Barend Krul

Grotesk-Komisch Gedicht

François Haverschmidt

Barend Krul

Eerste Zang

Ter naauwernood was nog de morgen aangebroken,
En ieder lag nog in het donsig bed gedoken,
Toen Barend Krul, (wie 't is kan 'k u zeer kort verklaren,
Hij is een burgerman, die door 't verkoop van garen,
Van linnen en katoen, en meer van zullek goed,
Acht kinders een een' ga zeer schraaltjes voeden moet;)
Toen die, 't is nu zoowat een maand of 2 verleden,
Om zes uur 's morgens uit zijn nedrig huis kwam treden.
Zijn gansche huisgezien, zijn' vrouw en achttal spruiten,
Waarvan een vijftal pas den vadernaam kan uiten,
Verzelden d'achtbren man al juichend tot de stoep,
Daar kreeg elk nog een' zoen, on onder 't luid geroep
Van "Patje, dag Papa", stapt Barend moedig voort,
En spoedig is hij reeds genaderd aan de poort.
Nog eens staakt hij zijn' loop, keert zich al wenkend' om,
En 't: "Pa, dag Patjelief!" is 't antwoord van den drom.

Zoo heeft hij 't veld bereikt; maar eerst blijft hij eens staan;
Hij wil het schoon taf'reel rondom zich gadeslaan,
En 't onbewolkt azuur des hemels eens beschouwen,
Of hij op zijnen reis wel 't weder kan betrouwen. -
Maar acht, was is Fortuin voor menigeen soms wreed! -
'T gebeurde namelijk, dat er een' kar langs reed,
En onze meester Krul, die naar de lucht stond kijken,
Bemerkt zulks al te laat; vergeefsche wil hij nog wijken,
En stort al schreeuwende: "Ach hemel! 'k doe me zeer!"
Met een' geduchten plof in 't vuile sluik ter neêr,
Dat hem om d'ooren spat.  De kreet ontsnapt zijn mond:
"Beroerde voerman, ha gij zijt een lamling en een hond!
"Dit gansche pak, het zijn mijn' beste zondagkleêren,
"Waarmeê mij 't oudrenpaar ter bruiloft kwam vereeren,
"Is schier vernield! wat zal mijn' Grietje kijven!
"Welligt zal zij mijn' rug met rottingolie wrijven!"

Voorwaar nog nooit was zulk een' ramp aan Krul gebeurd,
Zijn koffijbruine jas was gansch'lijk opgescheurd,
Zijn' fraaije grijze broek was vrees'lijk vuil en nat;
Zijn 10 jaar oude hoed geleek een' fijgenmat,
En 't geen het ergst nog was van alle deze zaken,
Was, dat hij met zijn verst aan iets was komen raken,
'T welk kiesheid ons verbiedt, om ronduit te openbaren,
Of om die vreemde zaak nog verder te verklaren.
Om kort te gaan, Baas Krul, ten uitersten verlegen,
Verliet de plaats, waar hij ter neder was gezegen,
Begaf zich toen terstond naar d'eerst' den besten vloed,
En maakte ras zijn kleed weêr ordelijk en goed.
En nu bemerkende, dat 't was zooals 't behoort,
Maakt' hij zich weer reisvaard, en stapte verder voort.
O, Krul! indien gij wist, hetgeen U nog verbeidt,
Gewis gij had deez' reis voorzigtiglijk vermijd.

