Familie en kennissen

François Haverschmidt

1e dr. 1876
2e dr. 1881
3e, uitgebreide dr. 1894


Een groot man en een goed man (ca. 1894)

Ergens in de wijde wereld ligt een stad, en in die stad woonden voor eenige jaren twee menschen. Natuurlijk woonden er nog veel meer menschen in die stad; maar, behalve al de anderen, woonden er ook die twee.

Ze woonden allebei in hetzelfde huis, maar de een woonde boven, en de ander woonde beneden. Hij, die beneden woonde, had verreweg de kleinste part van het huis; want hij gebruikte niets dan een kelder, die naast het bordes van den bovenbewoner, zijn huisheer, op de straat uitkwam, en die hem niet alleen tot kelder, maar ook tot slaapkamer, keuken, huisvertrek, werkplaats, magazijn en winkel diende. De drie overige verdiepingen van het huis waren geheel en al in gebruik bij den eigenaar, maar deze was ook een heel ander mensch dan de man in den kelder. Die was maar een klein schoenmakertje, en hij was een groot man.

Eigenlijk was de man in den kelder maar een schoenlapper, maar omdat hij wel eens voor een oude juffrouw of voor een keukenmeid uit de buurt werkelijk nieuwe schoenen maakte, of ten minste gemaakt had, kon men hem ook wel een schoenmakertje heeten. De man zelf was anders in het geheel niet ijverzuchtig op dien titel. Op het kleine bordje, dat hij alle morgens ophing tusschen zijn deur en zijn eenig raam, waarachter hij altoos bij zijn elzen en leesten te werken zat, stond geen weidsch: "Mr. Schoenmaker", maar alleen: "P. Jillessen, in schoenen," te lezen. In dit opzicht verschilde hij wel wat van zijn bovenbuur, op wiens deurpost men van de overzij van de straat zeer duidelijk geschreven zag: "Mr. van Daveren, Advocaat"; ofschoon het wereldbekend was, dat de rijke Van Daveren nooit gepraktizeerd had. Dit was wereldbekend, - dat wil zeggen, men wist het de gansche stad door, en ook hier en daar elders; want ik geloof niet, dat men het in Japan en in Lapland wist. - Doch, het zou niet goed zijn, te spotten met mijnheer Van Daveren's bekendheid. Werkelijk toch was hij een der meestbekenden in den lande.

Hij was, gelijk ik reeds gezegd heb, een groot man. Als een familie in de stad logé's had en aan dezen het merkwaardige van de plaats liet zien, dat, benevens een schilderij in het weeshuis, waarop twee dikke erflaters uit de 17de eeuw, voornamelijk bestond in een zeker, vermoedelijk zilveren, voorwerp, dat op de secretarie berustte, en waarover de vorige archivaris een breedvoerige verhandeling geschreven had, ten bewijze dat het een beschadigde gildebeker uit den tijd van Graaf Albrecht was, terwijl anderen volhielden, dat het een stuk was van een scheepsroeper van de vloot van Piet Hein, - als families met hare logé's deze zeldzaamheden gingen bewonderen en het huis van onzen grooten man passeerden, dan was het altoos vast: "En hier nu woont van Daveren". En dan vroegen de logé's nooit: "wie is dat?" want allen kenden zijn naam en het zou gebrek aan opvoeding verraden hebben, als zij hem niet hadden gekend. Maar soms gebeurde het wel, als er onder de logé's een gevoelvol juffertje was met smachtendblauwe blikken en bleeke wangen, dat deze in verrukking uitriep: "o, wat een voorrecht, met zóó iemand in één stad te wonen! Och, mocht ik den lieven man maar eens eventjes zien!" Jillessen kon dat dikwijls woordelijk verstaan, terwijl hij voor zijn open raam een oude slof lapte; maar hij hoorde nooit zeggen: "kijk, daar zit Jillessen!" en nog veel minder: "o, die lieve Jillessen", of zoiets. Trouwens, hij was geen "groot man." Maar dat was Van Daveren wel.

