Zomerregenlied

Paul van Ostaijen

Regen, reiniging buiten mij,
reiniging van de straten, alle dezelfde,
minnaars die lang gewacht hebben naar dit overvloedig zoenen,
maar nu hun lichaam golven, bevrijd van dit zomerzwaar verlangen,
in de lange omhelzing van de knallende zoenen

Wit gewassen wegen,
straten na de omhelzing, in vreugde en berusting neergelegen,
bomen der boulevards, herauten van de levende zege,
klare klaroenen, roes van herlevend leven,
rein van reiniging.
Mensen die zich spoeden om de reine regen te ontvluchten
en toch zelfs binnen de koffiehuizen, deel
zijn van dit groots geheel
der reiniging.

Een handelsreiziger die ras
een koffiehuis binnen gevlucht was, voelt nu pas
de frisse damp, die stijgt uit zijn regenjas,
hem doordringen.

Als een poedel die uit het water rijst,
voorzichtig het riet ter zijde schuift,
rond zich een waaier van waterkorrels wuift,
duikt de trem op. Het snikkende sienjaal viert feest,
als onder zijn hijgen, zó betuigt het blije blaffen van het beest.

Rustig zware adem, ligt het land, onder de omarming.
een grijs kleed van een koningsdochter, zo is de slierende smoor,
maar de gordijn van de verre regen verbergt niets.
Damp van het land, lied van de aarde,
levend als geboren gaat de klaarte
uit de gulden gorgel van de leeuwerik. Land dat zich strelen laat
door de lange, slappe vingers van de geliefde.
Ritmus van de fijne regen,
stappen van een pygmeeën-leger, dat draaft naar zege;
stortregen, marsj van het heir der schone nederlagen,
opflakkerend leven. Losbrekend patos,
geweldig, overstelpend; moederzoenen voor het éne kind.
Dorpen omstrengeld in het begeren van de wind,
vergeten neergesmeten na het genot;
losse, zachtgestreelde korenhaardos
van de beminde. Eeuwig land, nooit genoeg bemind
en nooit genoeg genomen, voel hoe de wind uw lijf rein maakt van verlangen.
Vreedzaam-voldane volmaaktheid van de slagzoenen,

regenomhelzing,

rustig neergeleide berusting
onder het jonge, bange branden van de zon.

Regen: reiniging.
Wit gewassen straten, klaterende tremsporen,
witte wegen, lijnen van het spelend licht,
onbevlekt herboren.
Licht dat de koffiehuizen en de winkels binnenspoelt:
verwachte Heiland.
Over het land ging de regen, de godsgezant:
Johannes die de zielen zuiver zingen zou.

Zó regen: opperste reiniging in mij.
Als klederen pas gekomen uit een nieuw-wasserij
zie ik de mensen gaan over de straat; want geen doel
heeft de regen dan dit: de wereld voor te bereiden,
te reinigen voor de zonnekomst.
Ik die weet, -- heilig weten van Gods genade, --
stap levend blij door regen, door de straten
en langs de huizen, die zich baden laten
als ik in het heilige bad der reiniging.
Grootse wandeling: bewuste, uiterlike ritmus
der stille handeling van het innerlike denken.
Ritmus van mijn Ik, opgelost in het alomvattende ritmus van de elementen.
Wandeling, rit door regen,
regen, zelf rit door der getijden zegen.
Lust van te gaan en de regensruppels sterven te voelen
in het koele van mijn regenjas.
Nieuwe werkelikheid: zachte regen die mij omvat;
stortvlaag, die mij opneemt, verder draagt in zich;
frisheid van mijn handen en van mijn gelaat;
onwerkelike werkelikheid, zó onverwacht,
maar zelf wachtend op wat zij voorbereidt. Loutering.

Want zoals de waters van de regen wegspoelen,
na de reiniging, hun taak volbracht,
zo lopen de straten, slechts met het éne doel,
op en naar een groot plein,
dat onbewust van wat voorbij is,
en blank reeds, onbewust ook van zijn huidige schoonheid,
te midden zongeplas
te rusten lig.

Zware adem. Rust. Bevrediging.
Ik sta midden van het plein,
zó als het plein te midden van der straten kruising ademt,
en ben dit alles nu. Rust.
Denken dat zich een ogenblik vergenoegt te zijn
de gedachteloosheid van 't enige genieten.

Over zó'n strijd onthutst, ligt de zon enkel te kijken
te midden van het verslagen leger der wolken.

1-15 september 1917



(1896 - 1928)

[ Gedichten , 1928 ]