J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DEEL II – HOOFDSTUK IV.

WALSON.

Hoe ik mij wreken wil! bij God! het zal hem rouwen,
Gij zijt mijn regterhand, ik wil het u vertrouwen
Dat hij mij hoonde. Ha! men zal mij leeren kennen,
Ik wil ten strijde gaan, den vreemden wal berennen.
Z. VAN BERGH Gz.

D.gif (3307 bytes)en volgenden dag zat het hoofd der Zwarte Bende met zijn waardigen luitenant, den ridder Walson, in de kamer, welke hij in de Vergulde Helm bewoondde; het vuur brandde fel; want Perrol was kouwelijk, en een kan wijn stond op de tafel, die voor den schoorsteen geschoven was.

„Men spreekt dus nog wel eens over dien verwaanden knaap?” vroeg Perrol, terwijl hij dronk en zorgeloos den beker nederzette.

„Nu en dan, Messire,” antwoordde Walson, „maar ik geloof, dat de heeren, die zoo vroolijk met u uit de groene Ridder, afreden, naderhand verwonderd zijn geweest, hoe gij hun zoo spoedig hun bespottelijke stroefheid hebt doen vergeten.”

„Ha!” riep Perrol lachend, „zij kunnen den beker niet laten staan; en als mijnheer satan bij mij aan tafel zat, en maar niet weigerde om te drinken, dan geloof ik, dat ik hem bij den neus zou kunnen leiden.”

„Ho, ho, Messire, dat is wat sterk; ik ben de duivel niet, en toch zou ik het wel tegen een Tempelier durven aannemen: maar de heilige Vader heeft hen waarschijnlijk laten uitroeien, omdat ze zijn wijn uitzopen,” zei Walson en lachte.

„Zeer wel mogelijk, Walson,” hernam Perrol, die vervolgens meer ernstig zei: „Maar op mijn eer, zij zullen zien, dat ik meer kan dan drinken en spelen of mijn man nederleggen! De reden waarom ik u ontboden, en mijn heele bende hier vereenigd heb, is, dat ik voornemens ben Naarden te verrassen.

„Naarden?” zei Walson verwonderd, „daarvan heeft de Burggraaf mij niets gezegd.”

„Dat geloof ik gaarne,” antwoordde Perrol, „want ik ben het zelf nog niet eens, hoe en wanneer ik het doen zal. Had ik iets van de zaak gezegd, Walson, er zouden duizend zwarigheden zijn gemaakt; en ging het waagstuk door, (want een waagstuk is het), welnu, dan zou zich een ander misschien de eer er van toeŰigenen, die ik en de Zwarte Bende alleen willen hebben. Daarom heb ik slechts aan Montfoort, die op mijn raad het dorp Eemnes heeft laten versterken, dat ik bezetten zal, om van daar in de gelegenheid te zijn gedurig strooptochten in Gooiland te doen, gezegd, dat ik u hierheen liet komen, om een tocht in ’s vijands land te doen; maar ook niets meer. Indien het mij dus gelukt, zal ik toonen, dat Perrol alleen met zijn ruiters oorlog kan voeren, en met niemand den buit of de eer behoeft te deelen; en mislukt het, welnu, wij beiden zullen alleen weten, wat eigenlijk het doel was.

Walson opperde eenige bedenkingen; maar Perrol antwoordde, dat hij hem voordat de avond viel, zijn plan geheel zou ontvouwen en zijn laatste bevelen geven.

„Ik heb wat te stellen gehad met de deern, op wie die Van Baerbergh zoo verzot was,” zei Walson lachend, een oogenblik daarna.

„Hoe zoo, gij meent immers de Zwarte Aleida?” vroeg Perrol onverschillig.