Van Daveren had al dikwijls de pers doen zweeten, zooals de stedelijke courant zich eens over hem, even frisch als oorpronkelijk, uitliet bij gelegenheid van een buitenlandsch geleerd genootschap. Behalve de theses, waarop hij indertijd gepromoveerd was tot doctor in de rechten, had hij twee bundels gedichten uitgegeven. De laatste omvatte, naar het oordeel van kenners, zijn meesterstukken. Men vond er o.a. een elegie in op den dood van zijn eerste liefde en twee lange lijkzangen op de beide vrouwen die hij verloren had. Deze verzen hadden vooral zijn roem gevestigd, inzonderheid bij de dames. Men kon ze dan ook niet lezen zonder in tranen te baden en zonder met diep medelijden te worden vervuld voor den ongelukkigen, en toch in zijn ongeluk nog zoo grooten, dichter. Deze verzekerde in ieder der drie genoemde zangen, het leven moê te zijn en het alleen nog ter wille der poëzij te willen torschen, totdat hij er onder bezweek. Het vers op den dood van zijn tweede vrouw was misschien wel het aandoenlijkste. Het hief aan met de betuiging, dat de poëet zijn harp verbrijzeld had op de puinen van zijn levensgeluk, en tegelijk bewees het door de omstandigheid, dat het meer dan vierhonderd regels lang was, hoe de dichter de zeldzame geestkracht had weten te bewaren, om een geruimen tijd met zijn gebroken, of zelfs zonder, speeltuig voort te zingen.

Er was, toen de laatste bundel van Van Daveren in het licht verscheen, een jong substituut-officier bij de rechtbank van 's mans woonplaats, "een hoogmoedig en lichtvaardig spotter," zoals zijn deftige wijkdominee eens aan mevrouw de douairière Van Top Tot Teen zeide, terwijl hij heel lekkertjes bij HHWGeb. dineerde. Deze jongemensch waagde het op de heerensociëteit te zeggen, dat Van Daveren's rouw en levenszatheid, naar hem dacht, niet veel om 't lijf had. "De vent wordt er dik en vet onder!" lachte hij, "en 't zou mij niet verwonderen, of hij gaat nog eens voor de derde maal in 't schuitje, bijv. met een weeuwtje; maar in elk geval met een rijk wijf." Die onbetamelijke en ongevoelige praat werd met verdiende minachting aangehoord. Toch had de jonge spotter de voldoening, toen hij een jaar later met de diligence naar zijn nieuwen zetel vertrok, - hij was lid van een rechtbank geworden, - de koets voorbij te rijden, waarin de groote Van Daveren met een nog vrij mooie en buitengewoon gegoede, hoewel kinderlooze, weduwe naar het stadhuis rolde om te trouwen.

Toen Jillessen, het schoenmakertje, deze koets voor zijn kelder zag stilhouden, dacht hij aan den zwarten wagen, die nu bijna tien jaren geleden op dezelfde plaats stilgehouden had om zijn goede vrouw te halen en naar het kerkhof te brengen. Hij had bij die gelegenheid geen lijkzang gemaakt. Hij had er niet aan gedacht om het te doen. Maar wel had hij nog denzelfden dag een nieuwe zool gezet onder de laars van den knecht van mijnheer boven, want er was haast bij. Toen hij die laars den volgenden morgen vroeg thuis bezorgd had, verbeeldde hij zich de meid, die hem had opengedaan, tegen den knecht te hooren praten van "ongevoeligheid om te kunnen werken op den begrafenisdag van de vrouw", en ik weet niet, of het dáárvan kwam, maar, toen Jillesssen weer in zijn kelder zat, toen was het, evenals den vorigen avond, tusschen de matte hamerslagen op de zoolpinnetjes, alsof er iemand snikte. Dat was nu tien jaar geleden en nog altijd was Jillessen weduwnaar. Hij was wel in de gelegenheid geweest, om weer een, voor zijn doen goed, huwelijk te sluiten, en ik zal niet zeggen, dat hij er kwaad mee gedaan had, maar de eenvoudige man had er niet toe kunnen besluiten. De meiden van mijnheer, - zoo noemde hij zijn bovenbuur, - plaagden hem wel eens, - want hij was een goedhartige ziel, die heel goed tegen plagen kon, en soms zelf ook wat aardig uit den hoek kon komen, - nu ze plaagden hem er wel eens mee, dat hij voor vier jaar op een kermisavond uit geweest was met de dochter van wijlen Klaassen, den gewezen blikslager aan de overzij, een veertigjarig maagdelijn, met een groene paraplu en een eigen stoel in de Grote Kerk. Dat was dan ook zoo. Maar het was zoo wat half gedwongen werk geweest; en, toen ze in 't wassenbeeldenspel waren, was Jillessen bijna flauw geworden, want het stijve gezicht, ik geloof van Napoleon of zoo iemand, had hem op eens aan zijn overleden vrouw herinnerd en hij had den geheelen avond niets meer gezegd. Hij was dus ongetrouwd gebleven, maar een lijkzang had hij nooit gemaakt, want hij was geen groot man.

Dat was Van Daveren wel. Deze had niet alleen twee bundels gedichten, maar ook verscheiden verhandelingen, feestredevoeringen, kortom, een zwerm van brochures, in 't licht gezonden.

