WOORDENLIJST bij:

De Schaapherder – J.F. Oltmans (1806 – 1854)

    A.gif (3984 bytes)

Aalmoes = geldgift aan een bedelaar.
Aankleven = aanhangen, steunen.
Aanranden = aanvallen.
Aanstiet = aanstootte.
Abt = hoofd van een klooster, kloostervoogd.
Afgemat = vermoeid.
Aflaat = Afkoopbrief voor bedreven zonden.
Afmalen = afschilderen.
Aftrekken = zich verwijderen, zich uit de voeten maken, weggaan.
Afzitten = van het paard stijgen.
Allengs = langzamerhand, van lieverlede.
Ammelaken = tafellaken.
Amper = nauwelijks.
Anderhand = dan wel.
Arduinsteen = hard steen uit de Ardennen (BelgiŽ)
Arglist = boosaardig, doortraptheid.
Armborst = kruisboog;.

    B.gif (3488 bytes)

Bacchus = Griekse god van de wijn en het uitbottend natuurleven.
Ballade = kort romantisch verhalend gedicht, lied bij een dans.
Banier = vaandel, veldteken, vierkante vlag.
Bankarmborst = werptuig voor stenen (blijde).
Banvloek = veroordeling tot verbanning.
Bardaks = hellebaard.
Barsch = onvriendelijk, ruw.
Baselaar = dolkmes.
Bastaard = onecht kind.
Basterd = onecht kind.
Bazuin = grote trompet.
Bede = verzoek.
Bedehuis = kerk.
Beduiden = betekenen.
Beeldschoon = erg mooi, erg knap.
Begeerte = wens, verlangen.
Begeren = wensen, verlangen.
Begunstiger = beschermer.
Bejegening = behandeling.
Beknorren = bestraffen.
Bekoring = verleiding
Bekreunen = bekommeren, geven om.
Belezen = bannen.
Beminde = geliefde.
Beminnelijk = vriendelijk, aardig.
Beminnen = liefhebben., houden van
Benevens = naast, behalve.
Bengel = kleine luidklok.
Berennen = onverwacht en snel insluiten, omsingelen.
Berokkenen = verwekken, op de hals halen, veroorzaken.
Bescheid doen = antwoorden
Beschieten = met planken bekleden.
Beschikken = beslissen.
Beschimpen = uitschelden.
Beschimping = hoon, laster.
Beschonken = dronken.
Bespieder = verkenner, spion.
Beschroomd = verlegen.
Bestiering = beschikking.
Beukelaar = rondas, schild
Bewenen = huilen om.
Beziening = beschouwing.
Bezoedelen = Bevlekken, besmetten, vuil maken.
Bidden = smeken.
Biecht = het bekennen van zonden (aan een priester).
Biechtpenning = het geld wat men de priester betaald voor het afnemen van de biecht.
Biechteling = de persoon, die zijn zonde aan een priester bekend.
Biechten = zonden bekennen een priester.
Biechtvader = priester die de biecht afneemt.
Bijstand = hulp.
Bijster = erg.
Bijzit = vrouw met wie een man leeft zonder er mee gehuwd te zijn.
Blazoen = wapenschild, veldteken, banier.
Blokhuis = houten wachttoren.
Bloodaard = lafaard.
Bloohartigheid = lafhartigheid.
Blooheid = lafheid.
Bolwerk = borstwering.
Bomgat = galmgat in een kerktoren.
Borst = jongen, kerel.
Bombarde = steengeschut.
Bout = zware pijl.
Braaf = dapper.
Breidel = dwang.
Breidelen = (be)dwingen.
Bultzak = strozak.
Buis = hemd.
Bus = kanon, geschut.
Busschieter = kanonnier.

    C.gif (3292 bytes)

Citer = muziekinstrument met een vlakke klankbodem waarover vele snaren gespannen zijn. Het wordt met een plectrum bespeeld.
Condottier = aanvoerder van huursoldaten.