Maar voor wij verder gaan met het geschiedverhaal,
Is 't noodig, dat 'k u Krul als 't waar voor ogen maal,
En dat 'k u duidlijk maak, hoe 't denkbeeld kon ontstaan,
Bij zulk een eerbaar' man, om uit de stad te gaan.
Ziet, 't was die blijde tijd, waarin, zoo 't spreekwoord zegt,
Het grootste voglental gewoonlijk eijeren legt;
En daar m' een ei gewis een' lekkere spijs mag noemen,
Welks voedzaamheid voorwaar ten hoogsten valt te roemen,
Zoo is men dan gewoon, dat men die eijeren koopt,
Van iemand die daartoe soms vele uren loopt.
En wie verwondert 't nu, dat Krul na taamlijk dralen,
Besloot om 't huisgezin op eijeren te onthalen?
Maar 't koopen was te duur, en wat zijn vrouwtje Griet
Ook tegenprotesteert, dat alles hiellep niet:
Heer Barend Krul nam het manmoedige besluit,
Om zelf ter vangst te gaan, en voerde 't werklijk uit.

Elk kent de reden dus, die Barend heeft bewogen
Dat hij des morgens vroeg ter poorte is getoogen,
Maar voor wij overgaan tot 't volgende bedrijf,
Is 't noodig, dat 'k den held van ons verhaal beschrijf.

Heer Barend is zoowat ruim 40 jaren oud,
Waarvan hij 19 met Grietje is getrouwd,
Doch ieder moet om strijd ter eer van Krul verklaren,
Dat hij, zooals men zegt, nog kras is voor zijn' jaren.
Een' dikke, warme pruik versiert zijn' kalen schedel;
Zijn blik, een weinig loens, is evenwel toch edel;
Zijn neus, het grootste sieraad van 't rimpelig gezigt,
Lijkt Babels toren wel, door Nimrod eens gesticht;
Maar 't geen een ieder 't meest in Barend zal bekooren,
Zijn zonder tegenspraak zijn lange ezelsooren.
Ziedaar 't schoon gelaat van onzen braven held,
Nu dient 't voornaamste deel der kleeding ook vermeld.
De reeds genoemde jas, die jas van alle jassen,
(Die echter Barend Krul ter nauwernood kan passen,)
Is 't eerste kleedingstuk, voorzien van wijde zakken,
'T welk door zijn' lengte dient tot dekking van de hakken.
Dan volgt de grijze broek, die aan zijn' dunne beenen,
Iets lieflijks, iets fraais, iets schoons weet te verleenen;
Een' hoed, die tot den neus gewoon is neêr te zakken,
Pleegt Barend Krul op zijnen warmen pruik te plakken;
En wat zijn vest betreft, 't is 20 jaar verleden,
Toen 't naar de laatste smaak voor Barend werd versneden.
En doek en overhemd, spierwit door Griets beleid,
Getuigen voor elks oog, van hare zind'lijkheid.
Ziedaar dan Barend Krul in al zijn' pracht en praal;
Nu volgt het tweede deel van 't roerende verhaal.