Beroemd was vooral zijn "Opwekking aan Neêrlands jongelingschap", in het begin van 1831, volgens verzekering van zijn vertrouwde vrienden binnen vier en twintig uren, opgesteld. Het stuk ademde enkel leeuwenmoed en ridderlijke trouw aan vorst en vaderland. De vervaardiger werd dan ook gedecoreerd op denzelfden dag, waarop Jillessen, die vrijwillig dienst was gaan nemen, op de catidel van Antwerpen geblesseerd werd. Deze hooge onderscheiding vuurde Van Daveren, die, helaas, door aanvallen van zwaarmoedigheid verhinderd was geweest, den tiendaagschen veldtocht mee te maken, aan, om een tweede vlugschrift te laten drukken, waarin hij de Franschen zoo vreeselijk welsprekend havende, dat zij, als zij het gelezen hadden, zeker oogenblikkelijk het beleg der citadel hadden opgebroken.

Zoo ergens dan onderscheidde Van Daveren zich op kerkelijk gebied. De voortreffelijke wijze, waarop hij met de predikanten zijner woonplaats, die hij niet zelden bij zich noodigde of met huishoudelijke geschenken verraste, wist om te gaan, bracht hem betrekkelijk reeds vroeg in de ouderlingenbank en vandaar in hoogere kerkbesturen; eindelijk zelfs in de Synodale Commissie. Van dit verheven standpunt oefende hij, - naar de meening van den president, - met wien hij het in dezen geheel eens was, - een wijduitgestrekten invloed. Hij werd zelfs eens in de Kerkelijke Courant in een ingezonden stuk het talentvolle hoofd van de gematigde partij genoemd. Dezen naam had hij waarschijnlijk te danken aan eene verhandeling, waarin hij, even keurig als klaar, een middelweg afbakende, op welken de strijdende richtingen zich, heel gemakkelijk en tevens zusterlijk, zouden kunnen vereenigen. Zij werd in de Boekzaal voor de Geleerde Wereld zeer gunstig gerecenseerd. Referent verklaarde, dat er voorgoed een einde door zou worden gemaakt aan alle kerkelijke tweedracht.

Toen Jillessen evenwel eenige maanden later in zijn kelder hoorde vertellen, dat mijnheer woedend-kwaad uit de kerkeraadsvergadering was geloopen, zoodat de dokter er bij te pas gekomen was, en wel, omdat er twee Groningers en een "otterdoxe" op het twaalftal waren gebracht, toen had het schoenmakertje toch nog stof om te zuchten: "Ik wou, dat onze ouderlingen wat eendrachtiger waren met de diakens. Maar ik vrees wel eens, dat mijnheer soms wat al te veel op zijn stuk staat. Daar heb je den nieuwen dominee. Nou, ik hoor liever den ouwe. Hij is mij vrij genoeg. Maar ik kom er toch, als hij preekt. Maar mijnheer komt nooit bij hem in de kerk. En waarom niet? - Hij heeft het mij zelvers gezeid, toen ik hem laatst de huishuur betaalde. - "Jillessen!" - zeid'ie, - "ik weet niks geen kwaad van zen preken," zeid'ie, "maar," zeid'ie, "ik wou nu eens voorgoed Mulder van Schoonhoven hebben". "Dien kon ik" - zeid'ie, "en dien had ik gerecommodeerd. Maar de jonge diakens wisten 't zeker beter als ik," zeid'ie."

