J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL I – HOOFDSTUK I

DE VERGULDE HELM

Ja, de englen zien het aan, van wellust opgetogen,
Het knoopen van den band, zoo heilig in hunne oogen
Als ’t nederknielend paar zijn leven en zijn lot,
Zijn zielen zamensmelt voor ’t vaderoog van god.
 H. TOLLENS Cz.

D.gif (3307 bytes)e heillooze twist der Hoekschen en Kabeljauwschen, die zoovele jaren duurde, was vooral zoo verschrikkelijk geweest, doordat nu de eene, dan weer de andere partij bovendreef, en zich, hoewel slechts voor korten tijd, in de regeeringen der steden wist te handhaven. De afstand en dood van de ongelukkige Jacoba had wel aan de Kabeljauwschen de overhand doen verkrijgen; doch eerst meer dan een halve eeuw, nadat zij, die de Hoekschen als hun eenige wettige Landsvrouw beschouwden, haar rampvol leven geëindigd had, gelukte het aan hun vijanden hen ten onder te brengen en het land te doen ontruimen. Tot dien tijd hadden zij zich met afwisselend geluk, dan hier, dan daar, zonder hoop om ooit weer de overhand te krijgen, met een moed en een zelfverloochening een beteren uitslag waardig, verzet tegen het geweld van het Bourgondische en het Oostenrijksche Huis. Het is dus niet te verwonderen, dat Filips van Bourgondië zich in 1455 tegen de bevestiging van Gijsbert van Brederode als Bisschop van Utrecht verklaarde, daar het Huis van Brederode als Hoekschgezind bekend was, en hij met reden vreesde, dat deze bisschop, onder wiens bescherming zich de verdreven en misnoegde Hoekschen zouden vereenigen, voor het rustig bezit van Holland gevaarlijk zou kunnen worden. Hij bracht dan ook door dreigen, beloften, geld en geweld zooveel teweeg, dat de nieuwe bisschop genoodzaakt werd het bisdom af te staan, en het gelukte Filips, zijn natuurlijken zoon, David van Bourgondië, die bisschop van Teroanne was, op den bisschoppelijken zetel van het Sticht te plaatsen.

Tijdens het leven van zijn vader was David, door diens macht gerugsteund, in staat geweest om de aanhangers van zijn door hem verdreven voorganger in toom te houden, en toen zijn broeder, Karel de Stoute, het hertogdom geërfd had, was de bekende strengheid van dien vorst de oorzaak, dat hij willekeuriger over het Sticht regeerde, dan ooit één zijner voorgangers gewaagd had te doen. Doch toen Karel in 1477 voor Nancy verslagen werd, staken zij, die over de strenge regeering van den bisschop ontevreden waren, de hoofden bij elkander; de oude vrienden van den, hoewel toen reeds overleden Gijsbert van Brederode grepen deze gelegenheid aan om zich tegen den bisschop te verzetten, wien niet alleen de macht ontbrak om hen te verdrijven, maar die, niet bestand tegen het aantal zijner tegenstanders, zelfs genoodzaakt werd Utrecht te verlaten.

De ontevredenen hadden den burggraaf van Montfoort tot hun opperhoofd gekozen, die tegen soldij een zeker aantal voet- en paardenvolk had geworven, waarmede hij alles in Utrecht naar zijn wil en den zin zijner vrienden beschikte. De bisschop hield meestal zijn verblijf te Wijk bij Duurstede, en had ook een niet onaanzienlijk aantal krijgslieden aangenomen, waarmee hij de plaatsen, die zijn zijde hielden, beschermde tegen de aanslagen, welke die van Utrecht nu en dan ondernamen. Maximiliaan van Oostenrijk, intusschen met Maria, de eenige erfgename van den gesneuvelden Hertog in het huwelijk getreden, trachtte al dadelijk den Hoekschen het gezag te ontnemen, dat zij wederom sinds eenigen tijd in sommige steden hadden weten te vermeesteren. De Utrechtschen, zeer goed gevoelend, dat na den val des Hertogs eerste werk zou zijn, bisschop David in het onbeperkte beheer van zijn bisdom te herstellen, besloten met de Hoekschen in Holland gemeene zaak te maken, en hielpen hen in 1481 de stad Leiden bemachtigen; doch Maximiliaan verzamelde zijn krijgsvolk en noodzaakte weldra deze en nog andere steden zich te onderwerpen, de voornaamsten der Hoekschen het land te verlaten, en de minder aanzienlijken zich stil en rustig te houden.

De meeste uitgewekenen namen de wijk naar Utrecht, waar men hen met open armen ontving, en de Hertog, daarover ontsteld, besloot, het kostte wat het wilde, aan zijn vijanden ook deze schuilplaats te ontzeggen, of zelf hen met geweld van wapenen uit het nest te verdrijven, waar zij op hun gemak de aanslagen op zijn gezag konden uitbroeien.

In het begin der maand Maart van hetzelfde jaar, omstreeks den middag, naderde een ruiter de stad Amersfoort langs den Hoogeweg. Het paard, waarop hij zat, scheen het stappen niet te bevallen, en nu en dan was hij genoodzaakt de drift van het schoone en moedige dier te beteugelen; ook had de regen, die de twee vorige dagen gevallen was, het zand zoo vast gemaakt, dat de weg, vergeleken bij anders, bijzonder goed te berijden was. De ruiter was lang, breed geschouderd, en de welgevormdheid en sterkte van zijn lichaamsbouw verrieden, dat hij in staat was de sterkste vermoeienissen te doorstaan, wat in die tijden vooral nog een hoofdvereischte voor een krijgsman was. Dat hij niet tot den burgerstand behoorde, duidde al dadelijk het zwaard met het lange, ijzeren gevest aan, dat aan een fraai gewerkte stalen keten over zijn schouders aan zijn zijde hing, evenals de lange, breede dolk, die aan de rechterheup was vastgemaakt. Zijn gelaat was niet wat men schoon kan noemen, maar eenigszins bruin door de ongemakken van het weer, waaraan hij van jongsaf, bij nacht en dag, was blootgesteld geweest; de mannelijke ernst, die daarop te lezen was, gevoegd bij den bruinen knevel, was geschikt om ieder vertrouwen en tevens ontzag in te boezemen. Hij scheen tusschen dertig en veertig jaar oud te zijn; zijn bruin haar hing glad af, tot onder de ooren, en was op gelijke lengte afgesneden. Hij droeg geen helm, maar slechts een groven vilten hoed of een muts van een vreemd model, waarvan de eene rand met een versiersel van zilver was opgenomen; aan den zadelknop hing echter een klein kapje van ijzer, dat van binnen van een kussentje voorzien was, en veel overeenkomst had met een bekkeneel, en dat in tijd van nood door den ruiter onder den hoed kon gedragen worden. Voor het overige droeg hij een nauwsluitende kleeding van blauw laken, die armen en beenen bedekte, hooge laarzen met lange punten, handschoenen uit een kolder van bruin leder, waaruit zijn rok te voorschijn kwam, die met sierlijke plooien afhing.

Op het oogenblik dat de ruiter naar het slaan der klokken luisterde, en zijn oog op den Lieve-Vrouwentoren gevestigd hield, welke zich recht over den weg vertoonde, sprong zijn paard, door een vreemd geluid, dat zich ter rechterzijde deed hooren, verschrikt naar de linkerzijde van den weg, en stak, onurstig met den kop schuddend, zijn ooren steil in de hoogte.

„Moor! Moor! schaam u, Moor!” riep de ruiter met een stem, die zijn ongenoegen verried, en om een steenen kruis heen stappende, dat hier aan den weg geplaatst was, begaf zich het paard weer vanzelf naar het midden van den weg, zonder dat zijn meester het met teugel of spoor tot zijn plicht had behoeven te manen. Het scheen nu zelfs beschaamd en ontevreden over zijn gedrag, en stak den kop naar de zijde vanwaar het gerucht kwam; ook had de ruiter reeds eerder zijn oog daarheen gericht, en gezien, dat het de Melaatschen waren, die, juist uit het Lazarushuis gereden, hun klappen naar hem uitstrekten.

„Vooruit, Moor!” zei de ruiter tot zijn paard, terwijl hij het met den teugel naar het huis richtte, en Moor, gehoorzaam aan den wil van zijn meester, stapte zonder vrees en, door de neusgaten snuivende, op de lieden aan, die in hun bruine kleederen en met witte banden om de mutsen, vóór de poort van het Lazarushuis stonden, en nog voortgingen met hun geklapper om een aalmoes te verzoeken.

„Houdt op met dat vervloekt geweld, vuil gespuis!” riep de ruiter, toen hij, op eenige schreden van hen af, stilhield.

„Vergeet om Gods wil en den Heiligen Lazarus de arme Lazarussen niet,” riepen zij gezamenlijk op een eentonige en akelige wijze. Zij hielden nu hun klappen stil, en vertoonden hun afzichtelijk gelaat en hun afschuwelijke handen. „Indien gij uw huis verlaten hebt om mij hier op uw akelige muziek te vergasten, dan moet ik u zeggen dat één uwer genoeg zou zijn geweest; of denkt gij elk een aalmoes te krijgen? En als het een Lazarus-aardigheid is om mijn paard te verschrikken, dan zal ik u laten zien, dat het zonder schroom de inwoners van al de Lazarijen van het Sticht overhoop zou rijden,” zeide de ruiter eenigszins ontstemd.

„Vergeet om Gods wil en den Heiligen Lazarus de arme Lazarussen niet!” riepen zij evenals te voren, zonder dat zij door woorden of gebaren blijk gaven hem verstaan te hebben.

„Wees niet verstoord op deze arme lieden, Heer,” zei nu iemand, die zich aan een der vensters van het gebouw vertoonde: „ik ben de huisheer; zij hebben onlangs last gekregen, om zich bij den weg niet met de voorbijgangers in gesprek in te laten; dit is de reden, dat zij u niet antwoorden; ook is hun bevolen, als zij hun huis verlaten om in de stad inzamelingen te doen, door een herhaald slaan hunner klappen degenen te waarschuwen, die hen willen ontwijken; buiten hun schuld is dus uw paard door dit geraas verschrikt, Heer, en ik vertrouw dat gij hun een kleine aalmoes niet weigeren zult.”

„Toch niet, mijn vriend!” zeide de ruiter, terwijl hij zijn hand in een beurs of zakje stak, dat, ofschoon iets hooger, bij zijn dolk aan zijn rechterzijde hing; „maar ik dacht in het eerst, dat deze menschen eens hadden willen onderzoeken, of ik een goed ruiter was of niet; ik zou dit een goed bereden kerel niet kwalijk nemen, maar wel een hoop lieden, die van aalmoezen moeten leven.”

Dit zeggend, legde hij een stukje zilvergeld op den klap van een hunner, die eenige schreden genaderd was.

„Goedendag, vriend,” zei de ruiter, den weg naar de stad inslaande, „God zegene u, Heer!” antwoordde de huismeester buigende. „Wees gedankt, in naam van God en den Heiligen Lazarus, door de arme Lazarussen,” riepen de Melaat-schen, terwijl zij ook de richting van de stad insloegen. De ruiter, die zich zoo spoedig mogelijk van hen wenschte te ontdoen, gaf zijn paard den vrijen teugel, en spoedig hoorde hij het eentoonig slaan van hun klappen niet meer.

Vóór de Kamppoort hield de ruiter stil. Zonder eenige nieuwsgierigheid te verraden, had hij de omstreken van den weg, dien hij door het dorre geboomte zeer goed overzien kon en de weinige en armoedige woningen, die zich in de nabijheid der stad bevonden, gadegeslagen. Deze laatsten, die voor elken vijandelijken aanval bloot lagen, waren alleen de verblijfplaatsen van eenige kleine lieden of dienden tot stalling van het vee, dat des avonds voor de marktdagen naar de stad gedreven werd, wijl de stad zelf overvloedige ruimte aanbood voor hen, die lust gevoelden of genoodzaakt waren deze oorden te bezoeken.

Met meer opmerkzaamheid beschouwde hij de stad zelf, de dubbele gracht. welke den meer dan twintig voet hoogen muur omringde, en de op behoorlijken afstand geplaatste toren en wachthuisjes. Toen hij over de brug reed, scheen hij met het oog van een kenner de wijdte der grachten op te nemen, evenals de valbrug, die aan de poort bevestigd was, en door middel van ijzeren kettingen en raderen er binnen kon worden opgehaald. Donker was het gezicht in de openingen, of machicoulis, waardoor in tijd van gevaar allerlei brandbare stoffen en verdedigingswerktuigen op den aanvallenden vijand konden worden geworpen. Toen de ruiter de poort binnenreed, waarvan de deuren onlangs schenen vernieuwd te zijn, was zijn blik ernstiger dan voorheen; mogelijk was hij niet voldaan over zijn waarnemingen. Spoedig echter nam zijn gelaat een vroolijker plooi aan; hij groette vriendelijk in het voorbijrijden den burger, die in de poort de wacht had, en hoewel deze hem verwonderd aangaapte en met bevreemding zijn gedragingen had gadegeslagen, nam hij toch zijn muts af, en liet den ruiter ongemoeid binnen de stad. De Kamppoort had toen een geheel andere gedaante. Het was een vierkant gebouw, aan de zijde der brug door twee ronde torens versterkt.

Zoodra de ruiter in de stad was, nam hij zijn weg rechtsaf en sloeg den Achterkamp in, die toen, zooals de geheele buitenstad, nog onbestraat was; de huizen en schuren waren ook alle met riet of stroo gedekt, en de talrijke hooibergen, die er waren, gaven aan dit gedeelte der stad het aanzien van een dorp. „Heidaar!” riep de ruiter, die een der schuren was binnengereden; doch het kwam hem voor, alsof er niemand bij de hand was hem te hooren. „Heidaar, Hein! heidaar!” riep hij nog eens, terwijl hij in de schuur rondzag, waar achterin twee paarden bezig waren het hooi met volle bekken uit de welvoorziene ruif te trekken. Nu hij nog geen antwoord kreeg, steeg de ruiter af, en maakte zich gereed om zelf zijn paard te verzorgen, toen hij op eens in een schaterend gelach uitbarstte.

De reden hiervan was de afdaling langs een hooge, ranke ladder van een klein mannetje, dat goedvond, ten einde meer waardigheid aan zijn houding bij te zetten, met den rug naar de ladder gekeerd omlaag te klimmen. Doordat echter de lengte zijner beenen weinig verschilde met den afstand tusschen elke twee sporten, welke vrij groot was, kostte elke stap hem een onbeschrijfelijke moeite, en bracht hem elk oogenblik in gevaar, om bij den minsten misstap of door het uitglijden der handen, waarmee hij zich aan de ladder geklemd had, naar beneden te storten. Het spottend gelach van den ruiter deed hem opeens besluiten zich naar beneden te laten glijden; doch de uitgestrektheid van zijn rug belette de gelukkige uitvoering van dit voornemen, en hoewel hij de gewaarwording van smart trachtte te verbergen, die de aanraking van zijn ruggegraat met de ongelijke sporten hem veroorzaakt had, toch maakte de ruiter een einde aan zijn vroolijkheid, en zei vriendelijk:

„Zachtjes aan, Heintje! Moor heeft den tijd.” Weldra gelukte het dezen zijn voeten weder op de ladder te plaatsen, en zijn rug en handen van het gewicht van zijn lichaam te verlossen; en toen zijn oude wijze van afklimmen hervattend, stond hij eenige oogenblikken daarna vóór den ruiter, die hem met aandacht bezag.

Zijn voeten en beenen waren onbedekt; voor het overige droeg hij een morsig leeren kleed, waarvan de rechtermouw niet verder dan den elleboog, de linker echter tot bijna aan de hand reikte. Dit verschil in lengte scheen niet willekeurig, maar door het toeval zoo geregeld te zijn, en de franje, die zich aan het einde van de mouwen en de pijpen der broek gevormd had, dreigde mettertijd het kleed, evenals de molen zonder wieken, van pijpen en mouwen te zullen berooyen. Over dit feestgewaad, dat tevens diende voor hemd, droeg hij een versleten jak of wambuis van slecht fluweel, dat, beter van luchtgaten dan van knoopen voorzien was, bijna tot op den grond afhing, en hem evengoed diende als kaftan, schanslooper of huisjapon. Daar de mouwen veel te lang voor hem waren, had hij uitgevonden, om zijn armen te steken door twee insnijdingen, die in de voorpanden waren; zijn rug had dus vrij veld om zich te bewegen, en een gemakkelijke schuilplaats onder de wijde plooien van het kleed. Hij nam met veel deftigheid zijn muts af, die van geel laken was, en waarop eenige haneveeren prijkten, en zei, terwijl hij zich diep boog: „Vergeef mij, Heer! dat de zorg, om u naar behooren te ontvangen, mij verhinderd heeft met den vereischten spoed tot u te komen.”

„Waart gij dan van mijn komst onderricht?” vroeg de ruiter verwonderd.

„Neen, Heer, antwoordde de knaap, terwijl hij het paard bij den teugel naar de ruif bracht; „maar uit het dakvenster zag ik u de straat inrijden. Waart gij geharnast en vergezeld geweest van uw rijzige ruiters, ik zou gedacht hebben. dat de stad door u was gewonnen, en daar gij alleen en vrij kwaamt aangereden, kon ik niet denken, dat gij gevangen waart; ik dacht dus, evenals nu, dat gij de zijde van den eerwaardigen bisschop verlaten hadt.”

„Die gevolgtrekkingen zijn nog zoo dom niet, Heintje!” zei de ruiter lachend. terwijl hij zijn kolder en lakensch wambuis, dat ongeveer tot aan de knie reikte, wat naar beneden trok, „maar zeg mij nu nog eens, eer ik ga, of er ook wat nieuws in de stad is, en waarom gij u zoo hebt opgeschikt, alsof gij den omgang van het beeld onzer Lieve Vrouw moest bijwonen.”

