DIERGAARDEN
 

DIERGAARDE VOOR KINDEREN VAN NU

Eerste reeks
 
 

DE LEEUW

Van deze diersoort bestaat een groot aantal variëteiten. Om er slechts enkele te noemen, zijn er: de vlaamse leeuw, de nederlandse leeuw, de belgiese leeuw, de dubbel-leeuw van Löwenbräu en de leeuw the happy lion van het krachtvoedsel van die naam.
Al deze leeuwen zijn huisdieren.
Men zegt dat zij eertijds de rol van waak- en speurhonden hebben gehouden. Daarvan echter is niets meer te merken. Door seculair samenleven met de mens vergat de leeuw van langs om meer gene pragmatiese funktie om, ten andere zoals sommige variëteiten van de hond, een zuiver dekoratieve rol te houden. Dit geldt voor de belgiese en vooral voor de nederlandse leeuw.
Van de vlaamse leeuw bestaat een dierenepos. Graaf of volksmenner-hierin variëren de kopieën-zou hij de begeesterende leider geweest zijn van een volk dat niet gemakkelik zich iets liet gezegd zijn en dat bij het eerste sein zich schaar-de achter de Leeuw. Wat verder achter dit epos steekt verbleekte de tijd.
Tans is de vlaamse leeuw echter een dier dat vanwege zijn fraaie kunststukjes op de fiets wereldberoemd is geworden en derhalve vanuit New-York, Chicago, Berlijn en Parijs, steden waar zulke kunststukjes erg worden gesmaakt, steeds opnieuw wordt opgeëist. De vlaamse leeuw heeft zelfs de baanrit Bordeaux-Parijs herhaaldelik gewonnen, wat des te fraaier is wanneer men bedenkt dat, hierin, zijn tegenstrevers mensen waren.
Het gebeurt dat amerikaanse kunstverzamelaars, in onkennis om dit verschil, schilderijen kopen waarop de leeuw-wielrijder staat afgebeeld, dan wanneer zij in de mening verkeren zich een voorstelling van de leeuw-graaf te hebben aangeschaft. Jonge boeren en arbeiders wel integendeel, tuk op de prestaties van de leeuw-wielrijder, lezen het epos de Leeuw van Vlaanderen hetwelk echter op de leeuw-graaf terugslaat. Zo hartstochtelik houden deze jonge boeren en arbeiders van de rennende leeuw dat zij, hem tot hulde, een liedje zingen, waarbij voortdurend herhaald wordt:
Zij zul1en hem niet hemmen de fiere vlaamse leeuw.
Hiermee willen zij zeggen dat niemand bij machte is de vlaamse leeuw in een rennen in te halen.

Zoals het adjectief het aanduidt, is de nederlandse leeuw de nederlandse variëteit van de leeuw.
Hij is een huisdier, zoals zijn vlaamse broer en als deze heeft hij uitsluitelik tot funktie het uitvoeren van kunststukjes. Deze kunststukjes van de nederlandse leeuw hebben echter niet het sport- of cirkuskarakter van gene, uitgevoerd door de vlaamse. De nederlandse leeuw is hierin gemoedeliker. Niet eenmaal zou hij een koers van vijfhonderd kilometer per fiets kunnen presteren, laat staan als overwinnaar beslissen. Wel integendeel beheerst de nederlandse leeuw slechts éen enkel kunststukje, doch hierin dan is hij ook ongeëvenaard sterk.
Dit kunststukje bestaat daarin dat de nederlandse leeuw zich op zijn achterpoten overeind zet en dat hij, aldus overeind, zich in evenwicht houdt met een korte degen in de rechterklauw. (Deze degen is een houten, tot het voorkomen van ongelukken, doch om de werkelikheid het dichtst mogelik nabij te komen is hij met tinpapier bekleed). Voert de nederlandse leeuw dit kunststukje uit dan spert hij de muil zeer wijd open om, zodoende, zich een wreed en heroïes aspekt te geven: een ensemble dat buitengewoon amusant is en waaraan de kinderen hun pret hebben.
Bij grote gelegenheden, zo b.v. het Klaasfeest of de ontvangst van de Lord-mayor van London, moet de nederlandse leeuw zijn kunststukje uitvoeren, geplaatst voor een blauw-fluwelen gordijn; de teruggeplooide einden van deze gordijn worden door twee jonge en kleine nederlandse leeuwtjes gehouden. Dewijl de nederlandse leeuw, goed in evenwicht op zijn achterpoten, het degentje zo flink in zijn klauw weet te houden, noemt men dit kunststukje Je maintiendrai: namelik de houten degen met het tinnen kleed.

