Drie Studentjes

Piet Paaltjens

Daar waren eens zeven kikkertjes
Al in een groene sloot,
Toen kwam er een boer op klompen aan -
En die trapte ze allemaal dood.

Daar waren eens drie studentjes
Drie vrienden in lust en in nood;
Ze sprongen zoo moedig de wereld in,
En de wereld - trapte ze dood.

Lief meisken met blonde lokken,
Met een kolk van gevoel in den blik,
Ai gun, dat ik van hun bitter lot
Aan uw voetjes een liedeken snik!

Een liedeken, dat is uw boezem
Alleen in kleur van albast,
Zijn glooiing met bangzoete dauwdroppeltjes
Van medelijden beplast.

Hun jonge harten klopten
Voor wat goed is en welluidt zo fier;
Voor waarheid en wijn, voor vrouwen,
Voor vrijheid en Beiersch bier.

Hun ijzeren vuisten beukten
Zoo graag op een schurkenkop;
Hun lippen vingen zoo gretig
Een maagdelijk kusjen op.

Donderend dreunden hun stemmen
Den kruipenden huichlaar in 't oor;
Leeuwerikzoet stegen ze opwaarts
In 't jubelend vriendenkoor.

Blij was ook hun lach, ferm hun handdruk,
Breed hun borst en hun oogopslag kloek;
Rood hun wang, zout hun scherts, krul hun haren,
Geniaal en talentvol hun vloek.

Idealen, sigaren, beurs, tafel,
Ze hadden alles gemeen.
Hun geloof en hun twijfel, hun liefde
En hun haat en hun kelder was één.

Alle morgens van tienen tot elven
Henstten ze samen vol vlijt,
En van elven tot vieren bezochten
Ze eendrachtig de societeit.

Op ze dronken, op Stegerhoek's kleppers,
Met de vier van Van Hees of met Zuur,
Op schaatsen of wandlend, de melk in
Uit de borsten der vrije natuur.

Maar meer dan die melkspijs woog hun
't Vaste brood der wetenschap zelf,
En daarom hengsten ze eerst vlijtig
Alle morgens van tien tot elf.

Ja, nauw was nog de verdooving
Van het bierrijk diner voor een sterk
Kop koffie, etc. bezweken,
Of zij togen weer samen aan 't werk;

En blaârden in boeken en blokten
En pompten, en dronken thee,
- Of, als het te warm was, Rijnwijn,
En, was het te koud, punc-brûlé. -

Eerst om tien uur beloonde wat "stokouds
En geurigs" van Weydung hun vlijt,
En van elven tot vieren bezochten
Ze eendrachtig de societeit.

Daar spraken ze dan zoo diepzinnig
Over Hegelsche philosophie,
En dronken drieënig uit één flesch,
En elk van de drie dronk voor drie.

En al hun zoete geheimen,
Al de smart, die hun boezem omsloot,
Al hun feilen, hun deugden, hun beden,
Die legden ze elkander dan bloot.

Eén fluisterde dan zo teeder
Van een schoon blauwoogig kind,
Dat hij eens op een zomerconcert zag
En sedert had bemind.

Nooit, zei hij, daalde de zonne
Zóó blozend van wellust in zee,
Als toen hij voor 't eerst háár zag kijken
Naar de goudvischjes van Couvée.

Nooit speelde 't korps van Dunkler
"Das Bild der Rose" zóó zoet,
Als toen zijn blik den blikslag
Dier bleeke roos had ontmoet.

Daar lag in dien blik iets kwijnends,
Iets smachtends naar hij wist niet wát;
Iets, dat, dacht hem, ook in 't klagend
Gefluit van den nachtegaal zat.

En hooger gloeiden zijn wangen,
Als hij sprak van dat klagend gefluit,
En sneller dronk dan het drietal
Ontroerd de glazen uit.

Eén dacht dan aan 't naderend scheiden,
En 't was, of ze trilden van pijn,
Maar ook, en hun oog blonk weer zalig,
Hoe het weldra reunie zou zijn!

Hoe dan nog eens zooals vroeger
Door de straten der Sleutelstad
Hun leeuwerikstem zou weergalmen
Van het godlijk Iö vivat!

En noemde zijn lip dien feestpsalm,
Dan grepen zij eerbiedvol 't glas
En orgelden driestemmig 't heilig
Nostrorum sanitas.

Eén sprak dan zoo dof en zoo hoonend
Van het lijder dezer eeuw,
De gansche wereldhistorie,
Zei hij, was hem één schreeuw,

Eén rauwe schreeuw om wrake
Over hen, wier vuig belang
Het menschdom vertrapt en verknoeid had,
Al zestig jaarhonderden lang!