„Ja, met die schoone spreekster,” zei Walson. „O, het is een lieve deern, doch die niet zeer tam is. Begrijp eens, Messire, zij viel mij telkens lastig met allerhande vragen; zij wist niet, waarmee zij u beleedigd had, en waarom gij haar zonder afscheid te nemen, verlaten, en onvriendelijke boodschap achtergelaten hebt, dat, indien zij de stoutheid had u te volgen, gij haar door uw ruiters, evenals de gemeenste vrouwspersoon, uit Amersfoort zoudt laten jagen. Ik dacht, dat zulk een meisje u hier den tijd wat aangenamer moest doen doorbrengen.” „Heb ik haar dan niet in de zorg van mijn luitenant aanbevolen?” zeide Perrol lachend, „ik sta alle rechten op haar aan u af.”

„Zeer verplicht, Messire,” hernam Walson, het hoofd schuddend, „maar zij is onhandelbaar, zooals ik gezegd heb; en voor het overige ben ik niet zeer gesteld op de liefjes die u niet meer aanstaan.”

„Ho, mijn edele Brit,” lachte Perrol, „hebt gij de moeder van de Zwarte Bende vergeten? Gij zijt niet altijd zoo keurig geweest.”

„Gij bedoelt Ganita,” zei Walson, en zag Perrol aan; en toen deze riep: „Zwijg, bid ik u, gij brengt mij die heele verdoemde geschiedenis weer in het geheugen,” begonnen zij te schateren van het lachen.

Perrol echter, die het eerst zijn vroolijkheid staakte, omdat zijn blik op den rooden handschoen viel, dien hij droeg, zei: „Maar begrijpt gij dan niet, Walson, dat ik niet zou kunnen hopen, het hart van Maria te veroveren, indien de zwarte spreekster hier kwam, om mij met haar bekoorlijkheden te vervolgen?”

„Ha, zit het hem daar!” riep Walson; „de heer Van Middachten heeft toch al genoeg kans om uw fraai strijdpaard te winnen; ’t is jammer van Hector; hij kost u zooveel geld. Maar hoe staat het met de liefdesgeschiedenis hier?” eindigde hij lachend en dronk.

„Wel, hoe zou het staan,” zei Perrol gemelijk. „Wat helpt het mij, dat zij mij niet meer wantrouwt en zich door mij laat bedriegen! Voor den duivel, wie heeft ooit een knappe meid gezien, die zoo weinig eerzucht bezit als zij? Bij alles wat men haar zegt, blijft zij zoo koud als een steen; dat heeten ze hier deugd. Vertel haar van feesten, van dans en snarenspel, beschrijf haar de prachtigste kleederdrachten, en alle eerbare vermaken – doch alleen de eerbare, Walson,” vervolgde hij lachend; „want anders zou zij u voor den duivel aanzien, en voor altijd hadt gij haar vertrouwen verloren – welnu, al die moeite is vergeefsch: men dankt en luistert met genoegen; maar vraagt gij, of zij ook geen lust gevoelt om zoo te schitteren, en al die grootheid te zien, dan antwoordt zij onnoozel: „Neen!” Verdoemd, ik geloof, dat zij alleen leeft of behagen schept om evenals een gemeen wijf haar huishouden te verzorgen en te bidden, met een vogel of een hondje te spelen, of bloemen aan te kweeken; en gij moet Maria bewonderen en prijzen, als gij haar, om haar bespottelijke eenvoudigheid, naar den duivel wenscht. Reeds dadelijk toen ik hier kwam, verveelde mij dat gemaal met die bloemen, en ik knakte in het geheim een roos, waarbij zij elken dag eenige uren doorbracht; ik gunde die bloem den tijd niet om af te vallen, en meer dan vijf dagen had zij roode oogen,” eindigde hij, en lachte vol minachting.

„Maar, bij mijnheer St. George en Oud-Engeland!” riep Walson, „waarom zoekt gij ook zulk een stuk marmer te verwarmen? Is de aanvoerder der Zwarte Bende dan geen meester in dit huis, en in geheel Amersfoort, om zoolang den verliefde te spelen? Neem den burcht, dien gij vergeefs tot de overgaaf tracht te bewegen, met storm in. Waarlijk, Messire, ik herken u niet meer; is zulk een deern, omdat zij schoonheid bezit, waard, dat gij u eenige moeite om haar geeft? Neen! Maar zoo gij aarzelt om geweld te gebruiken, waarom weet ik niet, ha, ha, Messire, laat haar dan een drankje geven en het marmeren beeld zal vol verlangen aan uw voeten neervallen; gij kent immers de wijze, hoe het bereid wordt, en hebt er menige weerspannige vrouw of onwillig meisje gelukkig door gemaakt?” En zijn handen wrijvend, lachte hij luid.