Van de belgiese leeuw is niet veel te zeggen. Hij is een dier dat, jong nog, reeds totaal verbruikt is. Indien niet de Quakers daarvoor hadden gezorgd hem een amerikaanse bewaker toe te voegen, die daarmee gelast is, 's morgens en 's namiddags, de belgiese leeuw een bord Quaker Oats in te lepelen, de belgiese leeuw zou gewis van honger omkomen.
De Quakers zouden wel graag de bewaker terugroepen, doch zij wagen het voorlopig niet.

De leeuwen van de variëteit Löwenbräu leven steeds paarwijze. Het zijn sierlike dieren die in West- en vooral in Midden-Europa leven; om hun sierlikheid worden zij daartoe gebruikt het uitzicht der steden te verfraaien. In een kooi waarvan de achtergrond en de wanden zwart zijn, vanwege de diepte die, daarop, het fauve vel van de leeuwen krijgt, worden zij aan de gevels van gasthoven en grotere biergelegenheden aangebracht. Een reklame die, zeer opvallend, de aandacht van alle reizigers steeds opnieuw boeit.

Men zegt ook dat er nog een wilde variëteit van de leeuw zou bestaan. Een zekere heer Tartarin uit Tarascon zou, nu ongeveer vijftig jaar geleden, alzo een exemplaar hebben gevangen. Uit de beschrijving van deze gebeurtenis die wij een frans geschiedschrijver, met name Alphonse Daudet, verschuldigd zijn, hebben de zoölogen - of zoals men pleegt te zeggen: de dierkundigen - afgeleid dat het door de heer Tartarin meegebrachte dier een europese huisleeuw was, door een toeval in Noord-Afrika verdwaald. Hoe tropereizigers ook zochten, nooit konden zij de hand leggen op een tweede exemplaar van deze zogezeide wilde variëteit.
Wel woont ergens in Duitsland een mijnheer die waarachtig wilde leeuwen kweekt met het doel deze dieren kunststukjes hij te brengen: zodoende zou hij de eer oogsten wilde leeuwen te hebben getemd. Het spreekt van zelf: dit is slechts een flauwe jaarmarktgrap.
 
 

DE KIEVIT

De kievit is een vogel die dure eieren legt. In valutazwakke landen legt de kievit niet meer.
 
 

DE BIJ

Omdat Hij de heren van de heretheorie een dienst wou bewijzen schiep God de bij en wat daarbij: de bijestaat. Toen Hij met deze schepping klaar was, stuurde de Vader een invitatie naar Houston Stewart Chamberlain en een naar Charles Maurras. Er is voor jullie wat te leren. Maurras kwam en ook Houston Stewart kwam. Beiden hadden woorden van hoge lof voor deze uitmuntende schepping en zij zeien tot de Heer: Zie zo, zo moet het zijn. Ook verzekerden zij Hem dat zij in ruime maat van dit voorbeeld gebruik zouden maken. Dan lachten zij, want zij veronderstelden dat deze verzekering Hem aangenaam zou verrassen. Op de terugreis zei Houston Stewart tot Charles, zijn kameraad, dat het werkelik zó slecht niet was. Neen, antwoordde Maurras, spijts ik atheïst ben.
Er wordt over de bijen veel gepraat en geschreven. Het is niet al goud wat glinstert.
[P.S. Men vraagt mij hoe het komt dat de Heer ook niet Nothomb inviteerde om naar de bijestaat te komen kijken. Een vergeten kan het bezwaarlik geweest zijn.]
 
