Piet Paaltjens
De lente lacht. De knoppen springen open, En 't bosch trilt van des nachtegalen zang; Men kan weer dungekleed naar buiten loopen, En binnen is de schoonmaak aan den gang. Doch eenzaam zit, ten prooi aan een verkoudheid, De dichter in zijn muf vertrek, en kucht En hoest, vandat de morgenzon haar goud spreidt Totdat de nachtwind langs de straten zucht. En alle zijnen jonkheid pekelzonden Gaan dreigende voorbij zijn kranken geest, Verbintenissen, snood door hem geschonden, Geloften, die hij ontrouw is geweest. Aanvanklijk onverschillig - grijnzend telt hij Haar hondertallen, maar in 't eind, daar schrikt Hij doodsbleek van zijn stoel op, zóó ontstelt hij Van 't spook, dat hem ten laatsten in de oogen blikt. Wat is het voor een monster, dat hem aangromt? Een monster? ...Liefelijker jonkvrouw zocht Ge vruchtloos, ook zoo ge naar de maan klomt, Of daaldet in des afgronds diepste krocht.
1870
[Piet Paaltjens pagina] [Coster pagina]
Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan:
coster@dds.nl.