Aan Jacoba

Piet Paaltjens

En uw groote bruine blikken
Schuilt een wondre toovermacht.
Nu eens troosten zij mij zacht;
Dan weer doen ze mij verschrikken.

Praat ik rustig met u over
Iets van algemeen gewicht,
Vriendlijk straalt dan uw gezicht,
Als de maan door lenteloover.

Maar nauw waag ik het te klikken
Van mijn hard poétenlot,
Of meedoogelooze spot
Vuurspuwt uit uw donkre blikken.

Is het dan zoo iets bespotlijks,
Steeds te plassen in een zee
Van het onverklaarbaarst wee?
Is dat niet iets gruwzaam-godlijks?

Hoe? Reeds fonklen weer uw blikken?
Enge, och, genade! Ik zweer:
'k Spreek nooit van mijn lijden weer!
Stom hoop ik mij dood te snikken.