Maar de dag des gerichts was niet ver meer!
Reeds kleurde 't morgenrood
De toppen der bergen en spelde
Den nacht der leugen den dood!

Reeds hoorde hij 't lied van de valbijl,
Die den kop der dwingelandij
Van haar rotten romp zou scheiden:
"De verjongde volkren zijn vrij!"

En dan schoten er bliksemstralen
Uit zijn zielvol donker oog,
En dan hief hij de twee voorste vingers
Van zijn rechterhand statig omhoog.

En dan zwoer hij zoo vreselijk ernsig,
Dat ook zijn zwaard in de eerste rij
Op het slagveld des geestes zou kampen
Tegen domheid en tirannij.

En dan zwoeren ook de andren, en riepen
Om Plooi, en alle drie
Bezegelden zij hun gelofte
Met een glas of vier Oeil de perdrix.

Ja, het waren drie brave studentjes!
Die vrienden in lust en in nood!
Blij sprongen ze in de armen der wereld,
En de wereld - kneep ze dood.

Blondlokkige Johanna!
Ai gun, dat droeve bard,
Vóór hij verder zijn liedeken afsnikt,
Eerst een uitschreie tegen uw hart.

Want breken wil hem het zijne,
Als hij denkt, hoe oneindig veel groots
De klauw der wereld reeds smakte
In den killen afgrond des doods.

Nam ze ook niet zijn dichtersdroomen
Wreedaardig bij een been
En sloeg hun de hersens te pletter
Tegen den werklijkheidssteen?

Zijn gezang, dat de objectiveering
Van de idee der wereldsmart was,
Zette zij 't niet met de verzen
Van - - in ééne klas?

Johanna! blonklokkig meisken!
Ai, gun uw miskenden Piet,
Dat hij eerst uw boezemglooiing
Met een tranenmeer overgiet!

En nu, aanhoor, hoe treurig
De geschiedenis endt van de drie,
Die zoo'n duren eed eens zwoeren,
Een eed bij de Oeil de perdrix.

Eén voer er naar 't land der vampyrs
En der kruipende slangen af;
Hij kampte er trouw voor de waarheid,
En vond er jong een graf.

Want wel was zijn vuist van ijzer
En goed voor een schurkenkop,
Maar tegen slangen en vampyrs -
Daar kon hij niet tegen op.

Eén bleef er, waar 't oog op vampyrs,
De voet op geen slangen stoot;
Hij bestreed er vooroordeel en domheid,
En vond er een langzamen dood.

Want, al beet hem geen giftige slange,
Al zoog geen vampyr zijn bloed,
Daar waren padden en wespen -
En die deden hem ook al geen goed.

Maar het akeligst lot trof den jongste,
De zwakste ziel van de drie,
Die eenmaal dien duren eed zwoeren,
Dien eed bij dien Oeil de perdrix.

Zij hebben den armen strijder
Zóólang gerold en gesold,
Tot al, wat er frisch was en edel
In zijn vrije borst, is gestold.

Tot hij eindlijk, het worstelen moede,
Zich de handen knevelen liet
En om den lieve vrede
De zaak der vrijheid verried.

Ik geloof, hij kreeg een betrekking,
En ook een echtgenoot;
Zij blonk wel niet uit door schoonheid,
Maar haar inkomen, zei men, was groot.

Ook kocht hij een stel witte dassen,
En de wereld riep er van,
Hoe hij zich zondaar bekeerd had
Tot een braaf en fatsoenlijk man.

Toch scheen het, of hij den vrede
Niet bij zijn bekeering hervond,
Want - nimmer speelde de glimlach
Van vroeger weer langs zijn mond.

Slechts als hij een ouden makker
Op het slagveld verbloeden zag,
Dan weerlichtte er plots om zijn lippen
Een vreemde, geheimvolle lach;

Een lach, nog oneindig veel fletser
Dan die lijkengrimlach, dien Jan
Van Beers eens den mond zag plooien
Van zeker zieklijk jongman;

Een lach, die getuigde van lijden,
Zóó gruwzaam, zóó peilloos dipe,
Dat die hem loeg mocht bidden,
Dat ook hij den heldendood sliep,

Den schoonen dood der vrienden,
Met wie hij de Sleutelstad
Eens zo leeuwerikblij deed daavren
Van 't heilig Iö vivat!


1853

Saaie, prozaïsche feiten:

Stegerhoek was manegehouder, Van Hees pikeur, Zuur stalhouder en Weydung wijnhadelaar.

Couvée: hier werden in de tuin zomerconcerten gegeven.

Dunkler: dirigent van de Stafmuziek.

Plooi: knecht op de sociëteit Minerva.

Jan van Beers: bekend Vlaams romantisch dichter.