Einde van den Eersten Zang

Tweede Zang

Wel had zijn ongeluk ons' Barend zeer gespeten,
Maar door de hoop op vangst was het weldra vergeten;
En daar hij 't eerst half' uur door niemand werd gestoord,
Zoo stapt hij fluitende en zingend' verder voort.
Elk weet dat de eijeren meest liggen in moerassen,
En daarom wendde Krul zich naar die waterplassen,
Die noordwaarts lagen van de vesten zijner stad,
En waar men menig ei alreê gevonden had.
Voorspoedig was hij dan daar eind'lijk aangekomen:
Maar ach! hoe ras verloor hij thans de schoone droomen,
Die hij gekoesterd had; in plaats van eijerhoopen
Te vinden, moest hij nu door slijk en modder loopen,
En nog zag Meester Krul, al deed hij ook zijn best,
In heel den omtrek zelfs geen enkel vogelnest.
"Ach", riep hij kermend uit, "wie helpt mij uit deez' nood,
"Welligt vindt ik hier nog een' akeligen dood!"
Zoo stond hij daar dan de handen in elkaâr geslagen,
Gelijk een woênde leeuw al brullende te klagen,
Want overal in 't rond, waar of hij heenen ziet,
'T is alles slijk en vuil, tot in het verst verschiet,
Mismoedig zet hij zich in 't natte gras ter neder,
En kermt: "O gade en kroost, nooit zie 'k u op aard' u weder,
"Vaarwel mijn' lieve vrouw, vaarwel aanminge Griet,
"Nooit druk 'k u weêr aan 't hart, o nameloos verdriet.
"O, achttal kindertjes! nooit zult gij vaders zoenen
"Weêr smaken, want... reeds dringt het water in mijn' schoenen,
"Wat wordt er... maar! hoor ik geen stemmen van nabij?
"Ja zeker, daar naakt hulp! Help! menschen hellpe mij!"
Hij keert zich sidd'rend om:... o schrik!... een 10-tal boeren
Ziet hij, juist achter zich, hem lagchende beloeren!
"Wat scheelt je", zegt er een, "wel kerel, ben je dronken?"
"Neen, goede menschen, neen. Ik? ik ben niet beschonken,
"Indien gij zulks vermoedt, dan dwaalt gij door en door,
"Daar ik sinds jaren lang 't genootschap toebehoor,
"Dat 's schuwen van den drank met onvermoeide vlijt,
"Zoo veel als mogelijk is in 't vaderland verspreidt."
"Wel nu, wat is er dan", is 't antwoord, "al mijn' dagen,
"Het schijnt warempel wel u in het hoofd geslagen?"
"Ach, vrienden, wordt niet boos; ik wil u wel verhalen,
"Hoe ik in dit moeras al wand'lend kwam verdwalen;
"Maar 'k bid u op mijn' knieên met nederige toonen,
"Ach wijst mij weêr den weg, ik zal uw' moeit' beloonen!"
De boeren door zijn' taal in 't diepst der ziel bewogen,
Maar nog meer door een' beurs, die blonk in aller oogen,
Omsingelden baas Krul, en onder luidskeels zingen,
Begonnen zij om hem de hornepijp te springen.
Daarop werd hij, trotsch zijn wanhopig tegenstreven,
Met zaam vereênde kracht op eenen plank geheeven,
En onder 't luid geschreeuw, van: "Leve de Mijnheer"!
Bereikte men den weg, en zette Krul daar neêr.
Deez' gaf aan elk een' fooi en liep toen ijlings heenen,
Zoo snel als hij maar kon op zijn' verstijfde beenen.

Geruimen tijd had hij al hijgend voortgeloopen,
Toen werd hij weêr door lust naar eijeren bekropen:
Hij blijft eens staan, en mompelt: "Ja, misschien,
"Gelukt het mij in 't eind mijn' wensch bekroond te zien."
Gezegd, gedaan.  Hij klimt voorzichtig op een' heg,
Die zich aldaar bevond ter zijde van den weg;
En daarop als een vorst op zijnen troon gezeten,
Begon hij in zijn geest den omtrek af te meten.
Weldra ontdekt zijn oog een' kleinen modderplas,
In 't riet van welk' een nest ter halven zigtbaar was.
Wie kan de groote vreugd van Barend Krul verhalen!
Fluks springt hij van den heg, en draaft nu zonder dralen,
Naar dat gezegend plke, alwaar hij duid'lijk zag,
Dat er een ei of drie in 't nest verscholen lag.
Maar weder zal, o Krul! uw' vreugd in smart verkeeren!
Daar hij inzag, na lang en vruchteloos probeeren,
Dat hij zijn' broek en schoen', zijn' kousen en zijn' jas,
Uittrekken moet, lag hij dat alles in het gras.
En zo begaf hij zich blootvoets in 't kille nat,
Meer om de eijeren, dan wel opdat dit bad,
Hem zou verfrischen.  Naauw was hij bij 't nest gekomen,
Of hij hoort achter zich geritsel in de boomen;
Hij ziet, eer dat hij zulks krachtdadig kan beletten,
Een' man, die 't met zijn' jas gaat op een loopen zetten;
En dadelijk daarop ziet hij zulks zijn' andre kleêren,
Op juist dezelfde wijs alsmede eclipséren.
"Houdt,' roept hij uit, "houdt toch de dieven, 'k word vermoord"
Maar hoe hij schreeuwt en roept, zijn kreet wordt niet gehoord.
"Helaas, nu moet ik straks barvoets weêr huiswaarts keeren,
"Met welk een' zedepreek, zal Grietje mij vereeren!
"Wat wacht mij in de stad een allervrees'lijkst lot!
"Daar wordt ik wis een' prooi van jongens smaad en spot.
"Ach lieve deugd! wie zal zich over mij ontfermen!
"Maar kom, wat helpt mij ook dat klagen en dat kermen,
"Ik neem die eijers, keer dan naar mijn woning weêr;
"Mijn lot verbeteren, kan ik nu toch niet meer".
Hij deed gelijk hij sprak, lag d'eijers in zijn' hoed,
En stapte stadwaarts voort, met nieuwen lust en moed.
Afbeelding:

