J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL I – HOOFDSTUK VI.

DE SCHAFFELAAR.

„En smoren zult ge in vlam en vier.
„Spijt opgaaf en verdrag
H. TOLLENS Cz.

A.gif (3984 bytes)an de uiterste grenzen van het Sticht, en gedeeltelijk op den Gelderschen bodem, lag de Schaffelaar, die aan den bruidegom van Maria toebehoorde; de schraalheid van den grond mag oorzaak geweest zijn, dat men eertijds deze plek, en bijgevolg ook het getimmerte zelf, dien naam gegeven had. De zorg echter, die de bezitters van deze streek, welke nu uit bouwland, boschakkers en heide bestond, aan de verbetering van den grond besteed hadden, had de grondgesteldheid zooveel mogelijk verbeterd; slechts langs het beekje, dat van de Veluwsche Bergen afkwam, en zich in de Vlierbeek verloor, vond men eenige kampen vrij goed weiland. Het was een eigen leen, dat van ouder tot ouder aan de heeren Schaffelaar toebehoorde, en door hen onmiddellijk aan de bisschoppen van Utrecht werd verheergewaad met een paar hertsleeren handschoenen, hoewel het gedeeltelijk in het hertogdom Gelder lag. Een uitgestrekt stuk heide en wildernis op de Veluwe, dat de vader van den tegenwoordigen bezitter der goederen van den Bisschop van Utrecht ter leen hield, diende om er de schapen op te laten loopen en tot jachtvermaak van den heer. Hoewel deze bezittingen weinig opbrachten, waren toch die inkomsten ruim genoeg voor de behoeften der landheeren, die wel tot den ouden, maar niet tot den machtigsten Stichtschen adel behoorden, en stil en eenvoudig op het land leefden, of, zooals zij van oudsher gewoon waren, den Bisschip in het veld dienden; hetgeen hen in de gelegenheid stelde hun eigendommen onbezwaard aan hun zonen na te laten. De Schaffelaar was, zooals wij gehoord hebben, geen sterke burcht met dikke muren en rondeelen, en geenszins te vergelijken met andere adellijke huizen van het Sticht, maar toch ook niet geheel zonder tegenweer. Zij lag op een eenigszins hoogen grond aan het beekje, waarvan wij zoo even spraken; een tamelijk groot vierkant stuk land was omringd door een vrij diepe en breede greppel, en op den post aan de binnenzijde was een doornheg geplant, waarachter stormpalen stonden, die zeer goed onderhouden waren. Een valbrug gaf den toegang tot dezen grond over de greppel, die des zomers meestal droog, doch in het voor- en najaar, als de beek zwol, van water voorzien was. Ongeveer een manslengte van de stormpalen stonden in het vierkant schuren en hooibergen, stallen voor paarden en vee, en een woning voor knechts en arbeiders, in n woord, al wat men voor landbouw en schapenfokkerij noodig had; deze gebouwen waren van hout opgetrokken en van rieten of strooien daken voorzien. Midden op deze werf stond de Steenen-kamer van den heer; het was een langwerpig vierkant gebouw, van groote steenen gemetseld en ook door een breede gracht omgeven. De deur, niet veel breeder dan een mansch, was in het midden van een der zijden, en een traptorentje, dicht daarnaast, gaf gelegenheid, om de nadering te bemoeilijken; ook kon een dunne plank, die voor brug diende, in tijd van nood worden opgehaald, zij rustte in het midden op een paal, die in de gracht stond om het doorbuigen te verhinderen.

Het dak van het huis liep spits toe en was met leien gedekt; de schoorsteen en de spits van het torentje prijkten met groote weerhanen; en de grootste sterkte van het huis bestond, na de schietgaten, die bijna gelijk met den grond in de onderste vertrekken waren, in de breedte der goot, welke om het dak liep. De muur was van kanteelen voorzien, en een mensch kon door die goot zeer wel het huis rondloopen. Niemand, die zich dus buiten de eerste gracht vertoonde, was beveiligd voor de bouten der zware armborsten, die men op de tinne gebruiken kon, of voor de pijlen en kogels, welke achter den post konden geschoten worden, zonder dat de belegerden zulks konden verhinderen of moeilijk maken door het werpen van steenen en brandstoffen. Het torentje gaf den toegang tot den bovenmuur, en de ongelijkmatig geplaatste ramen waren alle met stevige, eikenhouten luiken aan de buitenzijde voorzien. De Steenen-kamer was, zooals Van Schaffelaar gezegd had, niet in staat om een belegering, maar wel om een aanval van een stroopende bende te weerstaan.

Omstreeks den middag naderde Frank, door Ralph vergezeld, de Schaffelaar. Toen zij uit het hakhout kwamen, dat zich aan die zijde bijna tot aan het huis uitstrekte, stonden zij beiden stil en Frank vroeg aan den ouden man, terwijl hij hem de hand reikte: „Wanneer en waar zie ik u weer, vader?”

„Ja jongen,” antwoordde de herder, die de hand van den ruiter in de zijne drukte, „dat weet ik niet: mogelijk spoedig, maar ik weet niet wanneer; gij kunt niet gaan, waar gij wilt, daarom moet ik wel bij u komen.”

„Helaas het is zoo,” hernam deze, „en ik vrees, dat gij u veel vermoeid hebt, door mij te vergezellen.”

„O!” zei Ralph glimlachend, „geen afstand, hoe groot ook, zal mij afschrikken om u eens te komen zien en u een goeden raad te geven; gij belooft mij immers, uw vriend, aan wien gij zooveel verplichting hebt, te overhandigen wat men u voor hem gaf?”

„Ik beloof het, vader,” zei Frank neerslachtig; „en toch het is voor hem zoo weinig, en voor mij zoo veel!”

„Het is eens anders goed, knaap,” zei de herder bestraffend, waarna hij echter vriendelijk vervolgde: „Maar ik heb uw belofte, dat is genoeg. Goedendag, mijn jongen.”

„Vaarwel, Ralph!” zei Frank, „God zij met u.” En terwijl de schaapherder langs denzelfden weg weg terugkeerde, trad de jongeling naar de Schaffelaar. De valbrug was neergelaten, en spoedig hoorde hij, dat men op de werf sprak; ook zag hij, toen hij over de brug stapte, Van Schaffelaar, in gesprek met een man, die slechts n arm had, terwijl Henri, behalve zijn eigen paardje, ook Moor bij den teugel hield.

„H, waar komt gij vandaan?” vroeg Van Schaffelaar, die zich omkeerde, toen hij de voetstappen op de brug hoorde, en verwonderd scheen. Frank voor zich te zien.

„Van de stad,” antwoordde deze, die zijn vriend naderde, hem de hand gaf en vroeg: „Maar zeg mij eens hoe het komt, dat gij u op dit oogenblik hier bevindt.” „De juiste reden kan ik er u niet van zeggen, Frank,” hernam Van Schaffelaar, „misschien weet zijn Eerwaarde die alleen; maar wel weet ik, dat hij mij nog voor den avond bij zich verwacht.”