Dit klinkt nu wel wat vreemd, dat de groote Van Daveren zich zoo zou hebben uitgelaten tegen een doodeenvoudig schoenlappertje. Men zou haast denken, dat Jillessn er in zijn relaas wel wat van St. Anna onderdoor liet loopen. Maar dat was toch zoo niet. Want, - om ook eens iets bijzonders van dit mannetje te zeggen, - ieder toch, hoe onbeduidend, heeft iets eigenaardigs, - Jillessen was zeer waarheidslievend. Om in de courantenstijl te vervallen, - de oudste menschen herinnerden zich niet, dat hij ooit gelogen, overdreven en evenmin dat hij ook maar éénmaal zijn woord gebroken had. Hij was een toonbeeld van goede trouw en eerlijkheid, niet het minst in zijn bedrijf. Als hij aangenomen had, tegen een bepaalden tijd een paar schoenen te maken of te lappen, dan kon men er staat op maken, dat ze tijdig klaar en thuis waren. En dat ze goed waren gemaakt ook; en toch niet te duur. Op dit punt was hij ongelooflijk streng voor zich zelven. Ik denk, dat hij, evenals de oude martelaars, op een brandstapel zou gestorven zijn, liever dan iemand voor een halven cent te benadeelen. Het was komiek,... neen, het was aandoenlijk, het was verheven om te zien, - maar niemand zag het, - geen mensch ten minste, - hoe hij, soms nog na middernacht, zat te zwoegen op een kapotte muil, waar bijna geen helpen meer aan was, die telkens opnieuw uitscheurde, en die hij toch morgen vroeg moest, en ook wou en zou afleveren, zoo goed als het ging. Deze nauwgezetheid had Jillessen overgeërfd van zijn grootvader, die hem en zijn zuster na hun ouders dood had grootgebracht en die, zooals het schoenmakertje dikwijls met een naïeve bewondering vertelde, alsof hij zelf ver bij den ouden man achterstond, - wat onmogelijk het geval kan geweest zijn, - die, naar Jillessen's verklaring, zoover hij wist, nog nooit één oneerlijk kruimeltje en één onwaar lettertje gesproken had. - Want, gelijk bij anderen wel eens het zwaard, of de toga, of de steek, of de geldkist van hun grootouders hun trots en hun glorie is, zoo was het bij Jillessen zijn grootvaders tong. - Zijn tong was intusschen niet minder zuiver, en dat vermeerderde dan ook wel het getal zijner klanten. Ja, misschien zou hij door zijn eerlijkheid een voornaam schoenmaker geworden zijn, als hij maar in staat was geweest, even fijn te werken als degelijk, en als hij middelen had bezeten, om zich in de hooger geheimen van St. Crispijn's gilde te laten inwijden. Maar dat was het geval niet, en daarom bleef hij een gering schoenlapper. Toch had hij het vrij druk, zoodat er onder de weinigen, die op hem letten, waren, die vermoedden, dat hij er warmpjes inzat. Dezen vergisten zich evenwel. Jillessen had juist genoeg, om in zijn geringe behoeften, - hij woonde alleen, - te voorzien en om te zorgen, dat hij eens eerlijk op eigen kosten begraven werd. Waar zijn overige verdiensten bleven, was een geheim. Misschien wist zijn zuster er wel iets van, een weduwe met een zwaar gezin, die des Zaterdags altoos den kelder van haar broêr kwam "doen". Haar kinderen toch, zagen er altoos knap in de kleeren uit en gingen op heel goede scholen, wat toen nogal geld kostte, en ze hielden allen, evenals hun moeder, wonderbaarlijk veel van hun "oome".

Het lijdt dus geen twijfel, of het was zooals Jillessen zeide, dat de groote Van Daveren gemeenzaam met hem over den nieuwen dominee had gesproken. Maar dat was ook in het geheel niet vreemd van dien grooten man. Van Daveren was vooral groot in zijn populariteit. Hij was de vriendelijkheid zelve jegens iedereen. Niet alleen nam hij zijn hoed af voor ieder onbekende dame die er lief uitzag, maar hij gaf handjes aan alle mogelijke burgerlui, streek de kinderen op straat, soms zelfs in verstrooiing de kindermeisjes, om de kin, en groette alle kaailoopers en baliekluivers bij naam. "Het zijn óók menschen", placht de groote man te zeggen, "allen kinderen met ons van één gezin." Dit maakte hem zeer gezien en waarschijnlijk werkte het sterk mee, om hem niet alleen raadslid, maar zelfs lid van de Tweede Kamer te doen worden. Op den dag, toen hij daartoe verkozen werd, vlagden verscheiden kruideniers, wier hart hij gestolen had, door familiaire praatjes op de stoep met hen te houden. Eén had zelfs op het "dundoek", - zoo als een lid van de rederijkerskamer zich uitdrukte, - in groote goudpapieren letters laten plakken: "den man des volks".

Een man uit dat "volk", een schoenmakertje, met name Jillessen, bevond zich kort daarop in Den Haag, waar hij iets te vragen had, als oud-verdediger van de citadel en met het oog op de belangen van zijn zusterkinderen, en bij die gelegenheid ontmoette hij den volksvertegenwoordiger, vergezeld van eenige voorname heeren, op den Kneuterdijk. Hij meende eerst, dat mijnheer hem scherp aanzag, maar hij had zich zeker bedrogen, want een oogenblik later ging deze hem rakelings voorbij, in een druk gesprek en zonder hem ook maar even te groeten. "Mijnheer", dacht Jillessen, "heeft me zeker niet gezien. Dat zal hem later, als hij 't hoort, wel spijten. Maar ik dorst hem niet te storen, want ik denk dat hij 't over politiek heeft."

