Donkersteeg, No 12.

Piet Paaltjens

In de Donkersteeg te Leiden,
Boven d'ingang van een winkel
Waar ge schoeisel kunt vernieuwen,
   Hangt een gouden houten laars.

Leiden heeft meer schoenenwinkels,
OóKegge met houten uithanglaarzen,
Groene, roode; - geen van allen
   Haalt er bij die gouden laars.

Geen van allen ook zo zorgzaam
Wordt behandeld. Tot bedervens
Toe vertroetelt wordt diezelfde
   Oude gouden houten laars.

Nauwlijks daalt nog de avondschaduw
(Vroeg daalt ze in de Donkersteeg al),
Of twee zachte handen halen
   Haar voorzichtig naar omlaag;

Dragen haar den winkel binnen,
Bergen haar in 't vaste hoekje,
Waar zij veilig uit mag rusten,
   Tot de late morgen daagt.

Niemand stoort haar in haar droomen;
Om haar henen louter geuren
Van segrijn, marocco, vetleer:
   't Lieflijkst wat een laars ooit ruikt.

Toch - tevreden, toch - gelukkig,
Ondanks zelfs haar kostlijk hulsel,
Alle jaren bijgeholpen,
   Is zij niet, de gouden laars.

Soms bij 't zacht naar binnen halen
Vallen droppels van den zoolrand;
Regendroppels, zou men meenen:
   Laarzen immers weenen niet!

Waarom zou een laars niet weenen?
Waarom zou een laars niet voelen?
Weinig weten wij; ook weinig,
   Wat er omgaat in een laars.


Veertig jaar is 't haast geleden, Och, het heugt haar nog als gistren, Toen ook al op 't eigen plekje Hing de gouden houten laars. Maar neen, hangen was het toen niet; Vastgesmeed zat ze aan haar ijzer, En geen hand nog, die haar 's avonds Teederlijk naar binnen droeg. Eindelooze winternachten, Vaak een sneeuwklomp, of met pijpen IJs van neus en hiel haar druipend, Stond de gouden laars toen door. En in eenen van die nachten (Geen klabakker die zich waagde In den ijzig killen sneeuwstorm) Plotseling verdween de laars. Knakte een windvlaag 't stevig ijzer? 't Leek geen werk van menschenhanden ... Wie er ooit de daders meldde, Niet de stomme gouden laars. Maar het heugt haar nog als gistren, Toen zij 't eerst weer tot zichzelf kwam, Lag zij, bezig met ontdooien, Lekker op een canapé. Toen begon het lieve leven, Toen de zalige zes weken, Die, zoo oud als zij zal worden, Nooit vergeet de gouden laars. Dat was anders dan te zitten Vastgeklonken aan een ijzer, Alle dagen, alle nachten, In de saaie Donkersteeg. Deftig boven op een voetstuk Kwam zij aan den wand te prijken, Met niet minder dan Minerva, Hoogsthaarzelve, tot pendant. En van dat verheven standpunt Hoorde zij dan al de wijsheid, Die er pleegt verkocht te worden Op de kast van een student. Ook wel dwaas was, wat zij hoorde, Tusschenbeide. Dat beviel haar Haast nog beter. Men zou zeggen Van zoo'n houten gouden laars! Eenmaal op een achtermiddag Greep haar heer haar bij de kuit en Midden onder flesch en glazen Plaatst hij op de tafel haar, Doopt haar plechtig met Bourgogne, En met algemeene stemmen Kiest top presidentenhamer Haar het hooggeleerd dispuut. Hoe nu davert zij en dondert, Tot herstel van rust en orde, Als de heele troep een spreker Zoo maar in de rede valt. Hoog zelfs boven 't dondrendst Io En het daavrendst Gaudeamus Bonst de gouden laars, thans hamer, In het noodig, met haar hak. Ach, wel vlood voor al dat bonzen 't Allerglanzigst van haar goudglans, Zooals roode wangen tanen, Wen men al te hard studeert. Doch dat had ze er graag voor over, Alles had ze graag gegeven, Tot den kwast, den fijnbewerkte, Die er afhing van haar schacht. Arme laars, gespleten was ze En versplinterd gansch met wellust, Had ze als hamer mogen sterven Van het hooggeleerd dispuut. Doch niet áldus was besloten: Booze tongen, slimme dienders ... En een strenge commissaris Maakte aan alles wreed een end. Op een goeden morgen hing daar, Nieuwverguld op kosten nog wel Van haar vroegverloren meesters, In de Donkersteeg de laars.
Daaraan denkt zij, daarvan droomt zij, Van die langvervlogen dagen, Als de westewind haar wiegelt Aan haar onvermurwbren haak. Daaraan denkt zij, daarvan droomt zij, Als zij 's avonds uit haar hoekje Zwijgend 't gas ziet lichtjes toovren Op de schoenen om haar heen. Och, zij heeft wel andre lichtjes, Geestiger dan gas in schoensmeer, Blinken zien uit vroolijke oogen1 - Blonken nu die oogen nòg? In 't begin bij tusschenpoozen Zag zij nog wel eens een enkle Van haar vrienden, die beneden Schichtig langs haar henenschoot. Ja, één was er, bleek en mager (Maar dat was dan ook een dichter): Wat een zee van weemoed lag er In den blik, dien hij haar schonk! Of hij voortgaat nog met dichten En met weemoedvol te blikken? Vruchtloos wacht op eenig naricht Jaar en dag de gouden laars.
Laat haar wachten, laat haar droomen, Laat het haar toch nimmer weten: Ach, de bleeke, maagre zanger Is niet mager meer en bleek. Ooh het zingen gaat hem niet meer Zoo gemaklijk af als vroeger: Als hij somtijds nog een vers maakt, Zijn het verzen zonder rijm. En het naarste nog van alles: Uit zijn oogen, vol van weemoed, Kan hij al niet goed meer kijken Dan gewapend met een bril. Laat haar wachten, laat haar droomen: Kwam hij mooglijk nog eens weder, Niet haar zanger zou herkennen De oude, gouden, houten laars.