Paul van Ostaijen

MUSIC HALL

Aan mijn vriend Geo van Tichelen

1

Gelijk een zwakke vrouw d'armoe van heur lijf verbergt
Onder een ruisend froufrou van rokken en van kanten kleren
Zo dommelt de Music-Hall z'n lusteloos begeren
Weg in 't schijnen en 't kwijnen van veel rode en groene lichten.

2

Nu rinkelt schel
De elektrieke bel
En scheurt de vrede van den avond
Tot een rinkelende wond
Van bange blijheid.

De mensen die voorbijgaan voelen
Hoe, als 'n klamme, koele
Drop, de tingeltangeltinteling
Op hun ziel zinkt,
Gelijk een regendrop op 't zinkevlak
Van een platdak.

De mensen aarzelen, kijken
Even de neger aan
Die op en neer moet gaan,
Programma's reiken.

Over de mensen deint 'n
Zee van onzekerheid,
En d'elektrieke globe schijnt
Als 'n lichtbaken van blijheid.

Schril gillen de sirenen:
Komt naar de Music-Hall henen,
Daar is er lachen, daar is er wenen,
Schril gillen de sirenen.

Onzeker gaan de mensen Ter Music-Hall;
Onzeker staan de mensen
In de zwarte zaal.

3

Maar
Plotseling
Bont en klaar
Schijnen de lampen en stralen
Over de zaal
Hun schitterende, schetterende praal
Terwijl 't orkest,
Kranig en vast
Naar 't einde rennend,
Een razende dans inzet.

Zo is de verlossing
Uit d'onzekere stemming,
Gouden verlichting
Te allen kant.
Kennissen drukken elkaar de hand,
Damen knikken charmant,
Een kaalhoofdige heer groet
Met brede gebaren en zwaait de hoed.

Haastig,
Naarstig,
Bedrijvig,
IJverig
Komen de kellners gegaan,
Brengen verfrissingen aan.
Helder klinken
Rinkelingen
Der glazen.

Dan loopt over de zaal 't bevel
Van een nerveuze schel,
Het praten geheimzinnig vlucht,
Langs een wachtensmoeë lucht.
De toneellichten schijnen,
d'Andre in de zaal verkwijnen.
Het zwijgen wordt de éne stem
Van dit één hart in zonderlinge klem
Van angstig wachten.

Als door een lichte zucht bewuifd
Rilt de gordijn en schuift
Terzijde in mooie,
Zachte plooien.

Tred na tred,
Danseresjeswet,
Tred na tred,
Voetjes zet.

In licht op en neer
Gaan, en wederkeer
Van haar tullenkleed,
Danst het danseresje,
Music-Hall prinsesje,
Dat zovele listen weet.
Listen in 't glinsteren der ogen,
Kohl bestreken, twee zwarte bogen,
Die omkransen geheimenis en logen.
Listen met de voeten,
Eventjes de grond beraken moeten,
Dan weer leven, leven
In het even,
Trillend,
Rillend
Zweven
Van het tullenkleed.

Een oude heer kijkt
Scherp toe en ongeduldig.
Zijn blik wijkt
Van het toneel geen ogenblik.

INTERMEZZO VAN DE OUDE HEER EN 'T DANSERESJE
De oude heer:

Danseresje, danseresje,
Zoveel honderd in de maand,
Word prinsesje, word prinsesje
Tegen zoveel in de maand.

Zoveel in de maand bespaard,
Dikwels 'n cadeautje,
O, m'n mooie vrouwtje,
Is dat niet je liefde waard?

En daarbij ik ben geen lastig heer,
In de week kom ik maar zoveel keer,
Nooit of nimmer meer,
'k Zou niet kunnen, de jaren doen me zeer.

Het danseresje:

Ouwe heer met senten,
'k Mag je lijen graag,
'k Zal nochtans u in het harte prenten
Dat 'k ook andere vrijers vraag.

Nadat,
Vier, vijfmaal
Naar voren trad
De danseres
En van de zaal
Haar tegenkwam
Het handgeklap,
Rap, rap,
Dat zij ootmoedig buigend aannam,
Gaan de lichten weer uit
En de donkerte fluit
Over de zaal
Op eenmaal
Z'n eenvoudig lied.

