J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

VIERDE DEEL. – HOOFDSTUK II.

DE VERLATEN POST

Getroffen en verrukt bij ’t sprakeloos aanschouwen
Kon hij niet langer ’t geen zijn borst doordrong weêrhouën,
En midden in ’t gesprek, op diep bewogen toon,
Sprak hij voor de eerste maal: „Maria gij zijt schoon!”
„Wat ziet gij?” – klonk het tot de wacht.
„Ik zie,” was ’t antwoord, „ruiters rennen,
„Nog
kan ik ’t volk niet onderkennen.”
C. G. WITHUYS.

H.gif (3137 bytes)et jaar 1483 begon onder droevige vooruitzichten voor de vijanden van den Bisschop. Het vorige jaar waren hun wapenen meestal ongelukkig geweest, en hun bondgenooten bekommerden zich niet meer om hen, of hadden zelf de handen vol. De koning van Frankrijk had bij den vrede beloofd, dat hij die van Utrecht niet zou ondersteunen, en hoewel dit hem niet zou verhinderd hebben het onder de hand te doen, als het met hoop op goeden uitslag had kunnen geschieden, kwam hij toch na, wat hij bezworen had; de dood van Perrol en de verliezen van de Utrechtschen maakten, dat hij hun zaak als verloren beschouwde en het Fransche goud bleef weg. Zij waren nu zelfs genoodzaakt de soldij van de Zwarte Bende te betalen, aan welks hoofd Quintyn zich bevond; een groot deel der Zwarte Ruiters had echter na den dood van Perrol het Sticht verlaten, om dienst te nemen onder den vriend van het bendehoofd, den graaf Van der Mark, bijgenaamd le Sanglier des Ardennes, die in Augustus den bisschop van Luik om hals had gebracht, en zich, na den vrede ook door eigen krachten tegen Maximiliaan staande moest houden; van die zijde kon men in Utrecht dus ook geen hulp verwachten. De Zwarte Ruiters hadden de bezittingen van Perrol onder elkander verdeeld. Vidal had echter tevergeefs naar verscheiden zaken van veel waarde gezocht, en niemand twijfelde of Froccard, die plotseling verdwenen was, had die ontvreemd. Ook Vidal had de Zwarte Bende verlaten, en zich naar Utrecht begeven.

Daar de oogst door den krijg en het weer, dat niemand zich herinnerde ooit zoo ongunstig beleefd te hebben, bij herhaling vernield werd, heerschte er overal gebrek en armoede. De duurte en de schaarschte der levensmiddelen, de drukkende opbrengsten, het stijgen van het geld, en de flauwe hoop, die er was op betere tijden, veroorzakten veel gemor in Utrecht; men herinnerde zich de tijden, toen er weinig schatting werd opgebracht, de markten goed voorzien waren, en men zag naar den verdreven Bisschop om. Het eenige wat de burgers voor al hun lijden gehad hadden, was onrust en gevaar; vrede en overvloed, meenden zij, zouden weerkeeren met hun ouden heer; zelfs zij, die het meest op hem gebeten geweest waren, begonnen anders te denken, of durfden hun gedachten niet meer uiten.

Terwijl de beschermheer van het Sticht, wien het in Februari gelukt was de stad Rhenen te overrompelen, twee maanden later naar Kleef vertrokken was, arbeidde de burggraaf van Montfoort aan den vrede, en begaf zich te dien einde zelf naar Wijk, om in persoon met heer David te handelen. Van dáár teruggekeerd, belegde hij een vergadering in het Kapittelhuis, waar eenige burgers hem overvielen, luid den vrede eischten en de deuren sloten. De meesten van het krijgsvolk waren juist op dat oogenblik buiten de stad: en eenige rijzige ruiters trachtten vruchteloos de rust te herstellen; de burgerij kwam op de been, behield de overhand, en de burggraaf en zijn vrienden werden op hetzelfde oogenblik, dat zij zich bevrijd hadden, gevangen genomen.

De voorstanders van den Bisschop maakten van deze gelegenheid gebruik, en men zond bode op bode naar heer David te Wijk, met de bede om spoedig in de stad te komen. Hij verzuimde niet, om van dezen ommekeer van zaken gebruik te maken. Er was geen tijd tot lang beraad; vergezeld door nog geen vierhonderd ruiters kwam hij in de stad, en zette den voet weer in het Bisschopshof. Door de onvoorzichtigheid van zijn vijanden, de bemoeiingen van zijn vrienden en het neigen der gemoederen naar zijn zijde, zag hij zich weer in het bezit van de voornaamste stad van het Sticht; hij behoefde Maximiliaan hiervoor geen dank te weten, en het liet zich aanzien, dat al zijn ongehoorzame onderdanen zich vanzelf aan hun ouden meester zouden onderwerpen, vóórdat de wapenen van den Hertog hen er toe dwongen. De Hollanders, die gewaar werden, dat de Bisschop trachtte zonder hen met de oproerigen trachtte te onderhandelen, en hen buiten de zaken te houden, namen dat euvel op, en rukten voor de stad Montfoort, die met toestemming van heer David voor hen gesloten werd gehouden. Hij ging in persoon naar IJselstein, doch trachtte vruchteloos hen te bewegen de belegering op te geven. Zij vergezelden hem zelfs tegen zijn wil, toen hij naar Utrecht terugkeerde, en maakten zich meester van den Katharijnenpoort, wat de burgerij het ergste deed vreezen, vooral voor degenen die gevangen waren; want het gerucht liep, dat zij allen naar Holland zouden vervoerd worden, en dat men de stad en het kasteel van Montfoort tot den grond toe zou verwoesten.

