J.F. OLTMANS (1806 – 1854)

DE SCHAAPHERDER

DERDE DEEL. – HOOFDSTUK V.

WESTBROEK.

Daar ligt hij, die nog korts, vermetel,
Zich waande aan Jupiter gelijk!
Hij ligt gebliksemd van zijn zetel,
Stuiptrekkend, worstelend in ’t slijk.
J. F. HELMERS.

D.gif (3307 bytes)e verslagenheid, die in Utrecht heerschte, toen het innemen van Eemnes bekend raakte, is niet te beschrijven. Deze voorpost van het Sticht, dien men als onneembaar geschouwd had, was bezweken. De verbinding met Amersfoort werd verbroken, want de volgende dagen werden Baarn en Soest door den vijand, stout door de bepaalde overwinning, plat gebrand, en de mannen van den ridder Petit Salazar deden strooptochten, tot vr de poorten van Utrecht. De burggraaf van Montfoort trachtte vergeefs de krachten van zijn vrienden en partijgenooten te vereenigen, om zich, in de hoop op een goeden uitslag, tegen den vijand te keeren; de bemoeiingen van den bisschop hadden zijn invloed verzwakt; er was een partij, die naar een anderen aanvoerder omzag, wien zij aan de burgerij, als geschikter dan de burggraaf, voor zulk een post aanwezen. De schuld van de verovering van Eemnes door den stadhouder, werd aan ridder van Montfoort geweten; velen die zich zijn vrienden genoemd hadden, en vroeger zijn lof, met de gevulde schaal in de hand, hadden uitgeschreeuwd, verzetten zich nu tegen zijn plannen, ten beste van het algemeen ontworpen, en de ondankbare burgerij vergat, dat zij onder zijn aanvoering bij de Vaart de overwinning bevochten had.

Op den heiligen Kerstavond deed jonkheer Engelbert, broeder van Jan, hertog van Kleef, zijn intocht in de stad. Het volk stroomde hem tegemoet, en ontving hem met blij gejuich. onder het luiden der klokken, terwijl de lichten op de torens brandden.

Hij nam zijn intrek in het Bisschopshof; de zaal, waar de overwinning bij het blokhuis met den beker in de hand gevierd was, was weer gereedgemaakt om den aanzienlijken stoet te ontvangen, en ieder verdrong zich hier om den jongeling, die Utrecht redden moest, en zoo spoedig mogelijk als voogd en beschermheer zou worden gehuldigd. Met edelen zwier en blij gelaat ontving hij de dienstaanbiedingen der aanwezigen, en voelde de zwaarte van den last nog niet, dien hij, onbezonnen, op zijn jeugdige schouders genomen had.

Zij, die weleer hier bij den burggraaf te gast waren geweest, waren allen tegenwoordig. En echter ontbrak: het was de te vroeg gevallen Coene van Baerbergh. Wellicht was er maar n man in de zaal, die zich hem herinnerde; misschien was het zijn dood, die voor een oogenblik een genoegelijken grimlach op het sombere gelaat van Perrol deed verschijnen, toen hij den drempel overschreed. Wat deze man gevoeld en geuit had, toen hij het onschuldige slachtoffer van zijn gruwelijke wraak en praalzucht niet gevonden had, laat zich genoeg gissen. De listige Froccard, die terstond inzag, dat Frank, hoe wist hij echter niet, haar bij haar vlucht geholpen had, beriep zich sidderend op zijn onschuld; ja, het stelde hem gerust, toen de ruiters, door hem afgezonden, onverrichterzake terugkeerden; indien Perrol gewaar geworden was, dat de ruiter, die hem had willen vermoorden, losgelaten was, dan zou zijn woede niets meer ontzien hebben. De woorden van Froccard vonden weinig geloof; de verzekering echter van Vidal, dat deze niet alln bij Maria geweest was, dwong hem te gelooven, dat de ellendeling ditmaal de waarheid zei. Toen daalde de storm op het hoofd van heer Loef neer, die, hierop voorbereid, met bedaardheid en in zachte bewoordingen zijn beschuldigingen weerlegde, terwijl Reynoud op last van zijn vader het stilzwijgen bewaarde. Teleurgesteld en bedrogen, stond Perrol in twijfel wat te doen, en zijn hand naderde meermalen de greep van zijn zwaard. O, had hij slechts kunnen nagaan, of zijn ruiter en knaap, of heer Loef en de zijnen hem verraden hadden, dan zou nog dien eigen nacht zijn moordlust in het huis Oosterweerd gewoed hebben; maar hij wist niet, op wien zijn vloek te laden. Hoewel hij de man niet was, om iemand te ontzien, die hem beleedigd had, was hij toch te voorzichtig, om zijn wraak op te offeren; en Reynoud huiverde, toen hij hem lachend aan zijn vader vergeving hoorde verzoeken voor zijn te driftige bewoordingen, en hem hoorde zweren, dat hij den man wel ontdekken zou, die hem het meisje had ontroofd, en zich op hem zou wreken, al was het over honderd jaar. 

908SR15.gif (1832 bytes)

De dag die op de komst van jonkheer Engelbert volgde, was door alle geloovigen plechtig gevierd: het was een dubbel heilige dag geweest voor ieder, die de terugkomst van den verdreven herder van het bisdom niet wenschte, en alles liet zich aanzien, dat de kerkdienst op den tweeden feestdag, die tevens aan den heiligen martelaar Stephanus gewijd was, niet minder prettig zou verricht worden. Maar toen de klokken van de bedehuizen het volk naar het altaar riepen, veranderde plotseling het plechtige gebom der klokken in een noodgelui, en de angstkreet ging van mond tot mond: „De vijand, de vijand! Westbroek staat in brand!” De eerste ingeving deed de burgers naar de muren en torens snellen, maar weldra wapende men zich. Men had de inneming van Eemnes vergeten; zij, die er door den vijand waren gevonden, leefden niet meer; de burgers herinnerden zich slechts hun overwinning aan de Vaart; de bekkens werden geslagen, de banieren en wimpels ontrold; en zonder iets anders te raadplegen dan hun moed, snelden zij buiten hun wallen. Ieder vreesde te laat te komen, en daardoor de schande op zich te laden om alleen achter te blijven, zonder deel te hebben aan de overwinning. Wat de onvoorzichtige burgerij slechts voor de brandstichtingen van een stroopende bende aangezien had, was helaas een met overleg beraamd plan. Ook in het leger was de tijding van de komst van den nieuwen beschermheer aangekomen, en de ridder Petit Salazar had besloten van de afwezigheid van den Stadhouder gebruik te maken, „om”, zooals hij zei: „den Klevenaar het Kerstfeest te helpen vieren.

Het plunderen en in brand steken van het dorp Westbroek en de kerk was het voorspel; het uit hun hinderlaag te voorschijn springende krijgsvolk was de verrassing, en de ontknooping bestond in den aanval van alle zijden op de onvoorzichtigen, die zich roekeloos gewaagd hadden. Het droevig spel werd volkomen uitgevoerd volgens de berekeningen van den loozen krijgsman.

De aanvoerder der Zwarte Bende, die in het eerst ook gedacht had, dat het weer een der gewone strooptochten van de Oostenrijkers en bisschoppelijken was, had, toen hij nadere berichten ontving, aan zijn rijzige ruiters bevel gegeven om op te zitten. Geen van zijn mannen was zonder verlof den naar buiten snellenden drom gevolgd: de strenge krijgstucht, waaronder zij stonden, had hen teruggehouden. Perrol liet zijn ruiters, die te voet gingen, en de nieuw aangeworven mannen achter, en verliet met het overige deel van zijn bende de stad, met de heimelijke hoop, dat Van Schaffelaar bij het leger zou zijn.

Van alle zijden kwamen hem weldra de vluchtenden tegemoet, en gaven hem op zijn barsche vragen geen of kort antwoord; doch toen hij den St. Anthoniedijk was opgereden, liet hij er van tijd tot tijd een door zijn ruiters staande houden, om te vernemen, wat hij weten wilde; maar geen hunner antwoorden voldeed aan zijn verlangen, en toch ging hij nog verder. De Zwarte Bende vormde als het ware een ijzeren gordijn, waarachter de vluchtenden zich konden verbergen; dr, waar Perrol stond, had de vlucht, maar ook de vervolging een einde. Hij, die de Zwarte Ruiters bereikte, was gered; want de vijand oordeelde het voorzichtiger om niet verder te gaan.