Op het wit doek
Staan, handelen,
Gaan, wandelen
Broeders van ons,
O, broeders van mij,
Angstig zij aan zij
In de zaal
Die is zwart als de dodenpraal
Van de lui die sterven,
Wanneer zij nooit moesten derven,
Wat je met fatsoenlik geld
Eerlik krijgt vergeld.

Op het doek, o, broeders van mij,
Is de haat en de liefde weer zij aan zij.
De nijd
Bestrijdt
Handig en knap
De vriendschap;
De haat
En heimelik verraad,
Zo kwaad,
Wil dat de liefde vergaat.

Maar wees gerust,
O, broeders van mij,
Op goedheid's zege belust;
Laat enkel gedurende een kort getij
Haat en nijd zegevieren,
Wreedheid,
Jaloersheid de wereld bestieren;
Het einde van de film bestaat
Niet in de zege van het kwaad.
Na lijden en smarten
En 't der kwaden tarten,
Zal herrijzen de goedheid hoog,
Hoger dan de gaaivogel, die nooit
Getroffen werd door 'n pijl uit Herakles' boog,
Steeds van hoog z'n liederloosheid strooit.

In 't eindeloos dagen deinen,
Dagen van geluk en vrede,
Zal naar voren treden
De Lente en 't goede eeuwiglik omschijnen.
De Lente is 'n feest van maagden,
Die hun vreugd' niet dragen kunnen,
Zich in de lucht versmoren gaan.

Zo eindigt alles ten leste, -
Op de film heeft 't goede steeds de resten, -
Voor elk het beste.

'n Jongleur-ekwilibrist, Vrank en vrij,
In zomerse kledij,
Verschijnt voordat iemand 't gist.

Bonte ballen dansen
In de lege lucht,
Bonte ballen kransen
In een dolle vlucht.

Groene hoepels komen,
Wederkeren lome,
Groene hoepels draaien
In der lichten laaie.

Rode fakkels draaien
In een vuurge glans,
Grote fakkels zwaaien
In fantastendans.

Vuurge fakkels gooien,
Langs 's jongleurs gezicht,
Vuurge fakkels strooien
Duisternis en licht.

't Lijken zoveel sterren
Van goedkoop allooi,
Maar van ver en verre,
Doet dat toch zo mooi.

Dat wat ons betrouwen
Aan 't toneel kan houen,
Al waar 't slechts een stond,
Is de schoonheid van dees avond.

De lichten uitgedoofd, komt op het doek,
Voor het publiek

Nooit te vroeg, maar steeds te spa,
Een film-komiek
Uit 't verre Amerika.

Zo gaat in kring
Van wisseling,
Verblijdenis
En droefenis
En smart en pijn,
In liefde-zijn,
Ook treurenis
Om het gemis
Van wat niet is.

Maar op 't laatst van de dag
Knalt als 'n overwinning
Door de Music-Hall wijding
Een grote schaterlach,
Die scheurt de hijgende stemming
Tot een groot geluk.

Tot een groot geluk.
Het geluk van de slet
Die haar droef bestaan
Voor 'n korte tijd heeft vandaan
Gezet.
Een ogenblik leeft zij buiten de zorgen,
Van al datgene buiten de Music-Hall ligt,
Zwart en hopeloos,
Smart, zo troosteloos.
Zij denkt niet op 'n slecht betaalde nacht,
Op 't gasthuis, dat van verre loert en wacht,
Gelijk de dood,
De dood van hare mooiheid
En de dood van de voordeelge Lentetijd.
Voor een ogenblik heeft zij zich weg gedacht
En de zege van goedheid verwacht.

En zo heeft ook gedacht de jongeling,
De man die kwam met z'n familiekring,
De meisjes die in kinderlik vertrouwen
Hun minnaar naast zich houen.

Er is niet meer de ziel van deze of gene man,
Niet meer de ziel van deze vrouw,
Of gene, die haar man ontrouw
Werd. In de Music-Hall is er slechts één hart,
En één ziel. Eén kloppend hart,
Eén levende ziel. Elk mens is 'n ander mens,
En al de anderen zijn weer dees één mens,
Die zich gelukkig weet,
Omdat hij met de helden leed,
En in z'n ziel - de ziel van allen,
Hier verenigd ter Music-Hall,
Voor goedheid streed,
En blij was, wanneer
Niet meer
Overwinnen bleef lafaardij,
Maar wel, niettegenstaande 'n laatste felle kneep,
Voor recht bezweek

Maar niet enkel de mensen
Vormen dit ene wezen,
Wel alles wat in de Music-Hall
Aan bonte wemeling is herrezen.