    D.gif (3307 bytes)

Daar = omdat.
Dagge = korte degen, dolk.
Dagvaart = vergadering van afgevaardigden.
Dartel = loszinnig, levendig, uitgelaten.
Deelneming = medelijden.
Deern(e) = meisje.
Deernis = medelijden.
Dergenen = van die.
Diets = wijs.
Dikwerf = vaak.
Dingen = proberen te krijgen.
Dispensatie = ontheffing, vrijstelling.
Doekenspeler = bedrieger.
Dol = gek, krankzinnig.
Dolen = zwerver.
Dolleman = gek, krankzinnige.
Dom = kathedraal.
Dommekracht = werktuig om zware lasten te tillen (dom = spil).
Donderbus = kanon.
Donderkruit = buskruit.
Doorbrengen = opmaken.
Doortasten = (iets) met kracht doorzetten.
Dorpel = drempel.
Dorper = dorpeling, dorpsbewoner.
Dos = kleding.
Dralen = treuzelen, aarzelen, (af)wachten.
Drenken = drinken geven aan.
Driewerf = drie maal.
Drift = kudde.
Drom = menigte.
Drommel = stakker, zielepoot.
Drommel = duivel.
Drukkende = dalende.
Dwaal = tafellaken.
Dwaling = vergissing.
Dweepziek = overdreven neiging tot bewondering.
Dwingelandij = tirannie, onderdrukking.

    E.gif (3520 bytes)

Eilieve = och!; kom!; wees zoo goed!.
Engine = machine, apparaat, toestel
Erbarmen = medelijden.
Euveldaad = misdaad.

    F.gif (3508 bytes)

Falie = regenmantel (voor vrouwen).
Fnuiken = kortwieken, verijdelen, ten onder brengen.
Foltering = marteling.
Frank = vrij(moedig).
Frater = broeder.
Fier = trots.

    G.gif (3512 bytes)

Galgenaas, galgebrok = iemand die voorbestemd is aan de galg gehangen te worden.
Garen = verzamelen.
Gebenedijd = gezegend.
Gebeten = boos, woedend.
Gedoogen = oogluikend toeststaan.
Gedurig = steeds maar weer, voortdurend.
Geheimschrijver = secretaris.
Gekkernij = grappenmakerij.
Gekscheren = voor de gek houden.
Gekwestst = gewond.
Gelasten = opdragen, bevelen.
Gemaal = gezanik, gezeur.
Gemeen = gewoon, alledaags, eenvoudig.
Gemelijk = knorrig, chagerijnig, ontevreden, boos.
Geschieden = gebeuren.
Geslepenheid = listig.
Gespuis = tuig.
Gestadig = voortdurend.
Gestooten = fijngeklopt.
Gewaarworden = bespeuren, ontdekken.
Gewicht = belang.
Gewichtig = belangrijk.
Gewijd = geheiligd, gezegend.
Gitzwart = roetzwart.
Gloor = gloed, glimp.
Gramschap = boosheid, woede.
Gramstorig =driftig, kwaad, verdrietig.
Grieven = kwetsen.
Gril = kuur, bui.
Grimlach = kwaadaardige lach, grijns.
Grimlachen = kwaadaardig lachen, grijnzen.
Grommig = knorrig.
Grond = reden.
Guit = deugniet, grappenmaker.

    H.gif (3137 bytes)

Haaken = verlangen.
Haam = leren of houten juk om de hals van een paard.
Haardstede = woning.
Haardsteen = stenen plaat als vloer om eer vuur te stoken.
Half uur lang, een = een afstand die in een half uur lopen worden afgelegd (2 1/2 kilometer).
Halsberg = pantserhemd.
Halster = halsriem voor paarden.
Hamei = traliehek.
Handbus = buks.
Haveloosheid = slordigheid.
Hecht = handvat.
Hechter = vaste.
Heerbijl = strijdbijl.
Heervaart = krijgstocht waartoe men door de overheid werd opgeroepen.
Hellebaard = een strijdbijl met speerpunt aan een lange houten stok.
Hippokras = op suiker, kaneel en andere kruiden getrokken wijn.
Hoefslag = gedeelte van de weg of dijk, dat iedere eigenaar van een huis in orde moet houden.
Hofmeester = voornaamste huisbediende bij een adelijk persoon.
Hoon = spot
Hoonend = bespottend.
Hoovaardij = hoogmoed, trotsheid.
Hoop = menigte.
Hoornvee = rundvee.
Houpelande = ruim, geplooid, jasvormig gewaad voor mannen en vrouwen.
Houw = een slag met het scherp van een zwaard.
Houwen = slaan met het scherp van een zwaard.
Hopman = kapitein (inzake de landmacht), hoofdman.
Hoze = kous, broek.
Huisman = landman, boer, dorpeling.
Hulde = eer(bewijs).
Hulsel = kapsel.
Hupsch = mooi, knap.