„Wat zou er nu weer aan de hand zijn?” vroeg Frank. „Ik hoop iets goeds!” zei zijn vriend; „het was een boodschap die mij koud op het lijf viel; ik zat juist met den meester over hem en zijn huisgezin te spreken, toen de ongeluksbode kwam; het was omstreeks een uur, nadat gij vertrokken waart. Toen moest ik nog voor mijn ruiters en voor de gevangenen zorgen; want mijnheer Salazar en zijn mannen zijn dapper, maar, helaas, wat ruw. Het was nog nacht, toen ik vertrok en ik nam de vrijheid, om hier eens te gaan zien, hoe de zaken stonden; de Bisschop zal mij op den bepaalden tijd zien, en ik heb mijn nachtrust opgeofferd om mijn belangen hier ook een weinig te behartigen. Maar hoe gaat het in de Vergulde Helm? Gij hebt mij nog niets gezegd,” eindigde hij levendig.

„Vrouw Martha en Maria zijn wel, en laten u groeten,” zei Frank en trad met Van Schaffelaar een eindje ter zijde. Hij vertelde hem, in welken angst de vrouwen verkeerd hadden, en antwoordde op al de vragen, die Van Schaffelaar hem deed.

„Wij waren al een weinig ongerust, de meester en ik, toen gij nog niet terug waart en ik vertrekken moest; maar ik heb hem reeds gezegd, dat zijn vrouw u misschien bij zich zou trachten te houden,” zei Van Schaffelaar. „O ja! ik kan mij zeer goed begrijpen, welk een droefheid er in Amersfoort moet heerschen; het is een ongelukkige oorlog, Frank!”

„En hoe vaart de meester?” vroeg deze, die zijn hand in zijn wambuis stak. „O, vrij wel, Frank. Maar zeg mij eens, hoe zijt gij te weten gekomen dat ik hier was? Want in de stad is dat toch wel niet bekend,” vroeg Van Schaffelaar. „Ik ontmoette den ouden Ralph,” zei Frank, die zich nu ook zijn belofte herinnerde, „hij berichtte mij, dat ik u hier zou vinden en vergezelde mij tot bij de Schaffelaar.”

„Die schaapherder weet dan ook alles,” zei Van Schaffelaar verwonderd, „Hij schijnt altijd bekend met wat er voorvalt, en volgt u op den voet; de oude meent het goed met u, Frank! Maar hebt gij hem wel gevraagd, om hier binnen te treden en uit te rusten?”

„Ik heb het hem gevraagd,” antwoordde deze, „maar hij ging weer stadwaarts; door zijn onderdom en zijn slechte kleeding doet niemand hem leed, en het landvolk en zelfs de soldaten, die hem zeer goed kennen, ontzien hem, omdat hij met de gave der voorzegging geboren is; zij weten, dat de herders, die altijd eenzaam leven, wijzer zijn dan andere menschen; daarom vreezen zij hem.” „O ja, ik weet dat,” zei Van Schaffelaar glimlachend, „ik weet dat; gij hebt het mij reeds meer verhaald; maar ik hecht er niet veel aan.”

„Omdat gij hem nimmer gezien hebt, als zijn geest wordt opgeklaard,” zei Frank droevig, „anders zoudt gij er met meer ernst over spreken.”

„Vergeef mij,” hernam Van Schaffelaar, „ik wil niets ten nadeele van den goeden ouden man, die u heeft opgevoed, zeggen; maar vertel mij liever wat van mijn bruid. Was Maria weer opgeruimd, toen gij vertrokt?”

„Maria,” zei Frank, en hij had moeite om de aandoening te verbergen, die hem bijna overmeesterde; „o ja, zij was wel en zeer verheugd, dat haar vader gered was. Zij heeft mij iets voor u meegegeven......”

„Voor mij?” vroeg Van Schaffelaar verrast, „geef het mij spoedig; hoe hebt gij dat kunnen vergeten?” De jonge ruiter haalde nu het ijzeren doosje langzaam te voorschijn, en, alsof hij vreesde het te openen, gaf hij het, zooals het was, aan zijn vriend.”

„O, Frank, nu moet ik zeggen, dat gij nooit verliefd geweest zijt en dat gij niet weet, van welk een waarde een geschenk is van het meisje, dat men bemint,” zei Van Schaffelaar, terwijl hij het doosje aannam en opende. Met oogen, dit van blijdschap fonkelden, zag Van Schaffelaar op de roos, welke bevallig uitkwam tegen den donkeren bodem. Een traan van aandoening welde in het oog van den jongeling op; doch hij wischte dien weg, vrdat zijn vriend opzag. Met innerlijke vreugde sloeg Frank het gelaat van zijn weldoener gade, dat geluk en zalige blijdschap verried; en ofschoon de wanhoop zich misschien te meer van hem meester maakte, naarmate hij zijn droefheid overwon, verhaalde hij kalm, wat Maria hem gezegd had, zonder het minste te verzwijgen of te veranderen; want het waren woorden die in zijn ziel gedrukt stonden; hij vergat zelfs het verstorven knopje niet.

„En deze bloem heet dan Maria?” riep Van Schaffelaar met vuur. „Zij heeft u dat gezegd?” en toen Frank, die geen woord meer spreken, en bijna niets meer onderscheiden kon van wat hem omringde, beamend met het hoofd knikte. riep Van Schaffelaar vol liefde: „Welnu, ik kus u, Maria! Gij zijt mijn lieve bruid!” en hij drukte de bloem aan zijn lippen; daarna hield hij haar op eenigen afstand, en zei vroolijk: „Zie, mijn jongen, die roos is schoon, niet waar? Maar vindt gij niet, dat mijn bruid veel schooner is?” Doch toen hij een antwoord verwachtte, zag hij, dat Frank hem verlaten had. Hij lachte, en zei vroolijk: „Ik zie wel, dat hij nog nimmer verliefd geweest is,” kustte de roos nogmaals, deed haar toen weer in het doosje en stak het bij zich.

Frank had zich een eindje ter zijde begeven bij den man, die maar n arm had, en met Henri sprak. Het was een ruiter, die jarenlang onder Van Schaffelaar en diens vader gediend had, en nadat hij in den oorlog verminkt was geworden hier als opzichter was geplaatst. De jongeling groette den knaap en gaf den ouden ruiter, die hem zelf in de rijkunst had onderricht, de hand. „Gij ziet er nu zoo goed niet uit, Frank,” zei deze, „als wanneer gij naast onzen aanvoerder rijdt en gewapend zijt voor den strijd; gij schijnt niet opgeruimd. Ik weet wel, waar het vandaan komt; ik had ook altijd een duivelschen weerzin om mijn ruiterkleeding te verlaten; maar wat zal men doen? Het is ook wel zoo gegaan, als de aanvoerder zei: „Ruiter, doe dit, ruiter, doe dat!” Verduiveld, dan moest Hans immers wel, en dan moet men soms gekleed als een vogelverschrikker, langs het land loopen, om niet herkend te worden, want kennen zij u, dan is het touw klaar en de boom gauw gevonden.”