Einde van den Tweeden Zang

Derde Zang

Nog naauw was Barend Krul een half uur voortgegaan,
Of ziet, daar brak voor hem een' nieuwe kwelling aan;
Want aan 't begin der laan, die naar zijn' woonplaats leidt,
Geraakte onze held weêr in verlegenheid.
Daar kwam hem tot zijn' schrik een lange kerel tegen,
Die, als gewapend met een' stok en met een' degen,
Veldwachter bleek te zijn.  Hij bleef verwonderd staan,
En sprak: "Zeg vriendjelief, waar kom jij toch vandaan?
"Want bij mijn' arme ziel, je ziet er wel verbruid,
"Voor een' fatsoenlijk' man al drommelsch smerig uit".
"Gewis", hernam nu Krul, met sidderende leden,
"Een mensch in d' onderbroek hoort tot de zeldzaamheden,
"Maar toch, 'k verzeker u, had het aan mij gestaan,
"'K was nimmer, dus gekleed, hier langs den weg gegaan.
"Twee dieven hebben mij mijn' kleêren afgenomen,
"En daardoor ben ik in deez' bangen stand gekomen".
"Dat 's alles goed en wel," was 't antwoord, "maar voor mij
"Blijft uw geheel verhaal een' aartsbedriegerij.
"Ik ben geen goede ziel, aan wien men alle zaken,
"Die gansch onmoog'lijk zijn, begrijpelijk kan maken.
"Gij zijt, zooals ik denk, een gaauwdief of zoo iets,
"En aan een' man als mij, maakt men geen' leugens diets".
En om aan deze taal nog meerder kracht te geven,
Werd reeds de zware stok al zwaaijend opgeheven.
En toch bleef Krul bedaard.  In 't barnen der gevaren,
Was hij een rots gelijk in 't midden van de baren,
Die aan de stormen en d' orkanen weerstand biedt,
En met verachting op hun woeden nederziet.
Hoort slechts zijn' edle taal: "Hoe mensch, gij durft het wagen,
"Om mij, een' achtbren man, een' schrik op 't lijf te jagen,
"Gij hebt den moed om mij, omdat ik mis mijn' kleêren,
"Mij, met den naam van schurk, van gaauwdief te vereeren.
"Hoe, booswicht durft gij 't doen? Gij weet dan zeker niet,
"Dat gij een' man van stand, van rang, thans voor u ziet?
"Zoo ik mijn' naam u noem, dan durf ik haast wel zweren,
"Dat gij mij als een' wens van veel gewigt zult eeren;
"Dan zult gij beven! Ja, gij zult verpletterd staan
"Voor hem, dien gij nu dreigt om als een' hond te slaan!
"Want ziet 'k ben Barend Krul, ik ben die groote man
"Wiens woning u gewis een zuigling wijzen kan."
Thans zwijgt hij.  En hij slaat een' blik vol toorn op hem,
Die wis verpletterd was door zooveel vuur en klem;
En wil met nieuwen moed juist weder stadwaarts treden,
Na zooveel ongeluks en zooveel tegenheden,
Maar ach, wie schetst zijn' toorn! Zijn vijand grijpt hem aan,
En roept hem buldrend toe: "Hei vriendje! blijf eens staan!
"Wat gaat uw' naam mij aan; al mogt gij satan heeten,
"Sta, zeg ik u, of wis, mijn rotting zal u meeten!
"Verklaar u eerst opregt, hoedat het is geschied,
"Waardoor men u aldus hier zonder kleêren ziet,
"Want anders" (en hier gonst de rotting door de lucht),
"Wees anders slechts voor straf, voor strenge straf beducht."
Die woorden werken.  En heer Krul al knarsend op zijn' tanden,
En ballende de vuist, met rommelend' ingewanden,
Begint een trouw verhaal van al wat hem gebeurde,
Zoo roerend, dat het 't hart zijns vijand zelfs verscheurde.
Maar toen hij nu verhaalt, dat zijn' geheele togt
Slechts daarop neërkwam, dat hij eijeren had gezocht,
Helaas! toen was opnieuw, zooals men straks zal hooren,
Een' vreeslijke ramp voor Barend Krul beschoren:
Want ach! die goede ziel, in zijn' onnooselheid
Ontdekt hij al te laat dat 't was.... Verboden Tijd!