    I.gif (3249 bytes)

In allerijl = met grote haast.
In de bek houden = in toom houden, onder controle hebben.
In de bres stellen = iemands verdediging op zich nemen.
In de pan hakken = geheel vernietigen.
In zijn soldij staan = bij hem als huursoldaat in dienst zijn.
In zwijm = flauw.
Inborst = aard.
Indien = als.

    J.gif (3478 bytes)

Jakeboenhomme = boerenkiel. (Jacque Bonhomme scheldnaam voor een boer).
Jegens = ten aanzien van, tegenover.
Jokken = grappen maken.
Jokkernij = humor.
Jonkman = jonge ongehuwde man.
Jonkvrouw = jonge ongehuwde vrouw.

    K.gif (3126 bytes)

Kamp = afgepaald veld.
Kampvechter = voorvechter, kampioen.
Kanunnik = wereldlijk geestelijke.
Kanteel = schietgat, getande opening in de vestingmuren, om de loop van een vuurwapen te steken en op de vijand te schieten; getand metselwerk op stads- en kasteelmuren.
Kaper = vrouwenmuts.
Kappitel = vergardering van geestlijken.
Kaproen = vrouwenmuts.
Kastijden = straffen, pijnigen.
Kellenaar = keldermeester.
Kellenarij = wijnkelder.
Ketter = afvallige van het (katholieke) geloof.
Keur = verordening.
Kienhout = harsrijk fossiel hout, opgegraven uit het veen.
Kinderbinten = bij samengestelde balklagen (met name balkenzolderingen) de kleinere balken die op geringe afstand rechthoekig in de „moerbalken” worden ingelaten.
Kinkel = boer, lomperd.
Kleed = kleding.
KleinnoodiŽn = kleine kostbare voorwerpen.
Kleppen = luiden.
Klepper = draver (paard).
Kling = lemmet, blank van het zwaard, sabel, enz.
Kloven = splijten.
Klovenier = schutter.
Kloverkruit = buskruit.
Kluis = kelder aan het water.
Kluisteren = in de boeien slaan.
Kluisters = ketenen.
Knevel = snor.
Knijf = mes.
Knol = paard.
Kolder = hemd.
Kolfroer = vuurwapen met een breed uitlopend achtereind van de lade van het geweer.
Kolfroerschutter = soldaat bewapend met een kolfroer.
Kondschap = verkenning.
Kondschap = bericht.
Koor = verhoogd kerkgedeelte dat het hoogaltaar bevat
Koorhek = hek dat het koor  afsluit.
Kornalijn = soort edelsteen.
Kot = slecht huis, krot, stal.
Kramerij = voorwerpen van geringe waarde.
Krank = ziek.
Kreng = lijk.
Krijg = oorlog.
Kruin = bovenkant, top.
Kuisch = rein van zeden.
Kunne = geslacht.

    L.gif (3395 bytes)

Laatpriem = scherp voorwerp om het bloed van een patiŽnt met behulp van een punctie (aderlating) weg te laten lopen uit het lichaam.
Laken = berispen, afkeuren.
Lakensch = van geweven wollen stof.
Landman = boer.
Landvoogd = bestuurder of beheerder van een land, voor en namens een vorst. Synoniem: stadhouder, onderkoning.
Lan(d)sknecht  = soldaat te voet, gewapend met een lans.
Lap = vod, flard, stuk.
Last (in) = opdracht (in), bevel (op).
Lasteren = kwaadspreken.
Lastering = kwaadspekerij
Leest = gestalte, lichaamsvorm.
Lei = legde.
Leeuw(endaalder) = Hollandse zilveren muntstuk ter waard van f 2.50 (koers in 1871)
Legerstede = bed, ligplaats.
Lemmer = zwaardblad.
Lichte deernen = prostituťs.
Lichten = in dienst nemen.
Lijfsgenade = het leven mogen behouden.
Litanie = smeekgezang, -gebed; figuurlijk: langdurige klacht.
Loef afsteken, de = te slim afzijn, beter zijn dan.
Lomp = onbeschoft, onhandig.
Lomperd = onbeschoft, onhandig persoon.
Lonken = vriendelijk met de ogen wenken.
Loochenen = ontkennen.
Loos = listig, doortrapt.
Losbranden = afvuren (figuurlijk beginnen).
Luiken = sluiten
Luim = humeur.

