De kies

François Haverschmidt

"O! wat doet mijn mond mij zeer"
"Mijn pijn kent geene palen."
Zoo riep mijn' zuster Adriaan';
Kom vrienden 'k wil het U verhalen.

Eerst, lezers, dient tot uw advies,
Zij had zoo'n pijn in hare kies,
Een kies ter diepte van een voet,
Verschrik'lijk groot, en zwart als roet.

Wie kan de pijn en smarte malen,
Die haar ontpersten kreet op kreet
Wie kan haar jammeren verhalen
Dat mij het bloed stollen deed?

Wie kan d' ontelbre tranen tellen,
Die biggelden langs 't bleek wang?
'T begon mij zelf om 't hart te knellen,
Het werd mij om mijn ziel reeds bang.

Wat helpt laud'num en creosot,
Niets kan de pijn verzachten,
Al hooger, hooger klimt de nood;
Geen hulp is er te wachten.
kies.gif
Kom, laat er eens Oom Kesner halen;
Dat hij haar trekke deze kies,
Maar spoedig, spoedig, zonder dralen,
Elk oogenblik is tijdverlies.

Lang laat de tandenjood zich wachten,
Want hij was uit de stad,
Lang zaten wij naar hem te smachten,
Toen hij ons woning binnentrad.

Nu grijpt hij ras met leeuwenmoed,
Mijn zusters kiesjen aan,
En onder eenen stroom van bloed,
Is 't kunststuk reeds gedaan.

Zoo werd mijn zuster Adriane,
Verlost van hare pijn,
Zoo stort zij nu dan niet meer trane,
En kan weêr vrolijk zijn.

Devies: Bij 't trekken van de kies heeft Jaantje niet gegild,
        Want een kus van Kesner heeft alle pijn gestild.


16 Decemb. 1848

[François Haverschmidt pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.