„Neen!” riep Perrol met drift, „ik voed geen vrees om hier iets met geweld te ondernemen, wat geef ik om de burgerij of de belachelijke bezorgdheid van Montfoort, die altijd weifelt. Reeds heb ik een sleutel van de kamer, die zij bewoont; hoewel zij thans bij haar moeder slaapt; maar geweld baat mij niet, evenmin zou het middel helpen, dat u zoo doet lachen. Neen, Walson, was zij door een of ander middel de mijne geworden, dan zouden er tranen vergoten worden; het zou blijken, dat het duifje onschuldig was, hoewel zij haar onschuld verloren had, en de blaam viel alleen op mij; de oude gek, die hier biechtvader is, zou alles wel weten te plooien. Ik verloor toch mijn Hector, en de edele heer Van Schaffelaar zou haar wel naar zijn ellendig huis voeren, als ik het niet verbrand had; want hij is zoo goed, zegt Maria, en hij zou zeker zoo nauw niet zien,” eindigde hij lachend.

„Maar wat wilt gij dan?” vroeg Walson; „wat voor hoop hebt gij om te slagen?”

„Ik heb nog hoop,” zei Perrol somber. „Hoor, Walson, was het mij alleen te doen om Maria, die schoon is, maar boven wie ik de dartele Aleida verkies, dan was mijn begeerte reeds vervuld, op mijn eer, dat was zij. Maar zij moet mij liefhebben, en mij vervolgen met haar liefde, evenals die ribaude; ik moet haar in Utrecht vertoonen, vroolijk en opgeruimd aan mijn zijde, zonder schroom of schaamte, evenals de spreekster het doen zou, – dan is het strijdpaard van Van Middachten het mijne. Doch wat scheelt mij Hector. Ik ben aan dat paard gehecht; maar ik zou geen woede gevoelen, als ik het verloor. Maar die Van Schaffelaar, die niet als Van Baerbergh, half beschonken, maar nuchter, mij beleedigde, – die verwaande ruiter, die den Bisschop afried mij in dienst te nemen, mij dwarsboomde, vˇˇrdat hij mij gezien had, – en mij een huurling van den paap noemde – dien moet het hart bloedig worden opengereten. Wanneer Maria dan als mijn bijzit rondzwerft, – dan zal hij het uur en zichzelf verwenschen, dat hij mij hoonde, – ha, dan zal hij gevoelen, wat de wraak van Perrol zeggen wil. Het arme kind is schoon en bevallig, en misschien spijt het mij van haar; maar alleen met Maria kan ik mij wreken. Verkwijnt hij dan van smart, dan zal hij mij leeren kennen, hij, dien men uit mijn handen verlost heeft; en als hij dan de vrouw, met wie hij dacht te leven, zoo diep verachtelijk ziet, dan zal mijn moeite dubbel beloond zijn. Is eenmaal zijn ongeluk volmaakt, is alle deugd uit haar hart weggevaagd, dan stoot ik Maria van mij, werp haar weg, evenals dit glas, en dan – beroep ik mij op het zwaard!” Bij deze woorden wierp hij het drinkglas, dat hij in zijn hand hield, op den haardsteen aan duizend stukken, en lachte woest. „Maar het zal een lang gevecht zijn, – ik verzeker het u; – want met elken bouw, dien hij mij toebrengt, zal ik hem een spotternij toeduwen, en het laatste, dat hij zal hooren, zal een uitroep van geluk zijn en de naam van zijn gewezen bruid. Ha, hij zal zoo gemakkelijk niet sterven als heer Coene!”