Perrol stond iets meer vooruit dan Vidal, en met den rug naar zijn mannen van wapenen en den dijk gekeerd; zijn paard bewoog moedig den kop bij elk schot, dat er viel, terwijl zijn meester in somber nadenken verdiept was. Honderden burgers en krijgslieden lagen over het gladde ijsveld en op de wegen, gedood en uitgeplunderd, terwijl het laatste hoopje een wanhopigen tegenstand bood, in de hoop zich er door te slaan; n woord slechts, en zijn ruiters openden hun den vrijen aftocht, maar dit tafereel van moord en ellende had geen invloed op zijn hart, dat alleen naar wraak dorstte. De vlammen, die zich in de verte bij tusschenpoozen in het smeulende dorp verhieven, deden hem alleen denken aan de felle vorst, die zijn voeten in den stijgbeugel deed verstijven. Hij beloofde zich wel den braven Hoogduitschers, die het kerkhof hadden ingenomen, en den ridder Petit Salazar, die zijn kwartier had aangevallen, dit duur betaald te zetten, maar de wraak moest snel en volkomen wezen; evenals bij Eemnes, moest er, op zijn hoogst genomen, n ontsnappen, om hun aller dood aan te zeggen. Maar bedroog zich zijn oog niet? Naderde daar niet met een lossen teugel een ruiter? Kende hij dien wapenrok, dien vederbos niet? Neen, hij bedroog zich niet; dat was er een van de bende van Van Schaffelaar, en de hoop herleefde in zijn hart. De ruiter rende, zonder naar vriend of vijand te zien, naar zijn zijde; een oogenblik verdween hij in het gewoel der strijdenden, in den damp van het buskruit. Doch daar ziet hij hem weer; hij behoort tot de Schaffelaars; hij draagt hun gladgeschuurde wapenrustirig; hij komt dichter bij; maar nu houdt hij zijn paard staande, en schijnt adem te halen; zijn oog loopt onverschrokken langs de rij Zwarte Ruiters. Nu vestigt zich zijn blik op den aanvoerder, die als een standbeeld blijft staan, daar hij hem niet kan herkennen, hoewel zijn helm open is, en vloekt, omdat hij de hooge en edele gestalte van Van Schaffelaar niet terugvindt. De ruiter richt zich in den zadel op, en schreeuwt met woeste vreugde: „Perrol met de Roode Hand!” want hij had den man gevonden, dien hij zocht.

De aanvoerder bewoog zich niet, hoewel zijn wapenrusting trilde, en zijn paard, dat hij met zijn knien drukte, beefde; hij las de wraakzucht en de vreugde in de fonkelende oogen van den man, die dezen naam genoemd had. O, was het Van Schaffelaar geweest, zijn stem zou hem met dezelfde uitdrukking van vreugde den een of anderen scheldnaam hebben toegeschreeuwd; nu echter riep hij somber: „Ha, sluipmoordenaar, zijt gij daar? Komt gij mij den handschoen aanbieden van den heer Van Schaffelaar, of zendt de ellendige lafaard u hier om mij te vermoorden?” en hij lachte verachtelijk.

Frank, want hij was het, liet een uitroep van verontwaardiging hooren, terwijl Perrol zich bedacht, of hij hem door zijn ruiters onder den voet zou doen schieten; maar Frank liet hem den tijd niet, en antwoordde luid: „Indien Van Schaffelaar niet ver van hier was, zou hij zelf gekomen zijn, om den moordenaar en maagdenroover ter aarde te werpen; hef de Roode Hand op, bij St. Maarten, want ik dring op u in.” Na deze woorden sloot hij zijn helm, trok zijn zwaard, en gaf zijn paard de sporen.

Perrol sloot zijn helm niet, maar hij vergenoegde zich zijn zwaard te trekken, dat in zijn vuist geklemd, omlaaghing en met de punt den grond raakte. Zijn ruiters, die zwijgend, maar vol aandacht gadesloegen wat er gebeurde, zagen niet de minste beweging in de gedaante of het paard van den aanvoerder; hij liet zijn schild op den rug hangen; alleen de roode pluim bewoog zich bijna onmerkbaar.

Frank naderde snel en wilde langs de rechterzijde van Perrol rijden; toen hij dicht bij hem was, hief hij met beide handen zijn zwaard hoog op. Nog stond Perrol onbeweeglijk, alsof de woorden van den ruiter hem versteend of zijn arm verlamd hadden, en een grimlach vol minachting vertoonde zich op zijn bruin gelaat. Een onrustige beweging liep door de rijen der Zwarte Ruiters heen en sommigen velden hun speren, doch toen het breede, lange zwaard op den zwarten helm zou neerdalen en reeds begon te zakken, lichtte Perrol bliksemsnel zijn staal op, en sloeg het zwaard van zijn vijand, dat reeds tot op twee voet af stands van zijn hoofd genaderd was, terug. De vonken sprongen uit de lemmers, die te sterk waren om te breken. Hoewel Perrol zijn zwaard slechts met n hand vasthield, draaide het wapen in de handen van den jongen ruiter; het ontviel bijna aan zijn handen, die door de kracht van den slag bijna ontwricht werden. Een uitroep van smart ontsnapte aan de borst van den braven vriend van Van Schaffelaar; zijn paard, verschrikt door het flikkerende wapen, dat langs hem was gesneld, stond stil en hij hief, in den stijgbeugel opstaand, nog eens zijn lang zwaard op om Maria te wreken; maar toen het boven zijn hoofd verrees, daalde het wapen van zijn vijand, die zijn paard een weinig van plaats had doen veranderen, met kracht en vastheid neer; het drukte het lemmer van Frank omlaag, en trof toen met een slag, die als een hamer op een aambeeld klonk, den gesloten helm. De jongeling werd op den zadel neergedrukt; zijn zwaard ontviel aan zijn handen, en als wilde hij zijn paard niet verlaten, bleef hij nog een oogenblik onbeweeglijk zitten, en viel toen tusschen zijn paard en dat van zijn vijand in. Zijn wapenrusting rammelde, en de grond dreunde, toen hij er op neerkwam; het klonk alsof men een metalen standbeeld uit zijn nis neerwierp, en even onbeweeglijk als het ontzielde metaal, bleef hij roerloos liggen. Geen uitroep van smart of drift was aan zijn mond ontsnapt, toen de Roode Hand hem getroffen had; was hij dood, dan had zijn vijand hem niet den tijd gelaten, om met stervende lippen den naam van Maria voor de laatste maal uit te spreken.

Een grimlach vertoonde zich op het gelaat van Perrol. Hoewel hij den ruiter had neergeslagen, dien hij haatte, daar deze een vriend van Van Schaffelaar was, en hem aan den arm gewond had, voelde hij toch geen voldoening over deze overwinning, welke hij op den gemeenen jongen, want zoo beschouwde hij Frank, behaald had; de roekeloosheid, waarmede hij dezen had laten naderen, ontsproot alleen aan minachting en vertrouwen op eigen krachten. Maar het deed hem toch genoegen, dat hij eens had kunnen beproeven, of zijn hand hier in deze noordelijke landen haar kracht niet verloren had; tweemaal sloeg hij met de punt van zijn zwaard tegen den helm van Frank; maar toen deze zich niet vervoerde, stak hij zijn wapen op. De ruiters, die een eindje vooruitgereden waren, dwongen nu hun paarden, om weer in de rij terug te keeren; weer verhieven zich de speren, en Perrol, die ontstemd omzag, riep toornig: „Per moio!” zijt gij uw leven zat, knapen, om u te durven vervoeren zonder mijn bevel? Nog eens, en het zal voor het laatst zijn 1”

Vidal was niet genaderd, toen de tegenpartij van zijn heer viel; maar deze riep hem, na zich een tijdlang bedacht te hebben, en gelastte hem Froccard te roepen. Een oogenblik daarna reed deze voor hem en boog.