 

DE ZONDAGRUITER

Toen alles op aarde volmaakt was en zo geordend dat het asfalt van de lanen overal eender glimde en dat de schaduw zó ver weg lag alsof hij niet bestond en dat de papiertjes en sigareneindjes van de openbare weg waren weggenomen en in de daartoe speciaal opgestelde papierkorven waren gedeponeerd, toen de zon tot op het peil van een milde warmte was geregulariseerd en de watersproeiers volledig hun taak beheersten, zodat zij zeer gelijkelik over de lanen het verfrissende water uitwaaierden, toen schiep de Vader als sieraad in dit fijne kabinet: de zondagruiter. Omdat het Zijn wens was de zondagruiter tot een opperste juweel te volmaken gaf hij hem als voetstuk het tamme paard. De zondagruiter en het tamme paard zijn een gesloten tweevoudigheid en getuigen voor een beschaving die de samenhang met het ras-barbaarse geheel heeft vergeten. De zondagruiter en het tamme paard staan aan de antipode van de Kentaur en zijn daarvan de voor onze beschaving geknipte, fraaie ontdubbeling. Zodanig is de zondagruiter niet het tamme paard vergroeid dat hij zich zeer onbehagelik voelt op het niet-tamme paard. Het niet-tamme paard hoort niet thuis in de volmaakte wereld van de zondag waarvan de zondagruiter het sieraad is. De zevende dag rustte de Heer opdat de mensen Zijn voorbeeld zouden volgen en dat de straten zouden leeg zijn van de vele voertuigen: de zondagruiter en het tamme paard niet te storen. Nu gaat gemoedelik het tamme paard zijn gang en door het tamme paard wordt het sieraad van de zondag door de stad gedragen.
Wij hebben de Kentaur vervangen door de zondagruiter.
 
 

DE KIOSKJUFFROUW

De lelike kioskjuffrouw heeft het meisje in badkostuum van de printkaart lief. Het meisje in badkostuum van de printkaart is zeer schoon, meent de kioskjuffrouw. Daarom geeft zij haar in hare zesvoudige verschijning een ereplaats achter het schutglas van haar kraam. Daarna brengt zij haar toilet in orde. Zij vergelijkt hare verschijning met deze der schone vrouw van de printkaart. Zij begrijpt nu zeer goed de uitdrukking: het schone geslacht. Ik ben, als zij, een vrouw, denkt zij. Dit begrijpen evenwel maakt haar niet overdreven trots, immers de waarheid maakt niet trots. Het is haar of iemand haar, zo pas, het geheim harer schoonheid had ontsluierd. Daarover is zij tevreden en deze tevredenheid wordt in een gezellige zelf-overtuiging manifest. Die morgen kwijt de kioskjuffrouw zich zeer waardlig van hare taak. Deze waardigheid wordt nog vergemakkelikt door de mening dat alle kopers slechts een gelegenheid zoeken haar het hof te maken.
Dit is echter niet het geval.
 
 

DE MAMMOUTH

Enkele maanden geleden verscheen de mammouth weer en dit wel in Midden-Europa. Deze mammouth is, wel in tegenstelling met zijn vaâr uit de ijstijd, een huisdier en, zoals de leeuw, is hij buitengewoon tam en goedaardig. Hij leeft tans zoals de muurhagedis tegen muren, namelik tegen huizegevels. Waar de muurhagedis echter op het land leeft, is het met de mammouth zo gesteld dat hij nooit het centrum der steden verlaat. De lucht der grootstad schijnt de voortplanting van de mammouth zeer te begunstigen. Zo gebeurt het dat in steden als Düsseldorf, Frankfort a. M. en Keulen de mammouth, van wege deze snelle voortplanting, talrijk voorkomt. Door hunne merkwaardige afmetingen, verlevendigen de mammouths ten zeerste het uitzicht dezer steden. Zij houden zich uitsluitend op aan de gevels van snuisterijwinkels. Hieruit leiden de zoölogen af dat de mammouth zich voedt met de damp die uit de snuisterijen opstijgt. De eigenaars van gene winkels hebben deze gunstige omstandigheid van het oponthoud der mammouths aan hunne gevels niet laten voorbijgaan, zonder haar voor reklame doeleinden restlos zu verwerten (also spricht der Deutsche). Daar de mammouth steeds onbeweeglik aan de huisgevel blijft, hebben de eigenaars boven zijn kop een bord aangebracht, waarop te lezen staat Mammuthschokolade; onder zijn poten, leest men op een tweede bord: Erstklassiges Nahrungsmittel.
De mammouth wordt in duitse kinderboeken~ als nuttig huisdier met lof vermeld.
 