„En hoe maakt het heer Gerrit van Nijveld, Frank? Kan hij de gevangenschap nogal zetten?” vroeg Wouter, die met zijn vrouw in het huisvertrek van de Vergulde Helm zat.

„Hij moet het wel, meester,” antwoordde Frank, die het harnas tegen een burgerkleed scheen verruild te hebben. „Het deed mij genoegen, dat heer David mij medenam, toen de burgerij hem bad te komen, alleen omdat ik hem van dienst kon zijn; zijn Eerwaarde heeft den braven edelman op mijn verzoek toegestaan naar Wijk te gaan; hij is daar onder bewaring van den heer van IJselstein, en de Hollanders zullen hem niet moeien.”

„Gij schijnt dus al veel invloed te hebben bij den Bisschop,” zei vrouw Martha. „Veel?” riep Frank. „Nu, dat wel niet; doch hij is met mijn dienst tevreden; ik heb hem de laatste bede van mijn weldoener overgebracht, en hij heeft zeker wel begrepen, dat hij schuld heeft...” Hier zweeg hij; hield de hand voor de oogen, en vervolgde treurig: „Maar hij is mijn heer, en mij edele vriend heeft mij het zwijgen opgelegd. – Ik ben zoo goed als onderbevelhebber van de Schaffelaars; want zoo blijven zijn mannen heeten; heer David heeft het gewild; en kan hij minder doen voor hem...?” eindigde hij, het hoofd schuddend. Vrouw Martha wischte een traan af, en zei: „Gij hebt gelijk, wij mogen niet klagen; heer David is u genegen, en het is veel eer voor u.

„Bij St. Eloy, Frank, is het waar!” riep de meester snel, die geroerd vervolgde:

„Heugt het u nog, beste jongen, hoe wij, toen de zwarte duivels Barneveld verlaten hadden, en Willem van Wachtendonck hen met de beste knechten gevolgd was, onzen vriend begraven hebben? Hoe wij met zijn mannen van wapenen, die hem gedragen hadden, om het graf stonden? O, die enkele traan van den dapperen Van Nijveld, van dien edelmoedigen vijand, zei meer, dan de woorden van den geleerdsten klerk, meer dan onze droefheid. Heugt u dat gejammer van de dorpelingen nog, die geknield lagen, toen de bruidegom van Maria in de aarde verdween, en de geroerde stem van den ouden priester...? Maar hij had ook niets minder verdiend...!”

„Ja, meester,” zei Frank zacht, terwijl Martha weende. „Hedenmorgen, vóórdat de priester nog de eerste mis offerde ter eere van de hemelvaart onzes Heeren, heb ik op zijn graf gebeden; ik wilde niet hierheen gaan, vóór het bezocht te hebben...”

„Gij deedt braaf, Frank,” zei Martha, en drukte hem de hand.

„En de hemel heeft er u reeds voor beloond,” zei Wouter; „want in den voornacht moet Hendrik van Nijveld Amersfoort met een vrij sterke macht verlaten hebben; waart ge dus regelrecht hierheen gekomen, zoo waart gij hun misschien tegen het lijf geloopen.”

„Hendrik van Nijveld! Dezen nacht?” zei Frank, die vreemd ophoorde; maar de meester vroeg bijna gelijktijdig: „Hebt gij de nieuwe zerk gezien, Frank? Wat zegt ge er van? Heb ik heer Jan van Schaffelaar niet voorgesteld, zooals hij was? Is zijn wapenrusting niet fraai gesneden, en zou er iemand zijn, die het koper beter in den steen had kunnen leggen?”

„Neen, meester,” zei Frank. „Ik heb uw kunst bewonderd; want ik zag uw naam, naar ik meen, in den kleinen helm er achter staan. O, de dappere aanvoerder verdiende ook zulk een grafteeken.”

Ze bewaarden allen eenigen tijd het stilzwijgen, waarna Martha zei: „Ik zal onze dochter waarschuwen, dat Frank hier is.” Deze wierp een dankbaren blik op haar, en drukte haar de hand, toen zij opstond; maar Wouter riep snel:

„Dat kan hij immers zelf wel, vrouw!”

„Ja!” riep Frank verheugd, en sprong op: „Waar is Maria, beste meester?”

„Moet het kind dan schrikken, Wouter?” vroeg Martha, en vervolgde: „Blijf hier, jongenlief, ik zal het haar gaan zeggen.”

De meester zweeg; maar Frank zag hem aan, en door zijn hoofdknikken moed vattend, hield hij Martha vast, en verzocht vriendelijk: „Laat mij gaan; Maria zal niet van mij schrikken.”

„Neen, Frank,” zei Martha, hoewel reeds half door zijn smeeken overgehaald. „Zij is in den hof, jongen, ga maar,” zei de meester glimlachend. Frank stond gereed, om van zijn toestemming gebruik te maken; maar hij bedacht zich, sloeg zijn arm om den hals van Martha, kuste haar, en zei smeekend: „Mag ik gaan, moederlief? Zeg...?” Toen verdween de ernst van haar gelaat, en zij boog het hoofd. „Gij wilt het wel...?” riep hij, en wilde haar uit dankbaarheid nog eens kussen; maar zij verwijderde zich lachend, en Wouter riep, terwijl de jonge man de kamer uitsnelde: „Breng dien kus maar aan Maria over; mijn vrouw wil hem niet hebben.”