„Gij verstaat genoeg van de heelkunde, dat gij mijn vijanden kunt verzorgen, zei Perrol spottend: „zit af, en zie eens of er nog leven in is, of dat het een kreng is,” eindigde hij lachend.

Froccard voldeed aan zijn verlangen, opende den helm van Frank, rukte den handschoen van zijn rechterhand af, en antwoordde eindelijk: „Hij zal nog kunnen leven, om te voelen wat sterven is; maar dan moet men hem verzorgen, Messire!”

„Het is een werk van barmhartigheid,” zei Perrol lachend, die op het gelaat van Froccard een duivelschen grimlach bespeurde. „Bij mijnheer St. George, ik vreesde, dat mijn hand te zwaar geweest was; neem hem op, voer hem stadwaarts; en roep hem in het leven terug; maar kies een andere poort dan de Waardpoort; daar is het nu te druk, en men zou hem kunnen herkennen; wacht zelfs tot het duister wordt. Gij zijt een goed meester om iemand te leeren sterven, zonder zelf een voorbeeld te geven; bedenk eens een nieuwe wijze, en gij zult goud hebben,” eindigde hij zacht, terwijl hij boosaardig lachte.

„Gij zult tevreden zijn, Messire,” hernam Froccard en boog; „ik zal veel geld ontvangen, indien ik beloond word, zooals ik het verdienen zal; gij zult veel genoegen smaken voor een weinig gouds, en hij......”

„Vertrek nu,” viel Perrol hem in de rede en maakte een beweging met de hand, die verachting te kennen gaf. „Sleep hem weg, en laat mij alleen.”

Froccard boog; de duivelsche lach verdween van zijn gelaat, en hij gehoorzaamde zonder een enkel woord te zeggen. Met behulp van twee ruiters, die hij riep, wierp hij Frank, die nog geen teeken van leven gaf, over het paard, dat beiden hadden vastgehouden, bond hem daarop vast, en reed toen langs de ruiters, die op een rij geschaard stonden, gevolgd door de twee mannen, die hem vergezellen moesten, met den ongelukkigen vriend van Van Schaffelaar op weg naar het dorp Blauwkapel.

Het gevecht had een einde genomen; reeds begon de avond te vallen, en slechts eenige kleine hoopen vijandelijk krijgsvolk bewogen zich nog hier en daar op de velden. Nu en dan viel er een enkel schot in de verte, als zij, die zich in het riet of elders verborgen hadden, te voorschijn kwamen. De vlammen van de smeulende huizen van Westbroek vormden een lichtpunt in de verte, en de Zwarte Bende stond op het punt om terug te keeren. Perrol liet de trompet steken, voordat hij vertrok, om een laatste uitdaging te doen, die, dat voelde hij vooruit, niemand zou beantwoorden. Hij bedroog zich echter.

Jan van Schaffelaar, die, nadat hij zijn bruid in veiligheid gebracht had, bij den Bisschop was ontboden, was juist op den dag van den aanval op Westbroek naar het leger teruggekeerd. Op de hooge landstreek die hij doortrok, had hij aan zijn linkerzijde den brand gezien, waardoor hij zijn weg veranderd had, en door de venen genaderd was. Later had het lossen van de handbussen en kolfroeren hem nogmaals, zelfs over het ijs, een weg, meer stadwaarts, doen inslaan; hij kwam echter te laat; het gevecht was geindigd. Toen klonken hem de snerpende tonen van den marsch der Zwarte Bende in het oor; hij bevond zich, zonder het te weten of te willen, met zijn knaap en de weinige ruiters, die bij hem waren, tegenover zijn vijand en diens manschappen.

Hij zag den rooden vederbos, die hoog boven alle helmen uitstak, vooraan staan, en gehoor gevend aan de inspraak van zijn hart, stond hij gereed Moor de sporen te geven, toen het beeld van Maria hem voor den geest zweefde, en hij bleef staan. Hun macht was zoo verschillend; kon hij dus vermoeden, dat Perrol geen misbruik van zijn overmacht maken en den tweestrijd niet weigeren zou? Maar het oog van den aanvoerder der Zwarte Bende zag scherper dan hij vermoedde; de wraakzucht gaf er de kracht aan van den adelaarsblik. Hij zag de ruiters op de vlakte rijden, en stilstaan; hij herkende den onbevlekten vederbos, rein en wit als de lelie des velds, en zijn stem klonk luid, terwijl hij met moeite zijn vreugde bedwong; hij riep: „Op, op, Schaffelaar, of heeft heer David u weer verboden een lans te breken?” Deze woorden maakten een einde aan de besluiteloosheid van Van Schaffelaar; zoo weinig was er noodig om hem de voorzichtigheid te doen vergeten. Perrol zag hem naderen en juichte; hij wilde zijn vijand nu niet laten gaan, zooals weleer in zijn legerplaats; sedert den val van Eemnes was zijn wijze van denken veranderd; de bruid of de bruidegom, ’t was hem hetzelfde, wie het eerst in zijn handen viel, als hij zich maar wreken kon. Deze dag zou gelukkig voor hem zijn; want al wat hij had moeten lijden, zou dan eindelijk vergolden worden; n slachtoffer was reeds in zijn macht, en het tweede naderde; ook dezen moest zijn arm neerwerpen, om hem dan onder begunstiging van den nacht, stadwaarts te sleepen. Hij alleen en de mannen, wier mond zich niet zonder zijn wil opende, zouden weten, waar zij gebleven waren. Van Schaffelaar was nu reeds in zijn macht; maar de Utrechtsche edelman moest tevens ondervinden, dat zijn moed en zijn krachten niets tegen de zijne vermochten.

De ruiters van Van Schaffelaar hielden op eenigen afstand stil; alleen hun aanvoerder naderde stapvoets, door zijn knaap gevolgd. Hierop hielden ook zij stand, en Henri gaf de speer aan zijn meester, waarna hij afsteeg, den buikriem aanhaalde, en den zadel en de verdere optooming van Moor bezag. Het paard was nog vol vuur, hoewel het een verren weg had afgelegd; gelukkig had het paard van Perrol, die zijn gewonen strijdhengst verloren had, door het stilstaan veel van de kou geleden. Van Schaffelaar was veel lichter gewapend dan zijn tegenpartij; doch zonder hieraan te denken, vatte hij zijn schild, dat op zijn schouder had gehangen, en wachtte, zonder iets te zeggen, met gerustheid, tot zijn vijand gereed zou zijn.

Vidal bewees zijn heer denzelfden dienst als de andere knaap. Perrol zag oplettend naar den man, die tegenover hem stond; hij kon zich er niet van weerhouden zijn edele gestalte te bewonderen, en de waardigheid waarmee hij, zonder een enkel woord te spreken, genaderd was; het was dus geen lafhartigheid, die Van Schaffelaar vroeger elke beleediging had doen verdragen; zou hij anders zich nu geheel in zijn macht gesteld hebben? Perrol voelde het, en wilde daarom des te meer den hoogmoed van zijn vijand fnuiken; toch zei hij grimlachend: „Het heeft u veel moeite gekost, om zoo ver te komen; ik had gehoopt u eerder te zien, leenman van St. Maarten!”

„Ik heb den vreemden huurling tevergeefs in Eemnes gezocht,” hernam Van Schaffelaar bedaard.

„Ha!” riep Perrol woedend, „dat woord nog! Vergeet gij, dat uw bruid mij alles eens zal moeten betalen? Dat gij in mijn macht zijt?”

„Bij St. Maarten! Zij en ik?” riep Van Schaffelaar met vuur, „haar geluk en mijn leven zijn in Gods hand en niet in uw Roode Hand!” Toen sloot hij zijn helm, en bevestigde het vizier.

„Ha, lafaard! Ik zal u en de heiligen, met wie gij strijdt, overwinnen. – Ter zijde, Vidal!” riep Perrol woest, die nu ook den helm sloot, zich vast in den zadel zette, en zijn paard de sporen gaf.

Van Schaffelaar velde op hetzelfde oogenblik zijn speer, en Moor snelde vooruit; de bruidegom van Maria, en de man, die haar reeds tweemaal in zijn macht had gehad, hadden elkander dan eindelijk ontmoet.

