Lied voor mezelf

Paul van Ostaijen

Mijn Heer, mijn schip is op de zee.
Ik vraag U niet: laat kalm zijn de baren nu;
wie klaagt, draagt hij niet met zich mee
bestendig een poel die eens zich sluiten zal over zijn hoofd?

Mijn schip zal niet liggen blijven aan de ree,
te luisteren naar het spelemeien van der tijen eb' en vloed,
niet onder morose zegenrege', noch onder zonnevree,
mijn schip moet in de storm mee op zee.

Ik heb betrouwen in mijn boot, doch de baren slaan zo hoog,
reeds over de voorsteven, reeds over de achtersteven.
Als weer de zee vol vrede en rust is, zal dan het wrak van mijn boot
niet mededrijven naar de ree?

Ik ben een koen kind dat niets weet van de kloof
die ligt tussen dood en leven.
Kan een boot, mijn Heer, vergaan
die niets draagt dan het licht gewicht van mijne blauwe ziel?

En zo mijn boot nochtans vergaat, mijn Heer,
kan ik dan zondigen nog?
Neen... neen... Al de stemmen zingen mij: Ga mee op zee,
met de baren van Kristus, met de baren van de Loreley.

18 mei 1918