„Hij is erg verliefd,” zei Martha, die naast haar man ging staan, om te zien hoe Frank pijlsnel over de plaats sprong, maar toen bleef staan, om Maria niet te doen schrikken.

„Hij is jong, Martha en wij zijn oud,” antwoordde hij, en toen zijn vrouw het laatste woord herhaalde, twijfelde zij er aan, vatte hij haar om haar middel. Zonder tegenspraak zette zij zich op zijn knie neer, en bood haar ronde wang tot kussen aan. Een oogenblik bewaarde hij het stilzwijgen, waarna hij ernstig zei: „Wij zijn ongelukkig geweest; maar door Gods goedheid kunnen wij nog veel vreugde beleven. Zie, al mijn wapenen en winkelgoederen, zelfs den geheelen Vergulden Helm zou ik willen geven, als wij Van Schaffelaar konden terugroepen; maar hij is dood; God heeft zijn ziel. Wij hadden Maria aan hem verloofd, omdat hij heel braaf was, maar niet om zijn rang en zijn goederen; waarom zouden wij haar dan weigeren aan den jongeling, dien hij zijn vriendschap waardig keurde? Wij vragen naar geen stand of rijkdom, als zij maar gelukkig is.”

Martha sloeg aangedaan haar arm om zijn hals en zei: „Hij is een brave jongen; de kinderen waren voor elkaar geschapen; maar wij bemerkten het niet. De arme Frank zag het te laat in, en onze Maria dacht, dat zij den edelman liefhad, totdat de Zwarte moordenaar haar zeide, dat zij nog niet beminde.”

Maria zat in den hof op een bank; de voorjaarsstormen, die lang hadden aangehouden, schenen eindelijk geweken te zijn; het was een schoone dag, en liefelijk scheen de zon op de nauwelijks ontloken bladeren der weinige boomen, die den hof versierden. Zij zat half verborgen achter een meidoornhaag, welke de bank omringde, een takje in de hand als om de bloempjes in de knoppen te bespieden; zij was in gedachten verdiept, en daar het een heilige dag was, werd zij niet door het kloppen en smeden in de werkplaats gestoord. Zij hoorde Frank niet naderen; maar de kleine Snip sprong onder de bank uit, den naderende luid blaffend tegemoet. Maria zag op, herkende den jongeling, en uitte een uitroep van verbazing, terwijl zij opstond en het takje liet vallen.

„Maria,” zei Frank aangedaan, terwijl hij haar hand vatte, „zet u neer, schrikt gij van mij……?

„O neen, Frank,” hernam zij zacht, en liet haar kleine hand, welke beefde, in de zijne rusten; „maar gij komt zoo onverwacht.”

„Ik heb de gave niet om aan mijn vrienden te schrijven, als ik kom, Maria, zei hij, en zette zich naast haar neer, „en wat ik vragen wilde, kon ook geen ander voor mij doen; een vreemde hand kan niet schrijven wat het hart voelt. Een krijgsman is geen meester van zijn tijd; met moeite ontwoekert hij een oogenblik aan den dienst van zijn heer, om het te besteden aan het bezoeken van zijn vrienden,” eindigde hij geroerd.

Maria nam haar hand terug, en Frank deed geen moeite om die vast te houden, hoewel hij zuchtte. Zij vroeg langzaam: „Heeft heer David u toegestaan om te gaan? Gij blijft immers lang……”

„Neen, Maria,” antwoordde Frank, het hoofd schuddend. Hij zag treurig voor zich uit en vervolgde: „Hij kan niet begrijpen, wat mij naar Amersfoort deed verlangen. Henri heeft gisteren mijn paard buiten de stad gebracht, terwijl mijn ruiters dezen nacht bij de Waard de wacht hadden; mijn knaap ontdeed mij van mijn wapens, en ik zwom door de gracht; mijn paard en mijn kleeren wachten mij. Het heilige feest, dat heden gevierd wordt, zal verhoeden, dat men mij mist, en voor den nacht ben ik weer terug.”

„Zooveel gevaren, o Frank, indien men eens bemerkte, dat gij uw post verlaten hadt?” riep Maria angstig en vouwde de handen.

Toen vatte hij haar hand, kuste die, en zei met geestdrift: „Geen nood, Maria, mijn ruiters waken immers; ik had het u ook niet moeten zeggen; uw vader weet er niets van. Maar het was zoo lang geleden, sedert ik u... sedert ik hier geweest was. Ik wilde vader Ralph ook eens opzoeken, en ik kon niet langer wegblijven; de zaken van heer David staan goed, en spoedig zal men den vrede sluiten.”

„Waarom dan zooveel gewaagd? Waarom niet gewacht?” vroeg het meisje, dat haar vrees niet overwinnen kon.

„Maria…… riep Frank en drukte haar hand. Zijn oogen flonkerden van liefde, en zij sloeg den blik neer. „Waarom, Maria?” vervolgde hij met vuur. „Ik wilde u zien, ik moest iets vragen aan uw ouders, aan u...! Mijn hart liet mij geen rust meer, al was mijn leven er mee gemoeid; ik moest spreken, en – ik ben gekomen.”