Perrol, die op het oog, in de verte gezien had, dat de speer van Van Schaffelaar niet zoo lang was, als die welke Vidal voor hem gereed hield, had daarin weer iets gezien, dat in zijn voordeel was, en hij schroomde niet er gebruik van te maken. Voordat de speer van Van Schaffelaar hem bereikte, zou de zijne dezen reeds tegen den helm treffen, en hem van het paard, of met paard en al op den grond werpen. Hij liet dus zijn schild voor zijn borst hangen, omdat zijn linkerarm hem na de ontvangen wonden, niet sterk genoeg voorkwam, om het te voeren, en hij zijn paard op den harden grond met juistheid wilde besturen. De berekeningen van Van Schaffelaar gingen zoover niet; hij hield zijn schild gereed; in vertrouwen op den vasten voet van Moor, liet hij zich aan diens leiding over en vertrouwde naast God, op de hulp van mijnheer St. Maarten en de deugd van zijn wapens.

Juist toen de punten van de speren elkander kruisten, liet Van Schaffelaar zijn speer zakken; die van Perrol richtte zich bijna gelijktijdig op; met gelijke snelheid stortten de paarden vooruit, en de harde grond dreunde. Daar klonk een vreeselijken vloek uit den zwarten helm; het paard van Perrol versnelde plotseling zijn vaart, omdat zijn berijder het de sporen gaf, toen het op een bevroren plas of op een weggeworpen wapenstuk dreigde uit te glijden; de lange speer gleed af over den gladden helm van Van Schaffelaar, die bijna onmerkbaar het hoofd boog. Het schild van Perrol hing het meest naar de linkerzijde, de minder lange, maar sterke en buigzame speer van Van Schaffelaar trof zijn vijand naast het rechter schouderstuk; op hetzelfde oogenblik kreeg Moor de sporen, terwijl de teugel hem den weg wees. Perrol ontving den schok van al de voortstuwende kracht, welke het zware paard aan de speer had bijgezet; toch bleef hij bijna recht in den zadel zitten; de Roode Hand liet de speer vallen en tastte naar het zwaard. Een woeste kreet verried wat Perrol voelde, maar het was te laat; niets had de kracht van den stoot gebroken, en de aanvoerder der Zwarte Bende werd met paard en wapenrusting ter aarde geworpen. Zoo ontwortelt de orkaan den reusachtigen eik, als hij dien niet kan buigen of breken.

Stomme verbazing trof de Zwarte Ruiters; die van Van Schaffelaar hieven hun wapenkreet aan. Toen de gevreesde Perrol daar lag neergeworpen, niet ver van de plaats, waar vr weinig tijd Frank gevoelloos was neergevallen, ging er een oogenblik verloren, voordat Moor en zijn meester hun gewone houding hernomen hadden; zoo sterk was de schok geweest, zooveel weerstand had Perrol geboden, dat Van Schaffelaar waarschijnlijk zou zijn gevallen, indien zijn vijand was blijven staan, tenzij de speer gebroken was.

Van Schaffelaar velde nu zijn speer, om den vijand, hoewel deze roerloos lag, aan den grond vast te rijgen; om de laatste levensvonk uit dat lichaam te drijven, dat anders weer vol kracht, en bezield met vreeselijke wraakzucht, vr hem kon verschijnen, om voor eeuwig de hand tot rust te doemen, die zooveel bloed had vergoten. Even onverzoenlijk als Perrol, moest ook hij zijn; de schim van Van Baerbergh scheen hem te gelasten toe te stooten. Hij zocht de plaats reeds met zijn oog, waar het puntige staal het harnas zou binnendringen, toen plotseling twee knapen den aanvoerder naderden, die hoewel gevallen, als het ware nog in den zadel zat, en Vidal wierp zich over zijn meester heen.

Zelfs de moordenaar vindt een trouwen vriend in zijn hond; hij weigert niet het brood aan te nemen, of zich te laten streelen door de hand, die met onschuldig bloed bevlekt is, en als zijn rotgezellen hem verlaten, vindt hij in hem nog een verdediger. Terwijl al de zwijgende werktuigen van zijn driften als verlamd stonden, omdat hij gevallen was, die hen met zijn stem en bevelen in beweging moest brengen, snelde de trouwe knaap toe, om zijn leven ten koste van het eigen te verdedigen, zelfs op gevaar af zich voor een doode op te offeren, wiens bevelen hij zoo dikwijls met afgrijzen uitgevoerd of overgebracht had.

„Terug, Vidal!” riep Van Schaffelaar, die niet meer dan n der beenen, de helmpluim en een gedeelte van den zwarten rok van den aanvoerder zien kon: maar de knaap scheen niet op zijn vermaning te letten. Toen naderde Henri, die te laat gekomen was om den aanvoerder te bereiken, om hetzelfde staal, dat vroeger gedropen had van het bloed van den Brit, nu te verven met dat van Perrol zelf; vol gramschap had hij het korte wapen in de scheede teruggestooten en zijn zwaard ontbloot. Zonder op de speer acht te geven, wachtte Vidal hem, half liggend, half opgericht, af, en hield hem de scherpe punt van zijn lang zwaard voor, of sloeg dat van Henri terug. Tevergeefs liep deze vloekend en stampvoetend om hem heen; als een aal bewoog de knaap zich in alle richtingen, zonder het lichaam van zijn heer bloot te geven, en men hoorde niets dan het krassen der rustingen, het gemor van Heintje en het geluid der slagen, die Vidal hem toebracht; Perrol en zijn paard bewogen zich niet.

Toen riep Van Schaffelaar nog eens: „Ter zijde, knaap, of mijn speer zal u doorrijgen; zijn doodsuur heeft geslagen; hij moet sterven – terug!”

Heintje staakte zijn aanval en schudde met het hoofd; hij gaf den moed op, om den knaap van het lichaam van zijn meester te verdrijven. „Stoot toe, Heer, en laat mij dan begaan,” zei hij snel en wraakzuchtig; de speer verhief zich, en naderde toen. Een oogenblik bleef de keus onbepaald; zou de punt tusschen de ribben of in den geopenden helm dringen? Vidal wantrouwde de rust van zijn bestoker, zag naar den ruiter, wierp zich meer voorover, omdat het hoofd van zijn meester niet genoeg gedekt was, en wachtte, naar het scheen, gelaten den stoot af; zijn vuist sloot zich vast om den greep van zijn zwaard. Maar daar zweefde het beeld van Maria tusschen hem en Van Schaffelaar; zij scheen dezen toe te roepen: „Het is Vidal, van wien ik u vertelde; zult gij uit verlangen naar het bloed van dat ondier, dat van den man doen stroomen, die zijn plicht doet, van den eenigen onder hen, die met uw bruid begaan was? Zal uw arm een anderen keer, als Perrol nog leeft, minder sterk zijn? Zal de Hemel ook dan niet over mijn edelen bruidegom waken? In Gods naam en ter liefde van uw Maria, schenk den knaap genade.”

Toen rees de speer, die Van Schaffelaar stond gereed zijn knaap terug te roepen, die nu weer op Vidal wilde aanvallen; maar deze, die den mond nog niet had kunnen openen, kreeg eindelijk het spraakvermogen terug, en riep luid:

„Op, op, mannen van wapenen! – Op, op, voor Perrol!” en een woest geschreeuw volgde op zijn woorden; de mannen van wapenen velden hun speren, en stortten voorwaarts met al de snelheid van hun hengsten. Van Schaffelaar sprong met zijn paard terug, terwijl Henri zich in den zadel wierp. De ruiters met de witte vederbossen antwoordden vol moed, en snelden toe tot bijstand van hun aanvoerder; maar toen Vidal, de aanvoerder der Zwarte Bende en diens paard reeds tusschen de Zwarte Ruiters, die hun gelid geopend hadden, verborgen waren, en Van Schaffelaar met zijn wapenkreet den zwarten ijzeren drom tegemoet wilde snellen, toen de edelen bruidegom van Maria niets overbleef dan met de zijnen met roem te sterven, toen verhief de stem van Vidal zich weer even luid en krachtig; het: „Staat, mannen van wapenen! Staat voor Perrol!” klonk snel en duidelijk, en de Zwarte Ruiters gehoorzaamden. Verbaasd over de nederlaag van hun aanvoerder, beschouwden zij met ontzetting den krijgsman, die hem had overwonnen, en een naderende hoop vijandelijke voetknechten, wier aantal zij door de duisternis niet konden berekenen, benam hun allen lust, om het gevecht te beginnen.