Walson had hem zonder verbazing of afgrijzen aangehoord; maar waarom zou hij zich ook verwonderd hebben? Hij kende het hoofd der Zwarte Bende sedert jaren; daarom riep hij verheugd: „Waarlijk, Messire, ik herken in u den oude weer; vergeef mij, dat ik een oogenblik getwijfeld heb. Bij mijnheer St. George en den duivel! dat zal den edelen ridder zeer doen. Maar hoe zult gij dit bereiken, hebt gij een talisman gevonden?”

„Neen!” riep Perrol, „die dingen, welke zooveel waard zouden zijn, vindt men niet meer! Maar de oude pater, die mij verschrikkelijk verveelde met zijn, zoo hij dacht, geleerde praatjes, welke ik met oplettendheid moest aanhooren, heeft mijn hoop op een goeden uitslag van mijn voornemen geheel verlevendigd. Onder meer zaken vertelde hij mij, dat er een halve dag reizens van hier een aarden schans is, volgens zijn zeggen woont tegenwoordig in deze anders geheel verlaten Hunnenschans een verschrikkelijke tooverkol.”

„En wat verwacht gij van haar?” vroeg Walson.

„Een minnedrank, die even krachtig zal werken als een talisman en maken, dat Maria mij niet met afschuw zal ontwijken, zooals zij doen zou, als ik uw raad volgde, maar integendeel voor altijd met een onoverwinnelijke kracht zich aan mij hechten zal,” zei Perrol opgewonden.

„En gelooft gij dan waarlijk aan de bekwaamheid van dat wijf?” vroeg Walson; „ik vrees, Messire, dat de verdoemde tooverheks u niet anders zal geven, dan wat gij op mijn raad niet gebruiken wilt. Maar ik mag het lijden, hoewel gij mogelijk voor niets uw geluk zult wagen, door die dienares van den satan op te zoeken.”

„Ik geloof niet aan haar macht, maar wel aan haar kunde,” hernam Perrol ,.Ik voel geen vrees voor mijn geluk of mijn zaligheid; maar ik vertrouw, dat zij in staat zal zijn mij te geven, wat ik verlang. Ik heb niet zoo’n gedachte van haar als gij, mijn edele Brit! Waarom zou zij dan geheel haar leven versleten hebben met kruiden en planten te zoeken, met het vooruitzicht om vroeg of laat verbrand te worden, indien zij ze niet leerde kennen?”

„En wanneer wordt die minnedrank gehaald, Messire?” vroeg de luitenant.

„Binnenkort, Walson,” antwoordde Perrol; „ik denk zoo spoedig als onze tocht naar Naarden is afgeloopen. Ga nu eens zien, hoe het volk zich gedraagt, en of de wapens en paarden behoorlijk verzorgd worden; dezen avond verwacht ik u.” De luitenant stond op, zette zijn hoed op en vertrok, terwijl Perrol, die in het vuur staarde en kwaadaardig grimlachte, hem nariep: „Wees zoo goed, Walson, Vidal bij mij te zenden; hij moet mij kleeden, want ik moet nog ver wezen, eer gij weer hij mij komt, en zal u dan iets naders van Naarden kunnen zeggen. „De heks moet mij bijstaan en de weddenschap helpen winnen!” riep hij, toen hij alleen was. „Maria verwerpt mijn liefde en toch mistrouwt zij mij niet; mijn voorzichtigheid en haar engelachtige goedheid, die mij haar zou doen achten, indien ik er haar niet om verachten moest, hebben den kwaden indruk weggenomen, die mijn daden op haar gemaakt hadden; maar zij bemint mij niet en zal mij nooit liefhebben. Gedane zaken nemen geen keer: de tijd keert niet weer, anders zou de Schaffelaar niet verwoest zijn; mijn mond zou haar bruidegom niet gezegd hebben, welk lot zijn bruid wacht; ik zou hem zelfs hebben gewaarschuwd, dat men hem te Utrecht op het spoor was, in plaats van hem in het Land van Belofte te laten opzoeken: dan lag Maria misschien nu reeds in mijn armen. – Ha, ik heb mijn eigen wraak verwoest!”

908SR15.gif (1832 bytes)

De biechtvaderInhoudopgave OltmansDe gevangenis

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)