VERS
Aan P.B. Baeyens
Heel licht is
het geluk: niet saam te dringen. Een woord
is nooit zo licht als 't wel behoort;
vleugels die wijd opengespreid zijn, trillen
in de lucht,
maar afstandsloos van de huizen,
waaieren open, in breder vlucht
en verdwijnen zonder spoor. Maar het geluk
blijft daar
aanwezig, al is geen spoor ook merkbaar.
Geluk is als
water niet in je hand te nemen
dat heel even zou lopen in die droge hand
en ze maken tot een wonderfrisse kuil,
en eveneens niet te vatten als de lippen
van de vrouw
die neerstrijken, veren van je-weet-niet-waar,
op je oogleden, –
als kind heb ik me vaak amechtig gelopen,
om de veren in de lucht te sturen. –
Het is nergens
te plaatsen, maar het wezen van de dingen zelf.
Een leeuwerik, hij is wel ergens,
wat hij echter is, heel wezenlik: de metallieke
druppels
vallen nergens.
En toch lijkt
alles bevrucht
door dit ontastbaar coïtus in de lucht.
Dat deel van het dak waar de zon op ligt,
rijst herdoopt en gelukkig in het licht;
dat waar echter de schaduw rust niet minder.
Nergens saamgedrongen,
niet waar de zon is, niet waar de schaduw.
Je kunt niet
naar een huis gaan om er geluk te vergaren,
je moet het geluk voelen als een bad;
je bent zelf een deel van het geluk
en door de andere delen gaat je loop, als
door jou de andere delen,
om deze beweging juist niet vatbaar of niet
te meten:
de vonk van een kortsluiting, nog overtroffen.