 

HET KONIJN

Lang heeft het konijn de lach gezocht. Zo zielsgraag had het konijn gekend de luide lach. Waarom het de lach zo graag had gekend, weet ik nier. Zo iets kan men niet weten. Het konijn heeft de lach niet gevonden. Maar het was de lach zeer nabij. Dat het het geheim van de lach zo nabij was, weet het konijn niet. Vlak vóór de lach hield de kennis van het konijn halt. Dáár vond het in plaats van de lach die het zocht, de verwondering die het niet zocht. Dit nu is iets wat buiten het begrijpen van het konijn valt: hoe je in plaats van het gezochte iets anders vindt. Daarom verwondert het konijn zich zeer om de verwondering. En daar het met deze verwondering geen blijf weet, toont het konijn zich voortdurend verwonderd, gans onbeholpen. Het weet zelf niet hoe verwonderd het is.
Uit zijn verwondering groeide zijn nieuwsgierigheid. Doch van huize uit droeg het de vrees mee. Nu weet het konijn niet goed welke zelf-raad te volgen: of de ras-vrees óf de nieuwsgierigheid die, in de wereld van het konijn, alreeds een beschavingsverschijnsel is. Alleen waar licht gloeit in de nacht, wordt de beschaving te sterk en werpt het konijn zich roekeloos in zijn ondergang. Het duurt nog wel een tijd alvoor het konijn zal geleerd hebben in dit geval te luisteren naar de stem van het ras, van de vrees. Dan komt het konijn tot het nuanceren zijner nieuwsgierigheid.
Dit echter geschiedt nog zo spoedig niet. De stropers met de lichtbak mogen gerust zijn. Het konijn leert slecht.
 
 

DIERGAARDE VOOR KINDEREN VAN NU
Tweede reeks
 
 

DE ES

Toen God de es wilde scheppen, dit is hem uit het verzonken-zijn naar de korte driehoek-werkelikheid verplaatsen, zegde de ziel van es, alleen God hoorbaar, want de in-Hem-verzonken zielen kunnen noch denken, noch spreken dan enkel zoals Hij denkt dat zij spreken: Heer, Gij weet dat ik dáár ginds gans vol zal zijn van het verlangen naar de sierlikheid van kleine, veelvuldig dezelfde dingen. Ik ben als de distelvink die graag had van elke verfpot een penseelstreek op zijn veren. Maar ik ben een boom en zou vele, - o Mijn Heer - duizenden bladerkens willen: dat niet de geringste wind ontsnappen zou aan de hinderlagen van mijn spelverlangen. Ik hou van eenvôud en van spel en niets is mij schoner dan een eenvoudig spel. O Heer, geef dat mijn verlangen zijn sappen drijft in vele, duizenden bladeren die de wind zijn, op hem wachtend, een lyra van ingetogen eenzame zinnelikheid.

De Heer moest lachen om het lieve smeken van de esziel. Deze bede was Hem zo aangenaam dat Hij niet enkel gaf de es wat zijn ziel had gewenst: het spel van de duizenden kleine bladeren in zijn kroon; de Vader doorzaaide het hart van de es nog met talloze bloemen. Diep in het hart van de es nu bloeien standvastig de houten bloemen hun Schepper tot dankbare lof.
 
