Liefdewraak

Piet Paaltjens

"Ha! weet ge 't niet, wat kanker woedt
In 't lang miskende hart,
Als liefde 't vuur der wraak ontsteekt,
En misdaad groet uit smart?"

Zoo zong weleer de droeve luit
Van wijlen Van der Vliet.
- Wie, die wat doet aan belletrie,
Kent zijn gedichten niet? -

En, o, zijn luit had wel gelijk,
Er is geen twijfel aan:
Als 's jonglings liefde wordt gehoond,
Dan steekt zij 't wraakvuur aan.

Dan slijpt ze in 't nachtlijk uur den dolk
En plompt hem in de borst
Van die haar trapte in 't aangezicht
En haar miskennen dorst.

Dan mengt zij heimlijk haar vergift
En giet het in den strot
Van die haar beê om wedermin
Ontving met schimp en spot.

Dan laadt ze in 't eenzaam haar geweer
En schiet het op háár af,
Die voor haar hitte en haar vuur
Slechts koelheid wedergaf.

Want 's jonglings hart is als van staal;
Wel kan de hand der maagd
Het buigen, maar die proeve zij
Niet al te ver gewaagd.

Als zij lichtzinning 't spel vervolgt,
Vermetel d' uitslag tart,
Dan springt het staal en graaft een wond
In 't maagdelijke hart.

Een dikke sneeuwlaag dekt den grond;
Een wolkenlaag 't azuur;
't Vriest dertig graad; de wind blaast fel;
't Is 's nachts om twalef uur.

Maar trots de koude en trots den nacht
Staat op de Hoogewoerd
Een jongling, vrij van oogopslag,
Het hart door min beroerd.

Hij speelt op zijn gitaar en zingt,
't Oog op een raam gericht,
Met een vrij goeden bariton
Een teeder minnedicht.

Hij zingt er eerst een in het Fransch,
Genaamd: "le troubadour",
In acht coupletten, en 't refrein
Luidt telkens: "Ah! l'amour!"

Vervolgens zingt hij een in 't Duitsch.
Dat klinkt wel een zo schoon.
't Zijn nu geen luchte trillers meer;
't Is nu een sombre toon.

Hij zingt van Thränen, Höllenschmerz,
Van Sehnsucht, Grab en Tod,
En weent zijn beide wangen nat
En beî zijn oogen rood.

In 't Hollandsch zingt de jongling niet;
Die taal is ongeschikt;
Zij klinkt in de ooren van de min
Zoo ruw en ongelikt.

Maar, of hij Fransch trillers sla,
Dan of hij weene en zucht'
In 't Duitsch, hij merkt aan liefjes raam
Geen licht op of gerucht.

En of hij voor den tienden keer
Zijn minnelied herhaal',
Hij krijgt voor al zijn schoon gezang
Geen teeken weer of taal.

Dat wekt in 't eind des jonglings toorn.
Zijn oogen schieten vuur;
En aan zijn mond ontstijgt de kreet:
"Ha! dat betaalt ge duur!"

En vol van wraak buigt hij zich neer,
Pakt fluks een sneeuwbal saâm
En werpt hem, paars van nijdigheid,
Bij 't liefje door het raam;

En keert met gitaar in d' arm,
En neuriet droef het lied:
"Ha! weet ge 't niet, wat kanker woedt - "
Gemaakt door Van der Vliet.

1850

Saaie, prozaïsche feiten:

J.L. van der Vliet (Boudewijn) was boekhandelaar, tijdschriftleider en dichter (overleden 1851): Jenny [Zie Dl1. p 177 van De Verspreidde Poëzie van Piet Paaltjens.

De Hoegewoerd is een straat te Leiden, waar Paaltjens' uitgever zijn kamers had.