De spraakzaamheid van den goeden oude, die in zijn jeugd, hoewel trouw en dapper, niet altijd de gemakkelijkste was geweest, gaf Frank de gelegenheid om zijn gedachten weer te verzamelen, en de duizeling te overwinnen, die te voren menschen en paarden, ja de gansche Steenen-kamer en de schuren voor zijn oogen had doen ronddraaien; en toen Van Schaffelaar naast hem kwam staan en lachend zei: „Wat hoor ik, Hans, verzet gij u weer tegen krijgswetten, en zoekt gij mijn volk tot muiterij aan te zetten?” antwoordde Frank. „Neen, mijn vriend, maar hij zou mij liever van het hoofd tot de voeten gewapend hebben gezien; het hart van den oude hangt nog aan de ruiters, al is hij zijn arm kwijt.”

„Ik zou tegenwoordig niet veel kans hebben, om er mijn arm bij te verliezen,” zei Hans lachend, „want er is dan nog verduiveld weinig gebeurd; dat strooptochtje tegen Amersfoort, dat gij mij verhaald hebt, Heer, wil niet veel zeggen, en als er eens goed volk in de stad geweest was, dan......”

„Weet gij al, Van Schaffelaar!” riep Frank, den ruiter in de rede vallend, „dat Perrol hedenmorgen in Amersfoort is binnengerukt?”

„Perrol in Amersfoort!” riep Van Schaffelaar, en zijn gelaat, dat geluk en vreugde uitdrukte, werd plotseling ernstig en onvergenoegd.

„Gij bedoelt dien van de Zwarte Bende,” zei Hans, „zooals men zegt met de Roode Hand, nietwaar?”

„Dezelfde,” antwoordde Frank, „ik zag hem dezen morgen op weg naar de stad.”

„Perrol in Amersfoort,” herhaalde Van Schaffelaar nog eens, „en de meester niet thuis! Vervloekt! Waarom moest die bode gisteravond nog de stellige order brengen, om niet n gevangene vrij te laten, maar hen allen naar Wijk op te zenden! Moeder en dochter overgelaten aan de aanslagen van dien booswicht,” zei hij somber, zweeg, en riep toen: „Neen! Wouter moet vrijgelaten worden, de Bisschop moet mij dit toestaan. Komaan, Henri, laat ons opzitten.”

Frank bedacht zich een oogenblik; hij onderzocht eerst bij zichzelf of, wat hij aanbieden wilde, bij hem wel opkwam uit vriendschap voor Van Schaffelaar, en zei toen, over zichzelf voldaan: „Indien gij het goedvindt, dan keer ik nog dadelijk naar de stad terug, om over haar veiligheid te waken.”

„Neen Frank, ik dank u,” antwoordde Van Schaffelaar; „hij kent u, of zou u leeren kennen, en dan zou het misschien met u gedaan zijn; slechts de meester kan, naast God, hier alleen bijstand verleenen, en zijn Eerwaarde zal niet onverbiddelijk zijn, want ik vraag nu alleen de vrijheid van een enkel mensch, en die zal zijn gezag of zijn macht toch niet benadeelen.”

„En denkt gij, Heer,” zei de oude ruiter, „dat die vreemde snaak ook de Schaffelaar met rust zal laten, zooals men tot nog toe gedaan heeft?”

„Ik weet het niet,” antwoordde deze; „maar het zal mogelijk niet kwaad zijn om eenige voorzorgen te nemen.

Toen had er een gesprek tusschen hem, Frank en den ouden Hans plaats, waarin bepaald werd, dat Frank dezen dag op de Schaffelaar zou blijven, dat alles zooveel mogelijk in staat van verdediging werd gesteld, en de valbruggen werden nagezien. Den volgenden morgen zou hij zich weer bij het leger voegen, en een deel van Van Schaffelaars ruiters naar de Schaffelaar zenden, om Hans in tijd van nood bij te staan; want van de knechts en jongens, die niet meer dan vijf in getal waren, was niet veel hulp te verwachten. Toen dit besloten was, zette Van Schaffelaar zich in den zadel, en reed, gevolgd door Henri, over de valbrug; de oude Hans en Frank deden hem uitgeleide, en toen hij Frank de hand gaf, voordat hij afreed, boog bij zich een beetje voorover, en zei met een sombere glimlach: „Ik weet nu, Frank, wie de verdorde knop was, dien Maria heeft afgeknipt: het is Perrol! God geve, dat het uitkome! Geef den meester goeden moed, als gij hem van mij groet; vaarwel!”

„Die knaap heeft al vrij wat verbeelding,” zei Hans lachend, terwijl hij Henri naoogde, „maar ik moet den duivelschen jongen toch recht laten wedervaren; hij kan goed met paarden omgaan; en al moet zijn ruggegraat veel gelijkenis hebben met den staf van onzen Bisschop, hij zit toch in den zadel, alsof hij er op gespijkerd was.” Doch toen de spraakzame ruiter zag, dat Frank niet naar hem luisterde, maar in gedachten verdiept, tegen de leuning van de brug leunde, schudde hij zijn hoofd en verwijderde zich.

Nog lang zag Frank naar zijn vriend, die zich steeds verder verwijderde, totdat hij eindelijk achter struikgewas omreed; toen zag hij van den knaap niets meer, maar nog een tijdlang het hoofd van den ruiteraanvoerder, gedekt door den helm en de wapperende pluim. „Hij denkt dat het Perrol is,” zei hij halfluid en glimlachte. „Maar neen,” vervolgde hij, droevig het hoofd schuddend, „het is Frank, ik ben het zelf; heeft Ralph mij niet gezegd dat hij mij ten grave zal vergezellen? Maar houd altijd die gedachten, mijn vriend! En lees nooit in mijn hart; gij zijt te edel om mij uw vriendschap te ontnemen; maar het zou u bedroeven, dat uw geluk mijn ongeluk veroorzaakte, en zij,” zei hij zuchtend, „zou zij mij haar medelijden kunnen weigeren? Neen, maar mijn hart verlangt meer dan medelijden, en meer kan zij mij toch niet schenken. O, kon ik dit leven vaarwel zeggen met dien Perrol! Maar hij is zoo machtig, zoo sterk en ik ben nog jong; en toch zou ik den ongelijken kamp met vreugde ondernemen, al kon ik mijn vriend niet verlossen van dezen vijand, ik zou tenminste den dood vinden, die mij zoo welkom zou zijn.” Hier zweeg hij, en bracht zijn hand aan zijn voorhoofd, waarna hij zich naar het huis begaf. Hij vond Hans bezig om naar het jagen der wolken te zien, en deze riep hem toe: „De heer zal een slechte reis hebben, Frank. Kijk daar die wolken eens uit het Westen komen opzetten: dat belooft ruw weer.