    M.gif (3526 bytes)

Magyaren = Hongaren.
Mal = gek, dwaas.
Malie = ijzeren of koper ringetje, gebruikt in beschermende kleding .
MaliŽnkap = capuchon van ineen gevlochten ijzeren of koperen ringetjes.
MaliŽnkolder = hemd van ineen gevlochten ijzeren of koperen ringetjes.
Mandarijn = Chinese staatsambtenaar.
Markgraaf = titel van de bestuurder van een grensgewest (mark); markies.
Mars = mand of bak met koopwaren, die voor het lijf of op de rug gedragen wordt.
Marskramer, marsman = venter.
Mater = moeder-overste, hoofd van een vrouwenklooster.
Meedogen = medelijden.
Meesmuilen = spottend, ongelovig glimlachen.
Messire = Edele Heer.
Met de helm geboren = een voorspeller zijn (eigenlijk: een baby welke het vlies nog na zijn geboorte nog over het hoofd heeft).
Met stille trom = in stilte.
Mijt = houtstapel, hoop takkenbossen.
Minzaam = vriendelijk, welwillend, beleefd.
Misericordium = dolk die een ridder bij zich droeg om ontwapende vijanden te doden, die niet om genade vroegen.
Moeien = lastig vallen.
Moeshof = groententuin.
Moor = zwarte, neger, Afrikaan, EthiopiŽr.
Moordbrander = brandstichter en moordenaar.
Morren = knorren, ontevreden zijn.
Mortier = geschut dat schiet met een sterk gekromde baan.
Muil = pantoffel, slof.
Muildier = kruizing van een paardenhengst met een ezelin.
Musket = een geweer met een lont ter afvuring van een schot.

    N.gif (3240 bytes)

Naijverig = jaloers.
Neermatsten = neerslaan.
Neigen naar = overhellen tot, naar horen.
Nette = vodden.
Nevelen = mist.
Nooden = uitnodigen.
Nopen = er toe brengen, aanmoedigen.
Nopens = aangaande, betreffende.

    O.gif (3650 bytes)

(Of)schoon = hoewel.
Okkernoot = walnoot.
Om hals brengen = vermoorden.
Omgang = rondlopende galerij aan de buitenkant van een toren.
Onbeschroomd = vrijmoedig.
Onbillijk = onredelijk.
Onderscheiden = verschillende
Onderspit delven, het = overwonnen worden (eigenlijk: bij graaf werk in de aarde de onderste lagen losmaken en opwerpen en dus het zwaarste en vervelendste werk doen).
Onledig = bezig.
Ontgeven, zich = laten varen, niet meer (aan iets) denken.
Ontferming = medelijden.
Ontsteltenis = verwarring, schrik.
Ontvlieden = ontvluchten.
Ontwoekeren aan = ontworstelen aan, bevrijden van.
Onverschrokken = zonder angst.
Ootmoed = nederigheid, onderwerping
Ootmoedig = nederig, onderworpen.
Op zijn rekening = voor zijn verandwoording.
Opengekorven = opengesneden.
Opgeruimd = vrolijk, goed gehumeurd.
Oplegsel = sieraad.
Openloopen = lopende met geweld openen.
Oprijzen = opstaan.
Oproerige = opstandige, rebel.
Opschaffen = verschaffen, bezorgen, leveren, opdienen.
Opsteken = bij zich steken.
Opsteker = zeer groot mes.
Opzitten = op een paard gaan zitten, te paard stijgen.
Oranjeappel = sinaasappel.
Ornaat = ambtgewaad.
Overkroppen = overladen, overvullen.
Overman = aanvoerder.