„Wat het nieuws betreft, Heer!” hernam Heintje, die het paard den zadel had afgelicht, den halster aangedaan en het aan de ruif geplaatst had, „dat is er niet veel; alleen heb ik gehoord, dat er dezen morgen een ruiterhoofdman in de stad is gekomen; maar wie het is, weet ik niet; de reden echter,” vervolgde hij deftig, terwijl hij den ruiter met afgemeten tred naderde, „die mij dit gewaad doet dragen, waarbij ik ook nog wel een mantel had kunnen voegen, indien mijn vrees, om u te lang te laten wachten, er mij niet van had doen afzien, kan ik u gemakkelijker bekend maken: ik ben namelijk vanzins het ellendige leven van een stal jongen te verlaten, en in den oorlog mijn geluk te zoeken.”

„Gij in den oorlog gaan, Heintje?” vroeg de ruiter meesmuilende.

„Ja, Heer! Ik,” antwoordde de knaap, zonder zich aan het spottend gelaat van zijn ondervrager te storen. „ik ben oud genoeg om te weten, wat voor mij geschikt is; ik ben eenigen tijd bij een troep kamerspelers geweest, hetgeen mij in staat stelt om mijn kleed te dragen en mijn woord te doen, gelijk het den knaap van een edelman betaamt. Ik heb den dienst aan dezen stal verzocht en mij alles getroost met paarden te leeren omgaan; ik verzoek u dus Heer! u mijner aan te trekken en mij als knaap aan te nemen.

„Indien de gedachte, dat ik den dienst van mijn genadigen heer van Utrecht verlaten heb, tot dit verzoek aanleiding geeft, dan hebt gij geheel misgerekend, jongen! Ik ben nog altijd in zijn dienst,” zei de ruiter.

„Ik verzoek u te dienen, Heer! onverschillig is het mij, waar of voor wien gij het zwaard trekt,” was het antwoord van den staljongen.

„Maar, Heintje, hebt ge wel berekend?” vroeg de ruiter, die de gestalte van den knaap beschouwde, doch uit goedhartigheid aarzelde om de reden te zeggen, waarom hij hem ongeschikt achtte voor den dienst, welken hij wilde aanvaarden.

„Alles heb ik overwogen,” riep de knaap met vuur, en sloeg zijn hand aan de linkerzijde, alsof hij reeds een zwaard droeg; „ik ben niet lang of recht van gestalte, maar gezond en sterk; ik kan een paard oppassen, berijden en genezen; ik kan harnassen schoonmaken, en in den drom der vechtenden zal mijn meester mij steeds aan zijn zijde vinden, om hem nieuwe wapenen te verschaffen, hem voor elken verraderlijken aanval te beschermen ten koste van mijn leven en zijn voetstappen te volgen, ten einde den genadestoot te geven aan elken ontzadelden vijand. Bij de asch van de helden, die met de wapenen in de hand gestorven zijn, zweer ik dus u te willen dienen. Uit liefde voor de schoone oogen van haar, die gij liefhebt, Heer! bid ik u, verstoot mij niet; maar neem mij in uw dienst.”

„Ik zal de oogen gaan raadplegen, waarop gij u beroept,” antwoordde de ruiter glimlachend, „misschien halen zij mij wel over om uw verzoek toe te staan, en in dit geval zal het mij aangenaam zijn, dat gij uw daagsche kleeren weer aantrekt, omdat ik gaarne alle opzien wensch te voorkomen; zorg goed voor Moor, gelijk het een braven knaap betaamt en wij zullen verder spreken, als ik terugkom.”

„Ik zal uw bevelen gehoorzamen, Heer!” zei de knaap eerbiedig, terwijl de vreugde in zijn oogen te lezen was.

De ruiter verkortte de keten, waaraan zijn zwaard hing, zoodat het niet meer op den grond sleepte, en verliet den stal.

908SR15.gif (1832 bytes)

De stad Amersfoort, welke één lijn trok met Utrecht, en de zijde van bisschop David van Bourgondië verlaten had, is een oude stad, die, zooals men zegt, reeds in het begin der elfde eeuw bekend was, en haar naam ontvangen heeft van den overtocht over de Eem. De stad is in een gezond oord gelegen, en was reeds in dien tijd met vruchtbaar bouwland en boomgewas omringd. De rivier de Eem gaf gelegenheid tot het drijven van een zeer voordeeligen koophandel, welks voorspoed, mét de gunstige stand der brouwerijen en andere neringen, de uitlegging der stad noodzakelijk had doen worden, die sinds eenige jaren had plaats gehad. De nieuwe stad verschilde veel van de oude, welke geheel bestraat was, en waarvan de daken der huizen, schuren of luifels, bijna alle met pannen of leien gedekt waren. Ook trof men in de nieuwe stad weinig huizen aan, die konden wedijveren met die der oude; de gracht, welke deze had omringd, was er nog, en gaf gelegenheid om de oude gedaante na te gaan; zelfs de muren, tusschen eenige van groote steenen opgemetselde torens of versterkte huizen, duidden de plaats aan, waar de eerste stadsmuur gestaan had, en uit het toegroeien der grachten, welker boorden met wilgeboomen beplant waren, kon men zien, dat de stad, op haar nieuwe muren en grachten betrouwende, de oude liet vervallen.

Niet ver van de Vijepoort, nu de Binnenkamp genaamd, trof men in dien tijd een voor de bouworde van die dagen, zeer groot en goed huis aan; want men hield het voor het fraaiste huis in de Langestraat. Het werd toen bewoond door Wouter, meester smid en harnasmaker, en was geheel van roode gebakken steenen opgemetseld. Aan weerszijden van de deur bevonden zich twee kruisramen, welker onderste helften van zware luiken voorzien waren, waarvan het onderste gedeelte naar beneden en het bovenste omhoog openging; deze ramen met de deur besloegen de geheele breedte van het buis. De tweede verdieping, die op de gebeeldhouwde stijlen der ramen rustte, kwam een weinig vooruit, en bevatte drie kruiskozijnen met ruitjes in lood gezet, en van onderen ook van luiken voorzien. De derde verdieping, die een hooggeplaatst zoldervenster of luik bevatte, stak eveneens vooruit, en eindigde ter weerszijden met drie waren, en waarvan de staande zijden de gedaante hadden van kleine ronde torentjes; een versiersel van ijzer, boven op den trapgevel, was voorzien van een doorgehakt vaantje, dat den wind aanwees. Een breede met leien overdekte luifel, boven de deur, sneed de onderste ramen vlak in het midden, en hing aan ijzers in de gewerkte kozijnen, aan de boveneinden der vensters vastgemaakt. Ter rechterzijde van het huis was een overdekte gang, die naar den hof en de werkplaats toegang gaf, en aan de straatzijde met een poort was afgesloten. Onder het middelste venster van de tweede verdieping stak een fraai, met veel bloem- en krulwerk voorzien ijzer tot voorbij de luifel rechtuit, dat als een meesterstuk van smeedwerk kon worden aangemerkt. Op het uiterste einde daarvan stond een gesloten helm, welks kam fraai was bewerkt; het vizier, de neusband, niets was vergeten, en het geheele zwaar vergulde stuk was zeer geschikt om degenen terecht te wijzen, die het In den Vergulden Helm, dat met groote letters voor de luifel geschilderd was, misschien niet lezen konden. Aan de eene zijde van de deur verving een schuin kelderluik de plaats van de stoep, doch aan de andere zijde werd deze gebruikt om op een paar schragen een lange, draagbare toonbank te plaatsen, waarin, evenals thans, in een zoogenaamden lessenaar met glas overdekt, de goederen ten verkoop waren verspreid. Geen glas dekte deze kast of lade, dat was toen nog niet in gebruik; ook beveiligden de luifels van den ouden, goeden tijd, die hoe langer hoe zeldzamer beginnen te worden, de koopwaren genoegzaam tegen den regen. Een traliewerk, van ijzer gevlochten, deed denzelfden, zoo niet beteren dienst dan het glas, tegen de nieuwsgierigheid van groote en kleine kinderen en van die soort van menschen, welke sinds eeuwen her nog steeds de gewoonte behouden om zich andermans goed toe te eigenen.

Allerhande kleinigheden waren hier uitgestald; groote en kleine scharen en tornmesjes of vingerhoeden trokken de oogen der meisjes en vrouwen tot zich; hoewel de eersten bevreesd zouden zijn geweest, om zulk een scherp werktuig tegen een kus van minnaar of bruidegom ten geschenke te krijgen zonder hem bovendien een klein kopergeld in ruil te geven. Elk vond hier wat van zijn gading; groote en kleine messen, roskammen, verschillende soorten van bitten lokten den burger of huisman; sporen en knijven of miséricordes in fraaie scheeden, fraaie spangen en stalen kettingen lokten den edelman of den soldaat.

Doch niet alleen deed het bezichtigen van deze voorwerpen nu en dan een jongen knaap of man zijn blik over deze koopwaren gaan; neen, het lieve kopje, dat zich soms in den winkel voor het vensterglas vertoonde, was er de reden van. Voor het oog zag men dan naar mes of spoor, terwijl men alleen bleef staan om het genoegen te hebben Maria, de schoone dochter van Wouter den smid, steelsgewijze gade te slaan. Richtte zij, die veelal ijverig bezig was met het stikken van een leeren draagband of ander handwerk, haar blik eens naar buiten, dan beijverde elk zich om haar vriendelijk te groeten, wat zij nimmer, als zij zich weer over haar werk boog, verzuimde te beantwoorden, en verheugd vervolgde de knaap zijn weg.

Bleef een ruiter of een voetknecht onbeschoft voor het raam staan om naar binnen te gluren, dan zag het schoone kind voor zich neer; zij gunde hem geen blik, en zocht hij, door haar aardigheden toe te roepen, haar opmerkzaamheid tot zich te lokken, dan verliet zij haar zitplaats; de oude Griet, de dienstmaagd van het huis, nam dan veelal plaats op haar stoel, en de krijgslieden gingen hun weg, de oude vrouw verwenschende, die, daar zij niet sterk van gehoor was, zeer weinig van hun afscheidsgroet kon verstaan.

Niet zelden trad een jonker of ridder, als hij het meisje zag, den winkel binnen om naar het een of ander te vragen; doch als zij dan haar vader of den meesterknecht riep, en hij genoodzaakt was met hen te onderhandelen, verliet hij dikwijls het huis, ontevreden, dat hij zijn koop niet uit haar hand ontvangen had, en dus niet in de gelegenheid was geweest om haar eenige aardigheden te zeggen.

Zelfs was zij een voetangel voor geestelijke heeren, vooral als deze nog wat jong waren, menig frater of kanunnik had ook, voor de uitstalling staande, zijn oog niet kunnen afhouden van het lieve meisje, en zijn weg vervolgd, na haar eerbiedigen groet vriendelijk beantwoord te hebben. Dat er van die heeren geweest zijn, die haar, trots den besten ruiter, noodzaakten haar toevlucht tot de tronie van Griet te nemen, willen wij niet gelooven; maar wel, dat nu en dan een broeder of priester het huis binnentrad, om naar den prijs van een passer of eenig voorwerp te vragen, dat hij gebruiken kon en na het houden van een praatje met het bescheiden, zedige meisje, naar zijn woning of convent terugging en den ongehuwden staat en het priesterleven verwenschte.

908SR15.gif (1832 bytes)

Op het oogenblik, dat de ruiter, dien wij eenigen tijd uit het oog verloren hebben, in de Vergulden Helm binnentrad, was Griet juist aan het stoffen, terwijl een knecht bezig was met een leeren lap een geheele wapenrusting, de in één der hoeken stond, af te vegen. De tamelijk groote winkel was ruim voorzien van allerhande ijzerwerk voor huiselijk gebruik, voor den landbouw en van wapenen tot verdediging en aanval.

„Goedenmorgen, Heer Jan!” riepen Griet en de knecht bijna gelijktijdig uit, terwijl zij hun verwondering lieten blijken.

„Ik dank u, hoe gaat het hier?” hernam de ruiter.

„Wie had dat kunnen denken, en wat zal Maria zeggen?” vervolgde Griet, die zijn vraag niet goed verstaan had, hoewel het stil was in den winkel; want men kon er bijna het geluid der hamerslagen niet hooren, omdat de smederij achter in den hof was, en aan de Muurhuizen uitkwam.

„O! de meester en zijn vrouw en dochter zijn allen wel, Heer!” zei Dirk, de meesterknecht. „Zij zullen wel verwonderd zijn u te zien.” Nadat heer Jan, zooals zij hem noemden, van hen gehoord had, dat de smid in zijn werkplaats en zijn vrouw en dochter in het huisvertrek waren, opende hij, na de dienstmaagd verhinderd te hebben de huisgenooten van zijn komst te verwittigen, een deur achter in den winkel, en gaf door zijn vertrek aan Dirk gelegenheid om tot Griet te zeggen: „Gij ziet, het gaat altijd zoo: spreekt men over den duivel, dan ziet men zijn staart; evenwel dacht ik niet, dat ik hem den winkel zou zien instappen, op het oogenblik dat wij berekenden, in hoeveel weken hij hier niet geweest was.”

„Daar hebt gij wel gelijk aan, man!” antwoordde zij, „ik was bevreesd, dat wij hem in lang niet zouden zien, en wat den duivel en zijn staart aangaat, hij, die nu in de smederij is, heeft veel van den boozen geest.” Zoo vervolgden zij nu hun gesprek, terwijl zij hun werk daarvoor niet verzuimden; doch tot hun eer moet gezegd worden, dat, ofschoon zij zich over de huishoudelijke aangelegenheden van hun meester onderhielden, al hun uitdrukkingen ware belangstelling te kennen gaven.

De ruiter had zachtjes de deur achter zich dichtgedaan, en trad met behoedzame schreden door de gang, ten einde de huisgenooten te verrassen; ook gelukte het hem, onbemerkt de kamerdeur, die openstond, te bereiken. Hij blikte nu in het nette oud-vaderlandsch huisvertrek. Drie kruiskozijnen, met vrij groote en witte ruitjes, verlichtten het; voor elk kon ’s avonds een gordijn geschoven worden. De schoorsteen, juist tegenover de deur geplaatst, was groot, en stak ver in de kamer uit; de staande plaat was blank geschuurd, hoewel eenige regelmatige turven reeds op den haardsteen gereed lagen, om, zoodra de avond kwam, en het hoofd van het huisgezin met zijn werk gereed was, te worden aangestoken. Een vrij groote tafel stond voor den haard. Tegenover het venster, dat naast den schoorsteen was, en op de buitengang uitzag, was op een zwarten voet een groote en fraai gebeeldhouwde eikenhouten kist geplaatst, welke diende om de dagelijksche kleeren in te bergen. In het achter-einde van de kamer was een hooge bedstede met gordijnen; en ter weerszijden daarvan een diepe kast, tot berging van allerlei huiselijke benoodigdheden.

Vlak tegenover deze slaapplaats, waarvan de gordijnen waren opengeschoven, en waarin het zindelijke beddegoed te pronk lag, waren de twee andere ramen, welke over een kleine plaats het uitzicht in den hof hadden; voor één dier ramen stond een klein, rond tafeltje, waaraan twee vrouwen zaten.