Kort nadat heer Jan van Schaffelaar, die nog een oogenblik stand had gehouden, eerst stapvoets en daarna in den draf, zich met zijn ruiters verwijderd had, werd de aanvoerder der Zwarte Bende onder zijn paard weggehaald en naar de stad gebracht, zonder dat hij eenig teeken van leven gaf. Zwijgend reden de Zwarte Ruiters vr en achter hun meester; het paard, dat hij bereden had, volgde het laatst, het liet den kop hangen, en stapte neerslachtig en bevreesd achter de andere strijdpaarden, die het de schande schenen te verwijten, welke de bende door zijn schuld had ondergaan; want zij sloegen met de achterpooten, en wendden kwaadaardig den kop om. Zonder trompetgeschal trok deze ruiterhoop de voorstad binnen. Vidal reed naast Rogardo; de aanvoerder lag vr hen op hun paarden in zijn pelsrok gewikkeld, en een kreet van blijdschap ontsnapte aan de borst van den trouwen knaap, toen hij, terwijl zij de Waardpoort door reden, meende te hooren, dat Perrol een zucht loosde, en Rogardo zacht tot hem zei: „Ik voel zijn hand zich krampachtig bewegen; ik geloof, dat de ijzeren handschoen het dolkmes zoekt; ik zeg het u, Vidal, de aanvoerder zal nog leven om zich te wreken!”

Toen de Zwarte Ruiters zich reeds in beweging gesteld hadden, om de plaats, zoo noodlottig voor hun aanvoerder, te verlaten, zonder dat hun trompetten opnieuw de uitdaging bliezen, begon een dichte sneeuw te vallen.

„Hebt gij hem gevonden, Wolf?” vroeg iemand, die, op een staf geleund, op het gehoor af scheen voort te gaan, en toen hij een hond naderde, die hem door een zacht gebrom scheen te willen roepen, en dezen bezig vond, om de sneeuw van een helm en een harnas af te krabben, veegde hij met zijn hand de witte vlokken van het gelaat van den verslagene af. Hij voelde de natuurliike warmte, welke misschien door de sneeuw niet geheel vervlogen was; maar toen hij de lantaarn, die hij in de hand hield, snel naderbij bracht, begon Wolf reeds kwaad te knorren, en Ralph (want het was de oude schaapherder, die hier onder de lijken naar zijn voedsterzoon zocht) riep treurig: „Dat is hij niet, Wolf, dat is mijn Frank niet!” De hond zag hem aan, en begon heviger te brommen, en de gekwetste man van den ridder van Salazar, die misschien door den warmen adem van den hond weer bijkwam, zag verwonderd en verwezen op; hij herkende dien hond, welke hem dreigde bij den keel te vatten, evenals den ouden schaapherder. Tevergeefs trachtte hij zijn arm op te lichten, of zich om te wentelen: want schrik en verbazing vertoonden zich op zijn gelaat, dat reeds door den dood bevangen scheen; het eenige dat hem overbleef, was het half gebroken oog te sluiten. Ralph trok den hond terug, en zei: „Sterf in vrede, zoo gij kunt,” en ging met Wolf verder.

Na een eind touw aan den halsband vastgemaakt te hebben, moedigde Ralph Wolf opnieuw aan om zijn zoeken voort te zetten, en de hond gehoorzaamde driftig. Aan het begin van den St. Anthoniedijk, scheen hij besluiteloos welke richting te volgen; maar spoedig trok hij zijn meester, steeds den neus langs den grond houdend, naar het dorp Blauwkapel. Enkele keeren stond hij stil; dan haalde Ralph, die met moeite zijn hond in bedwang kon houden, weer adem, totdat Wolf het rechte spoor teruggevonden had.

De oude schaapherder verwijderde zich in de sneeuw en de duisternis, evenals een blindeman, die door zijn hond geleid wordt, en men zag het licht van de lantaarn nog nu en dan in de verte, toen de man van Salazar reeds opnieuw door het witte doodskleed bedekt was.

De ruiters, die Frank vervoerden, gingen stapvoets tot aan het dorp Blauwkapel; de huizen waren alle gesloten; de inwoners waren met hun goederen van waarde naar de stad gevlucht, of hadden zich in de hooibergen en schuren verborgen. Eenzaam verlaten stond de kruiskerk met haar blauw leien dak; de blauw geschilderde deur was gesloten, en de vrees voor den vijand had zelfs den priester van het altaar doen wijken: menschenvrees zou de heilige verborgenheden van de mis op dezen plechtigen dag hier niet doen vieren.

De mannen van Perrol sloegen den Blauwkapelschen weg in, die van het dorp naar de stad leidde, doch niet voordat zij de deuren van een paar huizen hadden opengebroken, om eenige goederen te rooven, en om levensmiddelen te bemachtigen, en volgden den weg tot aan de Lazaruswetering, gingen toen links af, en hielden eindelijk stil bij de overblijfselen van een woning, welke niet alleen onbewoond, maar reeds vroeger door den vijand in de asch scheen te zijn gelegd. Zij reden de plaats op, waar vroeger de deel geweest was, zaten af, en zochten een deel van de woning op, waar een overhangende zoldering of een gedeelte van het dak, dat nog overgebleven was, eenige beveiliging tegen de kou en den wind aanbood, bonden hun paarden vast en legden een vuur aan, waarna Froccard zijn makkers wegzond, om in en om de vernielde woning te zien, of er zich ook menschen ophielden, die, evenals zij, in dit afgelegen oord een schuilplaats gezocht hadden.

Hij trok zelf den jongen ruiter, die nog geen teeken van leven gegeven had, dichter bij het vuur, ontdeed hem van zijn helm, en gespte zijn borstharnas los, voelde toen met zijn vingers over het hoofd van Frank, die nog geen huivering verried over de hand, welke zijn zwarte haren doorwoelde, nam vervolgens een kleine flesch van geslagen koper, die aan zijn zadel had gehangen, en goot een gedeelte van den wijn die er nog in was, in den mond van den man, aan wiens leven hem zooveel gelegen was. Maar evenals het wrijven der slapen van het hoofd van den ongelukkige, was dit vruchteloos. De ruiters keerden nu terug, zonder iets te hebben gevonden dan eenige stukken hout, die zij meebrachten, en naast het vuur neerwierpen; toen ontblootte Froccard, door hen geholpen, den linkerarm van Frank, nam zijn dolk en opende hem een ader, en het bloed sprong uit den gespierden, blanken arm. Een glans van genoegen vertoonde zich op het valsch gelaat van den gewezen monnik, omdat hij den ongelukkige een zucht hoorde loozen; misschien zag hij met vreugde het warme bloed, dat zijn dolk had doen vloeien, en haastte zich daarom de wond te sluiten; de ruiter moest niet zonder krachten voor Perrol gebracht worden, maar sterk en in staat om een langzamen dood te sterven.

Frank wist niet wat er met hem gebeurd was; hij ontwaakte als uit een langen slaap, toen zijn bloed vloeide; alle deelen van zijn lichaam schenen te tintelen, en het was of er een zware last op zijn hoofd drukte; hij voelde, voordat hij de oogen kon openen, dat hij in het leven terugkeerde, zonder nog te weten, wat hem in dien staat van verdooving gebracht had. Hij bemerkte, dat hij met zorg behandeld werd, en dankte, nog voordat hij hem zag, den man, die hem verzorgde: de warmte van het vuur was hem welkom. Maar hoe veranderde opeens alles, toen hij de oogen opende, en het gelaat van Froccard gewaar werd, die zijn blik stijf op hem gericht hield. Het aanschouwen van dit monster riep alles in zijn geheugen terug; hij voelde nog den slag van het groote slagzwaard; het was alsof het nog op zijn hoofd drukte, en zonder dat hij wist, wat hem te wachten stond, scheen hij er iets van te vermoeden. De zorg om hem opnieuw te doen leven, door een Froccard aangewend, en in dit eenzame oord, zei hem genoeg, en zonder een woord te uiten, sloot hij, onder het loozen van een bitteren zucht, de oogen weer.