    P.gif (3234 bytes)

Paal = grens.
Paap = scheldnaam voor een katholiek.
Page = edelknaap, hofjonker; dienaar.
Patroon = beschermheilige.
Paviljoen = rechthoekige tent met luifel.
Penningen = geld.
Piek = lans met platte ijzeren punt.
Piekenier = soldaat gewapent met een piek.
Pluimstrijker = vleier.
Poorter = burger.
Postulaatgulden = geld voor intreding in een klooster.
Praalzucht = pronkzucht, liefde voor uiterlijk vertoon.
Prangen = knellen.
Pressen = vorderen, opeisen
Prevelen = mompelen; snel en onaandachtig bidden.
Prior = hoofd van een mannenklooster wanner er geen abt als hoofd is.

    Q.gif (3128 bytes)

Quaeckbord = triktrak????
Quaert = speelstenen, pionnen.

    R.gif (3351 bytes)

Rabauw, rabaut = deugniet, schelm, wellusteling, schurk.
Rammeien = met een dik en lang stuk hout kapot maken; rammen.
Ras = snel, gauw.
Rebeeke = driesnarige viool.
Recht = goed.
Redekavelen = redeneren, discussiŽren.
Rederijker = liefhebber van gedichten, beoefenaar van de welsprekendheid.
Reet = kier, spleet.
Rein = zuiver.
Rekel = onbeschoft mens, vlegel.
Rekenschap = verantwoording.
Reppen = aanroeren, zeggen.
Ribaude = prostituťe.
Rijzig = lang, groot.
Roer = vuurwapen.
Roeren = slaan op, bewegen.
Roffioel = pastij.
Rondeel = ronde sterke toren.
Rooden haan, den = brand
Ros = paard.
Rotmeester = korporaal.
Rozenkrans = kralensnoer die bij het bidden door katholieken wordt gebruikt..
Rozennobel = oud-engelse gouden munt ten tijde van Eduard III (1343-1377).
Ruchtbaar = algemeen bekend, wereldkundig.
Rusting = wapentuig.

    S.gif (3565 bytes)

Saai = wollen stof.
Saamgedromd = dichtbij elkaar staande, opeengepakt.
Schaar = menigte.
Schaker = ontvoerder.
Schamper = bits, bitter, honend, scherp.
Sanguin = bloedrood.
Schans = verdedigingswerk, fort, wal.
Schanslooper = een lange sluitende jas van grove stof, die door soldaten gedragen wordt, die op wacht staan.
Schapraai = voorraadkast.
Scharen = verzamelen, bijeenkomen.
Schelmstuk = schurkenstreek, bedriegerij.
Schenden = ontheiligen.
Schermutselen = met kleine benden en ongeregeld vechten.
Schermutseling = ongeregeld gevecht.
Schielijk = snel.
Schier = bijna.
Schietgebed = noodgebed
Schimp = scheldwoord.
Schimpreden = hatelijke toespeling.
Schobbejak = schurk, deugniet, bedelaar (afgeleid van de jak van (ijzeren) schobben of schubben van de gewone soldaat. Later werd er de soldaat zelf mee bedoeld en langzamerhand de huidige betekenis).
Schoft = een vierde deel van een dag.
Schooier = bedelaar, landloper.
Schoon = mooi, knap.
Schoonheid = mooie vrouw, het mooi zijn.
Schoonschijnend = mooi lijkend
Schoorvoetend = aarzelend.
Schout = hoofd van de rakkers (politie).
Schrander = slim.
Schranderheid = slimheid.
Schreien = huilen.
Schromen = aarzelen.
Schroom = aarzeling.
Schroomvalligheid = angst, vrees.
Schutgevaarte houden = de kanonnen laten afschieten.
Schutterij = burgerwacht.
Semijt = zijde.
Sidderen = bibberen, beven.
Sindale = linnen, zijde, taft.
Sint Stevens-dag = 26 december.
Slang(stuk) = lang kanon van klein kaliber.
Slechten = afbreken, slopen, vernielen.
Sloof = afgeleefde werkster.
Slop = steeg, doodlopend straatje.
Sluimer = licht slapen.
Smaad = beledeging.
Smadelijk = beledeging, vernederend.
Smart = verdriet.
Smarten = verdriet doen.
Smeerkaars = een van vet gemaakte kaars (deze waren goedkoper als een waskaars).
Smeulen =  zonder vlam langzaam doorbranden.
Snaak = (grappig) persoon, man, kerel.
Snoeven = opscheppen, grootspreken.
Snoever = opschepper, grootspeker.
Snoeverij = opschepperij, grootsprekerij
Snuiten = afknijpen, wegnemen van de lont van een kaars.
Soldenier = huursoldaat.
Sommier = lastpaard van een edelman.
Spaander = houtsplinter.
Spar = lang rond dakhout.
Spie = wig.
Spijker = zolderschuur. (In het Duits: Speicher).
Spijs = voedsel, eten.
Spreekster = vertelster.
Springaal = werptuig voor metalen en stenen kogels
Sprook = verhaal.
Sprookspreker = verhalenverteller.
Staketsel = rij staken of palen, op geringe afstand in de grond geslagen als verdedigingswerk bedoeld.
Stalbroeder = iemand die met en ander samenwoont, kamergezel, dienstmakker.
Steken = er op gaan blazen.
Sticht, het = Utrecht.
Stichten = veroorzaken, teweeg brengen.
Stiet = stootte.
Stilleganger = pantoffel, „bordeelsluiper”.
Stokbewaarder = bewaker, cipier.
Stokkeknecht = bewaker.
Storm = aanval.
Stormhoed = eenvoudige helm zonder vizier, kin- of nekstuk, doch meestal met een rand.
Stormklok = alarmklok.
Stormlopen = met grote snelheid aanvallen.
Stormmarsch = signaal om aan te vallen.
Stormpaal = middel tot afwering van een aanval.
Stormram = een paal, gedragen door soldaten, om b.v. een poort open te rammen.
Storten = vallen.
Stout = moedig, dapper.
Stouts = dappers, moedigs.
Stoutheid = moed.
Strijdhamer = hamervormig wapen.
Stroef = stijf, koel.