De oudste droeg een zwart jak, dat tot aan de knie kwam, en een langen rok van dezelfde kleur en stof; de mouwen kwamen tot halverwege de handen, en waren met een breeden zoom voorzien. Haar hoofd had de gedaante van een suikerbrood; uit deze soort van muts, die van geruit goed gemaakt was, kwamen op het voorhoofd twee breede, doorschijnende strooken te voorschijn, die de slapen en de ooren bedekten, naar achteren liepen, en op den rug een soort van kap vormden. Het jak werd iets hooger dan de heup door een band of gordel vastgehouden, die van voren met een gesp van zilver gesloten was; een helder witte halsdoek reikte tot boven aan den hals, waarom zij geen versiersels droeg. Aan haar gordel hing een taschje of beurs en een ring met eenige sleutels; een enkele gouden ring was aan haar rechterhand te zien, als de mouw van haar kleed iets verschoof. Zij scheen ongeveer veertig jaren oud te zijn; mogelijk was zij wel wat ouder, daar de muts, die zij droeg, het haar en de slapen bedekte. De goedheid stond op haar gelaat te lezen, en men zag duidelijk de sporen van vroeger schoonheid, welke zelfs nog niet geheel vervlogen was; haar vel was nog blank, haar wangen waren frisch van kleur, haar oogen levendig, en haar mond prijkte nog met al de tanden: het eenige, dat men had kunnen aanmerken, was, dat zij een ietsje te gezet was. In één woord, men kon vrouw Martha nog schoon noemen, al vergeleek men haar met haar dochter, die nu het bevallige meisje was, dat haar moeder eenmaal scheen te zijn geweest. Maria was nog zeer jong; het was nauwelijks achttien jaren geleden, dat haar blijde ouders haar voor het eerst met den ouderlijken kus welkom in het leven hadden gewenscht. De jeugdige maagd was nu gelijk het teeder rozenknopje, dat alleen de stralen van het koesterende zonlicht wacht, om zich in al haar schoonheid en natuurpracht te vertoonen. Beschermd door haar vader, met zorg door haar liefdevolle moeder in deugd en zedigheid opgevoed, was zij vroolijk, en zonder het verdriet te kennen was zij de jaren genaderd, waarin de maagd door een zeker geheim verlangen, zonder dat zij weet waarom of waarvoor, zich verdiept in een treurig gepeins, dat niet zonder liefelijkheid is. Haar kleeding was, wat het patroon betreft, soortgelijk aan die van haar moeder; alleen de stof was meer verschillend. Een grijze rok omsloot haar welgevormde leden, daaronder kwamen nu en dan echter de, voor de meisjes van dit land, zeer kleine voetjes te voorschijn; want de lange, eenigszins opwaarts gebogen neuzen der tootschoenen konden er de bevalligheid van bedekken, maar deden ze daarentegen smaller voorkomen. Het jakje was van een blauwe stof met roode bloemen; de einden der lange mouwen, evenals de boorden aan de hals en van onderen, waren omzoomd met een breed lint van semijte of zijde. Het borstlijf was ook van dezelfde soort band of lint, met figuren, fraai van teekening, opgelegd; en een zijden veter, waarmee het lijf was dichtgeregen, hing met zijn zilveren nestels een eind over den rok. Haar hoofddeksel of tuit was van blauwe sindale, een soort van taf; uit den top kwam een wimpel of doorschijnende sluier te voorschijn, die ongeveer tot aan den gordel langs den rug neerhing. De muts, waarop dit gevaarte rustte, was ook van kamerdoek, doch veel klaarder dan dat van haar moeder, en door de strooken, welke langs het hoofd afhingen, zag men haar fraai blond haar, dat glad achter de ooren was weggestreken. Haar sneeuwwitte halsdoek was niet zoo gesloten als die van haar moeder, en was van voren toegemaakt met een klein gouden hartje aan een smal zwart lint, dat om haar hals liep en door het hartje ging, hing een gouden kruis tot halverwege haar borstlijf af. Aan haar groenen semijten gordel, die, van voren iets lager dan van achteren, in een punt samenliepen, en gesloten met een zilveren spang of gesp, hing een speldenkussen en een kokertje, waarin naalden, schaar en andere kleinigheden waren gestoken. De blanke, fraai gevormde hals scheen met den halsdoek in kleur te willen wedijveren; en schoon hij al niet zoo wit was, zoo had hij een duizendmaal bevalliger kleur; het zachte, bijna onmerkbare rozenrood, dat door het fluweelachtige, fijne vel scheen, en dat de bekwaamste schilder bijna niet met zijn penseel had kunnen nabootsen, werd hier en daar alleen gebroken door de schier onzichtbare blauwe aderen. Nog door den doorschijnenden dubbelen halsdoek volgde het bekoorde oog den rondom, molligen omtrek van den hals en de schouders, totdat het nijdige jak haar fraai gevormd lichaam voor elken bespiedenden blik bedekte; de zwelling echter van het borstlijf verried den ontluikenden boezem. Maar waarom zou men de verborgen bekoorlijkheden van de zedige maagd getracht hebben te bespieden, daar haar gelaat voor elke beschouwing openlag? Het sneeuwwitte en gladde voorhoofd kwam bevallig te voorschijn tusschen twee natuurlijke gordijnen, welke gevormd werden door het haar, dat zacht en glanzig, gelijk de kostbare zijde, in bevalligen bocht verdween achter het kleine oor, versierd met een gouden hartje, door de strook van de muts zichtbaar. Hoe zullen wij de fraai gevormde wenkbrauwen, hoe het goddelijk schoone, blauwe, open oog beschrijven, waarin slechts goedheid te lezen stond, zonder ooit door drift te worden bezield? Het kon reeds door den onschuldigen blik, even rein als de onbewolkte azuren hemel, het hart van den knaap of man met onstuimig of driftig verlangen doen jagen; maar door Maria’s eenvoudige ongekunsteldheid in bedwang gehouden, durfde men slechts door zijn blikken de aandoening van zijn hart verraden. Hoe haar neus en kleinen mond te schetsen, en haar rozekleurige lippen, die, als zij zich in een lachende plooi samentrokken, twee rijen gelijke tanden ontblootten, welke het gepolijste elpenbeen in witheid overtroffen, en misschien alleen een ietsje kleiner hadden moeten zijn, om aan den strengsten eisch der schoonheid te voldoen? Hoe slechts een flauw denkbeeld te geven van haar van gezondheid bloeiende wangen, waarvan de rozen zich onmerkbaar in de kleur der leliën verloren?

Wij hebben getracht de dochter van den harnasmaker-hoefsmid te beschrijven; getracht, zeggen wij; want wie zal het wagen een jonge maagd waardig uit te beelden? Mocht men denken, dat wij haar te schoon hebben voorgesteld, men zal zich bedriegen; wie zal toch, wanneer hij een uitgestrekt bevallig landschap beschrijven wil, op enkele minder fraaie partijen letten, tenzij men met een geest van ontevredenheid en bedilzucht bezield zij? Zoo hebben wij ook gezegd, wat elkeen volmondig erkende, eenige door de natuur stiefmoederlijk bedeelde vrouwen alleen uitgezonderd; want Maria was het schoonste meisje van Amersfoort.

908SR15.gif (1832 bytes)

Toen de ruiter zich bij de deur bevond, had hij nauwelijks den tijd om op te merken, dat het jonge meisje in een houding welke neerslachtigheid verried, het voorovergebogen hoofd met den arm ondersteunde, terwijl haar moeder, die met naaiwerk bezig was, zonder op te zien, zei:

„Wees verstandig, Maria! en niet bedroefd; bedenk dat het tijd is om de tafel te dekken; uw vader zal ontevreden zijn, wanneer wij niet dadelijk gaan eten, als hij terugkomt of als gij weent bij de gedachte, dat die vreemde heer wellicht zal terugkomen.”

De droefheid van het meisje deed allen lust om haar te verrassen of te beluisteren bij hem vergaan, en hij stond gereed om binnen te treden, toen een kleine hond, die hem nu gewaar werd, van onder het tafeltje te voorschijn kwam schieten, en luid begon te blaffen, doch weer achteruit ging, zoodra de vreemdeling in het vertrek trad.

De vrouw van den smid richtte dadelijk haar hoofd op, evenals haar dochter, die nauwelijks onzen ruiter gezien had, of zij sprong op, snelde naar hem toe, en omarmde hem onder het uitroepen van: „Welkom, Jan, hoe gaat het? Ach, wat ben ik blij, dat gij komt!”

„Zeer wel, Maria, gelijk gij ziet; maar waarom die tranen? Zeg mij.... ” vroeg de ruiter, en kuste haar, terwijl hij haar omvat hield en zijn oog vol belangstelling en liefde op haar vestigde. Doch zij haastte zich niet te antwoorden, waarop hij ijlings vervolgde: „Ik groet u moeder, gij zijt te goed om het mij ten kwade te duiden, dat ik deze kleine deerne het eerst gekust heb; zij heeft er zoowel schuld aan als ik. Hoe vaart de meester?”

Zij was opgestaan; doch zijn onverhoedsche verschijning had haar verhinderd dadelijk te antwoorden; maar nadat hij haar op de beide wangen gekust had, zei zij: „Mijn man is wel, Heer Van Schaffelaar, gelijk, Goddank, wij allen.”

„Wilt gij mij dan niet tot zoon hebben, of vergeet gij, dat mijn naam Jan is?” zei hij lachend: „Maria heeft beter geheugen.”

„Ik heb u in zoolang niet gezien, Jan!” hernam Martha, „ik kan er mij nog niet aan gewennen, dat ik de eer nog zal beleven, den heer Van Schaffelaar als zoon te noemen.

„Zeg mij dan eens, moederlief,” vervolgde hij met belangstelling, „waarom Maria geweend heeft.” Hij hield moeder en dochter met zijn armen omvat, en zag beurtelings nu de eene dan de andere aan.

Het was een belangwekkend gezicht, deze twee schoone vrouwen in de armen te zien leunen van den grooten, welgemaakten man, terwijl de hond om hen heensprong.

„Heeft Maria wat misdaan, moeder? O, vergeef het haar, bid ik u. Heeft zij misschien te veel gespeeld met den kleinen Snip, die grooten lust had mij in de beenen te bijten, maar mij nu weer schijnt te herkennen; en heeft zij daardoor mogelijk verzuimd iets naar uw zin te doen? Och! zeg het mij toch, haar tranen en uw zwijgen maken mij ongerust.”

„Ik ben nu weer welgemoed; uw Maria is weer vroolijk, nu zij u gezien heeft,” zei deze lachend, en lei haar hoofd vertrouwelijk aan zijn borst.

„Of heeft misschien haar vader,” vervolgde hij, de moeder vragend aanziende.

„O neen, geen van beiden hebben wij haar beknord; het is slechts een zonderlinge inval, dien gij haar vergeven moet, het is een kinderachtigheid van het meisje, het is niets, ik verzeker het u,” antwoordde deze.

Maria wierp haar moeder een dankbaren blik toe: Van Schaffelaar boog zich voorover om het meisje nogmaals te kussen, maar zij wist behendig uit zijn armen te ontglippen en hem met haar vinger spottend dreigende, zei zij. „Indien gij mij belooft niets meer te vragen, maar anders niet.”

„Ik beloof het,” was het antwoord, en de overeenkomst werd met twee kussen bezegeld, hoewel Maria lachend opmerkte, dat er maar over één onderhandeld was.

Vrouw Martha noodigde Van Schaffelaar nu uit om te gaan zitten, zijn zwaard af te leggen en te zeggen, of hij ook begeerde iets te eten of te drinken.

„Daar uw knaap niet bij de hand is, bied ik u mijn hulp aan,” zei Maria lachend, „de dochter van een wapensmid moet desnoods een harnas kunnen ontgespen.”

,.De vrouw van een krijgsman ook,” merkte haar moeder op.

„Welnu, neem er dan eens de proef van, Maria!” zei Van Schaffelaar, die zijn handschoenen uittrok. „Ik geloof niet, dat een ridder ooit een schooner schild-knaap had; ik moet u tevens ook raadplegen, of ik een knaap, die mij zijn dienst aangeboden heeft, al dan niet zal aannemen.”

„Mij?” vroeg zij, terwijl zij zijn zwaard losmaakte en in een hoek van het vertrek zette. „Ja u, ten minste uw schoone oogen, want op deze heeft hij zich als zijn voorspraak beroepen,” antwoordde hij schertsend.

„Gij moet haar die dingen niet zeggen: zij zou denken, dat het waar was, zei Martha. Maria knoopte ondertusschen zijn lederen kolder los, die onder de armen was toegemaakt, zeggende: „Is hij braaf en trouw, Jan! zoo neem hem, indien het moet zijn! Als gij in den strijd moet gaan, dan wensch ik u zoo gaarne omringd te zien van trouwe knapen, ofschoon ik elken dag de Heilige Moeder Gods bid, dat het anders wezen moge.

„Ik weet niet of hij een dappere jongen dan of hij een snoever is,” hernam Van Schaffelaar lachend; „maar wel, dat hij eer op een soort dwerg uit de tijden van Lancelot van het Meer gelijkt dan op een schoonen page; evenwel, zoo gij denkt, niet bang voor hem te zijn, dan zal ik hem in mijn dienst nemen.” Bij deze woorden zette hij zijn Mechelschen hoed af en nam naast Maria plaats. Men zei hem nu, dat een vreemd heer bezig was met den meester in de werkplaats te spreken, en ried hem de komst van den smid af te wachten. Met bezorgdheid deed hij onderzoek, hoe Maria en hare ouders den langen tijd, dat hij hen niet gezien had, hadden doorgebracht; daarentegen bestormde men hem met vragen over de tijdsomstandigheden, en of hij dacht, dat Utrecht, dus ook Amersfoort, zich spoedig aan den Bisschop zou onderwerpen.

„Maar is het niet te veel van u gewaagd, om u in dezen tijd hier te vertoonen? Hoe hebt gij in de stad kunnen komen, Jan?” zei vrouw Martha.

„O neen, moeder!” hemam hij, „ik loop geen gevaar; en al ware dit ook het geval, indien de zaken zich niet schikken, zal het hoe langer hoe gevaarlijker worden hier te komen; daarom beter nu dan later, en ik wilde zulks toch zoo gaarne.”

„En hoe lang denkt gij te blijven, Jan?” vroeg Maria, die vertrouwelijk naast hem op een bank aan het tafeltje zat.

„Tot heden namiddag, en niet later dan vier uren, mijn liefste!” antwoordde hij. „Dan reeds vertrekken!” zei zij mistroostig en haar moeder riep: „Dat is waarlijk de moeite en het gevaar niet waard. Wij zijn verheugd u eens te zien; maar gij hadt immers iemand kunnen zenden om te vernemen, hoe het hier gesteld was, en te zeggen hoe gij het hadt.”

„Ik wenschte u gaarne eens allen te zien,” hernam Van Schaffelaar, die opstond, vrouw Martha naderde en haar iets in het oor fluisterde, waarna hij overluid vervolgde: „om die reden ben ik gekomen,” en hij ging weer zitten. De moeder wisselde een vertrouwelijken blik met den ruiter en zeide: „Nu verwondert het mij niet meer,” en zag lachend naar haar dochter, die nu gewaar werd, dat men over haar gesproken had. Het scheen ook, dat zij eenigszins gissen kon, wat Van Schaffelaar gezegd had; ten minste, toen hij haar met zijn rechterarm omvatte, en met de linkerhand haar kleine zachte hand opnam, en die aan zijn lippen drukte, bedekte zij haar gelaat met haar andere hand, en antwoordde niet, toen hij haar zacht toevoegde: „Ik ben voornemens een verzoek aan uw ouders te doen; en als ik hun toestemming mag verkrijgen, Maria, dan zal het alleen van u afhangen om mij zoo gelukkig te maken als de zielen der gelukzaligen hierboven!”

„Ik bid u, lieve Jan! haar niets meer te zeggen,” zei de moeder; „zij luistert te graag naar de zoetigheden, die gij haar toevoegt; zij moet den disch nog dekken, en daar hoor ik reeds, zoo ik het wel heb, haar vader aankomen.” Hierop zag zij naar Maria.

Men hoorde nu ook duidelijk de stem van den smid, die met iemand anders in gesprek was. Zij schenen van de plaats in de buitengang te treden, want men hoorde den kelderachtigen weerklank van hun voetstappen. Wouter deed den vreemde uitgeleide tot aan de straat. Op het oogenblik, dat zij voorbij het raam gingen, dat in de kamer uitzag, wierp de vertrekkende een blik in het vertrek, en bracht de hand aan den rand van den hoogen hoed. Vrouw Martha werd dit niet gewaar, daar zij juist met den rug naar het venster stond, maar Van Schaffelaar rees snel overeind, en terwijl de uitdrukking van zijn gelaat verwondering en wrevel verried, riep hij: „Perrol?” Ofschoon de vreemde heer zich slechts een moment voor het raam had opgehouden, en Van Schaffelaar niet had kunnen nagaan, of deze hem gezien of herkend had, had hij toch den spottenden, dartelen blik van diens gelaat zeer goed opgemerkt, waarom hij nu eens de moeder, dan weer haar dochter aanzag, welke laatste haar gelaat had afgewend, toen de begunstiger baars vaders langs het venster trad.

„Perrol!” riep Van Schaffelaar weer ontstemd. „Wat doet hij hier, wat heeft hij met meester Wouter te spreken, hoe komt hij in de stad? Is het hem, dat uw schoone oogen geweend hebben, Maria? Zeg! antwoord mij, en ik ga hem noodzaken aan uw voeten om vergiffenis te smeeken; zeg het uw vriend, die u beschermen moet; al moest ik sterven, zoo wil ik uw beleediging trachten te wreken,” eindigde hij driftig.

„En wat raakt mij die vreemde,” zei Maria, terwijl zij hem met haar armen vasthield, opdat hij het vertrek niet verlaten zou, „heb ik niet mijn vader om mij te beschermen en mijn goede moeder.”

„Maar gij zijt bedroefd, liefste! – Maria weent!” zei Van Schaffelaar, die zijn arm om het meisje sloeg; „zeg mij, is het om dien zwarten ellendeling?” „Het zijn de eerste tranen, die ik om u moet storten, Jan!” antwoordde Maria aangedaan.

„Om mij! Jezus Maria! om mij! riep hij verwonderd.

„En gelooft gij dan, dat uw drift mij niet beangst, dat ik niet beef bij de gedachte, u in twist te zien gewikkeld met dien man, dien ik veracht, maar toch vrees?” zei zij, met haar hand de tranen afvegende, die langs haar wangen liepen, en onder haar zijïge oogharen als paarlen blonken.

„Gij wilt uw leven op het spel zetten, Jan!” zei Martha lachend, „omdat Maria niet weet wat zij doet; ik dacht, dat gij aan haar vader en ook aan mij wat te vragen hadt.”

„Het is waar, moeder!” hernam hij bedaard, „maar antwoord mij op één vraag. en ik zal....”

„Antwoordt hem niet, moederlief!” viel Maria hem in de rede, „ik heb hem betaald, zelfs te veel betaald, op voorwaarde dat hij niet meer zou vragen, en zie, daar begint hij wederom.”

„Daar komt uw vader aan, haast u de tafel gereed te maken,” zei de moeder; „en u, lieve zoon, bid ik, vraag den meester niets; gij zult mij daardoor verplichten.”

„En mij ook,” riep Maria vroolijk, terwijl zij haastig naar een der kasten huppelde, om het tafelgoed voor den dag te halen. Men hoorde nu de deur van den winkel in de gang open- en dichtdoen en een vroolijke en zware stem zingen:

Tik, rik, gaat de moker, tik, rikker-de-tik,
Zoekt gij meester Wouter den Smid? die ben ik

De persoon, die zichzelf zoo aankondigde, trad weldra het vertrek binnen.

„Goeden dag, meester, hoe gaat het met de gezondheid en de zaken?” zei Van Schaffelaar, die op hem toetrad en hem de hand reikte.