Zij bloosde en trok haar hand terug; zij beefde, en toch was haar gemoed overstelpt door een ongekende vreugde. Opnieuw vatte hij vurig haar hand, die zij hem niet weigerde; toen viel hij aan haar voeten neer, zag naar haar op, en zei vol gevoel en liefde: „Maria, de dag is eindelijk aangebroken, waarop zich dit hart zal ontsluieren: gij zult er in lezen, als gij wilt; uw hemelsch oog zal er uw beeld in zien, dat er reeds zoolang in gevestigd is geweest, – zult gij het eruit rukken...? O neen, het zou mijn dood zijn. – Maria, ik heb u lief; gij alleen bezit mijn hart: zult gij het verstoren? – O, bedriegen mij mijn zinnen niet, dan voel ik uw zachte hand sidderen in de mijne; zoudt gij mij beminnen? Maria, dierbare vriendin, lees ik wèl in die schoone oogen, den spiegel uwer ziel? Bedriegen mij die tranen niet, welke langs uw wangen vlieten? – Maria, gij bemint mij! – Maar gij schudt het hoofd,” riep hij treurig; „helaas, ik heb mij bedrogen, gij hebt hem alleen bemind, en nog bemint gij Jan van Schaffelaar. Moet ik er u niet nog meer om liefhebben? Bemin mijn weldoener; hij alleen was u waardig, ik verdien uw liefde niet, – ik zal weten te sterven...” „Frank...!” riep Maria verschrikt, en zweeg toen weer.

„Neen, ik zal leven,” vervolgde hij, treurig glimlachend, „maar hoor mij aan, Maria. Helaas, ik vraag niet meer om liefde, maar om gehoor; moogt gij het mij weigeren? Ik was nog een knaap, toen ik u het eerst zag; ik volgde den edelman, die mij tot zich had genomen, en ik had mijn eersten weldoener verlaten, die alleen over de heide zwierf. De herdersknaap moest eerbied hebben voor de dochter uit de Vergulde Helm, die zoo vriendelijk was tegen den gemeenen knaap. Ik leerde u beminnen, en later verbeeldde ik mij, dat nog steeds het bewustzijn van mijn geringen stand en mijn onbekende afkomst mij deed schromen, met u op gelijken voet om te gaan; maar het was de liefde, welke ik voor u voelde. Helaas, ik merkte het niet, voordat mijn weldoener mij met vreugde meedeelde, dat uw ouders zijn aanzoek om verkeering hadden toegestaan; toen was het te laat! Misschien nog niet; want de edele was zoo goed, zoo vol menschenliefde, en het gold mijn leven; maar ik twijfelde. Ik dacht dat ik u zou kunnen vergeten; maar ik wist niet, dat het onmogelijk was. – ik werd zijn vriend; mijn treurigheid, die ik niet verbergen kon, trof hem; hij dacht, dat de eerzucht mij kwelde, verhief de gemeenen knaap tot zich, den knaap, die hem beleedigde door u te beminnen, en die niet sterven kon van verdriet en berouw; helaas, ik was nog jong! Slechts éénmaal, Maria!” riep hij huiverend, „dreigde de liefde mij eer en dankbaarheid te doen vergeten; ik stond op het punt om alles te vergeten: het was toen ik u uit Utrecht redde. Gij siddert? O, uw bruidegom heeft het mij vergeven; wees ook gij genadig, Maria. Gij hebt gerust tegen de borst, waarin het hart klopte, deze arm hield u omvat; gij zelf klemde u nauwer aan mij, de booze geest vervoerde mij, mijn lippen bezoedelden uw rein voorhoofd, en hij – de vriend – dankte mij, toen gij in zijn armen rusttet, voor uw redding; hij wist niet, wat ik misdaan had, dat ik mij niet verheugde, toen hij u uit mijn armen kwam rukken, dat ik verstomd stond, toen ik hem herkende, – helaas, ik had gehoopt voor u te sterven, en ik moest blijven leven...”

„Maria, gij trekt uw hand terug, en gij weent; gij kunt mij niet vergeven, en toch deed hij het. Dezen morgen heb ik op zijn graf gebeden; ik wilde het doen, voordat ik hierheen ging; ik onderzocht mijn hart en durfde hopen. Het beminde u, maar tevens was het bereid zijn geluk op te offeren, indien het noodig was; ik voelde, dat de smartelijkste dood mij niet zou afschrikken, als ik ten koste daarvan, u uw bruidegom kon weergeven; zijn geest scheen mij toe te roepen: „Ga, mijn vriend!” – en ik ging...”

Hier zweeg hij. De aandoening verhinderde hem voort te gaan; zij beminde hem immers niet, en zij wilde hem zijn stoutheid niet vergeven; treurig liet hij het hoofd voorover vallen. Maria had hem aangehoord; ook zij had nagedacht over wat zij voor den jongen man gevoeld had; zij herinnerde zich ook, hoe de liefde binnen haar hart geslopen was; die vlucht uit Utrecht deed haar nog sidderen. Ook zij had misdaan, nog meer dan de vriend; zij was haar edelen bruidegom ontrouw geweest; zij verborg haar gelaat.

„Maria,” zei Frank somber en zonder op te zien, „zeg, dat gij het mij vergeeft, dat gij mij niet veracht. – Om den wille van onzen Heer en zijn heilige Moeder, laat mij niet zoo gaan...!”

Een oogenblik heerschte er een diepe stilte; toen riep Maria: „Helaas, Frank, ik kan u niet vergeven, – ik ben even schuldig als gij...!”

„Gij bemint mij dus...? Maria bemint mij, mijn God!” riep hij luid, terwijl hij opstond en haar in zijn armen sloot. „Bedriegt gij u niet?” vroeg hij zacht. „Heb ik goed gehoord, kan ik zoo gelukkig zijn? Gij mij beminnen! Dat is de hemel, die zich voor mij opent. O, zeg het mij gerust, o, spreek, bid ik u, – bemint gij mij, Maria...?”

„Ja, Frank...!” zei zij blozend en nauwelijks hoorbaar, en verborg haar gelaat aan zijn borst.

