Wij zaten met ons vieren In den tuin van de sociëteit. "Kijk, jongens!" riep Sand, "wat passeert daar Een eeuwig knappe meid." "Ja," zei Kaai, "dat's een pracht van een meisje! Zoo zijn er geen twaalf in 't land" "Ik hoor," zuchtte Haas, "ze is in stilte Geëngageerd met een luitenant." "Wat mankeert je, Paal?" riep Sand weer, "Je wordt zoo bleek als de door! Neem wat dubbelgebeide!" - "Neen, Dundas!" Schreeuwde Haas, "breng gauw een glas rood!" Wel dronk ik, om Haas te pleizieren, Het rood uit, - ook smaakte 't wel goed, - Maar op geen van mijn beide wangen Herriep het den rozengloed. Sinds ik weet, dat een luitnant in stilte Mag bluffen op háár bezit, Zien mijn vroeggeknakte wangen Onherroepelijk marmerwit.
Saaie, prozaïsche feiten:
Kaai is Willem van der Kaay, die evenals Sand (A. van Wessem) tot
Haverschmidts beste vrienden behoorde.
Haas is de bijnaam van Haverschmidt zelf.