Een paar slotsnikken
Piet Paaltjens
Waar zijn ze nu de tranen, Janus, die er blonken Achter uw brilleglazen, wen we elkander, dronken Van weemoed, half, en half van wijn, in de armen zonken? En waar de zangen, die dan diep ons uit de longen Door 't opgeschoven raam, den stille nacht in, drongen: Het Mihi est, door niemand schooner ooit gezongen? Daar waar de zuchten bleven, die bij tusschenpoozen Ik met de besten wil nit laten kon te loozen, Gij weet het al te wel, om háár : "de bleeke roze". En waar de schaterlach is heengerold, de blijde, Dien al wat kennis had aan lachen u benijdde. Zóó schaterlachen ze niet langer, ook te Leiden.
't Gaat al voorbij. De dag zal komen, Janus, Dat het met u en mij voorgoed gedaan is. Dan rijst en daalt de zon aan gouden transen: Uw oog noch 't mijne vangt haar purpren glansen. 't Sneeuwt bloesems; 't koren geelt; rood kleurt de heide: Noch lentegroen noch herftbruin zien wij beide. Wieg golf en mastbosch vrij op de' aâm der winden, Hun zang niet meer óns oor zal open vinden. Zacht zwelt de druif op Rijnsche en Fransche bergen: Haar tintlend sap niet óns de tong zal tergen. O Janus, al die oude fijne merken, En anderen slechts, dien zij het hart dan sterken!
Het zij! Na ons aan hen de beurt! Alleen Vergeten worden, gij en ìk ook? Neen! Tot sterrenregens gruizelen kometen, In nacht vergaan, dat kunnen geen poëten. Zoolang als Neêrlands taal van lippen klinkt, Zóólang ons volk Piet Paaltjens' zang herzingt! En is met Nederland zijn taal verdwenen, Dan zingt de wereld nog úw lied, Arene!
O Toekomst! Uw "quaternati sedbamus" Perst eeuwen zuchten nog uit bleeke dames; Uw zangerig "Phoebé fenestram intrat", Jaarhonderden sproeit het weêr wang en kin nat. Als lang geen kapper scheermes meer of schaar wet Leeft nog uw "Mirax nuper quum curtaret", En eerst aan de' avond van den allerlaatste kus Gaat bloedrood onder, Janus, uw "Auctoctonus".
1888.