Gulden Sporen Negentienhonderd Zestien


Paul van Ostaijen

In dertienhonderd en twee
beken naar de stroom, stromen naar de zee,
zó de verdedigers van het vlaamse-gemeente-sisteem, sterk in de strijd,
wal, tegen de aanval van de franse leenroerigheid;
zee-wal, pal, als de Rode Zee ten tijde van de Exode
was, tocht van godsvolk naar Kanaän, tocht der Joden.

Maar negentienhonderd zestien
zal, zij aan zij,
pal, rij op rij,
het aktieve leger groeien zien,
tot een wil en tot een daad,
gekromd de rug en vuist gebald, die de vijand slaat
en de nacht; breekt de dag door dageraad.
Negentienhonderd zestien, jaar dat woord werd,
woord dat vlees werd,
leger van ons land,
wachtersdaad bij wachterswoord en -hand.
Vastberaân, wij staan
in kamp. Wij staan.