De lelike muurschilderijen
Worden mooi, wijl zij bij het blije
Wezen hoeven. En ook daarbij
Moeten de goedkope glazen,
En de koffiekoppen, de slechte koffie,
De karaffen met water, de stropijlen,
Het ratelen van de kino
Door het algemene zwijgen,
De lichten geel, groen en paars.

Dat alles wordt hier mooi
En goed, en innig, innig voor ons allen.
Dat alles is vergroeid
Met ons en één ziel bloeit
In de Music-Hall, één ziel
Die omvat het mensengekriel
En al de blije dingen,
Die van innigheid zingen
En draaien van innigheid, als 'n spinnewiel.

4

O, m'n Music-Hall wieg m'op uw geluiden,
Dat ik weer eens de ware wereld buiten
Treed; dat ik weer eens wone
In illuzie's hogere regionen.

Dommel nu m'n eenzaam wezen heen
In de ziel die een, hier alleen
Kan leven; door haar eenheid
De kompleetste innigheid.

Dobber, dommel, deint
In die eenheid, ziele mijn,
Flikker, schitter, schijnt
Als 'n kinolampe, zieleschijn.

Kinofilm, jij zijt 't levensimbool.
M'n leven draait in snelle farandool
Als jij. M'n leven is 'n mozaiek
Van schuld en boete, van liefde en haat,
Van lijden en verblijden, van latent zijn en van strijden,
Van hoop en wanhoop, van eerbied en van smaad.
Van m'n leven blijft steeds mij 't dierbaarst 't Verleden
Boven al, en slechts leef ik het Heden,
Opdat het later weer mooi zou wezen,
Wanneer het ligt in Verleden's zachte schijn.
Daar liggen de enkele vrienden,
Die ik lang geleden lief had, en ook
Daar zijn de meisjes. Allen blijf ik welgezind
Door m'n Verleden heen, want allen lijken me nu goed.

O, enkel, enkel is voor mij vertroosting
Wanneer 'k kan leven in herinnering
En breken door m'n kleine levenskring
Tot des Verleden's maangesching.
Enkel nu en dan weet ik hoop
En jij, kino, sterkt me voor 'n korte stonde
In die hoop, zachte illuziestonde.

5

Als niet meer is de mens,
Zelfs niet de wens
Om uit de agonie te zijn,
Als na 'n laatste harde strijden,
De ziel van 't lichaam is gescheiden,
Dan blijft de menselike huls
Slechts 'n onnuttig tuig.

Zo is zielloos de Music-Hall,
Wanneer de mensen de zaal
Verlaten hebben, plots, in een drang,
Uit hun eenheid gedrongen.
Als het volk buiten was,
Hebben de kellners ras
Opgeruimd het glas-
Werk en de stoelen boven
Op de tafels geschoven.
Dan zijn de kellners verdwenen
En de lichten, die voorhenen
Zo vrolik de zaal doorschenen,
Ook zijn uitgedoofd. De Dood,
Zij werkt steeds onverdroten,
Heeft de Music-Hall als 'n prooi omprangd
En haar dood-stille adem over hem heen doen glijden.

De ziel des Music-Hall's leeft langs de straten,
Duizendvoudig in gebroken praten.
De ziel is aan flarden gescheurd
En heeft haar eenheid verbeurd.
Toen de ziel even buiten de zaal was,
Is zij stuk gevallen als zeer broos glas

.

Nu lopen weer al de mensen uitéén
Alsof ze nooit één geweest waren, voorheen.
Niet meer bij mekaar sluiten zij zich aan.
Nu zijn er weer schamele mensen langs de baan:
Arme mensen, die alleen en sjofel staan,
Onzeker, verder gaan.

Zo is gevallen
Als teer porselein,
Gebroken met 'n korte knallen
En het doven van de kinoschijn,
De ziel die even één was,
Wijl zij haar blijheid op de kino las.

JUNIE-SEPTEMBER 1915


Bezorgd door Hubert Campo (Hubert.Campo@ping.be)