    T.gif (3300 bytes)

Taf = zijden stof.
Taerningen = teerlingen, dobbelstenen.
Targ = soort schild.
Te berge rijzen = van schrik overeind staan.
Tempelier = ridder van een voormalige geestelijke orde. Zij waren berucht om hun drankzucht.
Tegenweer = verdediging.
Ten spijt van = ondanks.
Tersluiks = in het geheim, stiekum.
Terstond = onmiddelijk, op het zelfde ogenblik.
Tevens = ook.
Tijding = bericht.
Tinne = het hoogste gedeelte, top, bovenrand van een gebouw.
Toetssteen = test.
Toeven = blijven wachten.
Trommelslager = trommelaar, trommelbespeler.
Toom = teugel.
Toorn = woede.
Toornig = woedend
Tootschoen = schoen met een lange puntige neus.
Tooverkol = toverheks.
Torschpaard = lastpaard.
Trans = omgang.
Trein = stoet.
Trezoor = schatkist.
7Tronie = gezicht.
Trotseeren = weerstaan.
Truant, trawant = bedelaar; zwerver, landloper; bedrieger.
Tweespalt = ruzie, oneenigheid, meningsverschil.
Twist = ruzie, strijd.

    U.gif (3449 bytes)

Uithof = bij een klooster behorende maar buiten op het platteland liggende boerderij.

    V.gif (3505 bytes)