„Is het mogelijk, heer Jan! Gij hier,” riep de smid verwonderd. „Wel kijk, wie had dat kunnen droomen? Wat hebben wij elkaar in lang niet gezien. Hebt gij al wat gedronken, of hebben de vrouwen, zooals naar gewoonte, het voornaamste vergeten? Wat heeft Maria wel gezegd?

„De heer Van Schaffelaar heeft bij verkiezing tot uw komst gewacht,” merkte Martha op.

„Welnu, moeder! haal dan spoedig eens een kan van den wijn dien ik in den nazomer uit Dordrecht gekregen heb,” zei de smid.

Martha verliet het vertrek, en Van Schaffelaar zette zich, op Wouters verzoek, tegenover hem aan het tafeltje.

De meester uit de Vergulde Helm was niet zoo lang als de ruiter, maar breed geschouderd en sterk van lichaamsbouw. Zijn vriendelijk gelaat was dikwerf niet in overeenstemming met zijn woorden; hij had in zijn jeugd de wapenen gedragen, en het overige van zijn leven in de werkplaats gesleten, zoodat zijn taal en gebaren een ruwheid hadden, welke dikwerf verkeerd werd opgenomen door hen, die hem niet kenden. Zijn gelaat en zijn handen waren groezelig van kleur door het werken aan het vuur. Hij was blootshoofds, en droeg een wambuis en hozen, die hem voor broek en kousen dienden, van rood en grijs gestreept laken, zonder eenig versiersel dan een paar groote, koperen knoopen. Hij had lompe schoenen aan, die een geheel andere gedaante hadden dan de lange tootschoenen van zijn dochter, de laarzen van Van Schaffelaar, of de muilen of stillegangers van vrouw Martha.

„Het doet mij genoegen u in mijn huis te zien,” zei Wouter; „maar zie, het is evenwel te veel gewaagd en dat op klaarlichten dag.”

„O neen!” antwoordde Van Schaffelaar, die gestadig naar het meisje zag, dat met bevalligen zwier den disch bereidde, „gij weet, dat ik zeer goed bekend ben met Montfoort, ofschoon hij thans in vijandschap met mijn heer is; ik heb van hem een vrijgeleide, en mag heden tot vier uren na den middag hier In de stad blijven.”

„Dat is wat anders, en dan kunnen wij u gerust welkom heeten. Komaan, moeder, nu spoedig hier den wijn,” vervolgde de smid tot Martha, die met een Keulsche wijnkan in de hand in de kamer trad. „Maria, waar zijn de bekers?” Maria, die het zindelijke tafelkleed over de tafel gelegd had, plaatste er vier zilveren borden en één tinnen op, en haastte zich nu om twee zilveren bekers voor haar vader te plaatsen.

„Ik heet u welkom met dezen Rijnwijn,” zei Wouter.

„Ik dank u allen,” antwoordde Van Schaffelaar, den groet van vrouw Martha en haar dochter beantwoordend.

„Is hij echt, heer Van Schaffelaar?” vroeg Wouter, toen zij de bekers gdedigd hadden, terwijl hij met genoegen zijn lippen aflikte.

„Hij zou niet beter kunnen zijn, meester!” hernam Van Schaffelaar; „hij is van goed gewas, en van die soort, welke een ruiter zoo gaarne drinkt, maar zoo zelden krijgen kan.”

„Maar waar blijft Griet nu met het eten?” riep de smid; „moet onze reiziger van de graat vallen? Bedenk, dat hij dezen avond nog terug, en krachten hebben moet, om desnoods aan eenige stroopers het hoofd te bieden.”

Martha was juist gereed om hem te zeggen, dat spoedig aan zijn verzoek voldaan kon worden, toen Griet met een grooten schotel gekookt vleesch binnen-trad. Hij schonk nu nog eens in, en nadat de bekers waren uitgedronken, plaatste hij de kan op de gedekte tafel.

„Zijt gij niet tevreden, Maria?” vroeg haar vader vroolijk, „dat uw vrijer in de stad is? Jammer maar, dat hij spoedig weer weg moet, maar ik geloof waarachtig, dat uw oogen nog rood zien van het weenen; foei, dat staat leelijk voor een verliefde deern!”

„Kom, Wouterlief! plaag het kind niet, en berg liever dat wapen weg, eer er iets aan bederft,” zei zijn vrouw. Zij bedoelde een spiegelgladde, stalen strijd-bijl met ebbenhouten steel, die op de kist gelegen had, en nu door Van Schaffelaar was opgenomen om des smids gedachten van Maria af te trekken.

„Bekijk haar nog eens, heer Jan,” zei Wouter met zelfvoldoening, „zulk een proefstuk, ik durf het zeggen, wordt niet door elken wapensmid geleverd.”

Het scherp, zoowel als de stalen punten, die zich achter en bovenaan bevonden, waren met fraaie figuren van echt goud gedamasceerd, wat met recht voor een groote kunst gehouden werd; de steel was met zilver en ivoor ingelegd, en aan het einde van het handvat was een zilveren ring, waardoor een riem of een keten kon worden gestoken. Van Schaffelaar uitte opnieuw zijn tevredenheid en Wouter, zijn schoenen uitgedaan hebbende, ging op de kist staan en hing het pronlcwapen. nadat hij het had afgeveegd had, weer aan den muur.

„Ik geloof niet, dat gij er veel fraaier zien zult,” zei Wouter; „zulk een wapen zou niet misstaan aan het hof, en toch zou het in een gevecht goeden dienst doen; het moet een goede helm of een sterk schild zijn, dat een tweeden slag noodig heeft, alvorens te splijten. De heer, die dezen morgen hier was en zooeven vertrokken is, was er bij uitstek over voldaan; gij moet hem kennen, hij is een beste heer, ik verzeker het; ik moet hem vóór Witten Donderdag vijftig helmen, even zooveel zwaarden en honderd speerpunten leveren; en indien dit naar genoegen uitvalt, geloof ik, dat het er niet bij zal blijven. Maar gij kent hem zeker, het is Messire Perrol.”

„Ja, ik ken hem, hij is aanvoerder der Zwarte Bende en in dienst van mijn heer,” antwoordde Van Schaffelaar over de lofspraak van den smid niet voldaan; wat deze niet bemerkte. Hij vervolgde lachend: „Laat ons dan aan-zitten; maar onderwijl moet ik u nog zeggen, heer Van Schaffelaar! dat hij een goed oog heeft op uw meisje.”

„Hij Perrol met de Roode Hand? Bij de zaligheid mijns vaders! ik hoop dat het anders wezen mag,” riep Van Schaffelaar driftig.

„Nu, het heeft immers niets te beduiden,” zei Wouter; „wie ziet niet gaarne een knappe meid; ik zie al, Maria heeft niet gaarne, dat ik het vertel, maar waarom niet?”

„Wouter! Wouter! ik bid u, laat ons toch gaan eten,” riep Martha verlegen, „ziet gij niet, dat gij het kind bedroefd maakt?”

„Ha, ha! bedroefd” hernam de smid, luid lachend; waarom zou een jonge deern zich al niet bedroeven, en dat om een enkelen kus.”

„Kus......! Heeft Perrol met de Roode hand haar gekust?” riep Van Schaffelaar, terwijl zijn gelaat doodsbleek werd.

„O, mijn vader! wat hebt gij gezegd?” snikte Maria. Zij verborg haar gelaat aan de borst van haar moeder, die haar in haar armen sloot en zei: „Daar hebt gij het nu, Wouter! dat niet weet, dat niet deert; waarom vertelt gij dingen, die liever verzwegen moesten worden? Ween niet, Maria! Jan weet wel, dat het uw schuld niet is, maar die van uw vader, waarom brengt hij zulke vreemde soldeniers hier?”

„Gelooft gij, dat Perrol nog in de stad is”’ vroeg Van Schaffelaar woest, terwijl hij zijn hoed opzette en zijn zwaard greep.

„Wat wilt gij, Jan? vroeg de smid verbaasd.

„Hem opzoeken!” riep deze, met den voet stampende, en knarsetandende „hem in het aangezicht slaan, en hem de lippen afsnijden, waarmede hij mijn Maria bezoedeld heeft.”

„Hij is reeds vertrokken heer Van Schaffelaar!” riep de smid bedaard; „maar waarom maakt gij u zoo driftig? Maria heeft geen schuld; en gelooft gij, dat ik, als vader, geen zorg zou dragen voor haar eer en voor de uwe? Deze armen hebben nog geen hulp noodig om in mijn huis elken onbeschaamde terecht te zetten; maar ik ben ook jong geweest; in mijn tijd rekende men het een krijgsman niet ten kwade, als hij een ongetrouwde vrouw een kus ontstal, en een vriend of vrijer zag daarin niets laakbaars. Maria zat aan de tafel, met het hoofd voorovergebogen, toen Perrol haar op haar hals heeft gekust; ziedaar al.”

„Al is hij weg, ik zal hem wel weervinden,” zei Van Schaffelaar, zijn hoed en zijn zwaard op den grond werpende; „indien hij een braaf ruiter ware, dan zou ik er niets van zeggen; maar Perrol!...

„Laten wij dan gaan zitten, Jan!” zei de smid; „komaan, Maria! zet u naast Van Schaffelaar, en droog uw tranen af. Hier, Martha? en kijk maar zoo knorrig niet. Ik houd er niet van iets te verbergen; nu is immers alles afgepraat; of wilt gij, dat ik vertellen zal van dien Franschen ridder, die u omhelsde, toen wij bruid en bruidegom waren?”

„Wouter! ik bid u, houd op met die leugens,” zei zij en ging naast hem zitten, „wat moeten de heer van Schaffelaar en Maria wel denken?”

„Dat gij een hupsche knappe deern geweest zijt,” antwoordde hij lachende, „die het den Franschman niet kwalijk naamt, en nu een lieve, brave vrouw, die ik nog hartelijk liefheb.” Dit zeggende, trok hij haar naar zich toe, en kuste haar.

„Ik stel den heer Van Schaffelaar voor, evenzoo te handelen als ik; wij hebben den vrede al gesloten,” zei hij vroolijk, terwijl hij begon te zingen.

„Een ruiter kust gaarne schoone vrouwen,
Een ruiter drinkt gaarne goeden Wijn:
Maar een ruiter houdt niet veel van trouwen,
Een ruiter wil immer vroolijk zijn.”

Terwijl de meester dit gedeelte van een lied voordroeg, dat hij in zijne jeugd geleerd had, was de oude Griet ook in het vertrek gekomen, en had aan het einde der tafel plaats genomen; de dienstboden waren toen nog overal gewoon mede aan den tafel van hun meesters te zitten, al hadden zij gasten van hoogen rang. Het scheen, dat Van Schaffelaar ook van dezen tusschentijd gebruik had gemaakt om Maria te troosten en haar te doen gevoelen, dat hij haar het gebeurde niet kwalijk nam; ook was zijn gelaat weder opgeruimd, zooals gewoonlijk, en hij liet haar hand los, die hij zacht in de Zijne gevat hield, toen haar vader zich gereed maakte om te bidden.

Nadat het korte gebed door den meester van het huis was uitgesproken, schonk hij zijn beker en dien van zijn gast vol, en heette hem nogmaals welkom, zich beklagend, dat de onverwachte komst van heer Jan het zijn vrouw onmogelijk had gemaakt om de tafel behoorlijk te verzorgen.

De vrouwen dronken uit tinnen bekers bier, dat in de stad gebrouwen was, ook de smid was anders gewoon dit te drinken; maar om zijn gast eer aan te doen, was de wijn nu uit den kelder gehaald.

Het middagmaal bestond uit voorgerecht van rauwe appelen, die eerst werden gegeten, doch waarvan Wouter geen liefhebber was, omdat, zooals hij zei, de maag er te veel door verkoeld werd; voorts uit een gekookten, gerookten schapenbout, daar het gelukkig geen vastendag was, en gezouten haring, welk’ echter door niemand dan door Griet werd gegeten, uit gedroogde erwten, wortelen en grof brood. De spijzen waren met boter klaargemaakt; en een tinnen bakje, dat in onderscheiden afdeelingen verdeeld was, bevatte mosterd, zout, peper en eenige andere specerijen.

Onder den noen of middagmaaltijd onderhield zich Wouter met Van Schaffelaar over de tijdsomstandigheden; de laatste verhaalde, hoe de burggraaf van Montfoort de leden van den Raad, die voor het afdanken der gehuurde krijgsknechten gestemd hadden, genoodzaakt had de stad Utrecht te verlaten; en hoe hij sedert door de ruiters of stalbroeders (zoo heette deze soort van soldeniers) gerugsteund, zijn gezag hoe langer hoe meer had uitgebreid. De smid was van oordeel, dat Maximiliaan niet wel gedaan had met de heerlijkheid van Purmerend verbeurd te verklaren, die aan Montfoort behoorde, en de goederen aan te houden, die aan Utrechtsche ingezetenen behoorden, ja zelfs sommigen hunner gevangen te houden. „Ik voor mij”, zeide hij, „ik geloof dat het den Hertog in de oogen steekt, dat zoovelen van de Hoeksche partij in Utrecht een schuilplaats gevonden hebben; en indien ik u de waarheid zal zeggen, Van Schaffelaar! dan geloof ik, dat het herstel van den Bisschop in zijn rechten maar een gezocht voorwendsel is; de geheele zaak berust op het eigenbelang van den Oostenrijker, die zich inderdaad weinig om den eerwaarden Vader, heer David, bekommert.”

„Het kan zijn,” hernam Van Schaffelaar, „de menschen doen zoo weinig zonder hun voordeel op het oog te hebben, vooral de groote heeren; maar meester! mijnheer de Bisschop zal toch, hetzij Utrecht zich aan den Hertog goedschiks onderwerpt, of met geweld ten onder gebracht wordt, weer in zijn rang hersteld worden, welke hem van God en de menschen toekomt, ofschoon het arme Sticht deze vreemde tusschenkomst droevig zal moeten bezuren.” „Maar Utrecht is een groote, machtige stad,” zei Wouter; „de muren en poorten zijn goed versterkt en aan bezetting zal het niet ontbreken; zelfs Amersfoort is voor geen klein gerucht vervaard, en Montfoort is een sterk stadje, dat nog zoo gemakkelijk niet te nemen is; de burggraaf is een dapper man, en indien de zaken goed bestuurd worden, dan zullen er nog wat slagen vallen, voordat de Bisschop in Utrecht wordt ingehaald.”

„Zou de oorlog dan onvermijdelijk zijn, vader?” vroeg Maria beangst.

„Ik vrees er voor, kindlief en ik hoop, dat de Heilige Moeder Gods alles ten beste zal schikken: ofschoon deze tijd, bij St. Eloy! een goede tijd is voor een wapensmid,” eindigde Wouter, vergenoegd zijn handen wrijvend.

„Het is een ongelukkig beroep, dat alleen voordeelig gaat, als het land met oorlog en plundering geplaagd wordt,” zei Martha.

„En een krijgsman dan, moeder!” vroeg haar dochter, „hoeveel gevaren staat die niet uit?”

„Een ruiter deelt slagen uit,” zei Van Schaffelaar opgeruimd, „evenals een smid: het eenige onderscheid is maar, dat hij er ook tusschenbeide ontvangt: dit maakt de meerdere onaangenaamheid van het krijgsmansleven uit. „Ha, ha,” lachte Wouter, „maar sta mij toe te zeggen, heer Jan, dat men een soldenier het best kan vergelijken bij een wandelend aambeeld, waarop ieder zoo hard mogelijk tracht te hameren om de wapenrustingen te breken, die wij met zooveel zorg en vlijt hebben gesmeed.”

Vervolgens liep het gesprek over de huiselijke aangelegenheden van den smid en zijn gast. Maria en vrouw Martha wilden gaarne van alles hooren; Maria vroeg zelfs naar zijn paard, en toen zij hoorde, dat het was meegekomen beklaagde zij zich, dat hij niet tot voor het huis doorgereden was. „Het zal Moor spijten, als hij verneemt, dat gij zoo verlangend geweest zijt hem te zien liefste! Indien gij echter iets aan hem te belasten hebt, zal ik getrouw de boodschap overbrengen,” zei Van Schaffelaar vroolijk.

„Gij zult alles getrouw overbrengen?” vroeg zij schalks lachende.

„Alles, Maria!”

„Kan ik daarvan verzekerd wezen, Jan?”

„Op mijn woord, indien het mogelijk is.”

„Welnu, breng dit dan getrouw aan Moor over,” zei zij lachende, terwijl zij opstond en hem kuste.

„Dochter! dochter! past het nu aan een meisje om zich zoo te gedragen?” zei Martha, met den vinger dreigende.

„Bravo, Maria!” riep haar vader lachend, „de mannen brengen gaarne zulke boodschappen over; laat het kind toch eens vroolijk zijn, vrouwlief, de vreugde zal kort genoeg duren.”

„Wat ik moet overbrengen heeft zooveel waarde, dat ik zonder belooning er niet toe kan besluiten,” zei Van Schaffelaar lachende, en hij hield haar met zijn arm omvat.

„Een vriend voor zulk een kleinen dienst een belooning aan te bieden zou onbeleefd zijn,” zei Maria, haar gelaat afwendend.

„Welnu, betaal u zelf dan maar, Van Schaffelaar!” zei de smid vroolijk: „de vrouwen houden zich altijd, alsof zij er mede...” Hier verhinderde zijne vrouw hem verder te spreken daar zij haar hand voor zijn mond hield.

„Het is uw vader, die zulks goedvindt, liefste Maria!” zei Van Schaffelaar zichzelf betalend.