De zon zinkt statig aan de Wisterkimme neder,
En nog keert Barend Krul niet naar zijn' woning weder;
Vergeefsch staat juffrouw Griet verlangend uit te kijken,
Vergeefsch laat zij haar' angst door menig zuchtje blijken,
Vergeefsch getuigt een' stroom van tranen haar verdriet,
Wien of zij ook aanschouwt, haar' Barend ziet zij niet.
In 't eind ('t was zeven uur) verliest zij haar geduld,
En vol van bittre smart en grievend leed vervuld,
Roept zij haar' oudsten zoon (een' knaap van dertien jaar,
Die scheel van oogen was, en purperrood van haar.)
En spreekt aldus hem aan: "Komaan, mijn liefste schat,
"Loop ijlings naar den man, die rondroept in de stad,
"Wanneer iets wordt vermist; opdat het allen hooren,
"Hoedat uw vaderlief, mijn Barend is verloren;
"En zoo hem iemand vindt, 'k beloof zoo waar ik leef,
"Dat ik hem dan tot loon misschien een gulden geef."
Haar engelachtig kind volbrengt zijn' last terstond;
En dra klinkt 's roepers stem door heel de buurt in 't rond
"Gij burgers dezer veste, hoort mijne woorden aan!
"Verneemt hoe Barend Krul verloren is gegaan!
"Die man, bij u bekend door zooveel gaauwdiefstreken
"Is dezen morgen vroeg ter poorte uitgeweken!
"Zijn' achttal kindertjes, en zijn' beminde ga,
"Zij staren vol van smart d'ontvlugten booswicht na.
"O burgers dezer stad! Hoort hun vermurwend kermen
"En wilt u over hen, en hunnen nood ontfermen!
"Men zul de moeit van hem, die duidlijk aan kan toonen
"Waar of hij zich bevindt, op 't allermildst beloonen.
"Nog eens herhaal ik zulks, verstaat mij wel, mijnheeren,
"Men zal, dien Barend vindt, een' ruime gift vereeren."
Verbaasd had iedereen des roepers stem gehoord,
En menig burger, door 't beloofde loon bekoord,
Besloot, ofschoon de nacht reeds aan begon te breken,
Te zien, of niet heer Krul zich in de ommestreken
Der stad verborgen had, en of zich niet misschien
Een middel tot zijn' vangst toevallig aan zou biên.