Frank, door den ruiter opmerkzaam gemaakt, zag nu naar boven; de kennis, die hij in zijn jonge jaren van het weer verkregen had, deed hem het gezegde van den ruiter beamen, en zij vingen dadelijk aan, om, volgens het verlangen van Van Schaffelaar, alles zooveel mogelijk in weerbaren staat te brengen. Een menigte hout, dat buiten de Schaffelaar op den weg lag, werd op de werf gehaald, waarbij zelfs de vrouw van den boer en haar meiden de behulpzame hand boden. Men zag de bruggen en stormpalen na, en de ruiter zei vroolijk onder het werk tot Frank: „Eer de dag van morgen voorbij is, zal ik alles gereed hebben, en als ik dan mijn bezitting heb, dan zal mijn oude aanvoerder over Hans tevreden zijn; het eenige, dat mij hindert is, dat ik met dien duivelschen arm geen boog kan behandelen, en wachten moet tot zij onder het bereik van mijn zijdgeweer zijn.”

908SR15.gif (1832 bytes)

De voorspelling van den ouden ruiter was uitgekomen: de wind was allengs heviger geworden, en nu en dan viel er een koude, onaangename regen. Het was reeds laat; de duisternis was bijzonder sterk, men kon niets van de maan of sterren zien; men hoorde slechts het gehuil van den wind. De bewoners van de Schaffelaar schenen zich reeds allen ter rust begeven te hebben, en aan geen enkel venster van de Steenen-kamer of van en der andere woningen vertoonde zich eenig licht; zelfs de honden, die anders op de werf liepen, hielden zich nu schuil, en men hoorde binnen de omwalling geen ander geluid dan het heen en weer gaan der windwijzers op den schoorsteen en het torentje. De schaapherder naderde met rassche schreden de Schaffelaar; hij leunde, zooals meestal, op zijn staf, en zijn hond, die anders gewoonlijk vroolijk voor hem uitsprong, liep met neerhangenden kop en staart achter hem, en volgde zijn meester op den voet. De oude man, die zich om regen noch wind scheen te bekommeren, maakte zulk een haast, dat men veeleer kon zeggen, dat hij draaf de dan liep. Toen hij voor de valbrug was, stond hij dan ook een oogenblik stil, rustte vooroverleunend op zijn staf, en hijgde naar adem. Doch spoedig richtte hij zich op, als was hij op zichzelf verstoord, dat hij den tijd roekeloos liet verloopen, en schreeuwe: „Hola! H! Heidaar! Doet open, menschen!” Maar vruchteloos was zijn geschreeuw; de wind ving zijn schelle klanken op, en zijn stem ging in het geloei van den storm verloren. Ralph stampte op den grond, en gelastte Wolf om te blaffen; maar, hetzij het dier hem niet begreep, of door het slechte weer teneergeslagen was, het zweeg. Toen vatte de herder een hoorn, die aan den band hing, waardoor zijn kleeren bijeen gehouden werden, en begon te blazen; de akelige en eentonige klank van den ossenhoorn was meer bestand tegen den wind dan zijn stem. Weldra scheen Wolf een gerucht achter de brug te vernemen; hij zette tenminste de ooren op en snoof door zijn neusgaten, de honden, die stil uit hun hokken waren gekomen, begonnen nu achter de brug te brommen, en ofschoon de strot van Wolf in lang na zoo sterk niet scheen te zijn, antwoordde hij hen toch moedig, en liep naar het uiteinde van de gracht. „Zwijgt, duivelskinderen! – Wie is daar zoo laat?” riep nu de stem van iemand, die achter, of misschien wel naast de brug stond, naar buiten.

„Is de ruiter Frank nog op de Schaffelaar?” vroeg Ralph snel, terwijl de honden zich alleen veroorloofden om brommende langs de haag te loopen.

„De ruiter Frank!” bromde Hans, want deze was het, die in zijn slaap gestoord was, en nu kwam zien, wat er te doen was: „En wie zijt gij? Wat doet gij hier zoo laat?”

„Ik ben Ralph, de schaapherder; roep Frank maar, die kent mij wel, en maak haast,” riep de herder.

„O, ho, zijt gij het, Ralph,” antwoordde Hans. „Wat duivel, doet gij zoo laat in den regen? Wilt gij onder dak komen?”

„Neen,” schreeuwde Ralph, met zijn staf op den grond stampend, „ik moet Frank spreken.”

„Frank is niet meer hier, driftige oude,” antwoordde Hans ontstemd, „hij is reeds in den avond naar het leger gegaan; ik wenschte wel, dat gij mij hadt laten slapen.”

„God zij geloofd,” riep deze verheugd, en vroeg toen: „En Van Schaffelaar, waar is die?”

„De Heer is ook niet meer op de Schaffelaar; en wat moet gij nog meer weten, schapendrijver?” vroeg de ruiter gemelijk.

„Niets, paardendrijver,” hernam Ralph, „maar als gij uw leven liefhebt, dan verlaat gij nog terstond met al wat leeft de Schaffelaar; want ik geloof, dat er een hoop kwaad volk in aantocht is.”

„De Schaffelaar verlaten,” zei Hans verwonderd, „droomt gij, oude! Voor wien ziet gij mij dan wel aan?”

„Voor iemand, die het daglicht nimmermeer zien zal,” riep de herder met een sterke stem, „daarom zou de vlucht niet eens meer helpen; want ik zeg u, dat gij sterven moet, en dat ik u begraven zal. Verneder u en bid, en dank, dat Ralph het gezegd heeft.” Toen sloeg de schaapherder zijn mantel van vellen om zich heen, en verdween met zijn hond in den nacht.

De oude ruiter huiverde zoowel van koude als om wat de herder hem gezegd had; maar spoedig kreeg hij weer zijn gewone opgeruimdheid en verliet de valbrug, vloekend op zijn eigen lichtgeloovigheid.