„Gij bemint mij dus? Mijn God, waarmede heb ik zooveel geluk verdiend! Zijt gij het, Maria, die ik in mijn armen druk? Rust uw hoofd wel tegen mijn borst? Ik kan het niet gelooven. O, herhaal het nog eens; mijn verstand begeeft mij; laat mij, laat mij uw lieve stem nog eens hooren, – zeg: ik bemin u, Frank!” Maria voldeed schaamrood aan zijn verlangen. „Ik bemin u, Frank,” zei zij. O, die woorden klonken hem zoo lieflijk in de ooren; zij drongen hem tot in de ziel door, en maakten hem zoo gelukkig; ……hij gaf haar den eersten kus der liefde. „Sidder niet, mijn liefste Maria,” fluisterde hij zacht, „gij bemint mij immers? Uw ouders keuren mijn stoutheid goed. Zij willen ons gelukkig zien; ik zal een vader en een moeder hebben; gij zult ze mij schenken met uw hand. Voor het eerst van mijn leven ben ik gelukkig; ik kende de vreugde nog niet; laat mij nu die blonde lokken kussen; gij bemint mij immers, – de heilige engelen hebben geen schooner lokken. Zie mij aan, laat mij de liefde uit uw blik drinken! Uw blauwe oogen zijn nog vol tranen, – maar het zijn tranen van geluk en liefde; laat ze mij wegkussen; uw moeder wil het wel; o, zij is goed, en ik ben immers uw Frank, en gij bemint mij.”

Een oogenblik zag hij haar vol liefde aan, terwijl haar hand rustte in de zijne; haar linkerarm lag vertrouwelijk op zijn schouder; haar hand werd bedekt door zijn ravenzwart haar, dat er golvend op neerhing.

„Gij zijt gelukkig, Frank……?” vroeg zij vol gevoel en hij antwoordde: „O, twijfelt gij daar nog aan? Uw liefde voert mij van den oever des grafs in het leven terug, en welk een leven! Leven om u te beminnen, om door u bemind te worden!” Toen vervolgde hij zacht n smeekend: „En toch, hoe gelukkig gij mij maakt, Maria, hoewel ik bijna sterf van geluk, kunt gij mij nog meer schenken. – Gij begrijpt niet, wat ik zeggen wil? Zegt uw hart het u niet? Ik vraag veel; maar denk, dat ik u bemin, u zoolang reeds liefheb... gij hebt mij mijn kus nog niet teruggegeven, Maria!”

Zij aarzelde; maar zijn arm sloot zich nauwer aan. Hij zag haar smeekend aan, en blozend voldeed zij aan zijn verlangen. Een poos zaten zij hand in hand zonder te spreken, en terwijl de tijd omvloog, waren zij zoo gelukkig! Toen zei Frank langzaam, maar ernstig: „Gij hebt mij uw liefde geschonken; dat woord bevat alles wat mij gelukkig maken kan; alles zal ik aan u verschuldigd wezen, en dat verheugt mij. Nu kan ik u zeggen, wat ik tot nog toe voor u verborgen hield, luister, bid ik u; maar bedroef u niet; hij heeft ons alles vergeven, en is gelukkiger dan wij; want de hemelsche vreugde duurt eeuwig... In dien nacht toen onze vriend mij zijn laatste bevelen opdroeg – helaas, kon ik denken die te zullen volbrengen? – toen was ik op het punt, om hem mijn liefde voor u te bekennen; maar hij sloot mij den mond; ik zweeg, ik wist niet, dat hij alleen sterven wilde. Hij zei, dat het hem gelukkig zou maken, indien hij kon verwachten, dat ik u zou kunnen liefhebben; maar hij dacht dat dat onmogelijk was, dat ik de Jonkvrouw of een andere vrouw beminde, en wilde mij niets opleggen, dat tegen mijn hart streed. O, Maria, hij heeft het mij vergeven, ik ben er zeker van, dat ik niet durfde spreken; maar zijn woorden maken, dat gij zonder schroom aan mijn borst kunt rusten, dat ik u mijn liefde heb durven bekend maken. Jan van Schaffelaar heeft u aan mij afgestaan: was dit zoo niet, nooit zou mijn mond u het geheim van mijn hart verraden hebben. Mijn weldoener ziet zegenend op ons neer, Maria!” riep hij, en strekte zijn hand ten hemel. ,.O, ik geloof het, Frank. Mijn hart zegt het mij,” zei zij weenend, „nooit heb ik zijn liefde verdiend; ik heb hem bedrogen; maar wist ik het? Nog is hij mij even waard, nog bemin ik hem als in het oogenblik, toen hij met mij neergeknield lag voor mijn vader. Doch ik beminde hem anders, dan ik u bemin, Frank. Ik achtte hem en schatte hem hoog; ik voelde echter die onrust, maar cok dat geluk niet, dat mij thans beheerscht. Ik heb hem nog lief, maar als een vriend en beschermer, een broeder: doch u bemin ik uit liefde,” eindigde zij en liet haar hoofd vol aandoening op zijn borst vallen. Hij kuste haar op het voorhoofd en zij vervolgde verlegen: „Gij hebt mij immers gezegd, dat gij mij reeds lang bemint, Frank. O, ik schaam mij het te zeggen; maar ik kan het zeggen tegen u: ook u behoort reeds lang dit hart; doch ik wist het niet; ik meende hem alleen lief te hebben, en toen ik het bemerkte, bad ik den Hemel dagelijks mij tot zich te nemen. Hij, hij beminde mij oprecht, en ik, o, mijn God, vergeef het mij, en gij ook, Van Schaffelaar, maar ik kon immers uw hand niet aannemen, daar een ander in mijn hart woonde.” Zij weende, en Frank troostte haar; hij herinnerde haar de edelmoedigheid van haar bruidegom en zijn laatste begeerte.