Val = valbrug.
Varen = maken.
Vatten = .grijpen, oppakken
Vedelaar = violist.
Veldslang = lang kanon van klein kaliber
Veinzaard = huichelaar.
Veinzen = huichelen, doen alof.
Veldgeschreeuw= strijdkreet.
Vellen = horizontaal richten.
Vendel = compagnie voetvolk onder een vaandel (vlag).
Verbeiden = verwachten, afwachten.
Verbidden = overhalen, smeken.
Verbloemen = verbergen, vergoelijken.
Verbrassen = verkwisten.
Verderf = ondergang.
Verdoemen = veroordelen.
Verdrieten (verdroot, heeft verdroten) = kwellen, onaangenaam zijn, afkeer wekken.
Vereerder van Bacchus = zuiplap.
Vergasten, zich = onthalen op,.
Vergen = vragen, eisen.
Vergeven = vergiftigen.
Verguizen = met verachting spreken over.
Verguizing = verachting, smaad.
Verheergewaden = het hem laten besturen.
Verloopen = zijn plichtsbesef verliezen.
Verkeeren = veranderen.
Verknocht = verbonden.
Verknochtheid = sterke gehechtheid.
Verkroppen = verduren.
Verkwijnen = wegteren.
Verkwikken = opfrissen.
Vermaning = waarschuwing.
Vermanning = moedvatting.
Vermeesteren = veroveren.
Vermetel = roekeloos, gewaagd.
Vermetelheid = roekeloosheid
Verschansing = bolwerk, sterkte, omwalling.
Verschiet, het = de verte.
Verschoonen = vergeven.
Verschooning = vergeving.
Versmoren = onderdrukken, verbergen.
Verstiet = verstootte.
Verstoord = boos, kwaad.
Verstouten, zich = de moed hebben om.
Vertoeven = verblijven.
Vertoornd = woedend, boos.
Vervaardheid = angst, vrees.
Verven = kleuren.
Verzeilen = zich ergens toevallig bevinden.
Vesper = middagsgodsdienstoefening
Vespertijd = drie uur in de middag..
Vicaris = plaatvervanger.
Vierendeel = peleton.
Vlegel = lomperd, boerenkinkel, onbeschoft persoon.
Vlieden = vluchten.
Vlieten = stromen
Voedsterzoon = pleegzoon.
Voetangel = stuk metaal met vier scherpe punten, waarvan er altijd ťťn omhoog steekt, waarbij het niet uitmaakt hoe deze neergeworpen worden. Deze werden gebruikt voor het weren van dieven. De tegenwoordige naam is kraaienpoot.
Voetboog = kruisboog waarvan de pees met de voet wordt gespannen.
Voor de leus = voor de schijn.
Voorslaan = voorstellen.
Voorslag = voorstel.
Voorspraak = verdediger.
Vorderen = eisen, verlangen.
Vorschen = onderzoeken.
Vrijer = minnaar.
Vroeden = doen geloven.
Vroom = streng gelovig.

    W.gif (3288 bytes)

Wambuis = mansbovenkledingstuk dat het lijf van de hals tot het middel bedekte.
Wapenbord = schild waarop het wapen van een adelijk persoon of ridder is geschilderd.
Wapenpraal = vertoon van wapens.
Wassen (wies, is gewassen) = groeien, stijgen, toenemen.
Weenen = huilen.
Weerlicht = bliksem.
Weerspannig = opstandig.
Wegwijzer = gids.
Wel = goed.
Wellen = opborrelen.
Welriekend = lekker ruikend
Welstand = (goede) gezondheid, voorspoedige omstandigheden.
Werf = opgehoogde plaats, waar een huis gebouwd wordt en die het gebouw omringt (terp, wierd).
Wetering = gegraven water, groter als een sloot.
Wetten = slijpen, scherp maken.
Wicht = kind.
Wijk = Wijk bij Duurstede.
Wijk nemen, de = vluchten
Wijf = vrouw.
Wijl = omdat.
Wijl = poos, tijdje.
Wimpel = lange smalle vlag, meestal in twee punten uiteenlopend.
Windasboog = kruisboog waarvan de pees met behulp van een slinger wordt gespannen.
Wrevel = bitter gemoedstemming.
Wrevelig = misnoegd, verbitterd.
Wroeging = diepe berouw.

    Y.gif (3283 bytes)

IJlhoofdig = verward.
IJverzucht = jaloezie, jaloersheid.
IJzen = beven van vrees, verstijven van schrik.

    Z.gif (3467 bytes)

Zaligheid = staat van hoogste geluk.
Zaligmaker = verlosser.
Zegepraal = triomf, overwinning.
Zendeling = afgezant, afgevaardigde.
Zending = afgezant.
Zerk = grafsteen.
Zijdgeweer = wapen, zwaard.
Zoel = loom, benauwd.
Zot = gek.
Zotternij = gekkigheid.
Zwarigheid = bezwaar, moeilijkheid.
Zwelgen = zuipen.
Zwier = goede manieren.

908SR15.gif (1832 bytes)

Ingezonden op 19 July 2001 door J.Rvan Wijk.

908SR15.gif (1832 bytes)