Geen kwartier was er sedert het vertrek van Ralph verloopen, en alles was weer stil geworden op de Schaffelaar, toen zich, als de wind nu en dan eenigszins minder hevig was, paardengetrappel hooren liet; de hoefijzers ontmoetten de keisteenen, die in het zand lagen en spoedig kwamen eenige ruiters aanrijden, langs den weg waarover Frank des morgens gekomen was; behalve degenen, die vooruit reden, waren er mogelijk vijf en twintig. Zij bewaarden allen een diep stilzwijgen, en hadden hun zwarte schapenvellen wapenrokken, die buiten met laken overtrokken waren, dicht om den hals toegehaald; ondanks de duisternis zag men nu en dan een lichte flikkering op de kleine gedeelten van hun wapenen, welke blank geschuurd waren, vooral op het staal der bijlen, die sommigen aan den zadel hadden hangen. Vr de valbrug gekomen, op dezelfde plaats waar de oude herder enkele oogenblikken tevoren gestaan had, hield de aanvoerder stil, en zag opmerkzaam naar het gebouw, waarna hij naar een der voorste ruiters reed, die een man achter zich op het paard had, die men, naar de kleeding te oordeelen, voor een boerenknecht kon aanzien. „Is dit nu het slot van den heer Van Schaffelaar?” vroeg hij.

„Ja, Heer,” antwoordde de wegwijzer, „het is de Schaffelaar.”

„Volg mij, Froccard,” gebood de aanvoerder, „en gij allen blijft stilstaan.” Daarop reed hij den geheelen omvang der gebouwen rond. „En is er maar n uitgang aan dit huis?” vroeg hij, toen zij over het bruggetje reden, dat over de sloot lag, waardoor het water van de beek in de gracht kwam.

„Er is er maar n, Heer. Dien gij zooeven gezien hebt,” antwoordde de wegwijzer.

Het is een akelige verblijfplaats voor een edelman,” zei de aanvoerder met verachting „het schijnen niet anders dan schuren en kotten te zijn.”

„Ja, maar daarbinnen staat de Steenen-kamer,” hernam de andere; „zie, Heer, hier kunt ge haar zeer goed zien, het is een fraai gebouw, geheel van steen, en met een gracht.”

„Is die diep?” vroeg de aanvoerder.

„Ik weet het niet, Heer,” antwoordde de wegwijzer, „ik geloof niet, dat er water in is; maar in deze gracht zal nu wel water zijn.”

„Het schijnt, dat zij ons niet verwachten,” zei de aanvoerder tot zijn knaap, toen zij weer bij de ruiters waren gekomen; „zij schijnen te slapen, en wij zullen moeten roepen. Blaas eens op de tromp, kerel!”

Hij, die dit speeltuig bij zich had, blies, en de aanvoerder vervolgde lachend:

„Ik had geen groote gedachten van het gebouw, maar op mijn eer, het valt mij nog uit de hand; en indien het niet was, om het genoegen te hebben den landheer nu juist op zijn slot aan te treffen, dan zou ik het oogenblik vervloeken, dat wij de stad verlieten. Blaas nog eens, kerel, en hard; want zij slapen, alsof zij doof waren.

Toen de trompetter nog eens geblazen had, riep Hans van achter de brug: „Wie is daar zoo laat?”

„Laat de brug neer, knaap,” zei de aanvoerder; „want het is hier koud en nat, en ik kom uw heer bezoeken.”

„De heer Van Schaffelaar is niet meer hier,” hernam de andere; „gij hebt een vergeefsche reis gedaan.”

„Niet meer hier!” riep de aanvoerder driftig. „Ik geloof, dat gij liegt, kerel!” „Dat is mijn gewoonte niet,” antwoordde Hans lompweg; „maar ik weet niet, waarom ik juist verplicht zou zijn de waarheid te zeggen.

„Laat de brug neer en redekavel niet,” hernam de aanvoerder, „of het zal u berouwen, dat gij mij hier in den nacht laat wachten; als uw heer er achter komt, laat hij u wegjagen.”

„Ha, wegjagen?” zei Hans lachend, „en wie staat daar dan voor de Schaffelaar te wachten?”

„Perrol!” antwoordde de aanvoerder.

„Zoo!” zei Hans, „dan weet ik, dat de brug wel kan opblijven. Goedennacht, heer bendehoofd! Keer maar terug, en indien de duivel u onderweg den nek niet breekt, dan kunt gij nog voor middernacht in de stad zijn.”

„Ik gelast u de brug neer te laten!” riep Perrol gebiedend.

„Perrol met de Roode Hand heeft niets te gelasten,” schreeuwde Hans, „verwijder u, want ik ga naar bed; het spreken in dien verdoemden wind valt mij lastig.”

 „Gij wilt dus niet, kerel!” riep Perrol schamper en vloekte binnensmonds; doch toen hij geen antwoord ontving, vervolgde hij lachend: „Welnu Vidal, daar zal ik zelf de brug moeten laten neerdoen; die vent is te trotsch voor opzichter van zulk een weerloos gebouw; maar per moio, het zal hem berouwen.”

Nu gelastte hij het grootste gedeelte van zijn ruiters af te zitten, en zei: „Geeft uw paarden aan uw makkers, verdeelt u in twee hoopen, en beklimt de werf; de gracht zal met water zijn, maar de grond is hard; gij kunt haar gemakkelijk doorgaan; een heg met stormpalen is de verdediging; zij zullen u niet lang ophouden, dan kunt gij de val neerlaten. Voorwaarts.”

De ruiters lieten hun speren bij hun paarden achter, en verdwenen weldra in de duisternis. Perrol stond nog, te paard gezeten, met Vidal, den gids en eenige ruiters, die de paarden vasthielden, vr de brug. De wind, die nog altijd even sterk was en door het houtgewas huilde, maakte dat men niets kon hooren van de ruiters, die zich op last van hun gebieder verwijderd hadden. Eindelijk vernam men toch wat gerucht aan de beide zijkanten van de werf; men hoorde het geluid van bijlslagen, die de stormpalen vernielden, een gekletter van wapenrustingen, misschien van ruiters, die van den aarden wal neervielen. Daarna vernam men flauw een soort van geschreeuw op de werf, en te midden van een hevige stormvlaag een gil, als van iemand, dien men vermoordt en eindelijk niets meer dan het geluid van den wind en het geknars der weerhanen, en de brug daalde neer.

Toen Perrol er over reed, vroeg hij onverschillig aan een, die het dichtst bij hem stond: „Hebben zij zich te weer gesteld, Tuimelaar!”

„Zoo wat, Messire,” antwoordde deze lachend, „n hunner schijnt lust gehad te hebben, zich te laten neerhouwen; maar de gracht was nat en de stormpalen sterk; anders hadden wij u zoo lang niet laten wachten.”

„Het is goed,” hernam Perrol, „maar ontsteek nu een der fakkels, opdat ik ten minste eens rond kan zien.”

