De bleeke jongeling

Piet Paaltjens

't Avondt. Aan de westertrans
Zinkt, in goud gehuld en glans,
Statig 't zonnelicht ter neer
In den schoot van 't wieglend meer,
Dat, als 't bloosde van verlangen,
Om het in zijn bed te ontvangen,
Inkarnaat voelt gloeien op zijn wangen.

't Avondt. Door het heidekruid
Suist als aeoolsharpgeluid
't Windeken en kust zoo zacht
Al de bloempjes goedennacht.
't Orgelend lied der vooglenkelen
Zwijgt in 't loover der abeelen,
't Sjirpend krekeltjen in de struweelen.

't Avondt. Aan den zoom van't meer
Zit een bleeke jongeling neer.
't Donker oog, naar 't west gericht,
Volgt het scheidend zonnelicht.
Tranen aan dat oog ontleken,
Die van grievend lijden spreken,
Lijden, - dat een jongelingshart doet breken.

't Nacht. En lange reeds verdronk
Ook de laatste zonnevonk.
Duisternis als van het graf
Daalde op meer en velden af.
Slechts het suizen van de blaren
Hoort men en 't geruisch der baren. -
Immer blijft de jongeling voor zich staren.

't Morgent. En een maagdlijk blond
Verft in 't oost den horizont.
't Blond verzilvert. 't Zilver smelt
Tot een goudzee. Trotsch ontsnelt
't Vlammend zonvuur aan de kimmen.
Damp en nevelen verglimmen
Straks tot purper bij zijn opwaartsklimmen.

't Morgent. Aan den zoom van 't meer
Zit nog steeds de jongeling neer,
't Bleek gelaat naar 't west gericht.
Maar zijn oog is blind voor 't licht,
Voor de bloemen, weer ontloken.
Opgehouden heeft te koken
's Jongelings bloed.- Zijn harte was gebroken.

(Naar het Lithauwsch van Joh. Plutzkow) 1851

Saaie, prozaïsche feiten:

De bleeke jongeling: Joh. Plutzkow was de naam van de koetsier, tevens stalknecht van Haverschmidts vader, "de vrucht van het zeer kortstondige huwelijk van een kozak uit de Franse tijd"


Bezorgd door Gil 'Hill' Zweers (etlgizw@etlxdmx.ericsson.se).