 

DE BELG

De Belg is een kalkoen die in de waan leeft pauw te zijn. Zo gebeurt het dat de Belg beproeft zijn staart tot het half-ronde siersel te maken dat hij bij de pauw heeft opgemerkt. Natuurlik gelukt dit de kalkoen niet: immers hij heeft geen pauwestaart. Alleen heeft dit voor gevolg dat de kalkoen zijn staart in de hoogte houdt, aldus zijn achterzijde ontblotend. Dit meent de Belg pauwestaart maken in de zon. Dat de luidjes van het neerhof zozeer daarom lachen kan de Belg niet begrijpen en om het lachen zelf maakt hij zich heftig boos.
De Belg weet dat hij een nuttig dier is. Inderdaad het is tot het bewustzijn van deze kalkoensoort doorgedrongen dat hun laatste verschijning op aarde is deze van fraai bruin gebakken gevogelte op de feestdis van deftige burgers. Dat hij daartoe uitverkoren werd maakte de kalkoen zeer fier. Deze fierheid openbaart zich duidelijk in het misprijzen dat de Belg aan de dag legt tegenover arenden, reigers, uilen en andere, naar zijn mening onnuttige, d.w.z. oneetbare vogels.
 
 

DE DUITSER

De Duitser is een zoogdier dat rond de 25e december de nabijheid van een kleine denneboom opzoekt. Zozeer houdt het van de den dat het, niet meer bij machte van hem te scheiden, de boom bij de wortel afbijt en hem dan met de mond, dan weer met behulp der voorste poten naar zijn hol sleept. Wanneer nu de den verkwijnt sterft de Duitser ook uit solidaire melancholie, treurig en om de oorzaak van dit sterven onwetend. Vindt de Duitser rond 25 december niet de gewenste den, zo is hij daarom niet gelukkiger als zijn broeder die wel de boom vond. Inderdaad ook in dit geval sterft de Duitser omdat zijn groot verlangen zich niet kon leggen in de buurt van het gewaande bevredigd-zijn. De Duitser stoot dan herhaald een gerekt-pijnlike kreet uit, die naar onze fonetiek, ongeveer zeenzoecht zou te schrijven zijn.
De Duitser wordt dus nooit ouder dan een jaar. Daarom noemt men de Duitser het jonge zoogdier; deze samenstelling is pejoratief bedoeld, namelik zo dat naar de daarin besloten mening de Duitser steeds te jong blijft, zodat je hem niet een enkel verstandig kunststukje kan bijbrengen.
 
 