Toen er aan zijn bevel voldaan was, vertoonde de werf, die voor weinige oogenblikken zoo verlaten was geweest, een vreemd schouwspel: Perrol te paard, met een ijzingwekkenden lach op het gelaat, geleek met zijn in den wind waaiende roode helmpluim en den mantel van zwart bont, de vorst der duisternis. Achter hem stonden eenige ruiters te paard, die de andere paarden bij de teugels hielden; aan zijn rechterzijde zijn knaap Vidal, en aan zijn linkerhand de ruiter, die het oog hield op den gids, welke tusschen hem en Perrol stond, en met onverschilligheid had gelet op wat er reeds gebeurd was. Hij dacht niet aan het ongeluk, dat hij over dit huis bracht, maar hield de eene hand in zijn buidel, de geldstukken tellend, die hij reeds ontvangen had, en wachtte met ongeduld naar het oogenblik, waarin het overblijvende gedeelte der belooning voor de goede gidsdiensten aan hem zou worden uitbetaald. De fakkel, die nu eens dreigde uit te gaan, dan weer met hevigheid, door de kracht van den wind, voortbrandde, wierp van zijd tot tijd voldoende licht af om alles te overzien. Zij, die de werf beklommen, of liever in den ongelijken strijd gezegevierd hadden, rustten op hun wapens, of staken die vooruit, om elkander het een of ander aan te wijzen; maar zij spraken zacht, en wachtten bedaard op nadere bevelen. Hun rustige en vroolijke blik verrried, dat zij gereed waren om zonder tegenspraak te gehoorzamen; zij hadden de verdedigers van de Schaffelaar immers reeds gezien; zij wisten hoe weinig zij er van te vreezen hadden, en de buit lachte hun reeds toe.

„Is dat nu het slot van den heer, kerel?” vroeg Perrol barsch, en strekte de hand uit naar het gebouw.

„Ja, edele Heer,” antwoordde de gids, „het is de Steenen-Kamer, gelijk uwe Edelheid ziet, geheel van steen.”

„Geheel van steen,” lachte Perrol, en vervolgde: „Heidaar, Tuimelaar, treed nader, en zeg mij of de bezetting naar dat huisje gevlucht, of in de ellendige schuren verborgen is.”

„Zij zijn allen in het steenen huis, Messire,” antwoordde de ruiter, die de fakkel droeg: „de kerel, die hun orders gaf, heeft hun gelast, hem daarheen te volgen. Die beroemde narm is mij ontglipt,” zei hij lachend; „toen ik hem bij den linkerarm dacht te vatten, tastte ik in de lucht.”

„Haalt een ladder, kerels!” gebood Perrol, „en maakt die plank los; haast u, want die verdoemde wind is hinderlijk,” en hij vervolgde lachend: „Schud de fakkel zoo niet, gij, Tuimelaar. Ziet gij de vonken niet vliegen, voor den satan, zoekt gij brand te stichten?”

Terwijl eenige ruiters zich haastten om ergens een ladder op te sporen, sloeg Perrol zijn pelsrok om zich heen en zei: „Wat dunkt u van dit kasteel, Froccard, en wat zou het beste middel zijn om de vogels uit deze kooi te doen komen?” „Mij dunkt, Messire,” antwoordde deze, die lang en mager was, en wiens gele huid een zuidelijke afkomst verried. „mij dunkt het is beter voor een slavenhuis dan voor een woning van een vrij mensch geschikt: en het gemakkelijkste middel om hen er uit te krijgen, zou, onder verbetering zijn, tegen het dak en de luiken eenige bouten af te schieten met die kransjes van hars en zwavel, die wij bij ons hebben. O, Messire, dan zult gij de lieve beestjes spoedig hooren zingen;” en hij vertrok zijn valsch gelaat tot een duivelschen lach.

„Ho, ho, Froccard!” zei Perrol, „ik geloof, dat mijn knaap er heel anders over zou denken; maar past zulk een raad voor een vromen monnik? Gevoelt gij geen lust om hier in boetvaardigheid uw dagen te eindigen? Gij zoudt hier zoo goed als in de woestijn zijn; het zou een aardig klooster zijn voor vrome vaders van uw soort.”

„Gij weet immers, Messire,” hernam Froccard eenigszins gemelijk, „dat ik het kloosterleven en de pij verlaten heb; neen, ik was liever duizendmalen dood en verdoemd dan mij opnieuw op te sluiten!”

„En daarom zoudt gij dit huis maar willen vernielen, zonder dat wij het prachtige innerlijk zouden kunnen zien,” zei Perrol, waarna hij riep: „Het heeft lang geduurd, knapen, maar is de ladder goed!”

„Zeer goed, Messire. Wij hebben er twee,” was het antwoord. Toen vervolgde Perrol glimlachend: „Komaan, Vidal, gij moet ook niet achterblijven; eisch de vesting op, dat is menschelijk gehandeld; ik spaar gaarne bloed als ik kan.”

Vidal boog met het hoofd, reed een paar stappen naar voren, wierp een blik op het huis, waarvan de luiken gesloten waren en de brug opgehaald was, en riep: „Laat de brug neer en geeft u over, indien gij uw leven liefhebt!” Maar men antwoordde hem niet, en niemand vertoonde zich. Nu riep hij nog eens, zoo hard hem mogelijk was, en zijn stem klonk duidelijk, ondanks den wind: „Gij allen, geeft u over, indien gij het lijf wilt redden!”

„Schreeuw zoo hard niet,” riep men nu van boven uit het huis, „gij zoudt uw stem bederven, en geen gebed kunnen opzeggen, als mijn heer u laat opknoopen, gemeene roover!”

„Het is die knaap met den nen vleugel,” zei hij, „die de toorts droeg.” Perrol lachte. „Die arme Vidal,” zei deze en vervolgde kortaf: „Komaan, knapen, de brug neer en breekt mij de deur open!”

De ruiters traden snel naar de gracht, terwijl Vidal zwijgend terugkeerde; maar nu schenen de bewoners van de Steenenkamer zich ook te willen laten gelden, want een pijl, die langs den fakkeldrager snorde, trof den wegwijzer in de borst, en hij viel onder den uitroep van: „O Heere Jezus, ik ben dood!” op den grond. „Doof de fakkel uit, Tuimelaar!” riep Perrol: Deze voldeed dadelijk aan dit bevel, liep naar zijn makkers en zei: „Ha, nu zal ik ten minste ook de handen aan het werk kunnen slaan.”

„Wij kunnen wel in ’t donker klaar geraken; de wind maakt ook, dat hun schoten onzeker zijn,” vervolgde Perrol. „Maar zie eens, Froccard, of het is zooals de vent gezegd heeft?”

„Zulk een gemeene boer is goed om een pijl op te vangen,” zei deze, die, om beter op den wegwijzer te kunnen letten, afgestegen was en zich uit voorzichtigheid achter hem geplaatst had, „als hij hier niet gestaan had, Messire, zou ik mogelijk morgen een uur op mijn gedeukt harnas hebben moeten kloppen.” Hij boog zich voorover, en vervolgde: „Och ja, de hond heeft gelijk gehad; hij is dood,” en terwijl hij den ongelukkigen gids bij de keel vatte, maakte hij zich meester van het geld, dat deze bij zich had. „Ik hoor nog wat,” zei Perrol; „leeft de arme duivel nog? Hij zucht, geloof ik, hij beweegt zijn arm.” „Neen, neen, Messire, hij is wel dood,” antwoordde Froccard, die zich over het lichaam van den gids boog. „Wat doet gij daar!” vroeg Perrol en boog zich voorover. Vidal beefde van afgrijzen.