Toen Frank met Maria het huisvertrek binnenkwam, riep de meester vroolijk: „Ha, zijt gij daar, kinderen! Bij St. Eloy, indien mijn wijf mij niet had teruggehouden, was ik u gaan halen.” Frank kon niet zoo spoedig antwoorden, maar keerde zich tot Maria, die hij bij de hand leidde. Zij verschool zich blozend achter hem; hij sloeg zijn arm om haar middel, en voerde haar naar vrouw Martha, die haar naderde.

„Hier is Maria, moeder,” zei hij aangedaan, en legde het sidderende meisje aan haar borst.

„Bij St. Eloy!” riep Wouter lachend, „ik dacht dat gij een knapper vrijer waart! Ha, toen ik jong was... Binnen een vierde van een uur zei ik Martha, waarop het stond, en ik verzeker het u, dat zij...”

„Wouter!” riep Martha, eenigszins verstoord, terwijl zij Maria ter zijde nam en haar bemoedigend toesprak; zij zag met moederlijke vreugde, dat de kleur, al was het dan ook maar voor een oogenblik, op de wangen was teruggekeerd, en dat de tranen, die in de hemelsblauwe oogen blonken, aandoening en geluk verrieden. Zij schikte den halsdoek en de blonde lokken van haar dochter recht; zij had haar Maria weer bij zich.

„Nu, nu,” vervolgde Wouter, terwijl hij haar met de hand wenkte om te zwijgen, waarna hij vroolijk vroeg: „Zijt gij tevreden, Frank? Heeft zij de kus aangenomen, dien haar moeder niet hebben wilde...? Welnu, kunt gij niet spreken?”

,.Ja, meester,” zei Frank, terwijl hij hem de hand drukte. „O, ik ben zoo gelukkig; nooit had ik gedacht, dat zij mij zou kunnen liefhebben.”

„En waarom?” vroeg Wouter, en legde zijn breede hand op den schouder van den jonkman. „Gij hebt alle vereischten voor een vrijer, en zijt bovendien een krijgsman.” Toen vervolgde hij, zacht meesmuilend: „Haar moeder liet zich niet lang bidden; doch daarvan nader; de vrouwen luisteren scherp. Maria is altijd veel beschroomder geweest; heeft zij u dien kus wel teruggegeven? Of... bij St. Eloy, ik geloof, dat gij nog niet weet, hoe een jonge deern... Maar gij zijt bang dat zij het hooren, – ben ik de meester niet?” eindigde hij lachend, toen Frank hem met zijn oog bad om te zwijgen, en voordat hij verder vroeg, fluisterde Frank hem iets in het oor.

„O zoo, dan is het wel, jongen!” riep Wouter, en wreef zich tevreden de handen, waarna hij vriendelijk uitriep: „Is dat gesprek haast uit? Heeft de kleine Maria niets aan haar vader te zeggen?”

Het meisje lichtte haar hoofd op, keerde zich om, en snelde in de armen van haar vader. De smid drukte haar aan zijn borst, en zei, terwijl zijn oogen vochtig werden: „Ik dacht, dat gij mij vergat, Maria. En uw geluk verheugt mij zoo!” „O neen, vader!” riep zij. „Maar...”

„Nu, wees maar niet verlegen,” zei hij vroolijk. „Frank heeft immers met ons gesproken, en gij hebt welgedaan: hij heeft u lief.” Toen kuste hij haar en vervolgde aangedaan: „Gij zult nu gedurig kunnen spreken over onzen vriend, die thans bij God is; hij heeft u zijn vriend nagelaten en hem uw liefde vermaakt: wees gelukkig tezamen!”

Het huisgezin was reeds des morgens vroeg ter kerk geweest en bleef thuis. Frank moest tegen den avond vertrekken; maar wanneer hij weer zou kunnen terugkomen, was onzeker; de jongelieden waren zoo gelukkig, en de ouders zoo verheugd; zij dachten er niet aan om het huis te verlaten. Na den middag werd de kamerdeur geopend, en Dirk, die Frank nog niet gezien had, trad binnen. De jongeling stond op, om den eersten gezel van den meester te groeten. Het scheen, dat deze verwonderd was hem te zien, want, nadat hij Frank de hand gedrukt had, zei hij: „Meester...!”

„Wat wilt gij, Dirk?” vroeg Wouter, toen de gezel in zijn woorden bleef steken. „Niets meester...” antwoordde Dirk verlegen; „maar ik wilde u zeggen, dat er veel drukte is bij de straat; er loopen ook al rare geruchten.”

„Geruchten?” riep Frank verwonderd; doch hij vroeg niet verder, maar bleef in gedachten verdiept staan, en scheen ongerust.

„Nu, spreek dan op!” riep Wouter gemelijk, „ziet gij niet, dat wij geen tijd hebben om naar straatpraatjes te luisteren. – Wees maar gerust, Maria-lief!”

„Het is juist daarom, meester,” zei Dirk aarzelend. „Maar het moet er uit, – men zegt, dat er tijding is van Utrecht; heer Engelbert heeft dezen morgen de stad! verlaten, men mompelt, dat Utrecht gewonnen is...”