Einde van den Derden Zang

Vierde Zang

Inmiddels was 't aan Krul gelukt, om in de boomen
Van 't digte kreupelbosch zijn' vijand te ontkomen,
Juist op het oogenblik, dat deez' met alle magt
Hem aangreep, en hem fluks te arresteeren dacht;
Maar, door zoo vlug hij kon, terstond ter zij te springen,
Was 't Barend Krul gelukt, zich weder vrij te wringen.
Ruim 4 uur liep hij voort; maar kon in 't eind niet meer
En afgemat viel hij in 't hooge gras ter neêr.
Het angstzweet brak hem uit, en als een nieuwe plaag
Gevoeld' hij thans het zwaard des hongers in zijn maag.
Helaas! wel had zijn' Griet hem voedsel meêgegeven,
Maar acht, 't was tot zijn schrik in zijnen jas gebleven
En was door 't dievenrot op 't schandlijkst hem ontroofd.
Vol wanhoop staart hij rond, van zinnen schier beroofd;
Want ach, heer Barend Krul had, in zoover wij weten,
Den ganschen dag nog niets, geen' kruimel zelfs gegeten.
Maar ziet, hoe plotseling zijn' bange vrees verdwijnt,
En weêr voor hem een' straal van nieuwe hoope schijnt.
Want hij bedenkt, hoe hij, bij 't barnen der gevaren,
Die op deez' bangen togt, door hem geleden waren,
De eijeren, zijn vangst, verborg in zijnen hoed,
En weêr herrijst bij hem zijn' reeds verflaauwde moed.
Maar, o wie kan zijn' smart, zijn' bittre smarte malen,
Nu hij ook deze hoop, zijn' laatste steun ziet falen!
Nu hij, tot overmaat van 't vreeslijk ongeluk,
Te laat vol spijt bemerkt, dat... de' eijeren zin stuk!

Dat is te vee; en Krul, door wanhoop schier verslagen,
Begint uit alle magt te kermen en te klagen,
Tot dat in 't eind de slaap, in 't holle van den nacht
Den held van ons verhaal tot zwijgen heeft gebragt.

Maar, ach, zelfs in deez' slaap was hem geen' rust beschoren:
Hij droomt: Daar klinkt een stem hem buldrend in zijn' ooren,
En toen hij vol van schrik en doodsangst om zich ziet,
Ontdekt hij achter zich zijn' dierbre egâ Griet.
Zij had de vuist gebald.  Een' vlam schoot uit haar' oogen,
En 't korengeele haar stond steilregt naar omhoogen;
Zo naârt zij Barend Krul, die, siddrend als een blad,
En liggend op zijn' kniên, haar om vergeving bad.
Doch neen, 't is al vergeefsch; want - knersende de tanden,
En huilende van toorn, strekt Griet haar' maag're handen,
Naar den rampzaalgen uit; maar plotseling verschijnt
Op eens een helder licht, en 't vreeslijk spook verdwijnt
Heer Barend is ontwaakt; - het droomgezigt vervlogen;
De morgen brak reeds aan; - en van des hemels boogen
Wierp op de aard de zon haar stralengloed ter neêr.
"Welaan, nog eens beproefd, opdat ik huiswaarts keer,"
Zoo roept thans Barend uit: "deez' droom toch kan mij leeren
"In welk een' bange vrees mijn' Grietje zal verkeeren"
Hij rijst met moeite op, en rigt zich afgemat
Door honger en verdriet, naar zijn' geboortestad.
Maar nauw vertoont de vest zich weêr aan zijne blikken,
Of ziet, een nieuw geval doet Barend Krul verschrikken;
Eer toch, dat hij de brug der gracht nog had betreên,
Wordt hij schier overlaân met duizend tegenheên:
Want eensklaps ziet hij zich door eenen hoop omringen
Van menschen, die om strijd zich om hem heên verdringen.
Fluks pakt hem één bij 't oor, een ander bij een been,
Een derde slaat zijn' arm om Barends ligchaam heen:
Kortom, een ieder poogt den vlugling vast te houen;
Terwijl een jongenskoor den man staat uit te jouwen.
Dit vreesselijk geschreeuw en ongehoerd rumoer,
Dat schier de gansche buurt in rep bragt en in roer,
Bereikte in het eind ook Margarietjes ooren,
En kwam de achtbre vrouw juist op de stonde storen,
Toen zij met heel haar kroost gerust ter neder zat,
En bij een kopje thee haar morgenvoedsel at.
Fluks vliegt zij naar de straat; - maar is schier neêrgezegen,
Want, ach, daar vindt zij Krul, bewusteloos gelegen
Te midden van de groep! Doch 't geen haar 't meest ontstak
Was, dat hem jas, en broek, en schoeisel zelfs ontbrak.
"O", roept zij jamrend uit, "mijn dierbre, liefste gade,
"Mijn Barend is niet meer! Nu zie ik al te spade
"Wat groote dwaasheid 't was, dat hij de stad verliet,
"Om 't droevigste einde, ver zijn' geliefde Griet
"En ver van 't teedre kroost, door 's moorders hand te vinden
"Tot weergalooze smart van hen, die hem beminden".

