oom vergeten had, hem zoo geheel en al onbekend was?” zei zij glimlachend, „dan moest ik, nu drie nachten geleden, zijn stem niet gehoord hebben, toen ik langs de trap afdaalde, die bij de kamer van mijn oom is, nadat ik op de tin in den maneschijn gewandeld had.”

„Bedriegt gij u niet?” vroeg Frank verwonderd, „of spreekt gij werkelijk van den aanvoerder der Zwarte Bende?”

„Neen, ik bedrieg mij niet,” hernam Ada, „ik bedoel dien Perrol, bijgenaamd met de Roode Hand, van wien mijn neef Reynoud mij zooveel verhaald heeft, die niet kon begrijpen, dat de Bisschop zulk een mensch in zijn soldij neemt.” „En wat kan hij in Utrecht te doen hebben, indien hij geen verrader is,” zei Frank; „en vanwaar kent heer Loef hem?”

„Gij vraagt meer dan ik weet,” antwoordde de jonkvrouw, „ik zie en hoor zooveel, dat ik in mijn zwak geheugen niet kan onthouden en samenknoopen; en als ik het een of ander vraag, of ergens onderzoek naar doe, zoo houden zij zich stil, verwonderd zelfs, dat de gekke jonkvrouw iets bemerkt heeft,” eindigde zij, droevig lachend. Hierna boog zij zich naar Frank voorover en vervolgde: „Maar Reynoud denkt zoo niet, doch die brave jongen weet zelf niet, wat er gebeurt; na Ada bemoeit hij zich met niets dan met zijn boeken en handschriften.”

Indien Frank niet te diep nagedacht had over hetgeen het meisje hem zei, en hij

niet te sterk bewogen was geweest met haar ongelukkigen toestand, zou

hij, niettegenstaande het doorgaande gerucht en geloop, dat er in de Roode Draak; plaats had, bemerkt hebben, dat er iemand de trap opgekomen, en naar het slaapvertrek gegaan was. Maar, zooals wij zeggen, had hij dit niet gehoord; ook was dit vertrek gesloten, en de sleutel onder de berusting van den knaap van zijn vriend, hetgeen in de druk bezochte herberg, waar elkeen maar uit- en; inliep, geen nuttelooze voorzorg was. Op eens echter naderde iemand met zware voetstappen; de deur werd geopend, en Frank zag tot zijn verwondering Van Schaffelaar in volle wapenuitrusting binnentreden.

„Is heer Loef reeds uitgegaan?” vroeg hij, de jonkvrouw met de hand groetend. „Ja, zooeven,” zei Frank, „hij zoekt naar een verblijf voor dezen nacht.”

„Indien hij zulks onverhoopt niet mocht vinden, Frank,” vervolgde Van Schaffelaar, „zoo biedt de Jonkvrouw en haar oom onze vertrekken aan, wij zullen ons dan wel ergens anders behelpen.” Hij zag bij deze woorden naar Ada, die echter evenmin zijn binnentreden bemerkt, als zijn aanbod gehoord scheen te hebben.

„Uw aanbod maakt het verzoek onnoodig, dat ik u wilde doen, Van Schaffelaar,” zeide Frank, „maar waarom zoo in het harnas? Wij hebben immers dezen morgen reeds uw ruiters bezocht?”

„Het is zoo,” hernam zijn vriend ernstig, „maar ik moet terstond een last ten uitvoer brengen, die zijn Eerwaarde mij heeft opgedragen. Vaarwel, tot hedenavond. Met deze woorden reikte hij hem de hand.

„En waar gaat gij heen?” vroeg Frank, „het spijt mij, dat ik niet met u gaan kan; indien het evenwel geen haast had, mogelijk zal heer Loef spoedig ….