DE SIRENEN

Niet lang geleden slaagden matrozen er in de sirenen, enkele mijlen zuidelik van de Azoren, te vangen. De sinenen floten hartverscheurend, maar de matrozen, woordelik genomen doof zijnde, bleven onbeïnvloed. Zij wilden de zeeën van deze gevaarlike dieren zuiveren en sloten de sirenen op in een donkere afgesloten hoek van het ruim. In de havens waar hun schip aanlegde, werden zij, nadat zij van hun vangst hadden verteld, door het scheepsvolk op jubel en hoera onthaald en daar de matrozen meenden dat een gevangen sireen een talisman is, verkochten zij vlot te Lissabon, te Liverpool, te Rotterdam de gevangen sirenen; alleen moesten zij, de dove matrozen, de sireen in de donkerste hoek van het scheepsruim onderbrengen, want de anderen wisten zich daartoe niet bekwaam.
Men weet dat zeekapiteins mensen zijn die zich alles tot nut willen maken. Zo gebeurde het ook met de gevangen sirenen. Men bracht in een muur van het sirenehok een ronde opening aan en van deze opening tot ver boven het dek uit leidde een buis het gefluit der sirenen wiegend boven de zee, boven de stroom en de stad. Opdat de sirenen zouden fluiten wanneer het het scheepsvolk nuttig of aangenaam scheen, had men een dunne lans gemaakt waarvan het uiteinde bestond uit drie scherpe spelden; deze spelden werden gedoopt in een papavervocht en langs een kleine opening in het hok in het lijf der gevangen sirenen gedrongen. Het papavervocht heeft de eigenschap hem die het in zich opneemt een onbeschrijfelik verlangen naar ruimte en een grondeloze treurnis mede te delen. In de sirenen maakt het het verleden van de verre zeeën wakker en van hun vroegere macht op de mensen naast een uiteindelike treurnis waarin als in een verdere afmeting ligt alle ruimte en alle machtswaan. Dan schreeuwt de sireen luid op; de oneindige trilling van haar gefluit schiet scherp over het schip heen de ruimte in, hangend boven de stroom en boven de stad; de scheepslui aan de wal en de mensen van de havensteden zeggen midden hun roes: het is twaalf, de sirenen hebben gefloten, het nieuwe jaar begon.
Doch, spijts gevangen, hebben de sirenen hun macht niet afgelegd. Wel kunnen zij niet meer de janmaats lokken diep in de diepe zee, waar hun zang is de vroege dood, midden de wonderlikheid van anemonen en wier, schelpen en koralen, meer dan een vergoeden. Zij echter die eens hebben gehoord het fluiten van de sirenen hoog boven de stad, kunnen hun verlangen naar deze klacht in hun verder leven niet meer bedwingen. Zij zijn, als de muis de kat, de haven vervallen, waar zij de boten weten en de sirenen.
Fabriekbezitters van het vlakke land hebben van het scheepsvolk sirenen gekocht; zij houden ze tans gevangen in de kelders van hunne gebouwen. Wat zij echter ook beproeven, zij slagen er niet in de sirenen tot dit klagende geschrei te brengen, dat deze dieren, gevangen aan boord van een schip, uitstoten. Men vermoedt dat de sirenen, waar hun het laatste genieten, de reuk van het zeewater ontbreekt, langzaam verkwijnen. Trouwens is het ook het zeewater dat hare stem deze scherpte geeft.
 
 

DE EZEL

Toen de ezel vóór de poorten van Jeruzalem was gekomen, het rumoer hoorde van binnen de stad en door het sleutelgat van de poort zag dat het er in de stad blij en feestelik toeging, bleef hij staan en schudde de kop. Met de hoef maakte hij ras in het zand een ezelskaballa-figuur om het boze lot te bezweren. Jezus moest hem achter het oor kittelen en zeggen: Toe, Boudewijn jongen, toe. Doch in de stad geraakte Boudewijn er dan toch volledig de kluts bij kwijt.
In de straten van Jeruzalem was er geen plek van een voorschoot groot die niet dik onder bloemen lag bedolven. Toen achter Jezus en zijn paard de stadspoort weer dicht was gevallen en Boudewijn vóór deze eindeloze weg van bloemen stond, kwam hij er niet meer toe zijn denken een ogenblik te kunnen volgen; op ik-en-gij versukkelde de ezel, terwijl hij staan bleef, in een dwaas getob. Hij draaide de kop naar Jezus, keek Hem uit al de diepte van zijn getob in de ogen, te vragen: Weet Gij waarom ze zoveel bloemen strooien op mijn weg? Mijn grootste verlangen is steeds geweest het gras te hebben hard zoals het is in de weide, met af en toe de verrassing van frisse kruiden en van bloemen die als suiker zijn. Maar de mensen vertrouwen mij niet in de weide omdat ik, zo menen zij, de koebeesten lastig maak en daarom krijg ik slechts het gras, dat vóór dagen gesneden, lauw en mals is. Waarom strooien de mensen bloemen op mijn weg, meester? Is het om mij te verzoeken en om mij hovaardig te maken?
Nadat Jezus herhaald had gefleemd, stapte Boudewijn op; daarvan was hij echter overtuigd dat de boze geest er mee gemoeid was wanneer mensen frisse bloemen strooien op Boudewijn's weg in plaats van hem het lauwe gras voor te zetten. Daar zit iets achter dacht Boudewijn.