„Ik voel of zijn hart nog klopt,” was het antwoord; maar Perrol riep lachend: „Bij alle Heiligen, die er zijn en nog zullen komen, die verdoemde monnik staat den armen zondaar in zijn laatste oogenblikken bij, en maakt hem het sterven gemakkelijk. Komaan, Froccard, gij behoeft niet te bidden bij het lijk; de Tuimelaar is u reeds vooruitgegaan.” „Ik wenschte liever hier te blijven, Messire,” antwoordde deze, terwijl hij opstond, „er is volk genoeg daar.” „Blijf dan maar,” zeide Perrol verachtelijk lachtend, „en tel uw buit na, maar op mijn woord, zoodra de duivel mij van u verlost, wil ik geen geestelijke meer onder mijn bende hebben.” In dien tuschentijd hadden de ruiters reeds een ladder tegen den muur van het huis geplaatst; maar de gracht was zoo breed en diep, dat, zoo men de ladder daarin op den rand plaatste, het nog niet goed mogelijk was om den ketting te bereiken, waarmee de plank, die voor brug diende, was opgehaald. Toen Perrol echter een paar stappen vooruitreed, en zijn stem liet hooren, begaf zich een der ruiters naar boven, en weldra hoorde men de slagen van de bijl op het ijzer. Nu en dan schoot men uit het huis met pijlen; maar nu het weer donker was geworden, en daar het nog altijd even hevig waaide, hinderden de pijlen de zwaar gewapenden niet veel; ook had Perrol de paarden achter een der schuren laten plaatsen. De steenen, die van boven van den muur geworpen werden, deden tot nog toe niet veel nut; maar nu werd de ladder door een grooten steen getroffen, dien men langs den muur liet nedervallen, en man en ladder stortten in de gracht; den ruiter hoorde men door den wind slechts flauw kermen en de ladder was middendoor gebroken. „Laat dat staan, kerels! Per moio, die ligt daar wel bewaard! Komaan, duivelskinderen, naar boven!” schreeuwde Perrol snel. Zij, die langs de gracht heen en weer liepen en hun makker trachtten te ontdekken, traden terug. De tweede ladder werd geplant, en hij, die haar beklom, was zoo spoedig aan het boveneinde, dat het was, alsof er een zwarte schim tegen opvloog. Maar nauwelijks had ook deze een paar hakken op den ketting gegeven, of een tweede steen viel naar beneden en de ladder gebroken in de gracht. Toen kroop dezelfde zwarte schim tegen de smalle plank omhoog; de ruiter had zich aan de brug vastgeklemd zonder zijn wapen te laten vallen en men hoorde weer de bijlslagen op het ijzer.

„Bravo, Tuimelaar!” riep Perrol, die de pijlen scheen te verachten, welke langs hem heen gonsden. Wel vielen er nog eenige steenen, maar de bijlslagen hielden niet op. Eensklaps brak de ketting; de brug viel snel en met een harden slag naar beneden; een uitroep van schrik en een vloek lieten zich boven op den muur hooren, en terwijl een der Zwarte ruiters over de buigzame brug ging, klom de Tuimelaar, die haar niet had losgelaten, er bij op, en zette weer den voet op de werf. Deze val, die voor elk ander zeker noodlottig zou geweest zijn, scheen hem niet gedeerd te hebben, want hij was beroemd onder de bende om zijn luchtsprongen en vlugheid; doch de man, die in de ten deele met water gevulde gracht gevallen was, kermde niet meer. Reeds vielen herhaaldelijk bijlslagen op de sterke deur en klonken dof door de gang van de Steenen-kamer. Men hoorde de stem van den ouden ruiter, die aan zijn helpers, welke door schrik verlamd waren, misschien vruchteloos last gaf, om zware steenen naar beneden te werpen. Hij vloekte over hun lafheid en zijn eigen onvermogen; maar de steenen, die hij met zijn ne hand van de tin kon werpen, waren niet groot genoeg om den knaap te verdrijven, die op de deur hieuw.

Al sneller vielen de slagen; toen werd er een luik onder in het huis geopend, en iemand riep met een vreesachtige en bevende stem: „Wij geven ons over; maar laat ons om Godswil leven!”

„Open dan de deur op staanden voet! Houd op, Rogardo!” gelastte Perrol.

De man met de bijl hield op, en rustte op zijn wapen. Nu schreeuwde Hans van boven: „Ik geef mij niet over, verrader! O, als het maar licht was, dan zou ik mijn best doen, om u den kop te verpletteren, zwarte roover met den Rooden Klauw”. Het bendehoofd gaf zijn paard de sporen, en rukte met geweld aan den teugel, terwijl hij vreeselijk vloekte.

De deur van de Steenen-kamer werd schoorvoetend geopend, en een paar ruiters traden snel naar binnen. Een rauwe gil was het eerste geluid, dat men hoorde; daarop volgde een angstgeschreeuw en gebrul; de trouwe honden schenen moedig het huis van hun meester te verdedigen; terwijl de mannen, uit vrees voor hun leven, de deur openden! Zij kenden de hoofdman der Zwarte Bende dus niet.

„Messire,” zei Vidal snel, „die menschen hebben zich immers overgegeven?” „Ja, knaap,” antwoordde Perrol schamper lachend, „toen het te laat was; maar ik ben blij, dat gij weer spreekt; ik vreesde dat gij stom waart geworden.” Nu drukte hij zijn paard de sporen in de zijde, zoodat het bijna tot aan de brug sprong. Een ruiter, die er juist over en in het huis wilde gaan, trad verschrikt achteruit om den schok te ontwijken, en Perrol zei barsch, terwijl hij zich voorover boog: „Achteruit, wurgengel, of het zal u berouwen, dat gij het klooster ontloopen zijt.” Froccard sloop zonder iets te zeggen, heen en verdween in het duister. Het hevig gegil en geschreeuw en het gebrul onder in het huis was spoedig gedaan; echter, zoover men door den wind hooren kon, scheen zich nog hier en daar in het huis wat gerucht te laten hooren. Toen stapte Perrol af, gaf de teugels aan Vidal over, en zei: „Ik zal nu op mijn gemak het landelijk paleis eens bezien; gij voelt toch immers geen lust om mede te gaan? Blijf dus maar buiten,” en hij trad over de smalle brug in de Steenen-kamer.