„Genoeg! te veel!” riep Maria; „foei Jan! ik had niet gedacht, dat gij zoo inhalig zoudt wezen. Ik zal voortaan mijn eigen boodschappen doen,” zei zij zacht, en schoof een beetje ter zijde. Zij wendde alle pogingen aan om een ontevreden gelaat te zetten; doch het gelukte haar niet, haar bevallig wezen in een onvriendelijke plooi samen te trekken. Haar moeder waarschuwde haar berispend, dat de strooken van haar hulsel gebogen waren en terwijl zij dit met rappe vingers van haar blanke hand herstelde en terzijde naar Van Schaffelaar en ook naar haar vader zag, zei deze laatste opeens: „Maar hoe heeft Frank het toch, heer Jan? Heeft niemand daarnaar gevraagd? Maria, hebt gij nu dien armen jongen zoo geheel vergeten, en aan Moor denkt gij wel?”

„Ik heb nog niet naar hem gevraagd, vader?” zei Maria blozend, „ik vertrouw dat hij wèl zal zijn.”

„Wèl is hij,” zeide Van Schaffelaar „ten minste het gaat nogal, ofschoon het beter kon.”

„En waarom hebt gij hem dan niet meegebracht?” vroeg vrouw Martha, „het ware toch beter geweest dan zoo alleen te komen.”

„Het is zoo; maar dat zou niet gemakkelijk gegaan zijn; ook geloof ik, dat hij wel wat anders in het hoofd had dan met mij mee te gaan.

„Ha, hal ik begrijp het al,” riep Wouter, „dan is hij verliefd, niet waar?”

„Frank verliefd?” vroeg Maria verwonderd.

„Ja, en waarom niet, Maria? De meester heeft het geraden,” zei Van Schaffelaar vroolijk. „Frank is immers een knappe jongen.”

„En die, bij St. Eloy! wel naar een meid kan omzien,” zei Wouter, „gij zit immers naast uw vrijer, Maria; gun dan den armen jongen ten minste ook een klein genoegen; hij moet zich wel getroosten, daar zijne Amersfoortsche vrienden niet eens aan hem denken.”

Maria zweeg verlegen; maar haar moeder nam het woord en zei: „Onze dochter heeft wel gelijk! Hij had nog wel wat kunnen wachten tot hij wat om- en aanhad; dat had nog geen haast. Gij had wel wat beters kunnen zeggen dan aan de klok te hangen, dat wij ons meer met heer Jan dan met een knaap bemoeid hebben, die ons eigenlijk niet aangaat.”

„Ho, ho! moeder! wat rijdt gij weer op den bezem!” riep Wouter lachende; zoodra de vrouwen van vrijen en trouwen hooren, dan zijn ze in haar element. Zeg het nu maar ronduit, moeder! Ha, ha! zijt gij jaloersch op den armen jongen of op zijn meid? En wat zegt Griet er wel van?” vroeg hij luid, en wendde zich naar deze, die tot nu toe alleen maar nu en dan aan het gesprek had deelgenomen,

„Dat men eerst weten moet, wie de jonkman in het oog heeft, voordat men kan oordeelen, meester,” antwoordde zij.

„De oude Griet heeft meer verstand om over een vrijpartij te spreken, dan gij, Wouter,” zei zijn vrouw.

„Ik wilde u juist hetzelfde zeggen, lieve Martha,” hernam de smid; „maar wees zoo goed om te vragen, hetgeen gij weten wilt; ik zal zwijgen.” Dit zeggend wierp hij een blik vol beteekenis op Van Schaffelaar, zag zijn vrouw van ter zijde aan, haalde zijn schouders op, schonk de bekers vol, nam den zijnen in de hand, en eindigde lachende: „Op uw gezondheid, heer Van Schaffelaar” „Als gij wat eer gezwegen hadt, dan was alles nu al afgepraat,” hernam zijn vrouw, die Griet eens aanzag, en met het hoofd schudde „Wees zoo goed, heer Jan, en zeg mij, zoo gij het weet, hoe zijn meisje heet en wat haar ouders doen.”

Van Schaffelaar had den kleinen twist tusschen den man en de vrouw onopgemerkt laten voorbijgaan, en stak Maria zijn hand toe, in het vertrouwen, dat zij hem de hare zou reiken; eindelijk had hij haar ook, door den smeekenden blik van zijn donker oog, overgehaald aan zijn verlangen te voldoen. En nog niet tevreden wilde hij, dat zij weer vlak naast hem zou komen zitten. Zij deed vruchtelooze pogingen om haar kleine hand, die hij zorgvuldig vasthield, weer vrij te krijgen, maar zij scheen zich eindelijk te onderwerpen, daar zij hem gewillig haar hand overliet en naast hem ging zitten; doch op het oogenblik dat haar vader hem den dronk toebracht, dien hij moest beantwoorden en haar moeder hem aansprak, rukte zij plotseling haar hand los en schoof terzijde. „Maria! bedenk, hoe spoedig ik weer vertrekken moet,” zei hij zacht, doch met gevoel, waarna hij vervolgde: „Om u de waarheid te zeggen, lieve vrouw Martha! zoo weet ik er zelf niet veel van, daar Frank er mij niets van gezegd heeft, ofschoon ik hem er meermalen naar gevraagd heb; ja, hij zegt dat hij niet verliefd is, en dat al hetgeen men mij gezegd heeft, maar uitstrooisels zijn. Ik heb dan gehoord, dat zekere jonkvrouw uit Utrecht, die hij haar oom, heer Loef van Oosterweerd woont, hem ondubbelzinnige blijken van haar liefde heeft gegeven, en dat heer Loef hem zeer vriendelijk ontvangen heeft.”

„Is zij rijk?” vroeg Martha. „O, zeg het mij, of zij jong en schoon is, Jan!” zei Maria, die weer wat naar hem was toegeschikt.

„Ik geloof, dat zij dat alles is,” antwoordde hij, „tenminste weet ik, dat haar oom zeer rijk is, maar tevens zeer gierig; ook heb ik gehoord en dit zou mij doen denken, dat Frank waarlijk niet op haar verliefd is, dat zij op den duur niet goed bij het verstand is, en het er nu en dan zoo wat doorloopt.”

„Een mooie gekke vrouw met geld is zoo kwaad niet, als zij maar niet nijdig is,” zei Wouter.

„Ik hoop toch, dat Frank haar niet zal nemen; een jongen die zijn ouders niet kent, is ook geen goed man voor zulk een vrouw van aanzien,” zei Martha.

„En waarom niet?” zei Wouter; „het kan wel zijn, dat, zooals Van Schaffelaar zegt, onze arme Frank niet van de jonkvrouw houdt, en toch zin heeft in haar bezittingen; voor een armen ruiter is het geen zaak van klein gewicht, om in eens zoo maar een rijk man te worden; dat brengt den jongen van stuk.”

„Ik geloof niet, vader, dat Frank een vrouw zal nemen uit eigenbelang,” zei Maria; „gaarne zou ik haar eens zien, die hem bemint. Zij is schoon, niet waar Jan? en niet trotsch; ik houd reeds veel van haar, omdat zij Frank liefheeft en wil wedden, dat men haar zinneloos noemt, omdat zij een armen verlaten ruiter bemint: en ik, ik vind, dat het een bewijs is van haar oprechtheid en van de goedheid van haar hart.”

„Spreek altijd zoo, Maria!” riep Van Schaffelaar aangedaan, en sloot haar in zijn armen, „en nooit zal het mij vervelen naar u te luisteren; indien ik u niet reeds met geheel mijn hart beminde, dan zou ik u in dit oogenblik voor eeuwig mijn liefde schenken.”

„En vreest gij niet, heer Jan Van Schaffelaar;” zei zij vriendelijk lachend, terwijl zij zijn haar met haar fijne vingers gladstreek, „dat men u voor zinneloos zal houden, omdat gij de vrijer zijt van Maria, Wouter’s dochter? Bekend eens, gij, een edelman en ik, een burgermeisje, gij, zoo dapper, zoo gezien bij den eerwaarden heer Bisschop en alle krijgslieden, en ik ……”

„En gij, zoo bevallig, ofschoon wat dartel,” viel Van Schaffelaar haar in de rede, en drukte haar hand aan zijn lippen; „hoe men mij noemt om onze liefde, scheelt mij weinig; alleen als ik uw hart verloor, zou ik zinneloos worden, Maria! doch Voor korten tijd slechts; weldra zou ik sterven van verdriet ……”

„Dat nooit,” zei zij zacht, en een traan ontrolde haar bekoorlijk oog; „indien mijn hart u ontrouw werd, zou het aan mij staan om van berouw en smart te sterven; maar neen, Jan, bij de Heilige Moeder Gods, ik gevoel, dat ik u altijd zal liefhebben.”

„Om mij voortdurend gelukkig te maken,” zei Van Schaffelaar, haar op het voorhoofd kussende.

„Amen!” zei de smid: „met uw goedvinden zullen wij God danken voor hetgeen wij genoten hebben.” Hierna sprak hij het dankgebed uit, en de oude Griet verliet nu de tafel, bracht de overgebleven spijzen weg, en zette eenige andere gerechten op de tafel, hoofdzakelijk fijn brood, dat hard gebakken was, boter en een paar soorten kaas, verschillende soorten van koekjes, amandelen, okkernoten, enz.

Griet verliet nu het vertrek, daar zij niet mee at van het nagerecht. Vrouw Martha had op last van haar man een nieuwe kan wijn gehaald, Maria voor haar en haar moeder ook zilveren bekers gekregen, en de smid deed de deur dicht, toen zijn vrouw zat.

„Ziezoo!” zei hij, „nu zijn we eens geheel onder ons, uitgezonderd de kleine Snip, die zich onder de vrienden geplaatst heeft.” Het hondje had zich namelijk op de bank tusschen Van Schaffelaar en zijn geliefde geplaatst, en niet voldaan met het koekje, dat de laatste hem reeds gegeven had, zag hij hem, dan haar met bedelende blikken aan, ja verstoutte zich nu en dan zelfs hun aandacht tot zich te trekken door een zacht gekef of een krabben met zijn poot. „Wat zit die hond daar aardig, Martha!” vervolgde hij; „hebt gij niet eens verteld, Maria, dat de hond het zinnebeeld der trouw is?”

„Ja, vader, ten minste zoo is mij meer dan eens gezegd,” antwoordde zij en streelde den kleinen Snip.

„Welnu, kinderen,” vervolgde hij ernstig, „ik hoop, dat dit onnoozele dier een voorteeken zal zijn van de trouw, die tusschen u beiden zal plaats vinden; een trouwe vrouw is zoo noodig voor den krijgsman, als hij op last van zijn leenheer of aangenomen gebieder in het veld trekt en een soldaat heeft driemaal zooveel trouw noodig als een burger, om zijn vrouw en de huwelijkstrouw niet te vergeten, als het in den oorlog lustig toegaat; ik weet er zoowat van, ofschoon ik nog vrij man was, toen ik de wapens droeg.”

„Ook zou ik u nooit genomen hebben, als gij niet van het soldatenleven hadt afgezien, Wouter,” zei Martha.

„Ik voor mij,” antwoordde hij lachend, „ik wil niet zeggen, dat ik u niet zou hebben durven trouwen, zoolang ik nog soldaat was.”

„Kom, kom, Wouter! staak nu eens vooral die malle praatjes; de tijd gaat zoo spoedig om, dat wij dien niet behoeven te verslijten met elkander te hekelen; heer Jan heeft mij gezegd, dat hij iets wenschte te vragen, waartoe het mij nu voorkomt, dat dit oogenblik zeer geschikt zou zijn.” Dit zeggende wierp Martha een vriendelijken en aanmoedigenden blik op Van Schaffelaar.

„Welnu het zal mij genoegen doen te vernemen, wat onze gast te zeggen heeft of verlangt; ik heb zijn gedachten reeds vooruit geraden; een soldaat weet wat een edelman verlangt, als hij ten oorlog gaat. Heb ik wel geraden, Van Schaffelaar? Nu, zeg op, gij schijnt te aarzelen; ik weet het toch al, en heb er voor gezorgd; een opperdeugdzaam harnas heb ik voor u klaargemaakt.” „Och, Wouter!” riep Martha knorrig, „gij droomt van harnassen; heer Jan denkt daar niet aan.”

„Hoor vrouwlief,” antwoordde hij, „bemoei u met uw huishouding maar niet met dingen, waarvan gij niets weet; ik weet beter dan gij de gedachten van een krijgsman te raden; wat zegt gij ervan, Van Schaffelaar, heb ik het geraden of niet?”

„Ja en neen, meester,” antwoordde deze; zeker verlangt een ruiter met goede wapenen te dienen; en ofschoon ik reeds vroeger deugdzaam bewerkte wapens van u heb gekregen, kan een nieuw stel mij nimmer te onpas komen, vooral als zij door u of in uw werkplaats vervaardigd zijn; een goed soldaat haakt steeds naar een goede rusting. Aan die zijde hebt gij dus aan mijn verlangen voldaan, reeds voordat het tot rijpheid gekomen was; ik dank u van harte.” Dit zeggend, reikte hij hem de hand, waarna hij vervolgde: „Aan de andere zijde moet ik erkennen, dat uw vrouw gelijk heeft, dat ik u over een ander onderwerp wenschte te spreken, namelijk over iets, dat mij dierbaarder is dan mij zelven, en u meer dan al uw wapenen en bezittingen; ik wenschte u te spreken over Maria.”

„Zeer gaarne zullen ik en mijn vrouw aanhooren wat gij te zeggen hebt, zei de smid; „want van die zaken weet Martha ook mede te praten, en Maria zal gaarne luisteren. Nu, nu, kind, bloos maar niet.”

„Meester!” zei Van Schaffelaar, „reeds een jaar is er verloopen, sedert het mij werd toegestaan Maria te vrijen; voor mij, die haar reeds sedert lang beminde, is deze tijd omgevlogen; ik heb haar thans zoo lief, als ik voorheen niet wist, dat ik zou kunnen liefhebben; haar gedrag, haar opvoeding, haar inborst heb ik keren kennen, ofschoon ik haar deugden niet naar behooren weet te schatten.”

„O, Jan, zeg niets meer,” zei Maria verlegen. „Ik bid u, zeg niets meer.”

„En waarom zou ik aan uw waardige ouders niet zeggen, Maria, hoe hoog ik u acht; doch ik wil wel gehoorzamen en vervolgen. Beste vrienden! wat mij zelven betreft, Maria zal het best weten hoe na ik haar aan het hart lig, en ik mag aan u, haar ouders, indien gij u zelven er niet reeds van bewust waart, wel zeggen, zonder onbescheiden te zijn, dat ik mij durf vleien, dat mijn liefde haar niet ongevallig is; zij heeft mij immers reeds zoovele blijken gegeven van teedere verknochtheid Dit alles, waarde meester, gevoegd hij den tegenwoordigen toestand van het land, doet er mij naar haken, om door een naderen, meer vasten en onverbreekbaren band aan haar verbonden te worden; ik ben gekomen ten einde u om haar hand te verzoeken, en haar voor God en de menschen tot mijn echte vrouw te nemen.”

Toen hij begon te spreken, kon men hooren dat hij sterk aangedaan was; maar langzamerhand werd zijn stem vaster en bedaarder. Deze woorden, die met zooveel gevoel werden uitgesproken dat Maria en haar moeder tranen stortten van aandoening, en zelfs de oogen van den ruwen werkman vochtig werden, verrieden, dat Van Schaffelaar de waarde kende van zijn verzoek. Kan er ook iets van meer belang voor den braven edelman zijn dan de keuze van een deugdzame huisvrouw de moeder zijner kinderen van haar aan wie hij zijn eer en die van zijn geslacht wil toevertrouwen?

„Heer Van Schaffelaar!” zei de smid, na eenige oogenblikken gezwegen te hebben „ik had dit verzoek moeten verwachten, maar zie, ik dacht er niet aan. Ik zal niet zeggen hoe het ons vereert, u om de hand van onze dochter aanzoek te zien doen; de geheele stad moge er verwonderd over zijn, ik niet; ik ken u; en weet dat Maria, ofschoon niet van adel, uwer waardig is: ik dank u dus in haar naam. Maar,” vervolgde hij aarzelend, „zou het wel een geschikte tijd zijn om bruiloft te houden? Indien gij haar met u medevoert, zal zij dan hier, dan daar haar verblijf moeten houden; haar moeder en ik zelf zouden dat niet gaarne zien. Uw jonge vrouw hier achter te laten, komt mij ook niet aannemelijk voor; een vrouw moet immers lief en leed deelen met haar man; ik weet inderdaad niet, wat te doen. Wat zegt gij er van, Martha?”

„Ik bedank heer Jan voor zijn aanzoek, en uit naam van Maria,” zei zij, „maar om haar nu te missen, en het meisje, dat ik zoo lang met zorg heb opgevoed. zoo maar op haar jaren de wereld te laten ingaan, en wel in dezen akeligen tijd. ach neen, daartoe kan ik niet besluiten.”

„Bedenk, meester, bedenk lieve moeder;’ hernam Van Schaffelaar met vuur, „dat juist die redenen mij overhalen om op mijn aanzoek te blijven staan. Maria is nog jong, het is zoo, maar ik ben zoo jeugdig niet; een jongeling is veeltijds zonder reden ongeduldig in huwelijkszaken; op mijn jaren ben ik het op vaster gronden. Zal Maria niet veiliger wezen als mijn vrouw, dan zonder deze aanspraak op elks ontzag? Is er iets heiliger, na een moeder, dan een getrouwde vrouw? Ik geloof het niet. En dan nog wijl ik zie, dat het woord er uit moet, juist in dezen tijd, juist omdat weldra de oorlog met woede kan beginnen, zou liet mij zoo onbegrensd gelukkig maken, Maria de mijne te kunnen noemen, voordat, o ja, mijn vrienden voordat misschien de dood mij verhindert haar echtgenoot te worden.”