Froccard was nu gerust; hij wist, dat de ruiter niet sterven kon, zonder dat hij het wilde, en gelastte aan zijn makkers hem de handen en voeten te binden. Terwijl de vriend van Van Schaffelaar op eenigen afstand van het vuur lag, plaatsten de drie ruiters zich daar omheen. Wel begon de avond reeds te vallen, maar Froccard begreep, nog niet naar de stad te moeten gaan, en deelde aan zijn makkers, wier inborst hij kende, een plan mee, dat hij ontworpen had, en dat hun een goede som geld zou opleveren. Na eenige tegenwerpingen, vooral daar geen hunner de uitvoering op zich wilde nemen, stemden zij er in toe; te meer daar Froccard tot hun verwondering er in bewilligde, om zelf dien last en dat gevaar op zich te nemen.

Men zou namelijk Frank voorstellen, hem te laten ontsnappen tegen een goeden losprijs, die van te voren moest worden betaald, en hem het verzoek, om deze som voor zijn verlossing te betalen, met zijn teeken te laten bekrachtigen.

Frank was te veel in zijn gedachten verdiept, om iets van hun gesprek te hooren, al had hij de vreemde taal gekend, welke zij gebruikten; hij had een poging aangewend, om zijn vrijheid terug te krijgen, toen zijn krachten teruggekeerd waren; maar zijn bewakers hadden goede voorzorgen genomen; de koorden van zijn handen en voeten waren niet los te rukken. Gelaten gaf hij zich dus aan zijn noodlot over; de gedachte dat Maria in veiligheid was, en dat hij haar gered had, maakte hem ongevoelig voor het gevaar, dat hem boven het hoofd hing; zij verplaatste hem weer met haar op den eenzamen weg en op het voortrennende paard.

Froccard stoorde hem in deze gedachten van het verleden; toen hij de oogen opende, zat deze naast hem, en herinnerde hem, dat hij in de handen van Perrol gevallen was; hij schetste hem met de verschrikkelijkste kleuren het lot, dat hem te wachten stond; wat hij zei was uit zijn mond z natuurlijk, dat Frank door een huivering bevangen werd. Froccard merkte grimlachend op, hoe alleen de beschrijving reeds den ruiter in de ziel greep; wat zou het dan zijn, als het oogenblik van het lijden daar zou wezen! Hij ging dus, vol vertrouwen op zijn vreeselijke overredingsmiddelen, voort, met Frank te beduiden, dat zij gemakkelijk konden voorwenden, dat hij door vijandelijke ruiters verlost was, en stelde hem voor, een geschrift te teekenen, waarbij aan Van Schaffelaar of de jonkvrouw Van Rijn dringend verzocht werd het losgeld te betalen, teneinde hierdoor aan den vreeselijken dood te ontkomen.

Toen de valschaard zweeg, zag hij met genoegen, dat de jonkman zich bedacht; hij twijfelde geen oogenblik, of deze zou zich laten misleiden; hij verheugde zich reeds met de teleurstelling van den ruiter, die, nadat de losprijs was uitbetaald, toch naar de stad zou worden gesleept; hij had hem, Froccard, eens bedrogen, door Maria te verlossen, en nu wilde hij hem den angst betaald zetten, welke hem in den nacht, toen hij door Perrol ondervraagd werd, gefolterd had. De krachten, die opnieuw het jeugdige lichaam van Frank gesterkt hadden, moesten hem den dood, vooral zooals hem die was voorgesteld, vreeselijk doen voorkomen; hij was immers nog zoo jong!

Maar kortaf antwoordde Frank: „Ik teeken niets! Handel met mij, zooals uw gevloekte meester bevolen heeft: ik vrees hem niet!”

Nog eens schilderde Froccard hem af, wat hem in Utrecht zou wachten, en eindigde, terwijl hij zijn dolk schudde, met hem valsch lachend te vragen, hoe hij dit alles zou doorstaan, daar een enkele slag hem reeds, gewapend zooals hij was, had neergeveld.

Toen richtte Frank het hoofd op, en zei bedaard en ernstig: „Gij hebt gelijk, ellendeling! Een enkele slag heeft mij neergeveld; maar hoewel ik niet overwonnen heb, zal ik bewijzen, dat ik den folterdood met moed zal ondergaan; en ik tart u en Perrol met de Roode Hand, een enkel verzoek om genade aan mijn mond af te persen, die zich niet zal openen dan om hem te vervloeken en te trotseeren. Wat u betreft, handlanger van zijn wraak, gij zijt te verachtelijk in mijn oog, om mijn toom op te wekken; laat mij met rust, verloopen monnik!” Hierop keerde hij zich om, teneinde den man niet meer te zien, die naast hem op de knien lag.

Een oogenblik stond Froccard als verpletterd; hij zag, dat Frank een vast besluit genomen had. „Ha,” riep hij daarna, vreeselijk lachend, „gij vergeet, dat ik wel kans zou zien uw teekening te verkrijgen, indien zij mij dienen kon; de punt van dezen dolk heeft reeds zooveel stijfkoppige zotten voor mijn wil doen buigen; later zult gij aan dit oogenblik denken; gij weet nog niet, hoe ik mij kan wreken!”

Hierna trad hij naar het vuur terug, en zei tot de ruiters: „De verdoemde zot wil niet; maar wij behoeven zijn toestemming niet, om zijn aanvoerder eenige veeren uit te plukken. Ik heb eens zijn handteekening zien staan onder een trouwbelofte, ha, ha, en het zou wel ongelukkig zijn, dat ik er niet genoeg van onthouden had, om haar op dit stuk papier te zetten, zoodat de duivel zelf er zich door zou laten misleiden.” Hij haalde schrijfgereedschap te voorschijn uit de beurs of tasch, die aan zijn dolkriem hing, begon te schrijven, en las hun eenige oogenblikken later den brief voor: deze luidde aldus:

„Den edelen, dapperen en gestrengen Heer Jan van Schaffelaar, Bendehoofd in dienst van den eerwaarden Vader in Gode, Heer David van Bourgondi, de vrede zij met u!

Om reden het den Heere behaagd heeft, uw ruiter Frank te stellen in de macht van Messire Perrol, bij u bekend, welke, helaas, bedacht is hem te behandelen naar de inspraak zijner driften, meer dan naar de inspraak van een vroom gemoed, gelijk de man, die u spreekt dit zeggen zal, zoo is het, dat wij, zonderling genegen, om uw vriend te redden, en door ingeving van den heiligen apostel St. Andreas u dezen toezenden, om te dienen tot getuigenis van waarheid, dat de man, die u spreekt, en twee anderen genegen zijn, hem vrij en frank te laten gaan tegen een losprijs, welken gij met hem zult overeenkomen en terstond betalen. De man van de Zwarte Bende neemt tot meerder bewijs den misericordium en den handschoen van uw vriend mee; het zal den brenger geloof doen schenken, die zich heeft laten vermurwen door mijn woorden, en die veilig komen en gaan zal met dezen brief, welken wij schrijven, in de hoop, dat de heilige apostel uw hart zal besturen om uw vriend te redden, die op u vertrouwende, zijn teeken naast het mijne gesteld heeft.

Geschreven in den avond van St. Stevens-dag.

Andries, Broeder in de Regulieren.

„Naast zijn naam,” vervolgde Froccard lachende, „zal ik nu het teeken van den verstokte zetten, dien gij niet uit het oog moet verliezen; helpt mij nu dat harnas afleggen, en de boerenkleeren aandoen, ha, ik verheug mij, hoe ik dien domoor bij den neus zal nemen. Eens, toen wij van Naarden aftrokken, heb ik den menschlievenden gek leeren kennen: een kind zou hem kunnen aanraken, zonder dat hij zich verroerde, en ik zal bij hem even veilig zijn, vooral met den brief, als in ons kwartier. Wacht mij hier, en gij zult mij met de gevulde beurs zien weerkeeren.”