Nu, dat kon wel zijn. Want, groote mannen als Van Daveren, doen veel aan politiek.

Eenige jaren na deze ontmoeting trof de stad, waar Van Daveren en Jillessen woonden, een zware ramp. Er brak een ziekte uit. Zij drong door in de huizen der grooten. Ook in dat van den grooten man. Zijn vrouw, zijn derde, werd er door aangetast.

Toen bleek Van Daveren's grootheid schitterender dan ooit. Met een tegenwoordigheid van geest, die aan het ongelooflijke grensde, snelde hij, zoodra de dokter hem verzekerd had, dat de noodlottige krankheid in zijn slaapvertrek woedde, naar Jillessen's kelder en bood hem een aanzienlijke belooning, wanneer hij de meiden als waker ter zijde wilde staan. Ons schoenmakertje keek wel wat raar op, maar - of hij zich juist herinnerde, dat de oudste zoon van zijn zuster een uitrusting noodig had om naar zee te gaan? - hij nam den gevaarlijke voorslag aan. Hij ging waken. En wel met zijn gewone nauwgezetheid; zóó zelfs, dat het een oogenblik de aandacht trok van de geneesheren, - er werden nog twee in consult geroepen, - waarvan één meende, dat het kereltje uit den kelder een onbetaalbaar ziekenoppasser zou zijn. Inmiddels wachtte Van Daveren met bewonderenswaardige kalmte in de benedenvoorzaal de bezoekers af, die even kwamen horen hoe het met de patient was. Slechts enkele malen had hij de zwakheid, zich door zijn gevoel naar de ziekenkamer te laten slepen. Er was een juffrouw in de buurt, die dat onnatuurlijk noemde. Maar men beduidde haar spoedig, dat het buitengewoon groot was.

Niettegenstaande alle verpleging, stierf mevrouw, en haar nu troostelooze gade sloot zich na de begrafenis ettelijke dagen in zijn studeervertrek op. Reeds hoopte men, dat hij een nieuwen lijkzang zou uitgeven. Maar men had het mis. De notaris, die bij den heer Van Daveren ontboden werd, kon het tegenspreken. Helaas, het bleef niet lang onbekend, wat die notaris bij den grooten man had moeten doen. Een week later lag deze ook al te ijlen in zijn ledikant. Zijn dokter stuurde den knecht naar het keldertje uit den kelder, die tijdens mevrouws ziekte zoo'n onbetaalbare geschiktheid voor oppasser had getoond. Hij moest maar zeggen, dat er weer goed wat te verdienen was. Maar dat behoefde niet. De knecht kwam terug met de boodschap, van Jillessen's zuster, dat mijnheer het niet kwalijk moest nemen, maar dat haar broer het zoo pasjes had afgelegd. Hij was al niet wel geweest van mevrouws sterfdag af. Maar hij had zich groot gehouden. Eerst voor drie dagen had hij om den dokter gestuurd. Die was dan ook van morgen gekomen en had dadelijk gezegd, dat er niets meer aan te doen was. - "Dat is jammer," zeide Van Daveren's geneesheer: "'t ventje had slag van waken." - "En hij maakte goedkoope schoenen ook," - voegde de knecht erbij, met een zucht.

Donderdag stond er in de stadscourant een treffend artikel. "Gisteravond," - zoo begon het, - "onderging de plaats onzer inwoning een "gevoelig" verlies. Een harer grootste, om niet te zeggen, de grootste harer burgers werd door de hier heerschende ziekte weggerukt. Van Daveren is niet meer." En vervolgens een lange optelling van de deugden en werken van den edele. Maar dit stuk haalde niet in lengte bij een tweede in een der volgende nummers, waarin, behalve de uitvoerige beschrijving van de begrafenis, ook een uittreksel voorkwam uit het testament van den overledene, door hem, onder den invloed van een merkwaardig voorgevoel, eerst kort voor zijn afsterven ontworpen. Daarbij werden aanzienlijke legaten, vrij van successierechten, aan allerlei weldadige en geleerde instellingen vermaakt, en dat scheen den redacteur zoo te treffen, dat hij besloot met den geestdriftvollen uitroep: "Burgers! laat ons op Van Daveren's graf een arduinen gedenkzuil oprichten met dit opschrift, bescheiden maar waarachtig, als de man zelf: "Hij was groot." Van Jillessen stond er niets in de courant. Slechts zijn zuster en hare kinderen stonden nog lang daarna 's Zondagsmiddags als ze tijd tot wandelen hadden, bij zijn grafheuveltje te treuren: "och hij was zoo goed!"