„O, Jan, Jan, gij sterven?” riep Maria en snikte, „welk een akelige gedachte, neen, als gij mij trouwt, moet gij mij nooit verlaten, zweer mij dit. O God! gij sterven, en ik dan!”

„Maria, beste Maria!” antwoordde hij aangedaan en sloot haar kussende in zijn armen, „ik bid u, ween niet, ik wil niet sterven, maar met en voor u leven. Wij, ruiters, spreken zonder omwegen over den dood; ik had dat niet moeten zeggen.” Hij wischtte haar de tranen uit de oogen, en haar vol liefde aanziende, vervolgde hij: „Komaan, lief kind, zie mij eens aan, ben ik niet groot en sterk? Draag ik niet de rusting van uw vader, van den meester uit de Vergulde Helm? Is Moor niet een goed paard? Zijn mijn rijzige ruiters niet dapper, en is mijn heer St. Maarten niet een goed patroon? Wie zou den arm doen buigen, die uw ring droeg? Wie het hart treffen, dat door u reeds geheel is ingenomen? Wie zal mij overwinnen, indien mijn kleine, lieve Maria, thuis, met verlangen naar haar echtvriend uitziet?’ eindigde hij zacht, terwijl hij vroolijk lachend haar nogmaals kuste.

„Waarom daarover ook gesproken?’ zei Martha, cdie zelf tranen gestort had. „De oorlog is zoo vreeselijk niet, ik weet er zoo wat van,” zei de smid; „indien men het wint, verliest men zelden veel volk, en indien men een slag verliest, loopt men zoo hard, dat men niet achterhaald kan worden; het komt gewoonlijk op den kop neer van die arme snaken, welke handgemeen worden, voordat het ruchtbaar wordt of hun Partij voor- of achteruit moet. Kom meid, buil daarom maar niet, alles zal beter afloopen dan gij denkt; een vrijster van een edelman moet om zoo weinig de lip niet laten hangen.”

Van Schaffelaar, die geen naverwanten had, en Maria erfgenaam wenschte te maken, verlangde ook daarom te huwen. De smid daarentegen hield hem voor, hoe hij reeds onaangenaamheden in de stad had gehad over de verkeering tusschen een edelman in dienst van den Bisschop en zijn dochter; en hij liet zijn vrees blijken, dat bij de gisting der gemoederen aan zijn persoon en zijn goederen zou kunnen worden benadeeld, indien het huwelijk doorging, voordat de zaken geschikt waren. Vrouw Martha wilde er ook niet van hooren, haar dochter te laten vertrekken op een oogenblik, dat haar man haar geen behoorlijke woonplaats aanwijzen en bij haar blijven kon. Van Schaffelaar voelde de gegrondheid dezer tegenwerpingen zeer goed; het kwam hem ook niet in de gedachten om een beroep te doen op de liefde van Maria, te wel bekend als hij was met de rechten van haar ouders, daar hij eerst na hun toestemming zich tot haar gewend zou hebben met het verzoek om hem gelukkig te maken. Na veel pratens zei de smid eindelijk, toen hij zich voorzichtigheidshalve eerst in stilte met zijn huisvrouw beraden had: „Zooveel mogelijk willende voldoen aan uw en ons verlangen, beste vriend, zoo zijn wij genegen, Martha en ik, om u met onze dochter te verloven, ten einde naderhand zoo spoedig mogelijk, onder Gods zegen, het huwelijk plechtig te voltrekken.” Dit zeggend stond hij op, en terwijl allen zijn voorbeeld volgden, vroeg hij aan Martha om een ring; doch Van Schaffelaar haastte zich hem er een ter hand te stellen. Hij bekeek den gladden gouden ring eenige oogenblikken opmerkzaam. „Hebt gij ook een tang noodig?” vroeg zijn vrouw.

„Neen, Martha,” antwoordde hij, „geen ijzeren werktuig zal dit versiersel breken.” Hij vatte toen den ring tusschen zijn duim en voorste vingers, en brak hem door, alsof het glas was. „De ringen, die ik smeed, zijn niet zoo kostbaar, maar ook niet zoo broos,” zei hij vroolijk; en daarna met ernst: „Welnu, Van Schaffelaar! nader mij, indien ik u mag verzoeken, en gij ook, Maria.”

Wouter stond nabij het venster met zijn vrouw en Van Schaffelaar geleidde Maria bij de hand naar haar ouders; alleen de mannen waren bedaard; de moeder en dochter stortten tranen van aandoening.

„Heer Jan van Schaffelaar,” zoo begon Wouter met een waardigheid, die men van hem oppervlakkig niet zou hebben verwacht; maar hij was vader, en in dit oogenblik voelde hij al de kracht van het vaderschap: „Zijt ge genegen, om Maria, onze dochter, met wie gij voor ons staat, aan te nemen als uw bruid, en belooft gij, op uw woord als edelman, haar, zoodra ons zulks raadzaam zal voorkomen, te nemen tot uw echte vrouw?”

„Ja, meester!” antwoordde Van Schaffelaar met een vaste stem; „ik zweer bij God en mijn heer St. Maarten, en op mijn woord als edelman, haar aan te nemen als mijn verloofde haar op de eerste aanvraag daartoe te nemen tot mijn echte huisvrouw, en haar al die rechten te geven, die haar toekomen; haar te beschermen en lief te hebben; zoo waar mogen God en alle Heiligen mij genadig zijn!”

„Maria,” zei Wouter nu, „hebt gij gehoord wat de edelman gezegd heeft, aan wiens zijde gij staat?”

„Ja vader,” antwoordde zij zacht, terwijl zij vol ontzag voor hem nederknielde.

„Zijt gij dus ook genegen,” vervolgde hij, „om hem aan te nemen als uw bruidegom, en belooft gij hem aan te nemen tot uw heer en echtgenoot, zoodra wij en hij dit goedvinden? Zweert gij niemand als uw man lief te hebben dan hem? Belooft gij hem onderdanigheid en gehoorzaamheid in lief en leed, zoo antwoord: ja.”

„Ja, vader!” zei zij zacht, „na u en mijn moeder bemin ik hem alleen: ik beloof zijn gehoorzame vrouw te zijn, en hem als mijn heer te eerbiedigen, zoodra wij zullen vereenigd zijn; ik beloof hem trouw, en ik zweer zulks bij mijnen lieven Heer Jezus en zijn Heilige Moeder, welke mij hoort!”

Ook aan het oog van den vader ontglipte een traan van aandoening, die op den gebroken ring viel, welken hij in de hand hield, terwijl zij alle drie hun blikken gevestigd hielden op het engelachtig, onschuldig gelaat van het schoone meisje. „Welnu, kinderen! indien dit dan zoo is, zijt dat tezamen gelukkig: dit wenschen uw ouders. Ontvang haar dan tot uw bruid, Van Schaffelaar! en bewaart ieder de helft van dezen ring; bewaart hem wel, kinderen! en bedenkt, dat, zoo nauw vereenigd, als die deelen, schoon thans verbroken, geweest zijn, gij ook eens vereenigd zult worden.” Bij deze woorden reikte hij hun elk een helft van den ring over, en Van Schaffelaar, die naast haar was neergeknield, terwijl zijn bruid de gelofte aflegde, drukte haar aan zijn hart en een kus op haar lippen, zonder dat hij woorden kon vinden om zijn gevoel uit te drukken. „Maria, mijn bruid,” zei hij eindelijk en hij hielp haar opstaan, „voor eeuwig zijt gij nu aan mij verbonden. O! dit maakt mij gerust en gelukkig, en het zal mijn grootste zorg zijn, om u het leven zoet en genoegelijk te maken; mijn liefde zal u koesteren.”

Hij bracht haar in de armen van haar moeder, die de verloofden aan haar hart drukte, waarna ook meester Wouter zijn dochter kustte en Van Schaffelaar de hand drukte. Toen deze hem bedankte voor de bereidwilligheid, waarmede hij, al was het dan ook maar ten deele, aan zijn verzoek had toegegeven, zei hij vroolijk: „Geen dank, waarlijk niet, Van Schaffelaar. Het is Martha, die het zoo wenschte te schikken, en Maria zou niet in haar schik geweest zijn, indien ik u haar ten minst niet als bruidegom gegeven had.”

„Gij schertst, vader,” antwoordde zij vroolijk; „indien ik al een bruidegom verlangde, zoo heb ik er niets van laten blijken, niet waar, Jan!”

„Zoo is het bruidje,” zei deze, haar omarmend en haar in het oor fluisterend „En toch vermeen ik zoo iets bemerkt te hebben.”

„Laten wij nu de gezondheid van de bruid en den bruidegom drinken, Martha!” zei de smid, die de bekers inschonk; doch op het oogenblik dat hij den dronk wilde toebrengen, werd de deur geopend en Griet kwam met drift de kamer instuiven.

„Daar is een kleine knaap, Heer!” zei zij haastig, die verlangt u te spreken. Ik moet u zeggen, zegt hij, dat Henri er is met belangrijke tijdingen; maar Dirk zegt, dat het Heintje van den voerman uit den Achterkamp is, die zich verkleed heeft.”

„Wat kan die jongen te zeggen hebben?” zei Van Schaffelaar verwonderd: „zeg, dat ik hem zoo aanstonds zal spreken, Griet en laat hem wachten.”

„Op uw gezondheid, mijn kinderen, en dat het u in de wereld tezamen gelukkig moge gaan,” zei Wouter, terwijl zij den beker ledigden.

Nu overhandigde Van Schaffelaar aan Maria een fraaie gouden halsketen, die hij voor haar meegebracht had, terwijl zij, verschooning verzoekende, dat haar geschenk bijna geen waarde had, hem een kaproen schonk, welke zij zelf voor hem had vervaardigd; doch hij verzekerde haar, dat dit geschenk van haar eigen werk hem meer waard was dan goud of zilver.

Terwijl hij de kaproen bewonderde, welke van sanguin laken en gestikt was met bloemen van echt gouddraad, waardoor ter weerszijden een M heengevlochten was, ontstond er een groote beweging in den winkel. Men hoorde Dirk, den meesterknecht, luidkeels lachen en de dreigende stem van Griet, die met iemand in een hevigen woordenstrijd scheen te zijn. Eindelijk vernam men ook iemand, die op een hoogdravenden toon iets scheen te vorderen, waarna er aan het einde van de gang een soort van worsteling scheen te ontstaan, waarin de oude dienstmaagd het onderspit dolf, want men hoorde haar zich over den knecht beklagen, die, inplaats van haar hulp te bieden, niets deed dan lachen. „Maar ik zal zien, of ik geen gelijk kan krijgen tegen dat kleine gedrocht, dat tegen heer Jan’s bevelen zich in een vreemd huis zoekt in te dringen,” riep zij. Doch een oogenblik voordat zij de deur van de kamer was genaderd, was onze oude kennis, Heintje, reeds binnengetreden, en had, na eerst allen in het algemeen begroet te hebben, Van Schaffelaar aldus aangesproken: „Heer, ik vraag verschooning, dat ik zonder toestemming voor u verschijn; maar mijn boodschap gedoogt geen uitstel, gij zijt hier in gevaar; het raadzaamste zal zijn de stad zoodra mogelijk te verlaten.”

„In gevaar!” riepen Maria en Martha als uit één mond.

„Dat kan niet zijn, Maria, heb geen vrees,” zei Van Schaffelaar bemoedigend, waarna hij ernstig vervolgde: „Wat zijn dat voor praatjes, Heintje, past het aan iemand, die mijn knaap wil worden, zich te gedragen als een oude vrouw?” „Heer!” zei de knaap, „indien de zorg voor uw veiligheid mij te ver heeft doen gaan, ik bid u, vergeef mij, ik dacht wel te doen.”

„En gij deedt ook wel, knaap,” zei Maria goedhartig. „O Jan, wees niet vertoornd op hem, ik verzoek het u.”

„En wat zou ik te vreezen hebben, Heintje?” vroeg Van Schaffelaar, die zijn bruid de hand drukte.

„Zooeven,” zei deze, „toen ik van den Vijver, waar ik dit kleed gekocht had, was teruggekeerd en juist weer in den stal kwam, kwam er iemand, die mij vroeg of ik den heer Van Schaffelaar diende; toen ik dit met ja beantwoordde, vervolgde hij: „zadel zijn paard dan maar dadelijk op, en spoed u om hem te berichten, dat hij zich haast de stad te verlaten, daar men het oog op hem heeft.” „En wie was die man?” vroeg Van Schaffelaar.

„Ik ken hem niet, Heer!” antwoordde de knaap; „maar naar zijn uiterlijk scheen het een herder te zijn; hij was reeds hoog bejaard.”

„Ralph, de schaapherder!” zei Van Schaffelaar verwonderd; „nu dan zal er toch wel wat van aan zijn; hij weet echter niet, dat Montfoort vrijgeleide gegeven heeft.”

„Een goeden raad moet men niet in den wind slaan,” merkte Wouter aan; „en hoe gaarne wij u hier zoolang mogelijk wenschen te houden, toch moet ik u aanraden, hoe eer hoe beter te vertrekken. De snaak, die over de soldeniers het bevel voert, welke hier in bezetting liggen, is een kwade hond, die zich misschien niet zal ontzien om u wederrechtelijk gevangen te houden.”

„Ik zie niet in, waarom ik mij zou haasten,” zei Van Schaffelaar; „ik bevind mij hier zou wel, dat ik mij over dien aanvoerder met zijn volk niet veel bekommer.”

De aandrang van Maria en haar moeder had echter zooveel invloed op den ruiter, dat hij eindelijk gehoor gaf aan haar smeeken en zich liet overhalen om zich zou spoedig mogelijk te verwijderen.

„Is Moor goed gevoederd?” vroeg Van Schaffelaar aan den knaap, die eerbiedig hij de deur stond en geen acht sloeg op de dienstmaagd, die in de gang stond, en hem van tijd tot tijd met den vinger dreigde, ofschoon zij het nu niet waagde zich over het onbeschoft gedrag van den knaap te beklagen.

„Ja, Heer, niets heeft hem ontbroken; gij zult uw paard tot diep in den nacht kunnen berijden, voordat het iets noodig zal hebben,” was het antwoord.

„Dat kleed staat u beter dan dat van hedenmorgen,” zei Van Schaffelaar, „en het schijnt, dat gij uw naam ook veranderd hebt, Heintje!”

„Veranderd niet zoozeer,” antwoordde deze, „maar Henri is veel gepaster voor den knaap van een edelman, zoo het mij voorkwam, en ik heb dit kleed gekocht van bijeengegaarde drink- en halstergelden, in de hoop, dat ik in uw dienst zou treden.”

„Ik heb mijn bruid geraadpleegd, of ik u al of niet in mijn dienst zou nemen,” zei Van Schaffelaar met gemaakte deftigheid; „ik heb haar verzekerd, dat gij dapper, trouw en bevallig van leest waart, en zij is u goedgunstig geweest; het eenige wat gij nog te doen hebt, is haar voor haar goedheid te bedanken.”

Heintje knielde voor Maria neer en bedankte haar, in de hoogdravendste bewoordingen haar schoonheid en deugd prijzende met het opzeggen van eenige volzinnen, welke hij onthouden had van den tijd, toen hij met de doekenspelers en goochelaars het land afliep.

„Dat is een wonderlijke snaak,” zei de smid, die zijn buik vasthield, zoo lachte hij; „maar wat verbergt hij toch onder zijn manteltje? Komaan, laat ons eens zien.” Die ongelukkige dwerg vernam niets van hetgeen er in het vertrek omging, zou druk was hij bezig met Maria zijn hof te maken, en toen de smid zijn mantel had opgetild, was het te laat. Griet en Martha hieven nu met Wouter een lachkoor aan, waarmee Van Schaffelaar en Maria weldra instemmden. Zijn wambuis, dat hij klaar gekocht had, was namelijk van achter geheel opengesneden, opdat het hem zou kunnen dienen. Heintje had gehoopt, dat zijn mantel dit gebrek van zijn kleeding zou verbergen, tot hij den tijd kou vinden het wambuis van pas te laten maken, waarvoor hij zich van een lap van dezelfde stof voorzien had; doch de nieuwsgierigheid van den smid verijdelde deze hoop, en vertoonde zijn onbedekten rug aan de omstanders.

Heintje keerde zich snel om, terwijl hij opsprong en zich heen en weer schudde, om zijn manteltje weer te laten vallen. Hij wierp een woedenden blik op Griet, in de meening, dat zij de oorzaak was van zijn ongeluk; doch toen hij zag, dat Wouter er schuld aan was, schudde hij droefgeestig het hoofd, trad naar het venster, en verborg zijn gelaat in zijn beide handen. Vergeefs trachtte de smid het gebeurde weer goed te maken door hem vriendelijk toe te spreken; want telkens was hij genoodzaakt zijn betoog te staken, zoo kwelde hem de lachlust. Eindelijk riep hij verstoord op zichzelf: „Griet, wat staat gij daar bij de deur, en wat doet gij hier? Roep Dirk, en zeg dat hij terstond hier komt.”

„Henri!” zei Van Schaffelaar nu, „help mij mijn kolder aandoen, ik moet vertrekken; de meester meent het zoo kwaad niet met u; laat u door zulk een kleinen tegenspoed niet terneerslaan.”

De knaap gehoorzaamde dadelijk, en trad naar zijn heer; zijn gelaat droeg nog de sporen van smart en vertwijfeling.