„Utrecht gewonnen!” schreeuwde Frank, terwijl Dirk vervolgde: „De Kleefsche rijzige ruiters keerden terug na de zege; van den toren kan men hen zien naderen.” Hier hield hij op; want Maria gaf een gil van angst, en Wouter riep toornig: „Domoor! Wilt gij haar vermoorden? – Maria! Dirk is mal, wees gerust! – Bij St. Eloy, Frank, hebt gij niets te zeggen? Troost het lieve kind!” „Maria!” riep Frank, en snelde op haar toe: „O, ween niet, waarvoor die tranen? Dirk heeft verkeerd gezien; Utrecht kan niet verloren zijn, ik verzeker het u; lach mij eens toe, Maria. Uw voorhoofd is koud, zie mij aan, gelooft gij uw Frank niet meer...

Zij zag om, toen hij haar kuste, en zonder zich om het bijzijn van den gezel te bekommeren, klemdc zij zich aan hem vast, en kuste het bleeke gelaat van Frank, die zich geweld aandeed om haar toe te lachen; zij toch alleen wist dat hij zijn post verlaten had.

Na cenigen tijd van beraad, besloot de meester met den gezel te gaan vernemen, wat er eigenlijk gebeurd was, en Frank, die zijn doodelijke ongerustheid niet verbergen kon, wilde meegaan. Maria en haar moeder wilden hem dit afraden; maar hij was doof voor haar smeeken.

„Moederlief,” zei hij aangedaan, „ik ga met den meester uit; ik hoop, dat wij goede tijding zullen meebrengen; beduid aan Maria, dat zij niet treurig moet zijn. – En gij, Maria,” vervolgde hij, haar kussend, „verontrust u niet; in elk geval keer ik met uw vader terug. Tot straks dan, mijn Maria. O, ween niet; het is immers een dag van vreugde, en uw droefheid breekt mij het hart. Toen legde hij haar in de armen van haar moeder, en volgde, den hoed in de oogen drukkend, den meester en den gezel, die hem reeds in de gang wachtten.

Wouter had berouw, dat hij Frank had toegestaan hem te volgen, zoodra hij den voet op straat zette. De geheele stad scheen op de been te komen; alles was uitgelaten van vreugde, en luid riep men de namen van den beschermvoogd van het Sticht en zijn vrienden uit; het volk toonde zijn blijdschap over de behaalde overwinning, terwijl het allerhande smaadredenen uitschreeuwde tegen den Bisschop, de Hollanders en hun aanhang. Wouter liet Frank naast Dirk voortgaan, en ondervroeg dezen en genen, die iets meer schenen te weten, waarna hij Frank trachtte over te halen om terug te keeren, hem het gevaar schetste, waarin hij zich zou bevinden, indien men hem herkende. Doch deze verwierp somber die uitnoodiging, en wilde weten, wat de meester, die zwijgcnd het hoofd schudde, vernomen had; maar het was vruchteloos, dat Wouter trachtte te verbergen wat er gebeurd was. Een Kleefsche rijzige ruiter kwam in vollen ren de Langestraat afrijden; zegevierend wuifde hij met zijn ijzeren hoed, om meer klem aan zijn woorden bij te zetten, en hij schreeuwde: „Leve heer Engelbert van Kleef! De bastaard is gevangen!”

„Ha!” riep Frank, terwijl hij het hoofd liet zakken, en Dirk hem bij den arm greep; maar niemand sloeg acht op hem. „Weg met de Bourgondiërs! De Bisschop is gevangen, hoezee! Leve St. Maarten!” riep het volk met toomelooze drift, terwijl de ruiter hen voorbijholde. Alles stroomde nu nog met meer spoed naar die zijde van de stad, welke naar Utrecht voerde. Langzaam volgde Wouter met den gezel en den ruiter, die doof scheen voor het geschreeuw, maar werktuigelijk met den volkshoop meeging. De Roode-Torenpoort was echter overkropt met nieuwsgierigen: de harnassen van de Zwarte en Kleefsche rijzige ruiters, die men over de hoofden heen zag, gaven te kennen, dat zij het volk verhinderden om op te dringen en de St. Joostenpoort te bereiken. Wouter stond stil en de menigte begon te morren. Toen riep een der bevelhebbers: „Ho, ho, menschen, dringt niet op, of wij zullen geweld gebruiken: de Bisschop is gevangen, een menigte wagens zijn in aantocht, en zullen spoedig hier zijn; heer Reijer van Broechuijsen voert hem naar het St. Aagtenklooster. Terug, voor den duivel! Ruiters, slaat er op, dat de lappen er afvliegen!”

Luide vreugdekreten verhieven zich aan alle zijden, en het volk stroomde terug om op een andere plaats gelegenheid te hebben hun heer gevangen te zien binnenvoeren. Ook de vrouwen drongen elkander voorbij: ieder wilde de eerste zijn. Frank stond met den meester en Dirk op den Singel, met den rug naar het water en tegenover den ingang van het St. Aagtenklooster; hij zag hoe een Kleefsche ruiter, met het ondereinde van zijn speer tegen de kloosterdeur stiet, waarboven het beeld van de heilige martelares Agatha in een kleine nis geplaatst was. Men wist nog niets in het stille huis van wat er geschied was; de zusters wisten niet welke voorname gast binnen haar muren zou worden gevoerd. Aarzelend opende de portierster de deur, maar nam de vlucht, zoodra de ruiter zijn speer daartusschcn stak.

