Wie ziet daar op die vieze bank

Piet Paaltjens

Wie zit daar op die vieze bank
In het hoekje van die vunze kroeg
En drinkt er zijn borrels uit en de na
En drinkt er toch - lijkt het wel - nooit genoeg?

Zijn hoed ziet rood - maar rooder nog ziet
De punt van zijn neus, de kraag van zijn rok
Glimt smerig, - doch smeriger glans nog glimt
Zijn oogen uit bij iederen slok.

Niet altijd zag die hoed zoo rood
Niet altijd was die kraag zoo glad.
Ook die neus heeft eenmaal een andere kleur
Ook dat oog eens een anderen gloed gehad.

Wat booze geest kwam over dien mensch
En wierp hem zijn schaduw op het gewaad.
Wat monster uit het diepste der hel
Sloeg hem de klauwen in 't bloeiend gelaat?

Wat monster? Ha! als de lente zoo schoon
Was zij die de schande bracht over zijn hoofd,
Als het dons van de zwaan zoo blank en zoo zacht
Was de hand die voor eeuwig zijn eer heeft geroofd.


[Piet Paaltjens pagina] [Coster pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen.
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.