Reunie

Piet Paaltjens

Die trommel klinget selsam,
Hat gar einen starken Ton;
Die alten todten Soldaten
Erwachen im Grab davon.

v. Zedlitz.

De feestlijk getooide straten
  Der jubelende Sleutelstad
Verheffen de blijde tonen
  Van het oude Io vivat.

En op die tooverklanken
  Ontwaken, wijd en zijd,
Van Dollart tot aan Schelde,
  Studenten van vroeger tijd.

Het wordt hun zoo wonder om 't harte,
  Zij weten zelf niet hoe,
Zij moeten en zij zullen
  Nog eens naar Leiden toe.

Nog eens weer moeten hun stemmen
  De straten der Sleutelstad
Doen daveren van het oude
  Het eeuwig Io vivat.


En nu, ze zijn gekomen, Gekomen van wijd en zijd, De wakkere oud-studentjes, De jongens van vroeger tijd. Wel menigeen liet er zijn haren; Den krullebol van weleer Herkent Knaap's geurige gevel Niet in dien grijskop meer. En vruchteloos mag Plooi nog Beproeven, of hij u nog ziet: Gij vluggerd van voordezen, Zijt immers dat buikje niet? Helaas, Plooi zelf heeft een buikje, En Knaap - hem ontzonk de schaar; Vater Muller en Juf ook, die rusten Voor altoos nu bij elkaar. Waar of de van Heezen bleven? En sloegen zij met de vier Denzelfden donkren hoek om Als Mozes en Jan Cassier?
Wij missen nog andere braven, Nog beteren dan zij: Ook broeders, eens van de besten, Ontbreken er in de rij. Wij zien hun trouwe gezichten, wij hooren hun gullen lach Alleen nog uit neevlige verte. Och, of ik u hier nog zag! Och, of ik het hoofd weer kon leggen Tegen uw eerlijke borst, Als toen ik u al mijn hopen En vreezen vertellen dorst. Om u schier mocht het mij rouwen Dat ik de Sleutelstad Nog eenmaal wil doen daveren Van ons Io vivat.
Maar neen, gedroogd de tranen! We wisten het toch vooraf: Wat liefheeft, dat moet scheiden, Wat leeft, rijpt voor het graf. En is ook, te avond of morgen, De beurt van heengaan mijn, Zoo wil ik, lieve Broeders, Vandaag recht vroolijk zijn. Daar zijn mij nog gebleven, En, wat er ook verging, Het zijn nog de eigenste harten, Waar eens mijn hart aan hing. Want deftig wel kunnen wij kijken, En wijs, en vervelend ook, doen, Maar van binnen, och, even prettig En dwaas nog zijn wij als toen. Laat parelen maar als vroeger Wat "stokouds en geurigs" in 't glas, En ruischte om onze hoofden 't Nostrorum sanitas! Dan stijft weer uit de graven Een lang vergeten heir Van zangen en van kluchten, En grijpt als vanouds naar 't geweer. En langs de roemruchte gelederen Schrijdt in haar statigsten stap De eerwaardige Alma Mater, En lacht zich inwendig slap. Zij is een hooge dame (Van afkomst nog Godin), Maar herkent zij haar oude jongens, Dan heeft zij 't eerst recht naar den zin. Dan tintelt haar weer in de aderen Het zuiver Attisch bloed: Zoo'n Reunie om de vijf jaren, Dat doet het Oudje goed! Vooruit dan, kameraden, En daver de Sleutelstad, Waar 't ook voor 't lest, dan nog eenmaal, Van ons zalig Io Vivat!

Juni 1880.