Doch ziet, hoe wonderbaar! - Haar echtgenoot herleeft,
Daar haar' bedroefde stem hem 't leven wedergeeft.
Hij rigt zich op, en slaat zijn' blik naar Griet omhoog,
En tranen van berouw verduisteren zijn oog.
Dat is te veel. - En Griet voelt al haar leden beven;
"Ja", snikt zij, "Barend, ja, 't is alles u vergeven!"
"Kom aan mijn kloppend hart; daar vindt gij weêr gena,
"Maar leer ook door 't geval, om in 't vervolg uw' gâ
"Te dienen op haar' wenk, en 't nimmermeer te wagen,
"Om haar door uw gedrag een' doodsangst aan te jagen".
Zoo spreekt zij; maar daar komt haar eensklaps voor den geest,
Het geld dat aan diegeen was toegezegd geweest,
Die Barend wederbragt. "Wie," laat haar stem zich hooren,
"Wie van ulieden vond het schaap, dat was verloren?"
Maar hoort: daar klinkt al ras tot Grietjes bange schrik,
Uit schier een' ieders mond 't begeerig woordje: "ik!"
"Wat zegt gij, waart gij elk de redder van zijn leven?
"Maar 'k kan toch ieder niet een' heelen gulden geven,
"Daar zijn er meer dan 10; en één slechts krijgt loon,
"dat ik, zooals gij weet, uliên heb aangeboôn."
Dit gaf een' nieuwen strijd.  Geen een van al die heeren
Had lust, om van zijn regt gewillig t' abdicéren.
Een luid gemor ontstond; doch 't bleef hier nog niet bij:
Weldra begon er zelfs een zware klopperij,
Tot dat het op het laatst een' kerel mogt gelukken,
Daar ieder voor de kracht van zijnen arm moest bukken,
Om heel den ruwen hoop op 't schielijkst te dien vliên,
Hoewel hij geenszins Krul het eerste had gezien.
Aan dezen ging men dus het geld ter handen stellen,
Waarop de echteliên nu ijlings huiswaarts snellen.

'T verhaal loopt naar het eind. Krul deed aan Margariet
Verslag van al hetgeen op reis hem was geschied;
En menig bange zucht klinkt Barend in zijn' ooren;
Als hij verhaalt, hoe hij zijn' kleêren had verloren.
En toen hij nu door spijs zijn' eetlust had voldaan,
Toen spreekt op eens zijn' gâ op 't plegtigste hem aan:
"Hoor, Barend, hoor mijn' stem; in al uw' tegenheden
"Hebt gij gelijk een' held met waren moed gestreden.
"Maar ik verklaar u thans: zoolang ik zal bestaan,
"Zult gij, o Krul, nooit weêr uit Eijerzoeken gaan".

Einde van den Vierden en laatsten Zang



1849

[François Haverschmidt pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.