„Neen, dat kan niet,” viel zijn vriend hem in de rede; „ik moet alléén gaan en zonder vertraging; het was ternauwernood, dat zijn Eerwaarde mij toestond mij te wapenen; ook zou ik zonder dat niet gegaan zijn,” eindigde hij somber, toen zijn vriend hem vragend aanzag. „Ik heb de eer u te groeten, Jonkvrouw,” zei Van Schaffelaar, terwijl hij diep voor haar boog, „zooals gezegd is, tot hedenavond, Frank. Indien gij het een of ander noodig hebt, roep dan iemand hier uit het huis; want ik neem Henri mee.” Hierop verliet hij met haastige schreden het vertrek.

Toen de deur dicht was, stond Frank een poos in gedachten verzonken; na eenige oogenblikken wilde hij zijn vriend volgen, teneinde hem iets te zeggen of te vragen, maar hij had te lang gewacht, hij hoorde de paarden voor de deur reeds steigeren, en toen hij voor het venster trad, zag hij Van Schaffelaar, die, gevolgd door Henri, zich in sterken draf over de markt verwijderde.

„Gij zoudt uw vriend zeker gaarne gevolgd zijn, Frank,” zei Ada. die, nadat zij Van Schaffelaar’s groet beleefd beantwoord had, den jongen ruiter opmerkzaam aanzag: „het spijt mij, dat gij hier blijven moet om mij gezelschap te houden.” „Neen, Jonkvrouw,” antwoordde deze, „het is uw schuld niet, dat ik hem alleen moet laten gaan; hij heeft order om niemand mee te nemen: ik kan echter niet begrijpen waarom.”

„Die willekeurige orders, welke een krijgsman steeds moet opvolgen,” zei zij, „hebben Reynoud, zoo hij zegt, afkeerig gemaakt van uw stand, en hem doen verkiezen om stil te leven en den tijd naar zijn eigen verkiezing te besteden; zoudt gij ook geen lust gevoelen, Frank, om zoo te leven?”

„Neen, Ada,” antwoordde hij, „van jongs af gewoon in het veld te wezen, zou ik niet lang leven, indien ik den geheelen dag in huis met eenige oude geschriften zat

opgesloten en ik ben ook te oud om schrijven en al die dingen te leeren, welke men kennen moet, om een geleerde of klerk te worden. Maar waarom vraagt gij mij dit?”

„Waarom?”

zei zij langzaam, „kunt gij dit nog vragen? Zie ik niet op uw gelaat, dat het ruiterleven u te zwaar valt? Het zou zoo goed voor u zijn eenigen tijd te rusten.”

„En juist nu,” hernam Frank met levendigheid, „nu het oogenblik nabij is, waarnaar ik zoolang gehaakt heb! O neen, Ada, ik ben nog sterk genoeg; geloof mij, de wapens zijn mij nog niet te zwaar.

„Bovendien zijt gij nog zoo jong; gij zijt niet bestand tegen dat ruwe leven,” hernam Ada, waarna zij aarzelend vervolgde: „Duidt het mij niet ten kwade, Frank, maar een zuster mag immers overal naar vragen; hadt gij niet zeer veel gedronken, toen ik binnenkwam?”

Frank, die juist den beker in de hand hield, toen zij dit vroeg, zette dien neer, zonder hem aan zijn lippen te brengen; hij gevoelde, dat haar vraag niet van allen grond ontbloot was. Hij zweeg.

Toen zij geen antwoord ontving, zei zij zacht: „Het is hier bedompt in het vertrek, Frank. Ik bid u, open hier dit raam aan mijn zijde, dan kan ik frissche lucht scheppen.”

Hij stond op, trad achter haar stoel, schoof den grendel van het raam terug, en stiet het open, waarna hij zich naast haar plaatste, en zelf met genoegen de warme, doch zuivere buitenlucht inademde.

„Zijt gij ontstemd over mijn vraag, Frank?” vroeg zij verlegen, „o, vergeef het mij; gij weet immers, dat Ada niet zoo verstandig is als andere menschen, en gij hebt gezegd, dat gij mij als een zuster liefhebt.”