Er heerschte hier een druk gesprek; doch men schreeuwde niet. Het gerucht liep, dat Montfoort en de andere gevangenen bevrijd, maar dat heer Hendrik van Nijveld met vele krijgslieden in het gevecht waren. In de verte liet zich het geschreeuw van de menigte hooren, die scheen te naderen; weldra vertoonden zich ook de ijzeren gedaanten van de rijzige ruiters, die voorafgingen; het geschetter van de trompetten zweeg bij tusschenpoozen, en dan verhief zich weer het geroep der menigte. Het krijgsvolk hield stil voorbij de kloosterdeur; nu zag men een wagen naderen, die door twee slechte paarden werd voortgetrokken. Langzaam naderde de kar, waarnaast zes Kleefsche ruiters reden; drie anderen volgden haar; heer Reijer van Broechuijsen reed vooruit. Toen verhief zich het geschreeuw: het was de welkomstgroet aan heer David in zijn eigen stad, in dat Amersfoort, waarbinnen hij voor jaren het eerst als Bisschop werd verkozen. Alsof het nog niet genoeg was, dat men hem gevangen had genomen, had men nog een mestkar tot voertuig uitgezocht. Daar zat de Bisschop op een handvol stroo; geen herdersstaf hield hij in de hand, geen schitterende mijter rustte op zijn hoofd, geen geestelijken in plechtgewaad gingen hem vooraf: hij was gevangen: alleen aan den dood van heer Hendrik van Nijveld, aan de bescherming van den burggraaf, had hij het te danken, dat hij nog leefde. Geen plechtgewaad, zelfs geen dragelijk kleed rustte op zijn schouders; de ruwe krijgsknechten, die de hand aan hem geslagen hadden, hadden hem van zijn opperkleeren beroofd; slechts zijn onderkleeren, die verscheurd waren, bedekten hem; met ontbloot hoofd had men hem uit zijn hof gesleurd en op de kar gesmeten. Hij zat voorover gebukt; zijn hoofd met de geschoren kruin rustte op zijn rechterhand; hij scheen het geschreeuw van zijn vijanden, hun verguizing niet te hooren; alles was voor hem als een droom: hij kon het nog niet begrijpen, dat David van Bourgondië, dat de Bisschop van Utrecht, de gewijde priestervorst, de zoon van Filips den Goede, gevangen was en ongestraft bespot werd. Toen de wagen stilhield, richtte hij het hoofd op, en zag om zich heen; zijn zwart en dreigend oog zag tusschen de krijgslieden door naar de menigte, en hun geschreeuw verstomde; zijn zwarte baard, die hier en daar reeds grijze haren telde, bewoog zich en hij sidderde van toorn en verontwaardiging.

Frank stond als vernietigd. Het kwam hem voor, als rustte de blik van zijn heer op hem, hoewel de meester vóór hem stond; de wanhoop greep hem aan; en toen Reijer van Broechtiijsen naast de kar reed, en de ijzeren hand op den schouder van zijn heer legde, wilde hij zich snel vooruitbegeven, dien edelman van het paard stooten, sterven voor zijn meester; maar de gezel hield hem vast. Vruchteloos trachtte Frank zich aan diens handen te ontrukken, vergeefs dreigde en brulde hij van woede. Het volk sloeg geen acht op hem! Het had geen oogen, geen ooren dan voor den gevangene; misschien hielden zij den jongeman voor een vijand van den Bisschop.

De druk van die hand scheen den priester tot in de ziel door te dringen; bliksemsnel vatte hij de hand en rukte haar van zich af, terwijl hij opstond. Het gerucht, dat het volk maakte, toen het door de krijgslieden werd teruggedreven om ruimte te maken, maakte, dat men de woorden van den Bisschop niet verstaan kon; maar Reijer van Broechuijsen week ter zijde, en zonder hulp steeg de Bisschop af. Hij hield het hoofd niet meer gebukt, maar hij ging met vasten tred, alsof hij in plechtgewaad naar het altaar trad, en of de wapenknechten van zijn vader hem nog omringden. Doch toen hij over den dorpel van het klooster trad, ving de menigte opnieuw aan hem te beschimpen; luider en smadelijker dan ooit was hun edelmoedig geschreeuw, en de gevangen Bisschop keerde zich om; het was alsof hij voor het altaar stond, en terwijl de gewijde kaarsen werden uitgebluscht, den herdersstaf neerwierp en den banvloek uitsprak. Zijn gelaat was streng, maar vol vuur, en met een krachtige stem, riep hij donderend: „Ik vloek hen, die de hand aan mij geslagen hebben, – ik vloek hen, die Gods knecht verguizen, – vloek over hen, die den gewijde des Heeren verlaten hebben.” De spotternijen en schimpredenen bestierven op de lippen der sidderende menigte, toen hij omzag en sprak; een doodelijke stilte heerschte er; een enkele kreet liet zich echter hooren, toen hij, na het uitroepen van de laatste woorden, in het klooster verdween.

Reijer van Broechuijsen liet de trompetten steken, en Wouter zei tot degenen, die vroegen wie de jonkman was, dien hij en zijn gezel bewusteloos wegdroegen:

„Het is een burgerzoon uit Kampen, menschen. Hij is ziek, maar wilde toch eens gaan kijken; het zal hem duur te staan komen. Laat mij er door, maak toch ruimte, menschen!” en terwijl hij Frank hielp wegdragen, ontving de menigte, die van den schrik weer bekomen was, met smadelijk gelach de kar, die nu het klooster naderde, en waarop meester Dirck Utenweert gezeten was.

908SR15.gif (1832 bytes)

Barneveld – 5. Vierde dag – PerrolInhoudopgave OltmansDe bisschop en de schaapherder

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)