Paul van Ostaijen

Boerebedrog en Realiteitszin

Men gaat wandelen; men dat is: de moeder, het kindje van twee jaar in het kinderwagentje, de tante en Kareltje. Kareltje is vijf jaar oud.

Het toeval, dat toevallig steeds een malheur pleegt te zijn, wil dat 'men' de venter met ballonnetjes ontmoet. Moeder wenkt. Het kindje in het kinderwagentje krijgt een ballon. 'O niet zo'n grote' zegt de moeder de venter ad-rem, die de grootste uit te hoop halen wil, terecht-wijzend, 'Neen, maar zo'n kleine.'

Als alles nu in orde is ontwaart moder plots Kareltje. Deze blik brengt haar in een onaangenmae positie, zodat zij verplicht is te vragen: 'Wou jij er ook een Kareltje!'

Hier begaat Kareltje een fout. Hij is met zijn antwoord niet snel genoeg zijn wens achterna, zodanig dat hij tante, die bewust is uit haar portemonnaie Kareltje de ballon te moeten spand\'eren, de tijd laat te zeggen: 'Neen, niet voor Kareltje.' En met een stem die medelijden verraadt met die kleintjes die nog plezier vinden in het ballonnetjes-houden, zegt tante: 'Hij is daarvoor reeds te groot.'

Kareltje is overwonnen, daarentegen is niets in te brengen. De krop in de keel, de tranen in de ogen en in het hart wrok tegen tante, loopt Kareltje mee verder. Kinderen blijven veroordeeld niet buiten het gebied te treden van de eenzijdige kamp die zij tegen volwassenen te leveren hebben.

Indien de dichter niet oplet, gaat het hem recies zoals het met Kareltje ging. Men ziet reeds het verband. De tante vertegenwoordigt, het spreekt vanzelf, de critici. Na het verschijnen van Het Sienjaal zeggen de heren critici: 'Kareltje is een goed dichter, want hij heeft het geloof in de mensheid. Het geloof in de mensheid is het teken van de goede dichter. Nu Kareltje tot deze trap der levensbeschouwing is opgeklommen, zal het hem wel niet meer invallen een ander verlangen te hebben, dan dit verlangen, dat wij hem, als horend bij goede dichters, zullen aanprijzen.'

Zoals tante voor Kareltje beslist, zo menen de critici voor de dichter te moeten beslissen. Maar de eigenwijsheid van tante heeft voor gevolg dat Kareltje, schuchter en bgevresd de twijfelachtige eer te verliezen, zich niet verzet tegen tantes eigenwijze mening.

De ware dichter, zoals een Kareltje dat reeds geleerd werd door meing voorval van dezelfde soort, doorziet dit boerebedrog. De ware dichter is een Kareltje dat voor de eer bedankt een grote jongen te zijn, maar integendeel tegen de spreekwoordelijke mening der kritiekers in, zegt: geeft mij maar zo'n ballonnetje. De kritiekers zijn boos. Alsof zij niet beter wisten wat Kareltje past.