„Dat heb ik ook gezegd, Ada,” antwoordde Frank vriendelijk, „ik behoef u niets te vergeven; gij hadt recht om mij zulks te vragen en geen ongelijk; maar geloof niet, dat ik den wijn om den wijn drink,” en een droevige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat.

„En waarom drinkt gij dan?”

vroeg Ada.

„Waarom?”

vervolgde Frank, die niet wilde zeggen, dat zulks was om de sombere gedachten te verdrijven, die zijn ziel folterden, „omdat het zoo onder de ruiters gebruikelijk is; een kwade gewoonte, anders niet.”

De jonkvrouw schudde het hoofd, als geloofde zij zijn

woorden niet, en zei, terwijl zij haar hoofd op haar rechterhand voorover liet zinken: „Helaas, Frank, gij schijnt de arme krankzinnige ook maar iets te willen wijsmaken; zij is niet verstandig genoeg om uw vertrouwen te bezitten.”

„Om aller Heiligen wil! Geloof zulks niet,” zei Frank met drift, verre zij het van mij, om u mijn vertrouwen te weigeren; maar ik kan geen andere reden geven; indien gij mij en uzelf niet bedroeven wil, zoo berust in hetgeen ik gezegd heb.”

Zij zweeg en bleef onbeweeglijk zitten; maar weldra ontwaarde Frank aan de tranen, die, tusschen haar vingers door, op haar blauw damasten kleed vielen, dat zij weende. Hij vatte nu haar linkerhand, die op haar schoot rustte, kuste ze en terwijl hij zich tot haar boog, zeide hij met deelneming: „Waarom weent gij, Ada? Indien het om mij is, o, dan vraag ik u om vergeving; ik verdien niet,

dat gij, edele Jonkvrouw, u om mijn lot bekommert.”

„En indien ik over mijzelf tranen stortte?” vroeg het ongelukkige meisje, zonder op te zien.

„Dan zou ik zeggen, dat gij niet wel doet, lieve zuster,” zei Frank aangedaan; „wordt het lief en leed ons hier op aarde niet van hooger hand opgelegd? Gij bevindt u heden zeer wel; mogen wij dan niet hopen, dat eindelijk de voorspraak van de Moeder Gods en alle Heiligen, welke al uwe vrienden dagelijks voor u inroepen, zooveel bij den hemelschen Vader zal verwerven, dat gij geheel gezond wordt; wat zal u dan kunnen verhinderen gelukkig te zijn? Gij zijt immers rijk, jong en schoon!”

Op dit oogenblik liet zich op de markt, dicht bij het huis, een schel en eigen-aardig gefluit hooren, waarop Frank dadelijk haar hand los liet, en een paar schreden terugtrad. Wat Ada betreft, zij richtte verschrikt haar hoofd op, en in dezelfde richting als Frank naar buiten ziende, vroeg zij snel en onrustig:

„Wat is dat? Kent gij dien schooier met dien zwarten hond, Frank? Is hij het, die gefloten heeft? Wat kan u zulks aangaan?”

„Ik ken hem,” antwoordde Frank bedaard, „het is Ralph, de schaapherder; het is de man, die mij heeft opgevoed, en aan wien ik naast God en mijn ouders het leven te danken heb.”

„Hij komt niet hierheen,” zei Ada.

„Neen, nooit bezoekt hij mij, wanneer ik niet alleen ben, hij treedt de huizen der stedelingen niet gaarne binnen; maar als hij mij ontmoet, geeft hij mij gewoonlijk een teeken, dat hij mij gezien heeft. De laatste maal, dat ik hem sprak, beloofde hij mij, dat hij mij dikwijls zou bezoeken, omdat ik geen gelegenheid heb hem te zien; de grijsaard heeft mij zoo lief. Maar daar komt heer Loef, uw oom, aan,” zei Frank, en zette zich weer voor het ongeopende glasraam neer, terwijl Ada den herder naoogde, wiens ruige muts nog lang boven de hoofden der menschen uit zichtbaar was.

908SR15.gif (1832 bytes)

De heideInhoudopgave OltmansDe legerplaats

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)