Daarop trok hij het laatste kleedingstuk aan, gespte den riem toe, waaraan zijn zwaard hing, stak den handschoen en den dolk van Frank bij zich, nam nog een teug uit de bierkan, die bij het vuur stond, zette zich in den zadel, en verliet zijn makkers, die, toen hij vertrokken was, elkander hun verwondering te kennen gaven, over wat hij ging verrichten. Om de ontstemming van Perrol over hun late komst in de stad te ontgaan, kon men voorwenden, dat men uit vrees voor den vijand zich had moeten verbergen, of zeggen, dat de toestand van den gevangene gevorderd had, hem een ader te openen en een vuur aan te leggen; maar zij konden niet begrijpen, hoe Froccard, die de grootste, ja, de eenige lafaard van de bende was, den moed had, zijn hals in het vijandelijke leger te wagen. Zij wisten niet, dat de gewezen monnik, door geldzucht en arglist gedreven, vast vertrouwde op zijn sluwheid, terwijl zij alleen op hun moed en hun krachten steunden.

Een der ruiters toonde zelfs bevreesdheid, dat Froccard hen en den gevangene mogelijk aan den vijand zou verkoopen; hij was immers tot alles in staat. Was het daarom niet raadzamer den gevangene naar de stad te voeren, en Froccard met den losprijs te laten volgen? De ander daarentegen, hoewel hij zelf de mogelijkheid besefte van wat zijn makker vreesde, ried het af, daar zij zich dan voor altijd den haat van Froccard op den hals zouden halen, die door zijn listigheid, hoewel Perrol zelf hem niet mocht lijden, reeds zoolang bij de Zwarte Bende geweest was. Toch gebruikten zij de voorzorg om Frank wat dichter bij het vuur te leggen, en met den rok van Froccard te bedekken, waarvoor in ruil zij verzochten hun leven en hun vrijheid te sparen, indien hij ontzet werd. Het bevreemde den vriend van Van Schaffelaar, maar hij beloofde het hun, en dankte hen voor hun verzorging, zonder dat hij een poging aanwendde, om hen om te koopen: hij was reeds geheel voorbereid om te sterven.

Reeds geruimen tijd was Froccard vermomd vertrokken; en hoewel zij wisten, dat hij nog in lang niet terug kon komen, viel de tijd den ruiters lang in de eenzaam gelegen en verwoeste woning. Zij zaten ter weerszijden van het vuur, dat onder het overblijfsel van het dak was aangelegd; hun wapens en helmen lagen aan hun zijde, en zij hadden de leeren mutsen opgezet. De rook steeg met dichte wolken tot aan de zoldering op, en trok dan naar buiten. Frank lag een eind van het vuur; verderop stonden de paarden. De sneeuw, die sinds eenigen tijd viel, en waarvoor zij en de paarden beveiligd waren, hoopte zich gestadig een eind van hen af op, zonder dat het vallen van de witte vlokken eenig gerucht veroorzaakte. Aan de buitenzijde was de grond wit, zoover hij door het vuur verlicht werd; achter onder het afdak, waar de paarden stonden, was het duister.

„De kan is leeg,” zei de eene ruiter gemelijk, toen hij die weer neerzette, „en toch is zij nog zwaar – ik zou er, voor den duivel, niet graag van den een of anderen lompen boer een slag mee krijgen. Bastiaan, hoort gij daar buiten niets kraken?”

„Het zal een steen wezen, die valt, of een stuk hout, dat de sneeuw niet dragen kan,” antwoordde deze. „Ik weet niet of de duivel wijn tapt; ha, ha, anders zou ik hem aanroepen om de kan met ouden wijn te vullen.”

„Zie, daar dacht ik, dat de ruiter den zwarten rok oplichtte en zich bewoog,” zei zijn makker. „De Satan tapt geen wijn, Bastiaan!”

Op ditzelfde oogenblik sprong iets zwarts, dat zij niet onderscheiden konden, over Frank heen en bleef vr het vuur staan. Het scheen slechts een groote, ruige, Zwarte hond te zijn; maar zijn plotselinge verschijning gaf hem iets duivelsch. Hij likte zijn bek met bloedroode tong, en zag nu den een, dan den ander scherp aan met zijn flonkerend oog, dat hen scheen te dreigen. Was het satan of een van zijn afgezanten, die hier in dit verlaten gebouw vr hen verscheen, om aan hun verlangen te voldoen; of was het slechts een hond, dien de koude en de honger, gedurende den winternacht, door het veld deden zwerven?

Maar ziet, daar veranderde hij de richting van zijn oog, voordat zij iets konden zeggen; hij scheen nu in de vlam, of door deze in den rook te zien. Werktuigelijk draaiden ook zij het hoofd om, maar wie beschrijft hun schrik, toen zij een hooge, ruige gedaante, tegenover den hond, tusschen hen in zagen staan! Hij leunde op een staf, en uit zijn borst kwam een helder licht te voorschijn; het scheen onder zijn ruige haren te branden; een ontbloot zwaard hing aan zijn zijde, en tegen zijn ruige beenen. Twee grauwe en bliksemende oogen waren op hen gericht; een doodsche stilte bleef er heerschen, en geen twijfel bleef hun over, of het was satan zelf.

Maar nauwelijks hadden zij den tijd gehad om den hond te zien springen en de wilde gedaante te beschouwen, of deze lichtte bliksemsnel zijn staf op en riep: „Pak aan, Wolf!” en de ijzeren schop, die aan den staf zat, daalde met kracht op de leeren muts van een der ruiters neer. De ander, die door het geluid van de menschelijke stem zijn tegenwoordigheid van geest herkregen had, schreeuwde: „Vat den hond aan, Bastiaan!” en trachtte zelf den trouwen vriend van Ralph, die hem op den rug had geworpen, van zijn keel af te houden. De woede van den hond was zoo groot, dat hij hem met moeite weerstand bood, en geen tijd had om den dolk te trekken; maar toen daalde de ijzeren schop ook twee malen op zijn hoofd neer, en hij bleef roerloos liggen; zijn makker Bastiaan, die weer was bijgekomen, toen hij geroepen werd, en zich trachtte op te richten, viel opnieuw in zwijm, toen de onverbiddelijke staf van den schaapherder nog eens zijn schedel had getroffen.

„Pas op, Wolf!” zei Ralph toen bedaard, en trad snel naar den jonkman, die nog niet wist, dat hij gered was; wien het misschien moeite kostte, den last van het leven en zijn genoegens, waarvan hij afstand gedaan had, weer op zich te nemen; en de hond bleef als trouwe wachter bij het vuur. Met de stipste aandacht zag hij naar de twee mannen, die daar lagen, en zou bij de minste beweging, die hij gewaar geworden was, op hen toegesprongen zijn; maar zij verroerden zich niet.

„Zijt gij het weer, die mij komt redden, vader?” zei Frank aangedaan, toen de oude man, zonder iets te zeggen, den rok van Froccard van hem afgenomen en de touwen losgesneden had.

„Ja, Frank,” antwoordde de schaapherder bedaard; „over den nacht, de kou en de sneeuw beklaag ik mij niet, hoewel ik oud ben, maar over u beklaag ik mij. Wat hebt gij weer gedaan?”

„Ik heb het zwaard getrokken en mij laten overwinnen,” riep Frank somber. „Ik ben gevallen zonder eer; waarom wilt gij mijn lot veranderen? Waarom moet ik leven, Ralph! Met schande leven, daar ik toch eenmaal sterven moet! En ik was bereid...”

„Kind,” zei Ralph en schudde treurig het hoofd, terwijl hij hem aanvatte en hem hielp opstaan; „hebt gij mij daarom verlaten? Was de gemeene herdersjongen niet gelukkiger dan de vriend van den edelman? Is er geen middenweg voor u meer? Moet gij vermoorden of uzelf aan den dood prijsgeven? Kunt gij, krijgslieden, niet leven zonder bloed? – Frank, heb ik het u niet gezegd?” „Ja, vader, doch het is nu te laat!” zei Frank; maar toen de oude man den arm liet zakken, legde hij zijn hand op den schouder van den schaapherder, en zei langzaam: „Ik zal trachten te leven; uw zorgen zullen niet tevergeefs geweest zijn; doch ik verdien die niet. Maar zijt gij alleen gekomen, vader?” vroeg Frank snel.

