De appel

Paul van Ostaijen

Toen mijn ogen de ronde vrucht hadden bekeken
en toen zij hadden begrepen de appel zó-als hij werkelik aanwezig was,
toen zeide mij die vrucht: er is iets in de vaak verlaten boomgaard
van wat voorbij is, dat nu eerst als goddelik schoon te begrijpen is,
omdat geen herleven aan deze herinnering nog verbonden is.
Maar sterker omlijnde zich het beeld,
toen ik de appel in mijn handen voelde,
want zij herinnerden zich ook éénzelfde frisse koelte,
en verder: dit moet wel zijn heugenis van geluk.
Doch eerst toen mijn tanden de ronde wonde
in de appel hadden gevonden,
heeft zich het beeld
tot handeling bezield.

O de geurende boomgaard en de rust van de beesten,
de morgenmist die wijkt langs alle zijden
en twee dreumesen, die even te huiveren staan.
Maar dan de rit door de natte weide, naar de appelboom,
waar van de rijke vracht, een vrucht viel, loom,
ter aarde. Dan het strelen van de appel
in de kelk van de twee kleine dreumeshanden
en dan in de vrucht de tanden,
en in de mond overvloed van het nazomerse geluk.
Zenuwleed van de tanden, maar vergeten in een nieuw bezit van de vrucht;
verbreding van de wonde.
Diepbezielde boomgaard,
alle liefde tot een bom saamgebalde passionante,
alvorens de zwarte dood
zijn schroeven zet op de keel van het leven:
bleker wordt de uiterste blankheid van al wat is.
Jubellied van rijpheid. Liefde van de Aarde
om 't onbewust naar-liefde-grijpen van de kinderen;
kinderen zullen u liefhebben wanneer zij zullen vergaard hebben
de appels van vele jaren.
Wanneer zij dan een nieuwe vrucht zullen strelen,
zullen zij dit ogenblik met zoveel liefde bedelen,
als zij vroeger zelf bedeeld werden door de appel, want
de liefde is een grote mond die zoenen wil.
En de hap in de appel zal hun mond maken als de mond van het kind,
huiverend door de frisheid van de vrucht
en sterk nu om de vroegere kou, in de niet vergeten najaarswind.

10 oktober 1917