„Gij zult nog wel wat anders in mijn dienst moeten uitstaan,” zei Van Schaffelaar goedaardig, „en ik zou u haast raden, Henri, van uw voornemen af te zien.” „Uitstaan, Heer!” antwoordde de knaap; „ben ik dan niet gewoon geweest alles te verdragen? Doch toen was ik niets, maar nu ik een knaap ben, ben ik wanhopig, in uw bijzijn en dat van deze Jonkvrouw bespot te worden door een oude vrouw, en door iemand, dien ik moet ontzien.”

„En indien dit niet zoo ware, jongen, wat zoudt gij dan gedaan hebben?” vroeg Wouter zorgeloos.

„Dan,” antwoordde Henri, terwijl zijn oogen van wraakzucht flonkerden, en hij in zijn wambuis tastte, „dan……”

„Zwijg knaap!” viel Van Schaffelaar hem in de rede, „ik wil het, zwijg! en haast u! Ik bid u, meester, bemoei u niet met den jongen.”

„Gij hebt mij laten roepen meester,” vroeg Dirk, in de deur blijvende staan. „De heer Van Schaffelaar moet vertrekken,” zei Wouter; misschien zal zulks niet naar den zin zijn van sommige snaken hier in de stad, die gaarne over de burgers den baas spelen. Hij is mijn gast geweest; indien hij dus beleedigd werd, zou dit aan mij geweten worden.”

„Zeker zeker, meester!” antwoordde Dirk, zijn muts op zijn hand ronddraaiende. „Het zou schande voor het geheele gild, en dus ook voor u en alle gezellen zijn.” „Zeer zeker, meester. Wat den meester raakt, raakt ook den knecht, en wat den knecht aangaat, is den meester niet vreemd.”

„Juist, Dirk,” vervolgde Wouter; „daarom verzoek ik u, dat gij u gereed houdt om met vier gezellen mede te gaan.”

„Zeer goed, meester, zullen wij wapenen medenemen?” was het antwoord. „Neen, Dirk! dat zal niet noodig zijn, een duchtige stok of knuppel is genoeg; maar ja, gij kunt hen uit voorzorg wel elk een knijf onder hun schootsvel laten verbergen.”

„Goed, meester! ik zal vier vuurwerkers nemen, en die zullen de eer van de Vergulde Helm ophouden, of ik wil geen Dirk heeten.”

„Zoo spoed u dan, wacht ons in den winkel, en geef hun een kan bier; maar alles bedaard, verstaat gij?”

De meesterknecht boog met het hoofd tot teeken van gehoorzaamheid, en snelde heen.

Maria omhelsde haar vader en zei, terwijl zij hem langs de ruwe wangen streek; „O, vader! ik dank u, dat gij voor Jan zorgt.”

„Welnu, ik dien immers voor uw bruidegom te zorgen, kind!” antwoordde hij en kuste haar op het hoofd.

„En als ge u om mij in ongelegenheid brengt, beste meester,” zei Van Schaffelaar, terwijl hij hem de hand drukte.

„O, dat heeft geen zwarigheid, Van Schaffelaar!” hernam deze; „maar ik zie, dat gij al gereed zijt; ik moet mij ook nog zoo wat aankleeden.”

Terwijl Van Schaffelaar, die zijn zwaard reeds aanhad, den hoed opzette, gaf hij aan Henri eenig geld om het stallen te betalen, en gelastte hem vooruit te gaan en hem aan den stal te wachten. Martha gaf Wouter zijn muts en zijn mantel, en deze voorzag zich van een eenvoudig en niet zeer groot, doch breed en deugdzaam zijdgeweer. Op het oogenblik, dat Henri de deur wilde uitsnellen, na zich diep voor Maria en vrouw Martha gebogen te hebben, riep de smid: „Zeg eens, knaap! het spijt mij nu, u zoo even verdriet te hebben aangedaan; neem dit van mij ten geschenke aan, en alles zij vergeven en vergeten.” Dit zeggende, hield hij hem een fraai, klein zwaard voor. Henri wierp een begeerig oog op het wapen, en zag Van Schaffelaar vragend aan, welke hem, door met het hoofd te knikken, aanried, om hetgeen hem aangeboden werd, niet te weigeren. Nu het zwaard aannemende en ziende, terwijl zijn oogen van blijdschap schitterden, reikte hij den smid de hand, en zeide: „Meester! Henri heeft alles vergeten, behalve uw goedheid; door mijn heer met ijver te dienen, hoop ik u die te vergelden,” waarop hij het vertrek verliet.

Tot nog toe hebben wij getracht den afwisselenden gang der gebeurtenissen en der samenspraak te beschrijven; maar wij zullen niet wagen een verhaal te doen van het afscheid der jongverloofden. Hoe zouden wij toch eenigszins naar waarheid de woorden en gewaarwordingen van het bedroefde meisje overbrengen? Hoe de taal van den ruiter, die, zijn eigen smart vergetende, alleen naar woorden zocht om haar te troosten en haar moed in te spreken? Eindelijk moest het tot de scheiding komen. Tevergeefs bad Van Schaffelaar haar in het vertrek te blijven; vruchteloos gelaste Wouter de vrouwen, die den bruidegom tot aan de straat uitgeleide wilden doen, om niet verder te gaan, en niets was in staat haar van dit voornemen af te brengen.

Van Schaffelaar ondersteunde zijn bruid met den rechterarm; zij hield hem met haar beide armen omvat, en voelde de knoopen van zijn kolder niet, die haar zijde raakten, en toch hield zij hem aan zich gekneld.

„Gezellen!” zei Wouter, toen zij in den winkel traden: „Dirk heeft ulieden zeker van de zaak onderricht; weest niet driftig, en doet niets zonder mijn bevel; maar komt het er toe, klopt er dan maar geducht op los en geeft blijken, dat gij gewoon zijt met den hamer om te gaan.

„Gij zult tevreden zijn, meester,” zei Dirk vroolijk, „niet waar, borsten?”

„Ja,” antwoordden de vier zwarte knapen, die achter hem stonden, met hun knuppels hard op den grond stampend en op hun krachten steunende, reeds met verlangen het oogenblik tegemoet zagen, dat zij hun meester en den heer Van Schaffelaar een bewijs zouden kunnen geven van hun moed en verknochtheid.

„Het is wel,” zei Wouter; „Van Schaffelaar, laten wij nu gaan. Hoor, daar slaat het reeds half vier. Martha! neem het meisje met u naar achteren.”

„Vaarwel dan, Maria, vaarwel mijn bruid!” zei Van Schaffelaar haar kussende; „o, schrijf mij nu en dan, en laat mij dikwijls iets van u hooren.”

„Jan, gij nu al vertrekken! ach!” zuchtte zij en zag hem met haar schoone oogen, die vol tranen stonden, smeekend aan.

„Het is niet anders, Maria! Ik bid u, houd goeden moed,” fluisterde Van Schaffelaar haar in het oor….

„Maria, wilt gij u ziek maken?” zei Martha, die zelf weende.

„U, moederlief! beveel ik mijn bruid aan,” vervolgde Van Schaffelaar en drukte haar aan haar moeders borst: want het schoone kind was van droefheid bijna wezenloos, en hij gaf Martha den afscheidskus; „ik bid u, troost haar, al wat mij op aarde dierbaar is, laat ik u achter.”

„Jan, één verzoek heb ik,” zei Maria zacht, terwijl zij haar hoofd oprichtte, en zijn hand aan haar hart drukte: „ééne bede, die gij mij moet toestaan, anders laat ik u niet gaan.”

„Wat verlangt gij dan, mijn bruid!” vroeg hij, „ik sta uw verzoek toe.”

„Indien gij mij liefhebt, Jan, beloof mij dan geen twist te zoeken met met dien Perrol, o, ik ben zoo bevreesd voor hem,” zei zij aangedaan.

„Met hem?” zei Van Schaffelaar, terwijl zijn gelaat verduisterde en zijn blik ondervragend op haar rustte. Een oogenblik stond hij in twijfel wat te antwoorden; doch snel scheen de onrust te verdwijnen, welke zijn gemoed gepijnigd had, en hij zei bedaard: „Met hem niet, Maria! Ik beloof het u; maar die belofte kost mij veel….

„Die vrouwen! die vrouwen! mompelde de smid. „Komt, mannen, gaat maar vast naar buiten.”

„Van Schaffelaar drukte Maria nog éénmaal aan zijn hart, nog éénmaal ontmoetten zijn lippen de koude lippen van zijn bruid; voor het laatst rustte zijn gevoelvol oog op haar, toen riep hij: „Vaarwel, dierbare Maria, vaarwel, God behoede u! Het moet nu zoo zijn,” en hij snelde, zijn gelaat met zijn hand bedekkend, den winkel uit.

„Zorg voor het kind, Martha,” zei de smid, die hem volgde en de deur achter zich dichttrok.

„Jan! o Jezus hij is weg!” gilde Maria, die zich op eens uit de armen van haar moeder losscheurde en naar de deur snelde; maar haar krachten ondersteunden haar wil niet; zij zag Van Schaffelaar, die zich omkeerde, en niet de hand haar voor het laatst nog het afscheid toewenkte. Nog eens uitte zij gillend zijn naam en zakte in elkaar, en indien Griet haar niet in haar armen opgevangen had, zou zij gevallen zijn.

„Mijn kind, ween niet, houdt goeden moed, Marie,” zei Martha snikkend, terwijl zij haar naar de kamer droegen, „hij zal weer terugkomen, spoedig, Maria! O spreek toch, kindlief! Uw droefheid doet mij zoo leed; denk aan uw arme moeder, zij spreekt tot u, antwoord haar. O God! verlaat ons niet!”

Maria opende haar oogen, nadat men haar met koud water het aangezicht bevochtigd had, en de hand van Martha aan haar mond drukkend, zei zij: „Moederlief, waarom weent gij?” Toen sloot deze haar in de armen, en riep verheugd en dankbaar: „Ik dank U, mijn God! Heilige Maria, gij hebt mij haar nog gelaten.”

908SR15.gif (1832 bytes)

Toen Van Schaffelaar zijn bruid voor het laatst met de hand had toegewenkt, ging hij zonder te spreken naast den smid, en trok zijn handschoenen aan. De knechts gingen eenige schreden voor hen uit. Wouter zag nu en dan naar zijn buurman, en zei eindelijk: „Ik ben blij voor haar en u, en ook voor mij, dat wij op weg zijn, dat afscheid nemen, dat afscheid nemen, dat weet wat! Houd maar goeden moed; gij kunt nog lang genoeg, en mogelijk al zeer spoedig, elkander den geheelen dag op uw gemak zien.”

„Het is zoo, waarde meester, dat zegt ik ook tot mij zelf; en toch Gij kent mij, waarom zou ik het verzwijgen? Het is mij, alsof mij een zware last op het hart ligt, meester! zoo ik haar voor het laatst gezien had!”

„Voor het laatst! Kom, ken ik u niet, weet ik niet, hoe gij er op slaat, als er gevochten wordt; dwaasheid, dat zal wel overgaan. Morgen, zonder verzuim zal ik u het harnas op de Schaffelaar laten bezorgen; het is bestand tegen zwaard en speer, bout en kogel, alleen een goed knijf is gevaarlijk voor hem die het draagt; maar wie zou u in het stof werpen?”

„Indien een ander sprak, meester,” hernam Van Schaffelaar het hoofd schuddend, „zie ik zou hem met dezen handschoen in het aangezicht slaan, en vragen of hij mij voor een lafaard aanzag? Maar ik ken uw goede bedoelingen, vriend! Gij zelf hebt in uw jeugd den aanval hooren blazen, gij hebt de wapenen gedragen, de oorlog is niets; maar die Perrol!” Dit zeggend, bracht hij de hand aan zijn dolk, dien hij zoo vast omklemde, dat de ketting rammelde.

„Ik zie, Van Schaffelaar!” zei de smid, die hem niet ten kwade duidde wat hij gezegd had, „dat Maria gelijk gehad heeft met u den vrede op te leggen; de vrouwen, zoo zwak als zij zijn, hebben veel macht door haar verstand; daar zult gij in het vervolg meer van te weten komen. Maar waarom hebt gij het zoo tegen dien Perrol? hij doet zaken op een grooten en nobelen voet: gij zijt immers niet minnenijdig op hem, Jan?”

Van Schaffelaar antwoordde hem in het eerst niet; maar eindelijk zei hij: „Toen Perrol den Bisschop zijn dienst aanbood en ik in den raad mijn gevoelen zeggen moest, ontried ik het in soldij nemen der Zwarte Bende. Waarschijnlijk kwam hem zulks ter oore: want, ofschoon juist niet onhoffelijk, gedroeg hij zich altijd afgemeten en koel tegen mij. Daar bleef het bij; maar nu omstreeks een maand geleden, dwong mij het gejammer van een vrouw om af te stijgen, en haar woning binnen te treden, waar haar man door eenige ruiters werd mishandeld. Zij behoorden tot de Zwarte Bende, bekreunden zich niet om mijn bestraffingen, en gingen voort den armen boer met zwaarden te slaan. Kon ik minder doen dan den ongelukkige, een onderdaan van mijn heer, te beschermen? Een der vreemde ruiters, die het zwaard tegen mij had opgeheven, viel dood voor mijn voeten neer; eerst toen verlieten zijn makkers de woning en dreigden mij met hun hoofdman. Perrol eischte den volgenden dag, in tegenwoordigheid van den Bisschop, rekenschap van deze daad; het mis-handelen, zelfs het vermoorden van een gemeenen boer, kon mij, volgens zijn zeggen, geen vrijheid geven, om de hand aan een zijner mannen te slaan; toen voegde ik hem toe, dat mijn zwaard verantwoorden zou, wat mijn zwaard gedaan had. Doch heer David gelastte ons den twist bij te leggen; maar was Perrol vroeger mijn vriend niet, sinds dien dag heb ik in hem een onverzoenlijken vijand; ik weet het.” Hier zweeg Van Schaffelaar; daarna zei hij snel en kort afgebroken: „Ik vereer den krijgsman, die in ’t veld trekt voor zijn vorst, voor zijn leenheer, voor ’s lands welzijn, en hem, die zijn huis en erf verdedigt. Ik acht den soldaat, die, zonder te strijden tegen hem, onder wien hij geboren is, zich hier of daar een heer, een standaard verkiest, daaraan trouw blijft, en gedurende den vrede het brood der burgerij etend, het met zijn bloed betaalt, als de oorlog woedt: hij dient voor geld, voor eer; maar hij blijft, ofschoon loondienaar, een man van eer. Behoede God mij en mijn heer St. Maarten, dat ik kwaad zou denken van de Heilige Kerk en haar dienaren; maar ik kan de daden niet goedkeuren van hen, die, vermoordende hetgeen hun voorkomt, zonder aanzien van geslacht of ouderdom, als een vernielende hoop aanvallen op menschen, die zij niet kennen, allen omdat men hun zegt: „Het zijn ongeloovigen, het zijn ketters, sla hen dood, en God zal u zegenen.” Ik beklaag hen, maar ik veracht hen niet, omdat zij gelooven aan hetgeen men hun toeroept: zij zijn moordenaars, alles wat gij wilt; maar ontneem hun de vaste meening, waarin zij verkeeren; laat de stem zwijgen, die hen opwindt, die hen razend maakt, en zij zullen niet meer moorden, niet meer verwoesten; zij zijn nog edel, die zoo handelen. Maar er zijn menschen – zijn zij het? zij hebben er ten minste de gedaante van – die nu den eenen heer, dan den anderen, nu deze, dan gene zaak voorstaan, altijd rooven, moorden, zwelgen en bloed storten, meer dan noodig is, meer dan men verlangt; waarom? Omdat zij leven in het bloed; zij plassen er met genoegen in; het is hun element; het woord vrede is hun onbekend, het woord verdrag, daarmee spotten zij; hun eenige wet is het zwaard: het is een wet die vermoordt; het geheele menschdom is hun prooi; zij zijn er mee in oorlog. Listiger dan de gemeene straatroover, die iedereen tot vijand heeft en spoedig het onderspit delft, voegen zij zich nu bij den een, dan bij den ander, meest bij den sterkste; om deel te hebben aan den buit, helpen zij den zwakste uitplunderen en alles vernielen. Die ondieren, die geen onderscheid kennen tusschen de maagden des Heeren, en de ongelukkige wezens die hen vervolgen met haar liefkozingen; die de dochter onteeren in de armen der moeder, en de vrouw onder het oog van den man; die halve duivels, wier eenige lust zwelgerij en ontucht is: die soldeniers veracht ik, en ik vervloek hen als de pest. Welnu, ik zie op uw gelaat, dat gij er over denkt als ik; en wie is zulk een monster? Perrol met de Roode Hand!”

Op dit oogenblik waren zij, na de Vijepoort te zijn doorgegaan, in den Achterkamp aangekomen, waar Heintje hen met het paard wachtte. Van Schaffelaar nam het ijzeren kapje van hem aan, en deed het voorzichtigheidshalve op het hoofd, waarna hij het riempje onder de kin dichtgespte, en zijn knaap beval het paard bij den teugel achter hem te leiden. Moor wreef vergenoegd met zijn kop tegen den arm van zijn meester, toen hij hem voorbijging; deze hield een oogenblik op, schikte het bit een weinig, en terwijl het trouwe dier hem de hand likte, kuste hij het voor den kop.

„Ge kunt nu zeggen, meester,” zei hij gedwongen, glimlachend, terwijl zij hun weg vervolgden, „dat ik mijn woord gehouden heb; toen was zij vroolijk, Maria, en nu….

„Dat is de loop, der zaken.” antwoordde Wouter, „maar vertel mij nog eens nader; die Perrol zegt gij….”

