De dichter

Piet Paaltjens

Ver boven 't stofgewriemel dezer aarde
Verheft zich 's zangers dichtvuurgeest en zweeft
In de aethersfeer, waar de Engel van de Toekomst,
De Seraf van het Profetisme leeft.
Op condoerwieken opgestegen vaart hij
Dwars door der elementen wendling heen;
Vertreedt de sporen van 't heelal en toovert
Tot heden èn de Toekomst èn 't verleên.
De millioenen bollen staren duizlend
Met ingehouden adem naar zijn vaart,
Den zonneglans verschiet tot niet en de afgrond
vergeet zich zelf, waar hij zijn blik ontwaart.
De donder smelt met 'l lied der nachtegalen
In één tot Englenharpenmelodie
Bij 's Dichters heil'ge naadring en de Grondstof
van 't Al lost op in Grondstofpoëzie.

Ha! Zalig is uw lot, o vorst der Zangen!
o Kind en vader tevens van het Lied!
Als gij en aarde en hel en hemel de' aanblik
Van de' allergrootsten graad van grootheid biedt!

Ex Tempore



April, 1849

[Piet Paaltjens pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.