Vidal luisterde met opmerkzaamheid naar wat in het huis scheen voor te vallen; hij hoorde, hoe men de luiken openwierp, en zag de ruiters met licht door de vertrekken zwieren, toen op eens zijn aandacht gevestigd werd op wat boven op den muur voorviel; men scheen op den smallen trans te vechten. Ondanks het geweld van den storm, hoorde men het gekletter van zwaarden en het houwen op harnas of stormhoed; het begon aan het kleine torentje en verwijderde zich langzaam vandaar. Eindelijk hield het op, en het kwam Vidal voor, dat degene, die hem had geantwoord, iets riep; maar de wind belette hem de woorden te verstaan; de oude dappere Hans leefde dus nog en was overwinnaar. Doch het gevecht begon weldra weer op dezelfde plaats, waar het eerst een aanvang genomen had; maar het geluid der slagen werd van de eene zijde hoe langer hoe zwakker, en hield weldra geheel op. De dappere veirdediger van de Schaffelaar was dan gevallen; men scheen het dak om te loopen en toen den muur weer te verlaten.

De ruiters traden nu over de smalle brug weer naar buiten en voerden geen gevangenen met zich mee, maar gingen gebukt onder de goederen, die zij geroofd hadden. Twee van hen droegen een hunner makkers, die dood scheen te zijn; de ploegpaarden werden voor een kar gespannen, die men uit een der schuren gehaald had, en deze werd met den buit bevracht. Perrol zelf vertoonde zich ook niet lang daarna, zette zich in den zadel, en gaf bevelen om op te zitten. „Gij deedt wel, Vidal, om hier te blijven,” zei hij spottend, „uw hart zou zeker gebloed hebben, als gij gezien hadt, hoe mijn Zwarten hebben huisgehouden. O, het zijn knapen, die even woest zijn als de duivels van mijnheer satan, onzen toekomstigen heer en meester, volgens het zeggen der papen.”

Terwijl dit voorviel, en eenige ruiters bezig waren, om den man uit de gracht te halen, om hem, hoewel hij dood was, naast den anderen op den wagen te leggen, ontwaardde men dat de booswichten zich niet vergenoegd hadden met de weerlooze mannen en vrouwen te vermoorden en het huis te berooven, maar dat zij, waarschijnlijk op last van hun waardigen aanvoerder, er den brand in gestoken hadden. De luiken waren voor het grootste gedeelte door hen opengeworpen, om de trek van den wind te doen toenemen; dichte kolommen rook vlogen door de vensters naar buiten, terwijl hier en daar in het huis reeds de vlammen flonkerden.

Voorwaarts, ruiters!” gebood Perrol, en de zwijgende bende verliet de werf, om zich daarbuiten in orde te scharen. Toen de wagen en al de paarden reeds buiten waren, kwamen er nog eenige ruiters, die de laatste bevelen van Perrol hadden uitgevoerd, over de brug en berichtten hem, dat alles volbracht was.

De vlammen, die nu aan alle kanten het steenen gebouw uitsloegen, waren weldra het eenige vuur niet meer; de stallen, spijkers en woningen begonnen nu ook te branden. Het vernielende vuur liep, door den wind gejaagd, spoedig van het eene rieten of strooien dak naar het andere; een fel licht en een sterke vuurgloed vervingen de duisternis, die onafgebroken geheerscht had; het knappen van de vlam vermengde zich met het loeien van den stormwind, en de Steenen-kamer was van binnen n vuur al vuur, dat de schuren beheerschte, die daar omheen een brandend vierkant vormden. Men hoorde het angstgeschreeuw van het onnoozele vee, dat geen besef zou hebben gehad om de stallen te verlaten, al waren al de deuren geopend geweest.

„Wat is dat daarboven?” vroeg Perrol plotseling, die met een gelaat, dat helsche vreugde teekende, dit tooneel van verwoesting aanzag, en boven naar den muurtrans van het huis wees; een man, wiens wapenrusting den gloed der vlam als een spiegel weerkaatste, zat schrijlings boven op de kanteelen.

„Het is de snaak met zijn ne vlerk, Messire,” antwoordde de Tuimelaar; „het was voor het laatst, maar niet voor het eerst, dat hij een stuk ijzer in de hand had, ik verzeker het u; en met uw verlof heb ik hem daar boven gezet; de arme drommel kan zich dan nog verbeelden dat hij rijdt,” eindigde hij lachend. „Zoo,” zei Perrol; „maar indien ik het wel heb, dan begint hij zich te bewegen.” Werkelijk boog de dappere Hans zich voorover en viel toen in de gracht. „Maar het wordt hier heet, wij zullen stadwaarts gaan,” vervolgde hij en plaatste zich vr zijn volk; zijn oog ging langs de rij van Zwarte Ruiters. die bedaard, alsof er niets gebeurd was, doch met lachend gelaat in den vuurpoel staarden. „Nu ik den heer van dit huis niet gevonden heb, is het onnoodig, dat men weet, wie de Schaffelaar dezen nacht bezocht heeft; ik verbied u dus om aan iemand over onzen tocht te spreken. Onze aalmoezenier,” zei hij glimachend, „heeft gemaakt, dat ik het stilzwijgen van onzen gids niets met geld behoef te koopen; niemand spreke er dus een woord van, en Van Schaffelaar zal niet weten, aan wien hij dit te danken heeft: dit is mijn wil!” eindigde hij met een forsche en gebiedende stem.

„En toch zal hij weten, dat Perrol een moordenaar is,” schreeuwde een stem uit de verte, en een keisteen, zoo groot als een kleine vuist, werd met kracht tegen het borstharnas van Perrol geslingerd; slechts twee handbreed hooger, en de aanvoerder der Zwarte Bende zou met een verpletterd hoofd ter aarde stort zijn.

„Verdoemenis!” brulde Perrol, die ondanks den schok vast en recht in zadel was blijven zitten, en zijn ros, dat begon te stijgeren, de sporen gaf. Eenige ruiters reden spoorslags naar een lange gedaante, die zich door het vuur verlicht, aan den zoom van het bosch vertoonde, maar snel daarin verdween.

Zij keerden terug, zonder die te kunnen bereiken; het was onmogelijk haar in het kreupelhout te vangen. Zij vernamen niets dan het geblaf van een hond in het diepste der struiken, dat zich hoe langer hoe verder scheen te verwijderen „Waarom verliet gij het gelid zonder mijn bevelen,” zei Perrol barsch, „of denkt gij, dat het leven van zulk een ellendigen wilde, die de wapens der ongeloovigen gebruikt, waard is er een van mijn paarden voor te bederven?” Toen zag hij nog eens naar de brandende Schaffelaar, en keerde met zijn ruiters en hun buit terug. Weldra hoorde men niets meer dan het geknetter van het vuur, het loeien van den storm en het vallen en kraken van balken en dakwerk; het oud voorvaderlijk verblijf van Jan van Schaffelaar was niet meer dan een vuurpoel; want Perrol met de Roode Hand had het bezocht.

908SR15.gif (1832 bytes)

De hinderlaagInhoudopgave OltmansHilversum

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)