„Perrol is aanvoerder der Zwarte Bende; dit is een hoop volk, uit alle landen en volken bij elkander geraapt, slecht en stout, uitmuntend gewapend en bereden, niemand gehoorzamend dan hem, tot alles in staat, behalve tot deugdzame daden. Wat hem betreft, niemand weet, welk oord hem zag geboren worden; hij is trotsch op den roem en den buit, welke door hem in zoovele gevechten en strooptochten is vergaderd; zijn pracht kent geen palen; het goud en het zilver schijnen voor hem geen waarde te hebben, als hij het uitgeeft om zich in weelde te baden; de lage minstreelen en de vrouwen, die hem vergezellen, roemen zijn mildheid; maar niets wordt door hem ontzien; niets is er, dat hij niet aan zijn duivelsche bende gelast, als het op een plunderen gaat; zoo is Perrol. volgens hetgeen men van hem zegt, of zooals hij zich steeds gedraagt. Gij hebt hem gezien; hij is een schoon man, niet waar, maar zijn ziele….! Hij is een engel, maar een gevallen engel; en waarom bedekt hij steeds zijn hand? Waarom heeft niemand hem ooit den handslag zonder handschoen zien beantwoorden, waarom? Zou God hem daar geteekend hebben? En waarom zou zijn hand niet onuitwischbaar met bloed bevlekt zijn, die Perrol met de Roode Hand? Wilt gij weten, of hij dapper is? Hij is het, bij God, hij is het! Indien het een deugd is, dan is het de eenige die ik weet dat hij bezit. Welnu, die man heeft mijn bruid met zijn lippen aangeraakt, bezoedeld, en ik kan mij niet wreken, riep Van Schaffelaar droevig, waarna hij langzaam vervolgde: „en toch heeft Maria wèl gedaan. O meester, alles wilde ik geven buiten haar, om man tegen man met hem te strijden op leven en dood; maar ik zou nog liever wenschen hem nooit gezien te hebben of hem nooit weer te zien; want toen ik hem voor het eerst ontmoette, huiverde mijn hand, toen zij zijn gehandschoende hand drukte; geloof mij, ik vrees, dat ik Maria nimmer zou weerzien na zulk een gevecht.”

Zij waren nu het einde der straat genaderd, en Wouter zei: „Indien hij zulk een knaap is, dan ben ik blij, dat hij aan de zijde van den Bisschop is; gij hebt dus geen nood, dat gij hem zult behoeven te bevechten.”

„Alsof hij geen wapenbroeder zou kunnen vermoorden!” antwoordde Van Schaffelaar snel. „Nu is hij nog in dienst van mijn heer, nu nog; maar wie weet, hoe spoedig niet meer. Dat hij hier dezen dag geweest is, geeft mij kwade gedachten: geen edele band, alleen het belang bindt zulke menschen; gaarne zou onze zijde zien verlaten, indien dit hem niet gelegenheid gaf dikwijls hier in de stad te komen.”

Op dit oogenblik waren zij de straat ten einde, en sloegen den hoek om; de knechts, die hen vooruitgingen, waren reeds de poort genaderd, en wachtten daar hun meester af. Van Schaffelaar, dien wij nu eens vroolijk, dan weer gevoelvol gestemd gezien hebben in de tegenwoordigheid van Maria, dien wij onderweg met drift zijn gedachten hebben hooren uiten, was nu de bedaardheid zelf, en zijn fiere krijgshaftige houding gaf te kennen, dat, wat er ook gebeuren mocht, hij de slagen van het noodlot zou afweren of met gelatenheid ondergaan.

De smid en zijn aanstaande schoonzoon wierpen een nieuwsgierige blik in de poort. Zoodra zij den muur bereikt hadden, die aan den wal verbonden was, zagen zij de reden, waarom Dirk met zijn makkers had geaarzeld verder te gaan; de wacht was versterkt en bestond nu, behalve uit twaalf burgers uit zes man van de soldeniers, die in de stad in bezetting lagen. Zonder te aarzelen gebood Wouter aan Dirk om naar buiten te gaan, alsof zij van niets kennis droegen; doch de wacht aan de poort, die nu bemerkte, dat de vijf knapen die vooruit-gingen, in verband met dengene, dien zij order hadden niet buiten te laten, wierp uit voorzichtigheid de poortdeuren dicht, toen zij de poort naderden. De smid wenkte zijn gezellen om ter zijde te gaan, en na zacht tegen Van Schaffelaar gezegd te hebben: „Laat mij het woord voeren; ik zal beter met hen klaar komen dan gij,” trad hij naar de wacht, die geheel onder de wapenen was en vroeg: „Wie geeft hier bevelen burgers?”

„Dat ben ik, meester,” antwoordde de voorste, die een fraaien hellebaard in de hand hield.

„Ha, ha! Dat doet mij genoegen, Klaas,” zei Wouter ongedwongen, hem de hand schuddend. „Zie, het is hier onder de poort zoo donker als de nacht. Hoe gaat het thuis? Alles wel, hoop ik? Zoo, dat verheugt mij. Maar zeg eens, waarom is de poort gesloten?”

„Nu ja, Wouter! waarom?” antwoordde de andere aarzelend, „waarom? dat is zoo gemakkelijk niet te zeggen; het kwam ons raadzaam voor, om onze bevelen behoorlijk te kunnen uitvoeren.”

,.Zoo! bevelen, dat is wat anders,” zei Wouter eenigszins spottend; „Is het volk van den Bisschop in het veld, en heeft de schout en de regeering de poort laten sluiten, zeg?”

„Nu ja, de schout nu juist wel niet.” „En wie dan?” vroeg Wouter prompt.

„De kapitein van de soldeniers,” antwoordde de ander verlegen.

„Ha, ha! van de soldeniers!” zei Wouter lachend, „geeft die dan ook al bevelen aan de burgers? Dat gebeurde onder David niet, mijn meesters! Maar het kan nuttig zijn.”

„En niemand twijfelt daaraan, of heeft er mede te maken,” viel hem een der soldaten in de rede.

„Zoo, zoo, die schijnt ook wat te zeggen te hebben,” zei Wouter, die zijn hand boven zijn oogen hield, om den spreker des te beter te kunnen zien, „het verwondert mij echter, dat een soldenier zoo maar in eens het woord in naam van alle burgers doet; maar ik heb er vrede mee. Eilieve, Klaas, wees zoo goed voor mij de poort te laten openen; ik heb met mijn gezellen buiten nog iets te doen, en deze heer moet ook naar huis rijden.”

„Ja, meester , antwoordde deze verlegen, en hij aarzelde om te vervolgen, toen de soldaat, die reeds gesproken had, en wien het antwoord van den smid nog op het hart lag, kortaf zei: „Wat betreft, gij kunt met uw gezellen doorgaan, maar de ruiter niet.”

„Niet!” zei Van Schaffelaar binnensmonds maar Wouter antwoordde even spoedig: „Ik ben altijd gewoon te spreken met het hoofd, en niet met de beenen, vriendschap! Maak u echter niet zoo driftig. Burgers! zal ik u nog langer moeten staan met dezen edelen heer, tot het aan die gehuurde knapen gelegen zal komen om ons door te laten? Foei, welk een schande voor de burgerij! En ik, die nogal overman in het gild ben; Klaas, past dat aan iemand uit hetzelfde gild? Als de meester uit de Vergulde Helm beleedigd wordt, zult gij, meester in de Roode Sleutel en het geheele gild dan niet met schande overdekt worden? Bedenk dit wel; en hoe denkt Gerrit van Zutphen er over? En wat zegt Lange Piet? Of denkt gij, dat ik iets zou willen doen, dat tot schande en nadeel van de stad en de burgerij zou strekken? Welnu, wat zegt gij? Ben ik niet nader dan die vreemde soldeniers?”

„Ja, meester,” antwoordde de aanvoerder der burgers, die, evenals zij allen, genegen waren om Wouter genoegen te doen. „Wij zouden gaarne alles voor u doen; maar wij zijn bevreesd om dien heer door te laten. Waarom spreekt hij niet zelf met den kapitein?” zei hij op eens snel, verheugd, dat hij deze uitvlucht gevonden had.

„De tijd is bijna om, het zal spoedig vier uur slaan, en dan ben ik met recht gevangen, zei Van Schaffelaar zacht, en met den voet stampend; „verzoek hen, Wouter, dat zij u met Dirk doorlaten, dan zal ik te paard stijgen en hij St. Maarten! ik zal er met geweld doorbreken.”

Hij zag om; zijn knaap, die, met het zwaard van den smid aan de heup, vlak achter hem stond, hield het paard, dat van ongeduld steigerde, bij den teugel. Een menigte menschen waren reeds voor de poort opgehoopt en te zamen geloopen, en schenen ontstemd, dat men den meester uit de Vergulde Helm zijn verzoek niet toestond. „Het is schande voor uw stad, burgers!” zei een oud man, die over een lederen wambuis en hozen een mantel van schapenvel droeg, terwijl hij op een lange staf rustte, „het is een edele heer, die heer Van Schaffelaar; zijn grootvader was burger van de stad; gij hebt sinds jaren aan hem en zijn geslacht allerlei benoodigdheden verkocht; hij heeft veel gezag bij uw voormaligen heer, den Bisschop; vat gij dus niet, hoe dwaas het is, hem door die huurlingen te laten beleedigen, daar gij hem nog zoo noodig kunt hebben, om, als de zaken eens omkeeren, een goeden vrede te sluiten.”

„Wie praat daar van vrede en van den Bisschop?” riep iemand uit den hoop, „wij willen geen vrede met den Bisschop! Weg met David van Bourgondië!” „Stil! stil!” riepen dadelijk eenigen van hen, „zwijg, ziet gij niet, wie er gesproken heeft? Het is Ralph, de oude schaapherder; hij weet wat er nog gebeuren moet: hij is met een helm geboren.”

„Nog een oogenblik geduld, Jan,” antwoordde Wouter, „ik bid u, gebruik geen geweld.” Hierna riep hij: „En voelt gij geen vrees, burgers, om den heer van Montfoort tegen u in het harnas te jagen? Indien de heer Van Schaffelaar gevaarlijk was voor de rust van de stad, dan had men hem in mijn huis kunnen aan houden. Hiervoor was echter geen reden; maar men wist, dat zijn vrij-geleide te vier uren eindigt en daarom, mijn meesters! heeft men u gelast hem hier op te houden tot na dien tijd. Begint gij het nu te vatten? Waarom zou hij naar den kapitein gaan, daar hij van den heer van Montfoort verlof heeft om hier te komen; een verlof dat gij meer moet eerbiedigen dan de bevelen van een zijner dienaren, en dat ook door die knapen, welke daar met hun roeren staan, moet geëerbiedigd worden.” Dit zeggend, nam hij een papier aan, dat Van Schaffelaar hem overgaf, en hij toonde het aan de burgers, die onder de poort uittraden.

„Het is zoo,” zei hun aanvoerder, „het komt mij voor, burgers, dat wij den meester en dien heer niet langer kunnen ophouden!”

„En ik zie niet, waarom wij de komst van den kapitein niet zouden afwachten,” zeide de soldaat, naderbij tredende, „ik heb hem laten verwittigen, dat de vreemde ruiter hier aan de poort is; hij zal spoedig komen.”

„Lees zelf hetgeen hier staat,” zei Wouter en hield hem het geschrift onder den neus.

„Ik kan niet lezen,” antwoordde hij barsch en stiet liet papier terug.

„Maar deze heeft het reeds gelezen,” vervolgde Wouter op den burgeraanvoer der wijzende, „gij weet dus wat het behelst.” Doch de soldaat, die zeer goed begrepen had, dat deze, om den smid genoegen te doen, zich gehouden had, alsof hij het geschrift begreep, zei spottende: „Ik kan evengoed lezen als uw gildebroeder; maar wij hebben er beiden veel van vergeten.”

„Heb de goedheid aan deze lieden te zeggen, wat dit geschrift behelst,” zei Van Schaffelaar tegen een St. Jansbroeder, dien hij achter zich in den volkshoop ontdekte, en hij overhandigde hem het papier.

„Zeer gaarne, Heer,” antwoordde deze die den brief inzag en verklaarde, dat het een verlof van Montfoort bevatte, waarbij aan heer Jan van Schaffelaar, aanvoerder van een bende rijzige ruiters, in dienst van David van Bourgondië, werd toegestaan om zich, vergezeld van een knaap en ongewapend, te begeven naar Amersfoort, en daar te blijven van des voormiddags elf tot des namiddags vier uren; gelastende aan alle burgers en soldaten, om genoemden heer vrij te laten komen en gaan, zullende bij elken dienst of ondienst, aan den heer Van Schaffelaar bewezen, rekenen aan hem zelven gedaan te zijn.

„Het komt mij voor, dat dit duidelijk is,” zei Wouter. „Eilieve, burgers, daar begint de klok te slaan; opent de poort of vreest voor Montfoort.” De burgers maakten zich nu gereed om toe te geven; doch de soldaten hielden koppig vol, waarschijnlijk steunend op de verwachte komst van den kapitein en op hun vuurwapenen terwijl de burgers buiten hun zijdgeweer alleen met hellebaarden gewapend waren. Doch nu verhief de oude herder zijn stem weer en riep: „In mijn tijd was het anders in de stad: de burgers waren toen zelf in staat de poorten te bewaren, en lieten in en uit, wien zij goedvonden. Ik zie den dapperen Montfoort reeds komen, om rekenschap te vragen van hetgeen nu gebeurt. Wee u, Montfoort zal komen!” riep hij met een holle stem, en strekte dreigend zijn hand naar de gewapende burgers uit.

„De poort open! Open de poort!” schreeuwde het volk voorwaarts dringende. De burgers traden zonder iets te zeggen, ter zijde, en om Van Schaffelaar en Wouter heen loopende, drong de massa de soldaten op het lijf, die noch den wil, noch den tijd of de gelegenheid hadden hun wapenen te gebruiken. Dirk en zijn makkers, die vooraan waren, haastten zich om de deuren open te maken, en het volk stroomde onder het schreeuwen van: „Leve de burgerij! De poort is open!” juichend en schreeuwend naar buiten.

Van Schaffelaar en de smid verzuimden niet hen dadelijk te volgen, en geen der soldaten had den moed om hen tegen te houden. Buiten de hamei, die voor de brug was, stond Dirk met zijn makkers te wachten. „Ik dank u, gezellen! voor uw hulp,” zei Van Schaffelaar, die aan Dirk eenige geldstukken gaf, „drinkt eens op mijn gezondheid en die van uw meester, en gedraagt u even trouw in het vervolg; misschien dat uw meester en zijn huisgezin uw bijstand nog wel eens noodig zullen hebben.”

„Dat behoeft geen dank, Heer!” zei Dirk, stijf buigende, „het spijt ons, dat alles zoo stil is afgeloopen; wij zouden die schobbejakken zoo gaarne eens afgerost hebben; maar de meester is wat te voorzichtig; wij zullen op uw gezondheid drinken; dat zal niet vergeten worden. Wij danken u en wenschen u veel geluk.”

„Veel geluk, Heer!” zeiden de gezellen en groetten hem eerbiedig. Van Schaffelaar wilde nu juist van Wouter afscheid nemen, toen Henri hem naderde en zei: „Die oude man, welke mij reeds gewaarschuwd heeft, laat u weten, dat de kapitein de poort nadert.” Doch toen Van Schaffelaar naar den vriendelijken raadgever rondzag, was deze reeds verdwenen, en hij zette zich in den zadel. De smid nam den pas aangenomen knaap op, en zette hem zonder eenige moeite achter zijn heer op het paard, dat zich om de vracht weinig scheen te bekommeren.

„Vaarwel, meester!” zei Van Schaffelaar, terwijl hij Wouter de hand drukte, „vaarwel! God zegene u en uw huis; kus uw vrouw en Maria van mij.” Toen boog hij zich voorover en fluisterde hem in het oor: „Houd een wakend oog op Perrol met de Roode Hand.”

„Dat zal ik,” antwoordde Wouter; zoodra het vrede is, houden wij bruiloft, vaarwel!”

Van Schaffelaar gaf nu zijn paard den vrijen teugel, en verwijderde zich in vollen draf; Heintje hield hem met den rechterarm omvat, en groette met de muts den smid, die met de opmerking, dat het voorzichtigheidshalve misschien beter was den kapitein niet in den weg te loopen, in plaats van de Kamppoort in te gaan, de stadsgracht een eind weegs volgde en den weg naar de Bloemendalsche Poort insloeg, gevolg door zijn gezellen, wien hij zijn tevredenheid te kennen gaf over hun gematigd gedrag.

Een oogenblik nadat de meester uit de Vergulde Helm zich verwijderd had, trad de kapitein, gevolgd door een twintigtal soldaten, over de valbrug naar buiten, doch werd niets gewaar dan eenige lieden, die de stad ingingen, of zich naar buiten begaven. Noch de soldaat, die met Wouter gesproken had, noch een zijner makkers kon iemand aanwijzen, die deel genomen had aan het openen der poort. Hij begaf zich tot aan den Hoogeweg, en een ruiter, dien hij in de verte gewaar werd, overtuigde hem, dat het mislukt was Van Schaffelaar, later dan zijn vrijgeleide toestond, in de stad te houden, waardoor de belooning verviel, die hem was toegezegd; er bleef hem dus niets over dan terug te keeren, zonder dat hij het zelfs durfde wagen zich op den smid te wreken. Een half uur nadat alles in rust was geraakt, trad een man uit een der schuren aan den Hoogeweg, en sloeg, gevolgd door een zwarten herdershond, denzelfden weg in, dien de ruiter genoemen had; in zijn hand droeg hij een langen stok of staf, en ondanks zijn ouderdom, verwijderde hij zich met snelle en vaste schreden.

908SR15.gif (1832 bytes)

TitelbladDe heide

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)