,Ja, met Wolf,” antwoordde deze. „Daar bij het vuur liggen uw bewakers.” Toen zei Frank hem, dat er drie geweest waren; misschien was Froccard naar de stad of naar het leger gereden, dat wist hij niet; want hij had hem zelfs niet hooren vertrekken; de wapenrusting, die op den grond lag, bewees echter dat hij zich daarvan ontdaan had. Geen tijd werd er nu verzuimd om de paarden te voorschijn te halen; tevergeefs trachtte Frank Ralph over te halen om er een te bestijgen, waarna zij zich van de speren en andere wapenen der ruiters meester maakten; wat hem vrijwaarde voor alle achtervolging, zonder de mannen af te maken, die wel onbeweeglijk lagen, doch weer bij konden komen. Op eenigen afstand van de woning, wierpen zij de wapenen in alle richtingen weg, wel wetend, dat zij bij nacht in de sneeuw niet terug te vinden zouden zijn. Hierop nam Frank afscheid van Ralph, dankte hem nogmaals en de tranen kwamen hem in de oogen, toen de oude man hem in zijn armen sloot.

,.Het is wel, arme jongen,” zei hij vriendelijk; „maar spoed u nu voort! Bekommer u niet om mij; ik zal aan den Steenweg wel een onderkomen vinden. Rijd niet te hard en ziehier, uw zwaard terug; gij zult dus niet daarzonder terugkeeren.”

Toen steeg Frank, die zijn helm weer opgezet had, met moeite te paard, en zei ,Goedennacht, vader! De Hemel zij met u!” en verwijderde zich met de twee losse paarden. De schaapherder zag hem na, terwijl hij op zijn staf leunde, veegde met den ruigen handschoen, die zijn hand bedekte, zich de vochtige oogen af, en mompelde iets binnensmonds. Een schel gefluit klonk nu om de vervallen woning; Wolf, die nog op zijn bevel bij het vuur de wacht had gehouden, verscheen bijna oogenblikkelijk aan zijn zijde, en liep naar den Blauwkapelschen weg, steeds de lucht van het paard van Frank volgend; maar zijn meester riep hem, en nadat de hond en de man nog een blik op de woning geworpen, en nog een tijdlang geluisterd hadden, volgden zij de Lazaruswetering in een tegenovergestelde richting als Frank.

Toen Froccard terugkeerde, liet hij de geldstukken in de beurs klinken en riep spottend: „Daar ben ik reeds terug; had hij meer geld gehad, de druiloor, hij zou meer gegeven hebben; hij zei wel, dat Messire Perrol mogelijk niet in staat zou zijn om hem kwaad te doen, en vertrouwde op den bijstand van St. Maarten, doch niet genoeg om mijn voorslag te weigeren. – Maar voor den duivel, wat scheelt u toch? Verdient gij het geld niet gemakkelijk genoeg? Ik en mijn paard hebben alleen de moeite en het gevaar gehad.”

 De ruiters, die de een na den ander van de verdooving waren bekomen, waren slechts gebleven, omdat zij zonder hun paarden, hun wapens en den gevangene niet in de stad durfden komen. Er was hun niets overgebleven dan Froccard af te wachten, in de hoop, dat hij een middel zou weten uit te denken, om hen voor strenge straf te beveiligen. Zij ontvingen hem norsch en zonder vreugde; zelfs het geld scheen geen invloed meer te hebben op hun gemoed; zij verhaalden alles wat er gebeurd was. Hevig schrok de booswicht, toen hij het voorwerp van zijn haat niet meer vond; ook hij sidderde bij het denkbeeld, aan Perrol weer rekenschap te moeten geven van een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde gevangene. Hij dacht er aan te vluchten, en zijn makkers aan te raden, tot den vijand over te loopen; maar dan moest hij den schat, dien hij met zooveel zorg vergaard had, achterlaten. De eene ruiter klaagde, de andere morde; beiden beschuldigden hem de oorzaak van het ongeval te zijn geweest, en dreigden hem bij Perrol aan te klagen. Bleeker dan ooit werd het gelaat van den booswicht; zijn oogen rolden verwilderd door zijn hoofd, en op de vraag, waarom zij den moed niet gehad hadden den vluchtende te vervolgen, gaf Bastiaan hem driftig ten antwoord: „Den moed, Froccard! Durft gij aan onzen moed twijfelen? Bij den satan, wij lagen neergeslagen, voordat wij het wisten, en naderhand was het te laat; en dan in den nacht, voor den duivel! Vergeet gij, dat zij ons van zwaard en speer en zelfs van onze dolkmessen beroofd hebben?”

„Ja, dat is waar ook, Bastiaan,” zei Froccard langzaam, en een duivelschen inval scheen zijn gelaat een vreeselijke rust te schenken. „Zoo waar als ik Froccard ben, makkers, ik weet iets dat ons redden zal; maar verdeelen wij eerst het geld, en zoo gij tegen mijn voorstel het minst hebt in te brengen, dan kunt gij mij knevelen en zoo voor den aanvoerder brengen; ik neem alles op mij.” De gerustheid, waarmee hij dat zei en het gezicht van het geld, dat hij tusschen hen beiden op een doek uitspreidde, stelden hen voor het oogenblik tevreden.

Hij verdeelde het in drie deelen, zonder dat zij beiden zich over hun deel te beklagen hadden, stond vervolgens op, trok zijn wapenrusting weer aan, en zei toen vroolijk, doch gedwongen lachend: „Gij ziet, dat ik het meeste niet begeer; beziet de goudstukken eens; zij zijn nog geheel nieuw, maar nu moet ik u ook den wijn laten proeven, dien ik heb meegebracht, hij mijn ziel, ik liet het beste nog aan den zadel hangen,” en hij haalde in het heengaan zijn zwaard voorzichtig uit de scheede. 

908SR15.gif (1832 bytes)

Het was reeds laat, toen Froccard alln in Utrecht bij de Zwarte Bende aankwam; met innerlijke vreugde vernam hij de nederlaag, die Perrol geleden, en waarvan Van Schaffelaar hem niets gezegd had. Het bericht, dat de meesters uit de stad, die Perrol bezocht hadden, omdat de heelmeester van de Zwarte Bende in Eemnes was omgekomen, hoop gaven op zijn behoud, matigde Froccard’s blijdschap; toch was het voor hem veel waard, dat de aanvoerder niet in staat was, hem dadelijk rekenschap te vragen van wat er voorgevallen was.

Hij deed aan Vidal verslag van het gebeurde, beschreef hem de woning, waar hij uit zorg voor den gevangene had moeten blijven, en waar zij onverhoeds overvallen waren door de ruiters, zoo zei hij, van heer Jan van Schaffelaar. Hij was zoo verstandig, om alleen te zeggen, dat hij nauwelijks den tijd gehad had, om de vlucht te nemen, zonder hoog op te geven van zijn dapper tegenweer; hij had zijn makkers zien vallen, terwijl hij wegreed, en zich met moeite gered. De vermoeidheid van zijn paard, en de houwen die op zijn hem zichtbaar waren, lieten geen twijfel aan wat hij zei; en toen de brave knaap, die innerlijk verheugd was over de redding van Frank, opmerkte, dat zijn borstharnas van voren geschaafd en gebult was, alsof er een gebakken steen op geslagen was, antwoordde Froccard, dat de schaapherder, die hen vergezelde, hem een steen tegen de borst had geslingerd.

Den volgenden morgen liet Vidal de twee ruiters begraven, en hun wapenrustingen die de vijand achtergelaten scheen te hebben, meenemen. Het hoofd van beiden was gekloofd; de een lag bij het vuur, dat uitgegaan was, de ander een eindje verder: een gebroken kan lag naast hem, waarvan het oor nog door zijn verstijfden vinger werd vastgeklemd.

908SR15.gif (1832 bytes)

De vluchtInhoudopgave OltmansBarneveld 1. De eerste dag

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 July 2001

908SR15.gif (1832 bytes)